• Waardevolle bijdrage aan het huidige feminisme debat

    Waardevolle bijdrage aan het huidige feminisme debat

    Onlangs verscheen het boek Duizend-en-een manieren om jood of moslim te zijn. Nee, daarover gaat het hier niet, maar de essaybundel Wolf zou net zo goed Duizend-en-een manieren om vrouw te zijn hebben kunnen heten. Of, liever: dertien manieren, want uit zoveel essays bestaat het. Allemaal geschreven door een, meest jonge, feministische vrouw. Dat er nog vele andere manieren zijn, moge duidelijk zijn. Schrijver en journalist Maartje Laterveer die de bundel samenstelde, wijst er in haar inleidende stuk zelf ook min of meer op. Het vrouwbeeld wordt, concludeert zij, de laatste tijd steeds diverser, maar er is een constante: vrijheid, dat in de klassieke zin van het woord zoveel betekent als het leven in eigen hand nemen, worden wat je wilt, kleden zoals je je wilt en net zo vrij zijn als mannen.

    De wolf
    De titel van de bundel is een reminiscentie aan de achternaam van Virginia Woolf (A room of one’s own) en slaat tevens op ‘een uitermate slim en vriendelijk dier dat alleen aanvalt wanneer het nodig is’. Een dier ook dat respect afdwingt en buitengewoon intelligent is.
    Journalist en schrijver Yaël Vinckx komt in haar essay op de wolf terug. Een wolf die ‘doodgemoedereerd in haar eentje in het park struinde’. Vinckx wachtte niet op haar prins op het witte paard. Ze ging in alles haar eigen weg, ontwikkelde zich tot powervrouw, one of the boys. Maar het roer ging om… Haar conclusie is dan ook: ‘Misschien moeten we meer zijn als de wolven (…): de taken eerlijker verdelen (…), elkaar helpen (…), ieders talent herkennen, erkennen en gebruiken (…). Schat empathie en harmonie op waarde’. Een conclusie die doet denken aan anekdotes en essays van Rebekka de Wit, Afhankelijkheidsverklaring. Ook over vrijheid, maar dan in de klassieke zin.

    Vrijheid
    Iets soortgelijks treffen we aan in het essay van Naema Tahir, de Brits-Nederlandse schrijfster en juriste van Pakistaanse origine. Zij stelt dat de aanslag op de Twin Towers ‘wereldwijd een heftig debat deed losbarsten over Westerse normen en waarden, zoals vrijheid en gelijkheid, en de vraag of mensen uit andere culturen die normen en waarden wel deelden. Onderdeel van dat debat was de positie van de oosterse vrouw’.
    Vrouwen die vasthouden aan hun tradities en volledige individuele vrijheid afwijzen ten gunste van hun gemeenschap.
    Vrijheid is een kernwoord dat in de meeste essays terugkomt. Soms verkeert vrijheid in zijn tegendeel, zoals in de bijdrage van theaterredacteur en schrijfster Herien Wensink. Zij is zich ervan bewust, net zomin als mannen, vrij te zijn van vooroordelen: ‘Kritische, felle, uitgesproken vrouwen vind ik vaak “heftig” of “moeilijk” en ook een beetje eng (…). Maar mijn god, wat zou ik soms graag zijn zoals zij.’

    Technologie
    Vrij om boosheid te uiten, zodat anderen iets over haar leren en het contact verder brengen. Het essay van schrijfster en onderzoeksjournalist Emy Koopman neemt een andere wending. Voor haar, bij wie de baarmoederhals werd verwijderd, betekent vrijheid ‘voorbij de baarmoeder en de vagina kijken’. Het zou volgens haar betekenen, dat mensen met het MRK-syndroom (wel xx-chromosomen en eierstokken, maar geen baarmoeder en inwendige vagina) ‘wellicht ook niet de wens hebben om een “echte vrouw” te worden’.
    De Vlaamse historicus Anaïs Van Ertvelde tempert het beeld van vrijheid ook iets: dingen zijn zelden zo bevrijdend als ze lijken. Zij is geboren met een korte rechterarm en een prothese zorgde ervoor dat technologie voor haar nooit waardevrij was. ‘Geen blije, vrije keuze’. Maar er is ook een keerzijde, wanneer ze ‘de vrijheid van de beperking’ voelt. ‘Ik weet namelijk maar al te goed dat er niets te doen valt aan mijn korte arm, en die wetenschap maakt mij vrij.’ Technologische vooruitgang, stelt zij, biedt niet per definitie meer vrijheid.

    Vrijheid en geluk hoeven dan ook niet samen te gaan, zoals literair criticus Bo van Houwelingen tenslotte aantoont. Zij dacht vrij te zijn op het moment dat ze in Amsterdam op kamers ging wonen, weg van haar moeder die haar dochter niet in netpanty’s en lakschoentjes wil zien lopen. Ze bleek ‘ongelukkig, maar vrijer dan ooit’. In die volgorde. ‘De geleefde werkelijkheid’ is, zoals ze met Simone de Beauvoir zegt, ‘weerbarstiger’.

    Persoonlijke stem
    Een andere constante in de essays is, naast het thema ‘vrijheid’, zoals hierboven ook duidelijk naar voren kwam, de persoonlijke invalshoek van de schrijvers. Persoonlijke ervaringen en anekdotes maken deze bundel tot een unieke stem binnen het huidige feminisme debat. Een stem die steeds vaker doorklinkt. Niet alleen in de hiervoor genoemde bundel van Rebekka de Wit, maar ook in het grensoverschrijdend boek Loslopen van Laura van der Haar, waarin niet een wolf leidend is, maar een hond, Takkie. Het sterker door laten klinken van de eigen (kleine) ervaringswereld die tegelijk zo universeel is, is wellicht tekenend voor de eenentwintigste eeuwse (vrouwelijke?) essayistiek.
    Deze bundel is dan ook een waardevolle bijdrage aan de huidige stand van het feminisme debat. Niet het zoveelste boek over dit onderwerp, maar een dat benadrukt dat er duizend-en-een manieren zijn om vrouw te zijn.

     

  • Zoeken en vinden als vorm van genade

    Zoeken en vinden als vorm van genade

    Jutka Horvath, het hoofdpersonage in Vonne van der Meers roman Vindeling, lijkt het zusje van Ramses Shaffy’s Sammy. ‘Waarom loop je zo gebogen Sammy’, zingt Shaffy en geeft allerlei suggesties op het waarom. Ook Jutka loopt gebogen en kijkt constant naar beneden. Zij doet dit, omdat ze hoopt op straat iets te vinden. Urenlang loopt ze ‘door de stad in de hoop iets te zien liggen wat een ander was kwijtgeraakt’. Zoals een damestas, die ze als zesjarige vindt en die haar leven verandert, doordat ze van de eigenaresse ervan een boek, Winterboek, cadeau krijgt. Daarin staat onder meer een verhaal over een kind dat een speelgoedvis kwijt raakt.

    Vis als bijbels symbool

    Jutka weet als kind nog niet wat wij, als volwassen lezers erin vermoeden: de vis als symbool voor het christendom;  zoeken en vinden als Bijbelse notie. Met al dat zoeken, vinden en teruggeven kan het thema van de dertiende roman van Van der Meer dan ook niet mis verstaan worden. In het grote en in het kleine. Groot, omdat Jutka haar vaderland Hongarije, of, ‘waar wij vandaan komen’ als vluchteling in 1956 kwijt was geraakt. Klein omdat haar vader dood is, of beter: doodgezwegen wordt omdat hij vreemd ging. ‘Ze probeerde te vergeten dat hij haar vergeten was’. Tenminste, dat dacht ze.

    Subtiliteit wordt pathetiek

    Vinder zijn is, zegt de moeder van Jutka, een vorm van genade. Het terugbezorgen van een vondst aan de eigenaar, is het brengen van geluk. Vinden lijkt op vissen, waarmee het eerder genoemde thema ‘vis’ en de christelijke connotatie daarvan op een subtiele manier wordt hernomen. Dit geldt ook voor het beeld van Jutka, die door al dat gestaar naar de grond krom groeide en op school werd nageroepen als ‘kolensjouwer’ of ‘dromedaris’. Het is een beeld dat in de literatuur oude papieren heeft: een Messiasachtige figuur zoals Lev Nikolayevitch Myshkin in Dostojevskis’ De idioot. Een personage dat in Zwitserland vervreemdt van zijn vaderland, zoals Jutka in Nederland van Hongarije, en wordt bespot. Met dit verschil, dat Jutka in tegenstelling tot de Russische prins wél wat te bieden heeft, als vindeling.

    De filosoof Peter Sloterdijk noemt Myshkin een engel zonder boodschap, zoals een priester van een kerk waarin je de Sint Nicolaaskerk in Amsterdam zou kunnen herkennen, in Jutka’s gekromde rug engelenvleugels meende te kunnen zien, ‘als handen die zich smekend samenballen’. De subtiliteit van het beeld van de vis, maakt hier plaats voor pathetiek, die misschien alleen te pruimen is binnen de geschetste intertekstualiteit en de lichtere passages over Jutka’s moeder, die ’s avonds als de pianiste Miss Chris optreedt in Hotel Rembrandt.

    Tijdens een van die avonden vindt Jutka, die alleen thuis is, in de kledingkast van haar moeder een schoenendoos waarin zo’n honderd ansichtkaarten zitten die haar dood gezwegen vader gedurende zeven jaar (het getal van de volheid) aan zijn dochter schreef en die haar moeder altijd voor Jutka verborgen hield. Het lijkt of Jutka hiermee zichzelf vindt en ze besluit, omdat ze er inmiddels de leeftijd voor heeft, uit huis te gaan.

    Dilemma’s 

    Er ontstaat een nieuwe verhaallijn, wanneer Jutka in Parijs, waar ze als au pair werkt, de Algerijn Hamid ontmoet die haar een dilemma voorlegt: moet je het belang van een groep mensen voor laten gaan boven dat van bijvoorbeeld je eigen kind? Hier schemert de filosofie van iemand als Thomas Hobbes en het communitarisme doorheen, wat verder niet wordt uitgewerkt. Met een beetje fantasie kun je deze verhaallijn opvatten als het vinden van een man. Door dergelijke verhaallijnen, waarbinnen het thema zoeken en vinden wordt verschoven naar hervonden herinneringen met haar vader, die ze na veertien jaar (twee maal zeven) in Parijs ontmoet, verbrokkelt het thema steeds meer, zodat je je als lezer soms afvraagt of Van der Meer er niet beter aan had gedaan het op zich fraaie gegeven van de Vindeling uit te werken tot een verhaal, een novelle of – zoals in Eilandgasten (1999), waarin ook een soort engel een verbindende schakel is, – een roman in verhalen.

    Het lezen van de schrijfster

    Soms is er een moment waarop je denkt te begrijpen wat de schrijfster aan het doen is. Namelijk in het laatste hoofdstuk, wanneer Jonas – een jongeman in een honkbaljack – Jutka een map terugbrengt die ze was verloren, met ‘losse fragmenten van verhalen’ die ze al vijftien jaar met zich meezeult. Bijvoorbeeld over een kind dat in een container werd gevonden. Op deze manier vallen vorm, inhoud en boodschap van de roman even samen, want vijftien is het symbool van genade.
    Jammer is alleen dat dit soms wat pathetisch wordt verwoord ten koste van een subtiliteit die wel degelijk in de roman aanwezig is. Niet alle (niet-christelijke) lezers zullen dit helemaal kunnen waarderen. Maar dat is waarschijnlijk niet Vonne van der Meers primaire doelgroep.

     

  • Prachtige realistische roman uit de jaren dertig nog steeds actueel

    Prachtige realistische roman uit de jaren dertig nog steeds actueel

    Het is alsof ze aan tafel zit met een kennis die naar haar luistert. Een tafel waar midden in de nacht licht op valt. Met dit verschil, dat ‘ze’, de ik-figuur Heleen, ter observatie is opgenomen in een – zoals dat toen heette (De biecht dateert uit 1930) – zenuwkliniek. De ‘kennis’ is een nachtzuster die zwijgt en waarschijnlijk ook niet echt luistert. Ze kijkt haar alleen even aan als Heleen het heeft over Hannes of Lientje.
    Marianne Philips (1886-1951) schreef de monologue intérieur op die Heleen gedurende twee nachten vertelt. Als socialistisch politica en schrijfster geeft ze een realistisch inkijkje in het leven van een meisje uit een arbeidersgezin dat zich weet op te werken en vervolgens in een psychische crisis terecht komt.

    Zwijgen is pijnlijk

    Heleen vertelt haar levensverhaal aan de nachtzuster in de kliniek waar ze is opgenomen. Gaandeweg komen we erachter, dat Lientje haar jongste zusje is, een nakomertje, ‘zo’n plat week kindje (…) dat gereden moest worden tot het stevig en lastig werd en op het bankje ging klimmen’. Heleen vertelt dat ze een vreselijke jeugd heeft gehad. ‘In die tijd heb ik ook geprobeerd om me te vergiftigen. Ik heb alle luciferkoppen uit een heel doosje lucifers opgegeten (…). Ik heb alleen maagpijn gehad.’ Ook komen we er achter dat Hannes haar man was en ‘het einde van alles’ betekende.
    Misschien gaat het er niet eens zozeer om dat er naar Heleen wordt geluisterd maar meer dat ze haar verhaal kwijt kan. Om bijvoorbeeld te bewijzen dat ze niet helemaal gek is – omdat zwijgen pijnlijker is – om dát te vertellen wat ze niet wil vergeten, één keer in haar leven en van a tot z.

    Lientje

    Ze vertelt over haar dreinende en huilende zusje, geplaagd door een darminfectie en die haar ouders met de wieg naast haar bed zette zodat zij op haar kan letten. Herinneringen die boven lijken te komen door juffrouw Thysselt in de kliniek, een vrouw die de hele dag huilt en zegt dat ze o zo dom is geweest. Juffrouw Thysselt had de keus gehad, maar niet gegrepen. Omdat ze meende dat haar levensweg was uitgestippeld. Heleen had daarentegen wel gekozen, was uit huis naar de grote stad gegaan. Welke wordt niet genoemd, waardoor de roman iets universeels heeft. Ze wordt verkoopster in een chique herenmodezaak. Dat wil zeggen: ze is iemand met aanleg om tot verkoopster uit te groeien, maar verdient eerst niet meer dan tien gulden per maand. Bij de winkel Camelot even verderop, verdient ze als chef van de afdeling met luxeartikelen honderd gulden per maand.

    Ook hier toont zich haar afkomst: ‘Ik was (…) niet hoog genoeg om vrij te kiezen. Ik zat voorgoed vast aan het gewone leven dat iedere dag terugkomt (…). Doodgewoon, het leven dat terugkomt zonder onze wil en ons opgebruikt.’
    Ze voelt zich, nog geen dertig jaar, oud. ‘Mijn leven was klaar en stond stil.’ Deze visie lijkt voort te komen uit de tijd waarin Philips De biecht schreef. Het heersende sociaal determinisme waarin de sociale omgeving het individu bepaalde. De auteur knaagt op verschillende manieren, tevergeefs lijkt het wel, aan die gedachte: Heleen trouwt bijvoorbeeld met een man met een goed inkomen, maar het huwelijk houdt geen twee jaar stand.

    Hannes

    Over Hannes komen we te weten dat hij de gymnastiekmeester was van Lientje. Heleen vat liefde voor hem op en is ‘tegelijk o zo vreselijk bang’ dat ze ‘hem kwaad zou doen.’ Telkens weer valt er een schaduw, een dreiging over haar geluk. Heleen voelt zich schuldig en schaamt zich ervoor dat ze met Hannes geen kinderen krijgt. Ze hunkert naar de tijd waarin ze gelukkig waren. Een gedachte die inherent is aan het denken van mensen die het gevoel hebben niet veel waard te zijn, iets waar Heleen zich ook regelmatig over uitlaat. Het is een gevoel van verveling en droefheid dat haar bekruipt, wat je spleen of melancholie zou kunnen noemen – evenzeer als het sociaal determinisme, is dit kenmerkend voor de tijd waarin dit boek speelt.

    In dit boek speelt de gedachte dat het leven uit scherven bestaat. Heleen hoopt dat Gods hand die scherven op hun plaats zal leggen, maar raakt ervan overtuigd dat dit niet gebeurt en dat ook God, net als de nachtzuster tegen wie ze haar verhaal vertelt, zich in stilte hult. Ze zal zelf de scherven aaneen moeten voegen maar dat lukt haar niet. En als dit bewustzijn te dichtbij komt, maakt ze zich ervan af met een grapje. Lientje, die met haar zwakke gezondheid bij Heleen en haar man Hannes inwoont, werpt haar voor de voeten dat ze eigenlijk een narcist is, vol zelfmedelijden.

    Indrukkwekkend en actueel

    De biecht is een prachtige, indrukwekkende roman die in die jaren niet onverdeeld gunstig werd ontvangen. Soms valt negatieve kritiek en lof samen, zoals in een recensie van Jan Greshoff. Het klopt dat er slordigheden in het boek zijn te ontdekken, in de zin dat de feiten niet altijd met elkaar overeenkomen. Daar staat echter veel tegenover dat een heruitgave rechtvaardigt, tegelijk met de heruitgave van Philips’ De zaak Beukenoot. Het boek blijkt nog steeds actueel en leest als een aanklacht tegen de psychiatrische zorg. Ook is het een uiting van een verborgen en zwijgende God en bovendien het idee van een volslagen vrije wil tot op zekere hoogte wordt betwijfeld. Maar vooral om de manier waarop Philips het verhaal van Heleen, Lientje en Hannes langzaam ontvouwt en de dreiging die erboven hangt voelbaar maakt.

    In het toenmalige Boekenweekgeschenk De zaak Beukenoot (1950) valt Marianne Philips de Nederlandse rechtspraak aan. Er wordt een officier van justitie neergezet met ‘vierkante schouders [die] de toga vulden en [een] hals [die] zijn vlezige kop verder omhoog hief’. Twintig jaar later dan De biecht is de sobere stijl gebleven, alleen wel wat feller geworden, terwijl onderliggende thema’s als het verzet van de kleine man tegen de macht hetzelfde zijn gebleven. In dit geval komt ‘voor iedere gedetineerde het kritieke ogenblik waarop hij niet langer kan zwijgen en praten moet’ (De zaak Beukenoot). Zoals dat ook voor Heleen opging. En voor de schrijfster zelf, die verhaalt over de arbeidersklasse en van wie bekend is dat zij ongeveer in dezelfde tijd dat ze haar psychologische roman De biecht schreef in analyse is geweest. We danken er twee prachtige boeken aan.

     

  • Proust is overal

    Proust is overal

    Samen met een vriendin vorm ik een leesclubje. Met Oud en Nieuw hebben we het eerste deel uit Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust besproken. Niet dat mijn onvolprezen docente Frans op de middelbare school, Dieuwke Eringa (auteur van de prachtige autobiografie Ik ben van elf) Proust niet heeft behandeld, maar dit was anders.

    We kwamen zo’n beetje tegelijkertijd op het idee en sindsdien duikt de naam Proust overal op. Bij mij begon het met een radio-uitzending waarin violiste Maria en pianiste Nathalia Milstein A chloris van componist Reynaldo Hahn (1874-1947) speelden. Hahn bleek een korte liefdesrelatie met Proust te hebben gehad en schreef dit stukje oorspronkelijk voor zangstem en piano. De bewerking staat op de CD La sonate de Vinteuil, een eerbetoon van de zussen Milstein aan Prousts Op zoek naar de verloren tijd.
    Het stukje werkte bij mij op dezelfde manier als bij Proust de madeleine bij een kopje thee: ‘in een seconde doorliep ik eeuwen van beschaving’, om de ik-figuur aan te halen. Bij het stukje van Hahn kun je wegdromen op een nostalgisch aandoende, wiegende pianobegeleiding. Het bracht me door het mooie, bescheiden toucher van de pianiste terug in het ouderlijk huis, waar mijn vader achter de piano zat en een kleinood speelde.

    Een week later zong tenor Mark Padmore met Imogen Cooper aan de piano in het Amsterdamse Concertgebouw enkele Chansons grises van diezelfde Reynaldo Hahn, die Padmore zonder rustmoment aaneenreeg met twee Mélodies van Hahns tijdgenoot Fauré. Het laatste lied van Hahn heet L’heure exquise, het volmaakte uur, waarin heden en verleden samen vielen in een moment dat eeuwig leek te duren. De filosoof Bergson had het erover, herinner ik me van de lessen van Dieuwke Eringa, maar Bergson schijn je volgens mijn vriendin op een of andere manier niet meer met Proust in verband te mogen brengen.

    Voor NBD Biblion recenseerde ik in diezelfde week het literaire essay Over Bach van de Vlaamse schrijver en  tevens Proustliefhebber Bart Stouten. Het kon niet missen: Proust komt ook in dit fraaie boekje verschillende keren voorbij. De Fransman gaat volgens Stouten in zijn Recherche ‘op zoek naar de betekenis van het leven’ – inderdaad: verder dan Bergson dus.
    Stouten heeft het over de ettelijke pagina’s die Proust wijdt ‘aan het herhaald beluisteren van een magisch soort muzikaal zinnetje dat de verteller blijft intrigeren (…). Swann verbindt de geboorte van zijn liefde voor Odette met een frase uit de sonate van Vinteuil: in een mystiek aanvoelend moment laat Proust zich meevoeren door zijn indrukken sine materia die zich enten op het ranke melodietje van de viool en de “massale doorbraak” van de piano. De frase achtervolgt Proust (…) en veeleer dan een intrinsieke betekenis te hebben, “openbaart” ze.’
    Voor mij is dat melodietje sinds die bewuste radio-uitzending toen ik stond af te wassen – hoe gewoontjes wil je het hebben – A chloris van Hahn. En misschien gaat Proust dáár wel over: de gewone dingen des levens.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Ritme

    Ritme

    Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet voor zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met een vuist uit naar mensen om zich heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.
    Een dag later kwam ik bij mij in de buurt een kleine man tegen met een aangelijnde al even kleine, witte poedel. Hij had een ouderwets transistorradiootje bij zich waaruit zachtjes vrolijke muziek klonk,

    muziek waar we veertig jaar geleden op dansten:
        een bas die vier maten herhaalt en herhaalt

    aldus Martin Reints in zijn bundel met gedichten en beschouwingen, Wildcamera.

    Later zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
    Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven. En de muziek van de kleine man zou hij zien als diens wijze om met zíjn problemen om te gaan. Hij zou hem in ieder geval zien als iemand met autisme.

    Op grond van een gebeurtenis die Artur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet. En dat niet alleen, de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluitte, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’
    Hieruit concludeer ik dat niet reageren ook voor ons, een publiek van zogenaamde ‘normalen’ op het drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station, na de eerste schrik, wellicht de beste reactie was.
    De oproep van beide mannen op straat, van de man in de bus en de jongen van achttien bij Japin is denk ik met Moyaert dan ook niet: ‘Help mij’, maar: Geef me de ruimte. ‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Dat moeten wij niet verstoren.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

     

  • Een week lang feest

    Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
    De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

    Verhalen vertellen
    De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
    Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiëren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

    Kunst
    Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
    Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

    Verbinding
    Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
    Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

    Ontwikkeling
    Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
    De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

    Oh wonder!
    How many goodly creatures are there here!
    How beauteous mankind is! O brave new world,
    That has such people in it!

    In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

     

    foto: Yve du Bois

     

     

  • De ziel van het lezen

    Jarenlang heb ik op de Muziekschool in Amsterdam hoboles gehad. De langste tijd van Leo van der Lek, die althoboïst was van het – toen nog niet Koninklijk – Concertgebouworkest. Op een gegeven moment vond hij de tijd rijp om mij rieten te leren snijden. Gewapend met een glas water om het hout in nat te maken, een mes om het te snijden, een vijl om het dunner te maken en ga zo maar door. En tot slot met een stel stevige lippen om het eindproduct dicht te knijpen. Het was best leuk om zo bezig te zijn, en het leverde ook geestige momenten op wanneer Van der Lek op het eind van een les bijvoorbeeld met een zwierig gebaar het glas water uit het open raam leegde en er toevallig net een andere docent zat te genieten in de zon …

    Maar wat je al rieten makend vooral nodig had, was een dosis gevoel om, zoals Van der Lek het noemde, een ziel in het riet te leggen. Hij wist zelfs de plaats ervan aan te wijzen. De magie is er alleen een beetje af, nu ik in de roman Morgenvroeg in New York van Adrien Bosc las dat ook een viool een âme, een ziel heeft. Dat vurenhouten stukje binnen in de klankkast kan ook gewoon worden aangewezen: ‘Een paar millimeter rechts van de kam en het staartstuk zorgt de stapel, de “ziel”, vanbinnen (…) voor weerklank.’

    En toeval bestaat niet. Al struinend tussen boeken in de uitverkoop tref ik voor in het essay Wat alleen de roman kan zeggen van Oek de Jong een motto aan van Stendhal: ‘Een roman is als een strijkstok, de klankkast van de viool – dat is de ziel van het lezen.’
    Het wordt wel erg veel allemaal, een ziel die je overal opeens, soms aanwijsbaar, schijnt terug te kunnen vinden. Bosc concludeert met enig gevoel voor drama iets soortgelijks als Stendhal, namelijk dat de ziel een soort galmkamer is, ja zelfs ‘de zwaarte van het bestaan.’ En dat vindt hij wel een mooie gedachte.

    In dat citaat vibreert uiteraard een boektitel mee. Van een roman natuurlijk. Die romans, en de ziel van het lezen zelf, hebben een beetje de plaats van de hobo ingenomen. Het viel me zwaar hem aan de wilgen te hangen, maar met de vervanging kon het minder.

     

    Foto Henk Hilterman

     

  • Service van de zaak

    ‘Een ander gaat naar een concert, wij hebben dit’, zei kortgeleden een vliegtuigspotter toen de Joint Strike Fighter (F-35)  vliegbasis Leeuwarden aandeed. Er was een tijd dat ik concerten recenseerde voor een regionaal Fries dagblad en beide deed: een optreden van de Kapel van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis verslaan én eersterangs zicht hebben op een F-16. Om beide had ik niet direct gevraagd.

    Bij de poort van de vliegbasis moest ik mij legitimeren. Anders dan Tonio Kröger, die in de gelijknamige novelle van Thomas Mann op een gegeven moment niets bij zich had om zich te legitimeren, had ik erop gerekend. En anders dan in het verhaal van Mann, volstond hier geen typoscript met mijn naam erop. Want uiteindelijk zijn en blijven ook muziekjournalisten journalisten, en daar moet je mee oppassen!

    Mijn auto, en even later die van een wat oudere collega-recensent van een andere krant, werd naar een platform achter de hangar van een F-16 gedirigeerd. Er stond er maar een. In de pauze zagen we dat er bewaking bij onze auto’s stond. Of was dat verbeelding, en was het voor die F-16? In ieder geval werden we tijdens de pauze geschaduwd, daar was geen verbeelding voor nodig. Dit maakte mijn collega en diens vrouw hoe langer hoe zenuwachtiger, en ze meenden dat het beter was om in elkaars buurt te blijven.

    Aan het eind van het concert werden we weer onder escorte naar buiten geleid. Ik stapte in en zag achter me de koplampen van een ‘volgauto’ oplichten. Toen ik bij de slagbomen was aangekomen, stroomde inmiddels de volle parkeerplaats leeg. Deze auto’s hadden allemaal voorrang op mij en ik bezat mijn ziel in lijdzaamheid, hoewel er thuis een schrijfklus op me wachtte. Mijn collega-recensent en zijn vrouw was ik inmiddels uit het oog verloren.

    Op een gegeven moment schoot de auto die mij op gepaste afstand volgde mij links voorbij. Een politieman stapte uit, hield alle langzaam, in colonne rijdende auto’s tegen, en gebaarde mij op te trekken en in te voegen. Wat bij Mann aan het begin van zijn ontmoeting met een politieman gebeurde (hij beschreef zijn vriendelijke, eerlijke gezicht), gebeurde bij mij aan het eind van een avond vol vooroordelen en oordelen: voor even was de politie mijn dikste vriend.

    Ik moest er weer aan denken toen ik onlangs las wat de woordvoerder van een groot congres van Jehova’s getuigen in Utrecht antwoordde op de vraag van een journalist, waarom hij niet onbegeleid rond had mogen lopen: ‘Dat is service.’

     

     

  • Tanden als spiegels van de ziel

    Tanden als spiegels van de ziel

    De hoofdpersoon in het derde in het Nederlands vertaalde boek van de Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli (1983) is Gustavo Sánchez Sánchez, bijgenaamd Snelweg omdat hij veel reist. Hij volgt een cursus kunst van het veilen volgens de Yushimito-techniek. Deze komt voort ‘uit een combinatie van klassieke retorica en de mathematische excentriciteitstheorie’ – één van de vele, heerlijke onzinzinnen in dit boek. Hij ontwikkelt de zogenaamde allegorische veilingtechniek: ‘Snelweg zou de kunst van het veilen opnieuw vormgeven. Ik was geen verachtelijke verkoper van voorwerpen, maar vooral een liefhebber en verzamelaar van goede verhalen. Einde van de verklaring’.

    Dáár draait alles om in dit surrealistische boek: het verzamelen en veilen van tanden en het vertellen van verhalen over de geschiedenis ervan. Als Snelweg via een louche veiling aan het gebit van Marilyn Monroe komt, is zijn geluk compleet. Voor Snelweg zijn tanden het summum, de spiegels van de ziel, meer nog dan ogen. Snelweg veilt tien van zijn eigen tanden aan de bewoners van een bejaardenhospice. Hij dicht ze toe aan grote denkers en schrijvers als Plato, Augustinus en Borges, over wie in het boek anekdotes zijn opgenomen.

    Uiteindelijk vindt Snelweg, die zelf niet kan schrijven, Pedro Menard (Pepe) bereid om de geschiedenis van in eerste instantie zijn eigen tanden te boek te stellen. Als Pedro dit af heeft, wil Sánchez dat hij een catalogus samenstelt van zijn collectie verzamelobjecten, te beginnen met de nagels van zijn vader, de eerste collectie die Sánchez als kind al aanlegde, tot zijn paperclipsen.

    Het vijfde van de zeven delen waaruit het boek bestaat, wordt ingenomen door de biografie van Sánchez’ tanden, die Snelweg consequent autobiografie noemt. Gevolgd door deel zes, ‘een circulaire rondgang langs beroemde plekken uit Snelwegs leven’ in de vorm van negen foto’s. Deze verschillende vormen en stijlen maken het experimentele karakter van dit boek uit.

    Maar louter hieruit, of uit heerlijke onzin bestaat het boek niet. In de verzameling goede verhalen zitten diepere lagen en details verscholen. Snelweg lijkt bijvoorbeeld iets tussen aap en mens te zijn, geboren als hij is met vier premature tanden en van top tot teen bedekt met een dun laagje zwart haar, zoals terloops wordt opgemerkt.

    De vragen die Luiselli hiermee oproept, lijken te zijn: wat is echt en wat niet, wat blijft uiteindelijk, hoe slecht en echt kan een mens zijn, in leven en dood, en wat is de rol van kunst, marktwerking en geld bij dit alles? Zij doet dit in de vorm van fantasievol komisch drama dat in de ondertitel een roman in zeven afleveringen wordt genoemd. De stijl is surreëel en op z’n tijd essayistisch, gelardeerd met zwarte humor: ‘Papa heeft nu geen tanden meer. En ook geen nagels of een gezicht meer: we hebben hem twee jaar geleden gecremeerd’.

    Het is het soort vragen die de Nederlandse schrijfster Niña Weijers ook lijkt op te roepen, getuige niet alleen De consequenties, haar al even knappe en rijke roman vol verwijzingen als die van Luiselli, maar bijvoorbeeld ook in een column in De Groene Amsterdammer van 10 augustus jl. Hierin beschrijft Weijers een nauwelijks bekend schilderij van Frans Hals waarop een liggend naakt is afgebeeld. Op dat schilderij van Hals zijn de ‘borsten geschilderd alsof ze gezichtsuitdrukkingen bezitten, haar knieën geven net zo veel prijs over haar gemoed als haar kin’. Vervang borsten, knieën en kin door tanden, en je bent bij De geschiedenis van mijn tanden van de overigens door Weijers zeer bewonderde Luiselli, die zij in april van dit jaar interviewde voor De Morgen. En Weijers is inmiddels niet de enige, als we de flaptekst mogen geloven.


    De geschiedenis van mijn tanden

    Auteur: Valeria Luiselli
    Vertaald door: P. Menard
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,50

  • De kunst van een eenling

    De kunst van een eenling

    De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

    Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

    Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

    Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

    Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

     

    Goethe. Kunstwerk van het leven
    Biografie

    Auteur: Rüdiger Safranski
    Vertaald door: Mark Wildschut
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 704
    Prijs: € 44,99

  • De lezer als de man in de grot van Plato

    De lezer als de man in de grot van Plato

    Volgens de Brits-Amerikaanse filosoof A.N. Whitehead is de Westerse filosofie niets anders dan ‘een serie voetnoten bij Plato.’ Iets soortgelijks kun je evengoed zeggen van veel kunstwerken. Zo refereren zowel werk als uitlatingen van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge aan Plato’s allegorie van de grot: iemand zit met zijn rug naar het licht, naar wat zich buiten de grot allemaal afspeelt. Op de wand van de grot ziet hij de schaduwen van die wereld waardoor hij van de werkelijke wereld alleen maar een idee krijgt.

    Ook ten aanzien van de wat filosofisch ingestelde literatuur kun je soms zeggen dat het een voetnoot bij Plato is. Een voorbeeld is de beschrijving die Michel Houellebecq in zijn roman Elementaire deeltjes geeft: ‘Hij had zijn beeld geïsoleerd beschouwd, als een mentale vorm die onafhankelijk van hemzelf bestond en met anderen kon worden gedeeld.’ Identificatie met zijn eigen beeld werd opgeheven, in de ruimte werden twee sferen van elkaar gescheiden: in de ene die van het zijn, in de tweede die van het niet-zijn ‘en de opheffing van het individu.’

    Neem vervolgens het debuut van schrijver Jori Stam (1987) ter hand. De rode lijn in de meeste van de tien verhalen die samen de bundel Een volstrekt nutteloos mens vormen, is de werkelijke, eenzame wereld tegenover de, in zijn geval, virtuele wereld die met anderen wordt gedeeld.

    Het begint al in het eerste verhaal, waarin de literaire thrillers van schrijver Harm een slechte pers krijgen, terwijl er 128.548 bezoekers afkomen op het videokanaal van zijn buurman, ‘een nietsnut met overgewicht.’ Beide families gaan samen met vakantie. De mannen maken een wandeling door een diepe kloof. De buurman heet terug te zijn gegaan, omdat hij de zware tocht niet kan volhouden, maar een foto op Facebook lijkt iets anders te bewijzen. De kloof tussen schijn en werkelijkheid is veranderd in een afgrond.

    In het tweede verhaal zet het ‘liken’ van een foto op Facebook de gezonde verhouding tussen een man en een vrouwelijke collega onder druk. Ook in het vierde verhaal speelt sociale media een rol: de ik-persoon creëert  op een datingsite een eigen identiteit, onafhankelijk van de werkelijkheid. De identiteit van een onzekere man, die op die manier de macht in handen legt van eenzame vrouwen. Maar ondertussen …. In nog geen vier pagina’s neemt dit verhaal een morbide wending.

    Ook in het vijfde verhaal draait het om twee werelden. In dit geval om die van mensen en dieren. Het verhaal speelt zich af in een Turkse kebabzaak, waar aluminium bakjes worden gevuld met friet, vlees, sla, dressing en gesmolten kaas. Hetzelfde soort bakjes waarmee de ik-persoon muizen vangt. ‘Toen zij uiteindelijk bedaarde, schreef ik met een zwarte markeerstift MUIZENGEVANGENIS op het bakje.’ Het blijft niet bij de overeenkomst tussen de bakjes. Er bestaat ook een overeenkomst tussen de knijpfles met gif en die met saus ….

    In het negende verhaal gaat Antoon, klein van stuk met een buikje en ‘veel erger nog borstjes en uitstulpende tepels’, helemaal op in zijn paarden, ‘zijn vrienden, kennissen en familie ineen.’ Hij wil een nieuw veulen kopen, wat iedereen in de omgeving bevreemd, ‘na wat er met het vorige veulen is gebeurd.’ Antoon maakt kennis met de vriendin van zijn neefje, Toet, ‘een enorme gestalte zonder borsten maar met een pony en een paardenstaart. Ze kan ook briesen door haar grote lippen.’ Hier wordt de nadruk gelegd op de overeenkomst tussen in dit geval een pony en een enorm grote vrouw.

    Het tegenover elkaar plaatsen van twee mensen, de twee mannen in het eerste verhaal, de collegae in het tweede, of twee werelden, de echte en de virtuele, en die van mensen en dieren, doet ook denken aan de eerder genoemde roman Elementaire deeltjes van Houellebecq, waarin hetzelfde gebeurt. Net als de titel van de verhalenbundel van Stam, die herinneringen oproept aan Bruno, één van de twee hoofdpersonen uit Houellebecqs roman. Bruno omschrijft zijn leven als ‘vrijwel nutteloos’, ‘leeg’ en liefdeloos. Of, als het niet leeg is, in ieder geval vol angsten en diepten, ‘kortsluitingen’ zoals bij Vincent, de hoofdpersoon in het derde verhaal uit Stams bundel.

    Vincent neemt wraak op de minister van Volksgezondheid. Deze pleit in een televisieprogramma van de EO in een gesprek met Vincents huisarts, die zijn moeder hielp sterven, tegen versoepeling van de euthanasiewet voor minderjarigen en psychische patiënten. Vincent vecht met zijn positieve en negatieve gevoelens, zoals de andere personages ook doen. Met de rug naar het licht vechten met het echte leven en zich verlaten op het virtuele leven. Met alle, vaak absurde gevolgen van dien.

    Het mooie aan dit veelbelovende debuut is, dat de auteur daarbij veel open laat. Alsof de lezer de man in de grot van Plato is, die zelf op ideeën komt en de plot (die er vaak niet echt is, of alleen wordt aangeduid)  kan invullen.

     

    Een volstrekt nutteloos mens

    Auteur: Jori Stam
    176 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgeverij Atlas Contact