• Als een doorgeslagen weegschaal

    Als een doorgeslagen weegschaal

    De ik-figuur in Mijn lieve gunsteling, Kurt, is dierenarts en genoemd naar Kurt Cobain. Hij is getrouwd met Camillia waarmee hij twee zoons heeft. Maar Kurt wil ook zijn lieve gunsteling ‘hebben’, die heeft hij leren kennen op een boerderij in een gereformeerd dorpje dat ‘The Village’ wordt genoemd, in de buurt van Muiden. Hij raffelt zijn werk op andere boerderijen af om bij haar te kunnen zijn, zijn kleine praaldier, zijn porseleinen meisje, zijn hemelse uitverkorene. Al weet zij zelf niet of ze nu een jongen of een meisje is, als iemand die er ‘tussenin zit’, zoals de genderpoli van het VU Medisch Centrum in Amsterdam het omschrijft. Ze noemt zichzelf Vogel, deze in 1991 op dezelfde dag als Hitler geboren veertienjarige. Hitler kwam ook al voor in Marieke Lucas Rijnevelds debuut, De avond is ongemak, waaraan  in 2020 de International Booker Prize werd toegekend. Deze tweede roman staat inmiddels op de longlist van de Libris Literatuur Prijs.

    Aangetrokken tot het gruwelijke

    Vogel is een echte veertienjarige, die bijvoorbeeld bang wordt als ze tijdens de Dodenherdenking op 4 mei niet twee minuten stil kan zijn, dat er weer een oorlog zal uitbreken. En als ze al lopend de halve tegels overslaat er ongeluk volgt. Zó leest een kind de wereld. Ze leest graag boeken van Stephen King. Eigenlijk wil zij ze net zo graag wegleggen als niet meer loslaten, zo gruwelijk vindt ze de verhalen. En zo vergaat het de lezer van dit boek ongetwijfeld ook, meer nog dan met Rijnevelds De avond is ongemak, dat je het wilt wegleggen. Op zich een goed teken want het betekent dat de schrijver je nogal raakt.  

    Kurt vertelt, of wil zijn verhaal vertellen aan zijn ‘hemelse uitverkorene’ en aan de magistraten die hem voor zijn daden gaan veroordelen. Hij doet dit in een bloemrijke taal die van de pagina’s spat, in soms paginalange doorlopende zinnen. Dat zorgt er mede voor, dat het moeilijk is om te stoppen en het boek weg te leggen, hoe weerzinwekkend het soms ook is. Hoewel je als lezer, net als de lieve gunsteling, ‘haast alle griezels [kent] uit mythische verhalen, van het monster van Loch Ness tot Jersey Devil tot aan Kraken en Mothman’, de duivels en monsters uit videogames.

    De gebeurtenissen worden gecompliceerd op het moment dat de oudste zoon van Kurt ook verliefd wordt op Vogel. Kurt ziet dat zij opzettelijk haar arm om zijn zoon slaat wanneer ze langs de stal lopen waar hij bezig is. Hij heeft het over ‘jonge lustelingen’ – in contrast met zijn ‘lieve gunsteling’. Als een weegschaal die de andere kant opslaat; één letter, één gewichtje verschil. Het ene schaaltje vol bravoure, het andere vol diepgang – net zoals dit boek, met alle semi-intertekstualiteit van dien. Bijvoorbeeld wanneer de veertienjarige elke avond voor het slapengaan zegt: ‘Dag bureau, dag schemerlamp, dag bank, dag Adelaarsnest’.
    Ze gaat daarin zover dat Kurt op een gegeven moment zegt dat ze moet ‘stoppen met citeren’, dat ze moet zeggen wat ze écht wil zeggen. Iets wat ze al leek te doen in haar gesprekken met Freud en Hitler. En over het boekje Kikker en het vogeltje van Max Velthuijs, dat volgens haar niet klopt, omdat, ‘een dode niet kapot kan zijn, een dode is dood, niet meer dan dat. Diegene die achterblijft is kapot. In wel duizend stukjes’. 

    Vogel denkt via boeken en popsongs. Kurt denkt in filmbeelden, dromen en de naakten van Rafaël. Wat ze gemeen hebben, is dat ze beiden zijn opgegroeid met de beelden en taal van Bijbelboeken. Maar het liefst leest Kurts zijn lieve gunsteling, die is als het verhaal dat hij altijd al had willen lezen. ‘Ik vreesde de dag dat ik de kaft voorgoed dicht moest slaan, dat je mij de rug toe zou keren, en ik kon het niet helpen dat sommige scènes me tot waanzin dreven, tot extase’.

    Duiden van dromen

    De magistraten duiden die dromen, bijvoorbeeld het gele kuikentje dat verschillende keren terugkeert. Volgens hen staat dat voor wedergeboorte. Maar dat is ‘alles wat ik niet wilde (…), ach nee, ik wilde verder leven in jou’. Dat is de enige mogelijkheid die rest, want de magistraten verbieden elk contact. Tegenover hen draait Kurt alles om en stelt dat alles mis was met Vogel, grondig mis. Ze leeft in een fantasiewereld, spreekt met Hitler en Freud en heeft een obsessie voor penissen, die ze een gewei noemt. Penissen van mens en dier, zoals van een otter, die hoewel hij weer in Nederland voor komt, nog zeldzaam is en even fragiel als het lichaam van Vogel.
    Een kwetsbaar kind, ja daar houdt Kurt van: ‘Ik vond het heerlijk als je kwetsbaar was, net als die keer toen je aan koorts leed en ik je voorlas uit het boek van Gerard Reve en je als lappenpop tegen me aan had gehangen’. 

    Mijn lieve gunsteling is een boek waarin het goede ( de liefde voor) door de ongelijkheid van de relatie in haar tegendeel verkeert, namelijk in seksueel kindermisbruik. De beelden ondersteunen dit. Zoals die van het gele kuikentje; Camillia, die van Kurts ‘relatie’ op de hoogte is, noemt Kurt een ‘donswerker’. Of dat van de stilte in de stal die omslaat in wanhoop, wanneer een stier, een jongen, Joris, dooddrukt. Of in de wrede lading die het gebed meekrijgt dat Kurt voor zijn lieve gunsteling opzegt: ‘Bron van Zijn, die ik ontmoet in wat mij ontroert. Ik geef u een naam opdat ik u een plaats kan geven in mijn leven. Bundel uw licht in mij, maak het nuttig.’ Een Bijbelse notie, die wordt omgekeerd. In de Bijbel heet het dat wij weten, ‘dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepen zijn’ (Romeinen 8:28). Het is knap hoe Marieke Lucas Rijneveld in een schitterende, beeldrijke taal met deze notie aan de haal is gegaan, maar ook gruwelijk en weerzinwekkend. Als een weegschaal die doorslaat.

     

     

  • Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Alternatieve feiten, of uiteindelijk toch iets anders? Daar begint het mee in het in 2009 voor het eerst in het Nederlands verschenen, uit drie gedeelten bestaande Hässelby van de Noorse schrijver Johan Harstad. De toon is gezet: een man stapt resoluut de weg op. Of: ‘Mijn vader werd geschept toen hij de straat wilde oversteken, door een vrachtwagen die te hard reed’. Het gevolg is hetzelfde: ‘Het inwonertal van Zweden is zojuist met één gedaald’. Een droogkomische, wat sneue opmerking die kenmerkend is voor Hässelby, Harstads tweede boek, vóór zijn grootse Max, Mischa & het Tet-offensief, waarvoor hij in 2018 de Europese Literatuurprijs kreeg en dat geweldig vertaald werd door Edith Koenders en Paula Stevens. Stevens vertaalde ook Hässelby.

    Bertil Åberg, de vader van de ik-figuur Albert Åberg in het boek, is overleden. Zijn vader hield op een gegeven moment op vader te zijn, hij wilde zijn maatje zijn. Ze woonden in Hässelby, een betonnen voorstad van Stockholm, tot Albert naar Hong Kong vertrekt, omdat hij geen maatje wil zijn. Toevallig loopt hij Helmut Aldman tegen het lijf die hem vraagt zijn tolk te zijn als hij in Hong Kong grote delen van de Star Wars-producten wil opkopen om naar Duitsland te verschepen. Deze actie loopt op niets uit en Aldman blijkt opeens van de aardbodem verdwenen te zijn. Dat levert enkele detectiveachtige passages op over bijvoorbeeld een cliché-achtige man in regenjas middenin de nacht in de gang van het hotel.

    Ontmoetingen en verdwijningen

    De volgende ontmoeting – het boek hangt van ontmoetingen aan elkaar, en dat heeft een reden – staat op stapel. Albert ontmoet Leni in het Parc du Luxembourg in Parijs. Leni komt uit München waar ze ‘kunstgeschiedenis of filosofie of een geheel eigen mix van die twee had gestudeerd’. Opvallend is dat vertaalster Paula Stevens razendsnel en knap van idioom wisselt wanneer de vader van Leni, Anton, spreekt, je hóórt het Duits tussen de regels door.
    Dan volgt een essayachtig stukje over beeldend kunstenaar Yves Klein. Een inlasje dat kenmerkend is voor Harstad. Net zoals hij politiek getinte passages inlast die we ook uit Max, Mischa & het Tet-offensief kennen. In dit geval onder meer over de grote stakingen uit 1986 in Parijs. Na het stukje over Klein roept Harstad met even groot gemak een sprookjesachtige sfeer op: ‘Ik ging liggen met mijn rugzak over mijn hoofd (…). En toen landde een groot blad op mijn gezicht, het werd donker en ik viel in slaap’. 

    Af en toe sijpelen er zinnetjes door die, met de verdwijning van Aldman en de semi-verdwijning van Albert in het achterhoofd, je op scherp zetten: ‘Op dat moment waren we [Albert, Leni en nog enkele vrienden, EvS] sowieso al met verschillende noorderzonnen vetrokken’. Er staat de lezer dus nog was te wachten!
    De reeks ontmoetingen en verdwijningen zet zich voort. Nu met een vreemde man in een dunne, grijze regenjas (waar hebben we die eerder gezien?) met drie vlekken op de zoom. Albert verdenkt hem ervan dat hij hem volgt, maar op een dag is hij ‘als door de aarde verzwolgen’.

    Het gewone leven neemt weer zijn gangetje, de stakingen zijn voorbij. Albert gaat met zijn vriendin Leni veelvuldig naar de bioscoop en – net als in de andere boeken van Harstad – de films die ze zien worden bij name genoemd en soms kort beschreven; ook dit is niet zonder bedoeling. Dan gaat het bergafwaarts tussen Albert en Leni. De reden is, dat Albert met zijn hoofd toch weer terug was in Hässelby. Tot zover het eerste deel van het boek.

    De wolf buiten de deur houden

    In het tweede deel zetten de ‘verdwijningen’ zich voort. ‘Toen kwam Catharina. Uit Skåne’. Een moederfiguur. ‘Het duurde twee jaar voordat ik begreep dat ze niet zomaar was weggewaaid met de wind’. Als de wind die eerder een groot blad op Alberts gezicht had doen waaien. Vijf jaar later ‘verdween’ ook Alberts vader. Dat wil zeggen, hij overleed in het ziekenhuis, al dan niet resoluut de weg opgestapt of aangereden door een vrachtwagen die te hard reed. Het voelt voor Albert of hij hém verliet. Harstad neemt bij zulke situaties de clichés in boeken van een wat minder literair niveau op de hak: ‘Er hingen zware, grijze wolken boven de stad en het zou vanavond weleens kunnen gaan sneeuwen, regenen, moeilijk te zeggen. Het kon ook zijn dat er niets gebeurde. Maar dat gaf niet’. 

    Een manier van verdwijnen is ook door niet aanwezig te zijn, zoals Gustav Myrbäck, die op nummer 32 woont in de flat waar Albert een appartement heeft. Al jaren is hij niet gezien, hoewel hij wel stipt de huur schijnt te betalen. Tot Albert en zijn vriend Åke hem in de metro zien. Het blijkt de man te zijn die hij in Disko (dé disco) in Parijs had ontmoet. Dat wil zeggen: hij had gezien dat Myrbäck iemand verkrachtte en had niets daartegen ondernomen. ‘Nu kon ik de wolf niet meer buiten de deur houden’. Hier krijgt het boek een beklemmende, donkere sfeer en wordt méér dan een verhaal enkel in woorden; er komen tekeningen en foto’s bij. Waarschijnlijk gemaakt door Harstad, die ook het omslag van de Nederlandse uitgave ontwierp. 

    Fake of niet

    In het derde deel van het boek is Albert opgenomen in het Karolinska Ziekenhuis. Er komt bezoek dat óók weer verdwijnt. De politie komt en gaat alle verdwijningen onderzoeken waarbij Albert volgens hen betrokken was. Ondertussen ontsnapt hij uit het Karolinska Ziekenhuis en gaat naar München, niet toevallig de stad van Leni. Hier voelt hij zich een vluchteling, ziet Leni en maakt een afspraak met haar. Ook komt hij erachter dat Aldmann er een Star Wars-speelgoedwinkel heeft; dit was dus de stad waar hij alles naartoe heeft verscheept. Hij hééft een winkel, en hij leeft.

    Op dit punt gekomen blijkt alles fake: Aldman ontkent met Albert in Hong Kong te zijn geweest, Leni’s vader is wél directeur van BMW, al ontkende hij dat op verzoek van Leni (ze was bang dat ze qua milieu niet bij elkaar pasten). Hässelby is wel een mooie voorstad van Stockholm, al had Albert dat nooit zo gezien. Of is het toch iets anders dan fake? Er zou ongetwijfeld een andere rode lijn dan enkel ‘verdwijningen’ in het verhaal kunnen zitten en toch tot dezelfde conclusie komen: dat dit een rijk boek is, zoals alles wat Harstad daarna schreef. Maar op de een of andere manier geeft juist deze rode lijn aan waar Harstad mee speelt: het is als de boven- en de onderkant van een schilderij uit de barokperiode. Aan de onderkant speelt het dagelijkse leven zich af en aan de bovenkant de waandenkbeelden, in het geval van dit boek die van een psychiatrische patiënt.

    Boven en onderkant

    De verdwijningen vormen de verbinding tussen boven- en onderkant. Verdwijningen van personages, van politieke ideologieën en van de jeugd (gesymboliseerd door sprookjesachtige passages, een vader die maatje in plaats van vader wil zijn). De werkelijkheid van de onderkant wordt gespiegeld door een verhaal dat zich in de bovenkant afspeelt. In de verbeelding, in eerste instantie in boeken die worden aangehaald, popmuziek die wordt beluisterd, films die worden bekeken (Brazil, The Return of the Jedi, The Empire Strikes Back). In de donkere wolken die steeds meer de sfeer van het boek gaan bepalen. 

    En tenslotte in de synchroniciteit die in het boek als hint wordt gegeven. Een idee van psychiater Jung: ‘Alles hield verband met elkaar, je kon de verschillende brokstukken onmogelijk van elkaar scheiden, niets werd meer beperkt door de causaliteit’, of: ‘de gelijkenissen tussen gelijktijdige gebeurtenissen’.  Zo zie je dan achter al die verdwijningen andere verdwijningen, zoals de verdwijning van een schoolklas in Japan, of recent van de Chinese zakenman Jack Ma die in ongenade was gevallen, en zoveel meer. Ja, Hässelby is een rijk boek van één van de grootste Noorse schrijvers van dit moment.

     

     

  • Roman over een jonge voetballer en een moeilijke broer

    Roman over een jonge voetballer en een moeilijke broer

    In de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Gerrit Janssens heeft elk hoofdstuk, op de cursief gedrukte inleiding en het slot na,  een puntkomma als aanduiding. Ook met de titel van het boek is iets aan de hand: Len, (komma). Die titel loopt namelijk door in de pagina voor het slot: en ik, (komma). En, wanneer het boek dicht is, ook op de onderkant van de rode zijkant van de pagina’s: Len, (weer die komma). Zo lijkt het op een doosje, waarin iedereen opgesloten zit. 

    Dit zegt veel over de inhoud van het boek: Len,. Het verhaal over twee puberende broers, de moeilijk opvoedbare Len en de jongere, voetballende Jon. De harmonie in het gezin is zoek. Dat in de titel Len voorop staat, heeft te maken met het feit dat alle aandacht in het gezin naar deze moeilijke, extraverte zoon uitgaat in plaats van naar de introverte Jon.

    Nabijheid en verwijdering

    Het is geschreven vanuit het jij-perspectief: ‘Jij besloot onze onmogelijke jeugd samen achter te laten. Jouw silhouet vind ik niet meer bij de lijn. Plots dringt tot me door dat ik het jaren zonder jou zou moeten doen.’ Dit schept afstand, en het is de bedoeling dit ook op de lezer over te brengen. En die puntkomma’s, die werken, zoals Maarten Asscher eens heeft gezegd, als ‘een schriftelijk uitgeroepen denkpauze (…) waarin de auteur en de lezer voor niet al te korte, maar ook niet al te lange tijd misschien wel dichter bij elkaar zijn dan elders in de eigenlijke tekst’. Met andere woorden: er wordt respectievelijk afstand bewaard én geprobeerd naderbij te komen. Dat is in één zin samengevat wat er gebeurt en waar Janssens wonderwel in slaagt om dit over te brengen. 

    Het verhaal wordt in feitelijke bewoordingen verteld, compleet met optie een, twee en drie, waarnaar de gebeurtenissen zich vorman. Optie een betekent dat ‘je een gewone dag had’. Optie twee wil zeggen, dat je ‘niet uit bed te krijgen was’. En optie drie, dat ‘je op het dak zit’, dan maakt Jon rechtsomkeer en wacht met naar huis gaan. Jon voelt zich thuis in het clubhuis van de voetbalclub. Waar het zo anders is dan thuis, waar hij ‘niet de voetballer [is] die zich vastbijt’, maar volgzaam is en elk verzet opgeeft.  Afstand en nabijheid wordt in kleine, opeenvolgende zinnen raak getroffen: ‘Ons gezin als een slangetje van vier’, de bergen in, ‘meters tussen elk van ons (…). Jij, die met gemak steeg en daalde’, als in het dagelijks leven thuis, tussen dak en woning. Een andere versie van hetzelfde. Goed en niet goed, iets anders wordt het niet, hoezeer de ouders dit ook verwachten.

    Voetbal als thuiskomen

    Janssens laat regelmatig een werkwoord in een zin weg (ellips) waardoor de suggestie wordt gewekt dat alles in afwachting is op dat, waar de ouders op hopen. Bijvoorbeeld: ‘De ontbijttafel de avond ervoor gedekt, maar de vloer van een gewone dag’, vies. ‘Ik wil niet dat deze ochtend ontploft. Niet. Deze. Ochtend’. Een ochtend die als wrakhout moet zijn, ‘om ons aan vast te klampen voor de dagen waarop ik van school thuiskom en jij op het dak zit’.
    Jon gaat op in het voetbalspel, zoals zijn moeder, die lerares is, in haar boeken. Pas in de kleedkamer van de voetbalclub verwisselt hij van kleding, zijn identiteit als broer van een moeilijke jongen en meegaande zoon daarmee achter zich latend. De Jon die thuis en op school mee moet in een ritme dat hem niet past, die ambivalente emoties heeft tegenover zijn broer en ouders en min of meer een dubbelleven leidt,  laat zijn opgekropte gevoelens als uit een ventiel ontsnapte lucht gaan, om daarna weer in zijn rol van welwillende en meegaande zoon te stappen. 

    Jon ziet het niet als de moeilijke Len een pas in zijn richting zet. Wél dat zijn vader interesse begint te tonen voor voetbal. Hij blijft in zijn eigen wereld, hoeveel hij ook van zijn vader houdt en hoezeer hij ook verdrietig is als Len, die achttien jaar is geworden en zijn diploma heeft gehaald, naar Nieuw-Zeeland vertrekt, zo ver als maar mogelijk is. Zelf gaat Jon voetballen in Rostock. Hij ís voetbal. Ze blijven deel uitmaken van het gezin, al wonen ze niet meer onder (of op) hetzelfde dak.

    Prachtige catharsis

    Eén keer ontmoeten de twee volwassen jongens elkaar nog, wanneer Jon opeens voor Lens deur staat. En dat is een prachtig beschreven catharsis van deze mooie roman. Len verzoent zich met zijn broer en beiden hebben een perspectief op een toekomst. Vandaar die komma – het leven gaat door.
    En die puntkomma? Ja, dat is zoals Asscher het zegt. Want zelfs voor wie voetbal niets zegt, is dit een roman om met volle teugen van te genieten en te waarderen. Daar heeft Janssens wel voor gezorgd.

     

     

  • De wereld op zijn kop

    De wereld op zijn kop

    In de roman Piranesi van Susanna Clarke zegt de ik-figuur op een gegeven moment ‘Op de Wereld leven alleen Mijzelf en de Ander’. De rest van de mensheid bevindt zich in een andere wereld of is dood. De Ander, die uit die andere wereld komt en af en toe in de beschreven Wereld verblijft, is op zoek naar Grote en Geheime Kennis. Piranesi zelf is bezig een Catalogus aan te leggen van alle Standbeelden die hij tegenkomt in de Wereld of het Huis, wat praktisch hetzelfde is.
    Het Huis is vol leven, vooral met vogels, vissen en vegetatie, die tot voedsel en het maken van een vuurtje dienen. De plaats van andere mensen lijkt te zijn ingenomen door de Standbeelden, die levensecht worden beschreven. Zo is ‘de Tuinman oud en gebogen’ en oefent een Vrouw ‘haar beroep van bijenhouder uit’. Behalve een Catalogus aanleggen, houdt Piranesi zich ook bezig met het bijhouden van een dagboek, en dat is wat we te lezen krijgen. 

    Heden en verleden

    Piranesi (1720-1778) was een bekend Italiaans graficus en architect. Iedereen heeft wel ergens in het geheugen zijn Carceri (Kerkers) opgeslagen. Zo niet, dan hoef je maar aan een tekening van M.C. Escher te denken, en het is duidelijk: beiden waren kunstenaars die zich verloren in een tijdloze fantasiewereld waar trappen overal en nergens naartoe leidden.
    Piranesi heeft visioenen, van een wit glanzend kruis bijvoorbeeld. ‘Witheid als een vlammende witheid; hij verlichtte de Muur van Standbeelden achter zich’. Piranesi begrijpt niet wat hij ziet, ook niet toen hij zag dat het kruis een albatros was, die spoedig werd gevolgd door een tweede en een kleine albatros. Hij probeert de vogels te redden, door een nest voor ze te bouwen, waar de Ondergelopen Zalen goed voor waren. ‘In de Periferie (…) zijn de wateren ondiep, stilstaand en bedekt met waterlelies, maar middenin zijn ze diep en verraderlijk, vol met afgebroken Metselwerk en verdronken Standbeelden’. 

    Het Huis is deels ondergelopen ten gevolge van de stijgende zeespiegel. In De wereld op zijn kop vallen verleden, heden en toekomst samen, waardoor de roman wel het etiket ‘magisch archaïsme’ krijgt opgeplakt. De taal werkt daaraan mee, die doet soms magisch en dan weer archaïsch aan. Dit is in de vertaling van Jacqueline Smit in stand gebleven: ‘Over deze Zaal – de Zaal op welks drempel ik nu stond, de Zaal die gevuld was met Wolken – had ik niets vastgelegd’.
    Je zou de verschillende taalregisters kunnen vergelijken in termen van de Standbeelden die Clarke beschrijft: dan weer barok en maniëristisch, met door kreten van woede of angst vervormde Gezichten à la Caravaggio, dan zijn het classicistische beelden, die juist een afstandelijke kalmte uitstralen. 

    Zoektocht naar de Ander, naar kennis

    Het beschrijven van die beelden door Piranesi staat lijnrecht tegenover de zoektocht van de Ander naar kennis. Het gaat de Ander om oude kennis, die de mensheid volgens hem is kwijtgeraakt. Een zoektocht die gelijk opgaat met de constatering van de Ander, dat Piranesi zijn geheugen aan het kwijtraken is.

    Dan is er nog een derde personage, een Profeet. Een oude man en leraar van de Ander, die hij Ketterley noemt. De Profeet waarschuwt de Ander, zoals de Ander juist Piranesi waarschuwt voor een mysterieuze figuur die hij 16 noemt, wat in zou kunnen houden dat er nog vijftien of meer mensen in de Wereld of het Huis wonen.
    Tot zolang Piranesi hem/haar nog niet heeft ontmoet, herleest hij zijn oude dagboeken, waarin hij veel biografische aantekeningen over kunstenaars maakte, die leefden in een wereld die erg aan de zijne doet denken. De Ander omschrijft die wereld als een nachtmerrie, met ook nog eens de dreiging van een Grote Vloedgolf van Bijbelse proporties, maar het loopt allemaal anders af dan gedacht. Alles speelt zich af in een wereld op zijn kop, waarin goed, kwaad wordt, en andersom.

    Babel en Jorge Luis Borges

    Om te beginnen is de Wereld of het Huis een omschrijving waar het verhaal De bibliotheek van Babel van Jorge Luis Borges in meeklinkt. Hierin wordt de Wereld of het Huis het Heelal of de Bibliotheek genoemd. De Bibliotheek bestaat uit cellen (de carceri van Piranesi!), zoals het Huis uit Zalen bestaat. Eindeloos en naar de verten reikend. De ik-figuur bij Borges is op zoek naar ‘misschien de catalogus van de catalogi’, zoals Piranesi een Catalogus samenstelt. Zoals bij Borges boeken staan opgesteld, zo zijn dat bij Clarke Standbeelden, maar beide – boeken en beelden – hebben te maken met oude tijden of talen, met kennis en wijsheid.

    De Amerikaanse architectuurhistoricus Reinhold Martin heeft in een artikel aangetoond, dat er een conceptuele relatie bestaat tussen dit verhaal van Borges en Piranesi’s serie Carceri. Het narratief is hetzelfde: het verleden dat wordt bevroren en een crisis van de moderniteit, hetgeen hij een ‘negatieve utopia’ noemt, zoals Susanna Clarke’s wereld als ‘magisch archaïsme’ wordt omschreven. Er wordt een spel gespeeld met binnen en buiten, lichaam en geest, droom en nachtmerrie, kennis en wijsheid, goed en kwaad, inclusie en exclusie, werkelijkheid en fantasie en alles wat ‘anders’ is, een gegeven van alle tijden.

    Susanna Clarke speelt dit spel op vernuftige wijze mee. De metaforen van zowel Piranesi, Borges als Clarke mogen duidelijk zijn: ze spreken van eenzaamheid, het zonder herinneringen leven, en van verontrusting.
    Clarke heeft Piranesi en Borges opnieuw uitgevonden. Tot in de détails van een wit glanzend kruis aan toe. Dat heeft zij op een dan weer droge, dan weer gevoelvolle wijze beschreven, groots en fantasievol. Een prestatie van formaat. Een boek om je in te verliezen, zoals Piranesi en Escher dat in hun wereld deden.

     

     

  • De toekomst na de coronacrisis  

    De toekomst na de coronacrisis  

    Het is 4 mei 2020: de geboorte van Josje Silvius dient zich aan. Ze komt ter wereld zonder te huilen, terwijl haar moeder het op een huilen zet. Het was een vreemde tijd, maar voor Josje scheen het, als ze er later op terug kijkt, toe dat ‘de tijd van vóór de Stilte [de coronacrisis, EvS], toen iedereen maar een beetje aanrommelde’ heel wat vreemder was. Om maar niet te spreken over de tijd erná, toen haar moeder zich in huis opsloot. ‘Ze was een makkelijke kamerplant geworden’, zei haar vader. 

    Josje beschrijft aan haar in 2042 geboren dochter Avid (Hebreeuws voor lente; haar vader is joods) hoe zij de tijd tijdens en na de coronacrisis ervaren heeft. Iedereen kreeg een dagvergoeding, waardoor je recht had op een baan, woning, medische hulp en eten. Iedereen kreeg ook een beperkt aantal reiskilometers toegewezen en werd jaarlijks gecheckt op hun gezondheid.
    Haar vader ontwierp grote gebouwen waar werk, vermaak en wonen samengingen. Met haar moeder ging ze naar het Louvre, via Google Art. 

    Sprongen in de tijd

    Telkens springt het verhaal een paar jaar vooruit. In hoofdstuk drie zitten we in 2029 en harkt een zorgrobot de sportvelden van Josjes school aan. Josje is een goede leerling en krijgt virtueel extra lessen maatschappijleer van haar filosofiedocent Julian Scheer. Hij vertelt over de economische depressie van 2022, toen er niet genoeg geld was ‘om ouderen, zwakkeren, zieken en armen in leven te houden’.
    Josje wil kunstenaar worden, wat volgens de maatschappijvisie van Scheer zoiets is als ‘een peperdure, breekbare vaas’. Ze doet in 2038 toelatingsexamen voor de kunstacademie en maakt maquettes en poppenhuizen, waarmee ze kritiek geeft op ‘hoe architectuur aan de tekentafel mensenlevens dacht te kunnen vormen’, impliciet dus ook op de ontwerpen van haar vader. Op de academie had men liever, dat ze iets figuratiefs ging uitproberen, wat ze ook doet. Ze zet haar goggles op, die – wanneer ze met haar ogen knippert – foto’s van haar omgeving maakt die ze daarna bewerkt. 

    Een vroegere buurjongen, Dorian, draagt haar min of meer op om hem en zijn erbarmelijke leefomstandigheden te filmen, ‘de achterkant van het decor’, zoals hij het noemt. Ze gaan daarin ver, heel ver. Josje meende dat ze ‘de renaissance van de echte kunsten inluidde’ met haar werk, al dacht lang niet iedereen daar zo over.

    Sensitief futurisme

    De stilte is niet de eerste coronaroman, al zou je hier van een novelle kunnen spreken, maar het steekt wél met kop en schouders uit boven die eersteling, Quarantaine van Wim Daniëls. Diens roman over Karel Vielligers die op een vakantiepark in de Dordogne aan zijn proefschrift werkt en er ‘een dame met een hondje’ ontmoet.
    Het boek van Sarah Sluimer, die essays en columns publiceert in dagbladen en tijdschriften, gaat ook over iemand die werkt, in dit geval in de kunsten, een jongen ontmoet, Sol, de vader van Aviv. Tot op zekere hoogte is ook dit boek zelfs wat voorspelbaar – of misschien beter: voorstelbaar –, want we weten wat de gevolgen van Covid-19 kunnen zijn. Het verschil zit hem echter in de literaire kwaliteit en de gelaagdheid van Sarah Sluimers boek.

    Daan Heerma van Voss – zelf auteur van Coronakronieken, een combinatie van autobiografie, reportage, essay en pamflet – noemt Sluimers boek ‘sensitief futurisme’, zoals Mark Dery in de jaren negentig van de vorige eeuw de term ‘afrofuturisme’ muntte: speculatieve fictie over in dat geval Afro-Amerikanen en in dit geval de toekomst na de coronacrisis op middellange termijn. 

    Ook zonder dit etiket is het inderdaad in tere tonen geschreven boek van Sluimer, – het tweede van haar hand na Keizer -, een mooie novelle die best had mogen uitgroeien tot een volwaardige roman. Dan hadden de verschillende scenario’s, zoals met de personages het geval is, aan diepte kunnen winnen. Niets ten nadele van de soms huiveringwekkende zaken die nu alleen worden aangestipt, zoals die over het niet in leven kunnen houden van ouderen, zwakkeren, zieken en armen.
    Deze beknoptheid is waarschijnlijk (mede) te wijten aan het format van de serie ‘Vitale ideeën voor de wereld van morgen’, over de belangrijkste thema’s die een rol spelen bij een wereld post-corona, waarin dit boek is opgenomen. Daarin verschenen tot nu toe boekjes van de hand van Barbara Baarsma, Dirk Bezemer, Sanne Bloemink en Wanda de Kanter. Het is goed dat daaraan nu literatuur is toegevoegd! Die hoort er gewoon helemaal bij. Vooral nu, heet het dan.

     

     

  • De tovenaarsleerling

    De tovenaarsleerling

    Het draait in Hier zijn we, Swifts elfde roman, om drie personages: Jack, spreekstalmeester van een variété, Ronnie, illusionist, en diens assistente Evie. Om de beurt blikken zij terug op hun gezamenlijke verleden.
    Het boek begint eind augustus, begin september als ze optreden in het Walpoletheater op de pier van Brighton. Het is 1959, wanneer de televisie opkomt en het variété terugloopt. Het theater zoals Swift het beschrijft, heeft z’n beste tijd gehad. Ronnie en Evie zijn een verloofd stel, Jack heeft wisselende contacten met meisjes van een jaar of achttien, maar vindt Evie ook wel erg leuk.

    Herschikking van mensenlevens

    Na deze introductie zwenkt de auteur terug in de tijd. Naar 1939, wanneer moeder Agnes afscheid neemt van haar achtjarige zoontje Ronnie Deane. Ze brengt hem op een veilige plaats onder op het platteland, weg van de vele heftige bombardementen waaraan Londen is blootgesteld. Haar man, Sid, zit op een boot op de oceaan. Ronnie had, zo jong als hij was, al ‘het gevoel dat nu hij weggevoerd werd (…) er ook in het algemeen een hardhandige herschikking van mensenlevens gaande was, zelfs zijn identiteit onzeker was geworden’. Een vroegwijze uitspraak voor een achtjarige, maar zulke gevoelens kennen we ook van Nederlandse onderduikkinderen in de Tweede Wereldoorlog. Hiermee snijdt Swift een centraal thema in zijn romans aan, en in deze in het bijzonder.

    Ronnie komt terecht in een afgelegen huis dat Evergrene heet, bij een ouder, kinderloos echtpaar, Eric en Penelope Lawrence. ‘Hier (…) begon voor Ronnie zijn nieuwe (zijn echte?) leven’. Het is een leven waarin wordt gespeeld met werkelijkheid en schijn. Was de oorlog niet een soort bedrog? Zou mevrouw Lawrence niet wensen dat hij hun kind was? En wat voor ‘voorstellingen’ gaf meneer Lawrence wel niet?
    De echtheid wordt verder vertroebeld, wanneer de Lawrences vertellen dat Ronnies vader op zee wordt vermist. Misschien sliep hij nu, tussen de vissen, denkt Ronnie, weer even kind.

    Hocus pocus

    Ronnie ontdekt dat meneer Lawrence een begaafd illusionist is. Haast op hetzelfde moment dat hij dit denkt, lopen er vier hagelwitte konijnen door de tuin, als waren ze uit een hoge hoed tevoorschijn gekomen. Maar dat dit zo was, weet Ronnie nog niet; hij houdt ze voor echte konijnen. De gebeurtenis luidt zijn toekomst als illusionist in.

    In juni 1945 gaat de inmiddels bijna 15-jarige jongen terug naar Londen. Hij moet het leger in. Hij is weliswaar jong, maar er waren Amerikaanse soldaten die nog jonger waren. De weekenden brengt Ronnie door bij de Lawrences.
    Als Eric overlijdt laat hij Ronnie zijn ‘spulletjes’ en een aardige som geld na. Daarvan kan hij een eigen variété beginnen, iemand (Evie) in dienst nemen en betalen.

    In de tijd dat Ronnie afwezig is om afscheid te nemen van zijn biologische moeder, die overlijdt, gaat zijn verloofde Evie een verbintenis aan met Jack Robins. Of was het Jack Robinson, zijn eigenlijke en volgens hem te lange naam voor een variétéartiest? ‘Hij was Jack Robinson en hij was het niet. Hij was niet eens Jack Robbins.’
    Wanneer Ronnie terugkomt, ziet hij aan Evie’s gezicht dat er wat is gebeurd. Hij past zijn laatste verdwijntruc toe en wordt nooit gevonden. Net zoals zijn vader.

    Schijn en werkelijkheid

    Het verhaal wordt in eenvoudige woorden en met kleine, terugkerende beelden (een witte zakdoek bijvoorbeeld) als een motief in een muziekstuk verteld, maar daaronder broeit het. Dit open laten van veel dingen, de mysterieuze sfeer, eenvoudige woorden en terugkerende beelden, zijn kenmerkend voor Swifts stijl. We kennen het bijvoorbeeld ook uit diens vorige roman, Moeders zondag (2016). Hier gaat het over een dienstmeisje, een vondeling die haar echte naam niet kent en met een niet al te vastomlijnde identiteit. Zij wordt schrijfster, zoals Ronnie illusionist. Beiden spelen met schijn en werkelijkheid, komen uit een arm milieu en maken een ontwikkeling door. Beiden worden ergens in huis genomen; Ronnie door de Lawrences, het dienstmeisje in een betrekking. Beide verhalen spelen in de moderne tijd, Moeders zondag in 1924, Hier zijn we in 1959.

    In deze, door Irving Pardoen fraai vertaalde roman, zijn de soms wat sjabloonachtige metaforen uit Moeders zondag subtieler geworden. Een van de redenen om uit te zien naar Swifts twaalfde roman, in de hoop dat hij zichzelf wéér overtreft in zijn beknoptheid, en in zijn lichte en bedrieglijk eenvoudige stijl vol diepere lagen en betekenissen.

     

     

  • Zwaluwen op de verbindingslijn

    Zwaluwen op de verbindingslijn

    Dat Eric de Rooij een veelzijdig schrijver is, blijkt uit zijn debuutroman De wensvader, dat afsluit met een van zijn gedichten, dat eerder werd gepubliceerd in zijn bundel Hongerklop (2018) onder de titel Jouw hartslag in mijn lies.
    Van zijn hand verschenen onder meer literaire wandelingen (door het Zeeland van Hans Warren en het Gooi van Frederik van Eeden), boeken over de geschiedenis van Hilversum, zijn geboorteplaats, naast Hongerklop nog een dichtbundel en enkele kinder- en leerboeken. De wensvader is zijn romandebuut.

    Drie opties
    De roman begint met drie opties. Leonie wil een kind van Kees de timmerman, van teamleider Joop of van de ik-figuur, Erik Poelman, een oud-collega, geestelijk verzorger en ouderenconsulent bij het verzorgingshuis De Tijdstroom.
    Hoewel, Leonie ziet Erik ‘toch niet als een echte optie’, want ze verdenkt hem ervan, dat hij wil gaan vaderen en ze ‘wil een donor en meer niet’. Erik heeft een man, Aad en een poes, Mia. Alle verlangens zijn vervuld. Maar nu wil hij ook een kind. Aad niet. Hij heeft allerlei praktische bezwaren: Erik werkt maar drie dagen en is de rest van de tijd zondagsdichter en -tekenaar. Een vriend raadt aan dat het díe dromen zijn, die hij moet najagen. Niet die van zaaddonor worden. Een vriendin adviseert om het niet te doen, omdat het zoveel heisa geeft. Waarom eigenlijk? ‘Uit eenzaamheid en de angst voor ouderdom, de gebreken, het stille appartement met drie keer in de week thuiszorg voor mijn steunkousen’?

    Het is een vooruitzicht dat rijmt op het dagelijks werk van Erik in het verzorgingshuis. Met de problemen van mevrouw Van de Heuvel, die elke avond tot God bidt met de bede ‘Neem me. Neem me. Zo red ik het niet meer.’ Van mevrouw Toortelboom, die telkens vergeet of haar broer nog leeft of van mevrouw Bosker, die euthanasie wil; ‘hoogste tijd dat de lichtjes uitgaan’, zegt ze. Of meneer Kleiman, die als een grammofoonplaat telkens herhaalt: ‘Amerika wil eerst weten wat er met zijn jongens is gebeurd’.
    Erik verlangt naar jeugd, leven, frisse adem. Aad naar ‘een eenvoudig, overzichtelijk bestaan. Bescheiden. In harmonie.’ Dat staat op gespannen voet met elkaar, temeer daar Aad ook nog eens jaloerse trekken vertoont.

    Twee verhaallijnen
    Er zijn twee verhaallijnen waartussen telkens wordt geswitcht. Van de huiselijke, vertrouwde geluiden en gewoonten bij Erik en Aad thuis, naar de gebeurtenissen in De Tijdstroom. Beide sferen worden raak getroffen, en de personages maken een ontwikkeling door. De gebeurtenissen in De Tijdstroom worden vermeld, zonder dat er al te diep wordt ingegaan en de roman een ideeënroman over leven en dood wordt.
    Er zitten veel komische elementen in het boek, die de sfeer niet al te zwaar maken, en eerder luchtig houdt. Neem bijvoorbeeld de scène waarin Poelman met het Medisch Centrum Kinderwens belt. De mevrouw die de telefoon aanneemt, is verbaasd: een oudere man, een anoniem telefoonnummer, geen 06-nummer, die kan ook wel eens ‘een kuladres in Amsterdam opgeven’. Om te bevestigen, dat hij geloofwaardig is, vraagt Erik of Aad even vanuit hun huisadres wil bellen. Hij doet dit en grijpt daarna de telefoon om Erik ervan te verwittigen. ‘De telefoon. Aad. Met overslaande stem. “Wil je dit nóóit meer vragen. Ik ben nog nooit zo uitgelachen!”’
    Of de scène met mevrouw Bosker, die in hongerstaking is gegaan, in de veronderstelling dat dit een voorwaarde van de Levenseindekliniek is. Maar als ze hoort, dat dit niet zo is, maakt ze zich alsnog op om naar het kerstdiner te gaan, dat echter is afgelast omdat het norovirus is uitgebroken.

    De taferelen bij Erik en Aad thuis geven het gewone gangetje van het dagelijkse leven weer, die worden doorbroken door de gedachtenspinsels van Erik: wel of geen zaaddonor worden, kind wel of niet zelf opvoeden, stoppen alvorens het hele traject in te gaan, en de reacties van Aad en uiteindelijk Leonie daarop, waarbij de praktische bezwaren die Aad eerst had op Leonie lijken te zijn overgaan, en hij zich steeds liefdevoller toont.

    Leonie stopt het traject met Erik, waarna Sonja met hetzelfde verzoek komt. ‘We kenden elkaar al zo lang, we mochten in herhaling vervallen’ is dan een zinnetje met een dubbele lading. Alleen zou het nu een co-ouderschap worden met Erik en Aad als vaders en Sonja als moeder. Reactie van Aad: ‘Begint het weer’, maar in tegenstelling tot de vorige keer, met Leonie, is hij nu ‘heel enthousiast’ en zegt: ‘Nooit gedacht, en toch gekomen!’

    Er komt echter iets tussen: een knobbeltje op Eriks testikels, dat wijst op aderverkalking en lui zaad. Aad schiet weer in de modus dat het voor hem niet meer zo hoeft, een baby. Ook Erik lijkt opgelucht, als blijkt dat Sonja inmiddels een vriend heeft. Ze raakt snel zwanger.

    Beeldende taal
    Het boek is geschreven in een mooie, beeldende taal: ‘Ik sprak met een stem die niet bij mij hoorde, onpersoonlijk en politiek, alsof er zwaluwen zaten op de verbindingslijn tussen mijn hersenen en de spieren van mijn tong.’ Of: ‘een lijf dat in haar rolstoel eruitzag als een stapel slordig opgevouwen handdoeken’.
    Deze omschrijvingen raken de sfeer in het verzorgingshuis trefzeker, zoals ook details als het geborduurde landschapsschilderij naast een kamerdeur op de gang, of de gewoonte die sommige oude(re) mensen hebben om hun hand boven de hoorn van een vaste telefoon te houden en hem zeven keer over te laten gaan; denk niet, dat ik het niet druk meer heb …

    Tegenover het nieuwe leven waar aldoor over wordt gesproken, staat de dood in De Tijdstroom. De dood sluipt overigens ook hun huis en buurt binnen: poes Mia sterft, de buurman (loert hij nu op ze, of Erik op hem?) overlijdt – en dat laatste is misschien een beetje te veel van het goede; alsof hij het verhaal wordt uitgeschreven, zoals een personage uit een film.

    Al met al kunnen we spreken van een geslaagd, tragikomisch debuut dat soms doet denken aan de boeken van Kees ’t Hart.

     

     

  • De microkosmos van meneer Kang

    De microkosmos van meneer Kang

    ‘Het gebeurde allemaal op een en hetzelfde moment, haast exact gelijk’. Deze eerste zin uit Het huis met de kersenbloesem van Sum-Mi Hwang, zou zomaar in aanmerking kunnen komen voor de mooiste openingszin van 2020. Het is een lichte zin, maar ook een die een geweldige diepte verraadt door de zekere dreiging die ervan uitgaat en door de ongelijktijdige gelijktijdigheid die erin zit.
    De Zuid-Koreaanse schrijfster Sun-mi Hwang (1963) is zelf in armoede geboren en kon niet naar school, terwijl ze wist dat aan de andere kant van de wereld mensen woonden die van gekkigheid niet wisten wat ze met hun geld moesten doen. Het doet denken aan de eerste Zuid-Koreaanse speelfilm Parasite (2019), waarin hetzelfde gegeven zich op kleine schaal afspeelt. 

    Deze roman vertelt het verhaal van Dae-su Kang, die, nadat zijn vader verongelukte, opgroeit als adoptiekind in Amerika. Als volwassene wordt hij eigenaar van een goedlopend bedrijf. Als rijke, oudere man keert hij terug naar zijn geboortestad in Zuid-Korea, naar het huis van zijn jeugd. De grond waarop het huis staat, omringd door kersenbomen, had hij ooit gekocht en er een groot hek omheen laten zetten. De plek wordt door omwonenden gebruikt om te spelen, kippen te houden en groenten te verbouwen. Iets wat Kang in eerste instantie moeilijk vindt om mee om te gaan.

    Meneer Kangs verlanglijstje

    Meneer Kang heeft een hersentumor die hij ‘meneer Knobbelmans’ noemt. Hij heeft niet lang meer te leven en heeft een verlanglijstje gemaakt, dat cursief gedrukt door de hoofdstukken heen wordt gestrooid. Wensen als: koken waar ik zelf zin in heb, een instrument leren bespelen, zoals een gitaar. Dat leidt tot hilariteit bij de kinderen in de buurt die hem zien als een vreemde, rijke man.
    Kang is het type man die zich aan veel dingen ergert, aan de gaten in zijn heg, waardoor iedereen zijn tuin in kan lopen, de haan die hem elke ochtend wekt, aan kippen die zomaar eieren in zijn gras leggen, het meisje dat ongenood door de heg komt en hem nota bene zo’n ei brengt. De kip en het ei refereren aan Sun-mi Hwangs debuut, De kip die dacht dat ze kon vliegen (uitg. Atamira). Ze vormen een microkosmos in meneer Kangs tuin: ‘De kippen sidderen van angst, de katten lagen op de loer, de eekhoorns wakkerden de strijd aan.’

    Noord- en Zuid-Korea

    Die kippen, katten en eekhoorns laten ons het verhaal ook anders lezen, want hoewel dit boek een sprookjesachtige sfeer ademt, zitten er genoeg toespelingen in die op de situatie in Noord- en Zuid-Korea van toepassing zijn. De Zuid-Koreanen sidderen van angst voor Noord-Korea, Noord-Korea ligt op de loer en Amerika wakkert als een ‘eekhoorn’ de strijd aan. Noord-Korea wil de communicatie met Zuid-Korea verbreken, net zoals meneer Kang niet wil communiceren met het meisje en de oude vrouw die door zijn tuin wandelen. Het wordt op haast terloopse wijze verteld, maar de toespeling is duidelijk. Net zo duidelijk als de verdwaalde kraai of ekster die een zweefduik maakt ‘om denkbeeldige bomen te lossen’, staat voor de kogels die volgens Zuid-Korea vanuit het Noorden worden afgevuurd op een bewakingspost aan de grens, wat uiteraard de gesloten poort van de tuin van meneer Kang is. 

    Anders kijken naar de dingen

    Sun-mi Hwang weet het karakter van meneer Kang raak uit te tekenen en geeft telkens een stukje van zijn persoonlijkheid prijs. Zo komen we steeds meer te weten over zijn pleegouders in Amerika, maar hij ontdekt ook dat de mensen in zijn omgeving het niet zo kwaad bedoelen als hij in eerste instantie dacht. Hij gaat zich daardoor steeds minder aan de dieren en de mensen om hem heen ergeren en begint ze met andere ogen bekijken: ‘Hoe zou de wereld ooit veranderen, zonder mensen die buiten de gebaande paden traden?’ 

    Het huis met de kersenbloesem is een sprookjesachtig verhaal, fraai geïllustreerd door de Japanse kunstenares Nomoco en in soepel Nederlands vertaald door Mattho Mandersloot. Het leest als een metafoor voor Noord- en Zuid-Korea waar de spanningen nu weer dreigen op te lopen.

     

     

  • Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Gedetailleerde maar niet al te diepgravende studie

    Jaap Goedegebuure, Neerlandicus en biograaf van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990), beweegt zich in zijn détailstudie over de muziek van Kellendonk tussen afstand en vereenzelviging. Hij deelt Kellendonks liefde voor Bob Dylan en nog wel meer: beiden volgden het gymnasium, waren schoolkrantredacteur, studeerden letteren (Kellendonk overigens Engelse taal en letteren) en werden schrijver.

    Goedegebuure start zijn verhaal met Kellendonks vriendschap met Leonard de Vos op het Dominicuscollege in Nijmegen. Een college waar jongens werden voorbereid voor een opleiding tot rooms-katholiek geestelijke. Ze vormen samen een duo, Kellendonk als schrijver van teksten die De Vos op muziek zet. Ze waren enthousiast en eendrachtig, maar ze doen meer. Samen met nog twee andere scholieren richten ze een schoolkrant op, Inkijk. Kellendonk schrijft onder meer over muziek. Hij draait zo warm voor het schrijverschap dat volgens Goedegebuure hier, ‘al de contouren van Kellendonks cultuurkritische tragikomedie Mystiek lichaam (1986) opdoemen’.

    Voorbereiding schrijverschap

    In de vierde klas van het gymnasium stapt Kellendonk als redacteur over naar Climax, een concurrerend blad van het Dominicuscollege, begonnen door een aantal vierdejaars hbs’ers. Hierin publiceert hij onder andere gedichten, in de voetsporen van Dylan en Boudewijn de Groot. Goedegebuure citeert er ruim uit en hij neemt ook vier vertalingen van Dylans songs op. Hij onderscheidt drie voorliefdes van Kellendonk: engagement, visionaire bevlogenheid en al dan niet ironische liefdesliedjes. 

    Na de overgang van vierde naar vijfde klas stapt Kellendonk over naar een gymnasium in Rotterdam, de stad waar zijn ouders wonen, ‘de geestelijke roeping (…) is vervlogen’. Hier wacht hem een nieuwe vriendschap: met Martin van Heesch, eveneens een groot Dylan-fan én aankomend singer-songwriter. Leo de Vos en Frans blijven al schrijvend contact met elkaar houden. Enkele brieven die Kellendonk aan hem schreef zijn in het boek opgenomen.

    In 1969 doet Frans Kellendonk eindexamen. Zijn verhalenbundel Het reuzenrad was toen al in gestencilde vorm verschenen. Goedegebuure beschouwt deze bundel als ‘een echte sleuteltekst, ontstaan op de drempel tussen adolescentie en volwassenheid, middelbare school en universiteit, het verleden en het vooruitzicht op een nog komende ontwikkeling van de schrijver’.
    Er is echter ook een andere sleuteltekst denkbaar, of liever: sleutelpassage, namelijk wat Kellendonk bijna terloops aan Leonard de Vos schrijft over een nieuw leven dat hij vond ‘in de schoonheid van de kunst, i.e. de poëzie, nadat ik ben vastgelopen in de realiteit van het harde leven’.

    Tegenspraak in werk van Kellendonk

    In Kellendonk. Een biografie van Goedegebuure, stelt hij dat zoiets als een tegenspraak moet worden beschouwd (poëzie en leven), zoals hij er vele in het werk van Kellendonk aantreft. Soms begrijpelijk, zoals nieuw leven ten opzichte van de dood in Mystiek lichaam – alhoewel je het daar ook over kunt hebben – maar in verband met het citaat zou je de overgang van het harde leven naar de schoonheid van de poëzie kunnen zien als een scharnier, zoals Neerlandica Yra van Dijk en haar studenten dat eens omschreven en overtuigend hebben uitgewerkt tijdens een lezing over Mystiek lichaam bij Spui25 in Amsterdam (15 oktober 2009). Immers, zijn muziek en poëzie niet bij uitstek de kunsten die leven en dood voelbaar maken?

    Zoals deze sleutelpassage bijna terloops voorbij komt, zo komen ook de jaren zestig uit de vorige eeuw zeer summier en bijna terloops voorbij. De jaren waarin Kellendonk afscheid neemt van de rooms-katholieke kerk, de tijd van zijn voorkeur voor psychedelische rock van Pink Floyd en The Byrds’ en (…) de hallucinante beelden’ van Bob Dylan. 

    In beide gevallen had Goedegebuure meer de diepte in mogen gaan. Nu moet bijvoorbeeld voor de context van de zestiger jaren uitgeweken worden naar een recent boek als Alles! En wel nu! van Piet de Rooy. Het is jammer dat het boek nu aan de oppervlakte blijft steken. Al zullen de bewonderaars van Kellendonks werk blij zijn met de gepubliceerde gedichten en brieven uit de archieven van Leonard de Vos, Martin van Heesch en Kellendonk zelf (uit de Leidse Universiteitsbibliotheek).

     

  • Dwars door alles heen

    Dwars door alles heen

    ‘Heks!’, riepen de kinderen Henne Vuur na, een personage uit Manon Uphoffs Vallen is als vliegen. Henne Vuur was ‘oud, ik vond haar oud. Ze was arm, alleenstaand, had geen baan (…) en koolzwarte haarstrengen tot op haar billen’, zodat vrijwel alle kinderen uit de buurt ‘daar is de heks’ scandeerden. Inderdaad, lijkt Henne Vuur het prototype van een heks, maar ze was géén heks. ‘Ze was op zichzelf, gesloten. Is dat niet keurig? Wie houdt er van een hysterica? Van een nasty woman?’
    Omschrijvingen die een-op-een passen op de de personen die Mona Chollet, feministisch essayist en journalist van Le Monde diplomatique, beschrijft  in haar boek Heksen. Eerherstel voor de vrouwelijke rebel. Die ondertitel maakt het verschil.

    Rebellen en dwarsdenkers was het thema van de Boekenweek dit jaar. Niet iedereen kon zich daarin vinden. Filosoof Ger Groot bijvoorbeeld vroeg zich tijdens een algemene inleiding tijdens een collegedag van Filosofie Magazine af, waaróp je dan dwars denkt. De enige dwarsheid die hij ziet zitten, is humor. Een authentieke dwarsheid, noemt Ger Groot het, die al vanaf Erasmus appelleert aan het absurde van het bestaan.

    Het anti-rebelse werd werkelijkheid

    Chollet zou het antwoord wel geweten hebben op de vraag ‘dwars waarop?’ Dwars op een denken dat dominant is en anders denkenden minacht en bestrijdt. Zoals een heks dwars en rebels is, ‘bevrijd van alle overheersing en beperking’. Zij wijst de weg, dwars door alles heen. Met één ding zal ze het wel met Groot eens kunnen zijn: het anti-rebelse werd werkelijkheid. Groot wees in dat verband indirect op het antisemitisme uit Mein Kampf, Chollet op De Heksenhamer (1487) van twee inquisiteurs, Heinrich Kramer en Jacob Sprenger, ‘dat ongeveer vijftien maal werd herdrukt en in dertigduizend exemplaren door heel Europa [werd] verspreid’ tijdens de heksenjachten.
    Overigens ziet Chollet in ‘de demonisering van de als heks bestempelde vrouwen (…) veel overeenkomsten met het antisemitisme’. 

    De auteur nuanceert bij wijze van spreken ook Uphoffs omschrijving van een heks die op zichzelf leefde, want het was óók weer ‘verdacht om regelmatig met vrienden samen te komen’. Dat is de ‘bekende logica voor vrouwen van alle tijden’. Een omschrijving als ‘hysterica’ legt Chollet uit als iets neerbuigends. In positieve zin omgebogen, is ‘heks’ iets van de toekomst. Chollet schrijft dat, wanneer ‘alles verloren lijkt, de heks opdoemt in de schemering. Zij is degene die sprankjes hoop vindt te midden van de wanhoop’. Hekserij als spiritualiteit en, schrijft ze, ‘politieke praktijk’, al gaat het daar in haar boek niet echt over.

    Zelfstandige vrouwen

    Waar het na een uitgebreide inleiding uiteindelijk in vier hoofdstukken wél over gaat, zijn verschillende aspecten uit de geschiedenis alsook het hier en nu van de heks. Ze herneemt aspecten die ze eerder behandelde, zoals de aanslag op alle vormen van vrouwelijke onafhankelijkheid van alleenstaanden en weduwen en de negatieve beeldvorming van oudere vrouwen. Wat deze dagen door sommigen als ‘Dor hout’ wordt aangeduid.

    Per onderwerp geeft Chollet voorbeelden van grote en kleine zaken die soms te gek voor woorden zijn, maar wel diep ingrijpen. Neem bijvoorbeeld de medische wereld, waar een ‘vrouwelijke chirurg vertelt, dat haar leidinggevende op het moment dat ze aan het begin van haar carrière zijn afdeling verliet, haar toevoegde: ‘Er is in dit vak misschien wel een toekomst voor je weggelegd, meisje. Je bent de eerste gleuf die ik in de operatiezaal niet aan het huilen heb gekregen.’

    Verder komt ze met voorbeelden uit het bedrijfsleven (van American Cynamid, nu Cytec Industries), films (Fatal Attraction), televisieseries (Grey’s Anatomy) en boeken (zoals Toni Morrisons Beminde), krantenartikelen die ze allemaal haarfijn ontleed, alsmede persoonlijke ervaringen die er niet om liegen. Alle aspecten gaan over zelfstandige vrouwen, die zich niet door mannen laten onderdrukken. De informatie buitelt over elkaar, geschraagd door diepgaand bronnenonderzoek, waarvan in een uitgebreid notenapparaat verantwoording wordt afgelegd.

    Dit boek is niet alleen voor vrouwelijke feministen bedoeld, maar voor iedereen die een beetje dwars en rebels is en stroomopwaarts wil zwemmen.

     

     

  • Van achteren naar voren leven

    Van achteren naar voren leven

    Soms lees je een zin waarbij je het idee krijgt, dat daarin misschien wel een heel boek, een heel oeuvre besloten ligt. Of, liever: dat je vanuit die ene zin opeens alles meent te begrijpen. Voor de een zal dat een andere zin zijn dan voor de ander die het kwartje doet vallen met betrekking tot een bepaald boek, oeuvre of – in dit geval – drie toneelstukken: Leedvermaak (1982), Rijgdraad (1995) en Simon (2001), de zogenaamde Leedvermaak trilogie van de winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren Judith Herzberg.

    Wat zij ten diepste wil zeggen

    In Leedvermaak, dat in 1972 speelt, is het de zwerver Daniel die op driekwart van het stuk zo’n zin uitspreekt: ‘Omdat ik van achteren naar voren leef’. Een zin die doet denken aan het beroemde adagium uit een van de dagboekfragmenten van de Deense filosoof Søren Kierkegaard: ‘Het leven kan slechts achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd’. Dat wil volgens kenners zeggen, dat het bestaan nooit helemaal kan worden begrepen.
    Er is echter nóg zo’n soort omschrijving, die Kierkegaard boven de onlangs verschenen Christelijke toespraken zette: ‘Gedachten die van achteren treffen – ter opbouwing’. Dat zou dan weer slaan op het als nieuw horen van een oude tekst.
    In beide citaten zit iets van wat Herzberg vermoedelijk bedoelt, want wat zij ten diepste wil zeggen is, dat iemand die de Tweede Wereldoorlog in de kampen of in de onderduik, of welke crisis dan ook heeft meegemaakt, niet anders kán dan doorleven met die ervaring in het achterhoofd. 

    Elke scene gaat over de oorlog

    Laten we wel wezen, in elk van de drie toneelstukken speelt de oorlog mee, al gaat het an sich niet over de oorlog. In elke scène, elk lied of duet, want er zit muziek bij, gaat het over de oorlog. Soms schrijnend, zoals in Leedvermaak in de scènes over een tram of trein (‘En we gaan nog niet naar huis / nog lange niet nog lange niet’), soms als een klap in je gezicht à la Kierkegaard: ‘Wij wensen u een goede reis’. Het laatste geeft de onnadenkendheid weer die Hannah Arendt de ‘banaliteit van het kwaad’ noemde. 

    In dit eerste toneelstuk worden de hoofdrolspelers tijdens een bruiloftsfeest voorgesteld: Lea, een violiste en haar man Nico, een arts. De ouders van Lea: Simon, een geslaagd zakenman en Ada, een hoedenontwerpster, Zwart, een hoopvol zakenman en vader van Nico, zijn vrouw Duifje, die in een stomerij werkt en Riet, de oorlogsmoeder van Lea die werkzaam is als fabrieksdirecteur. 

    Herinneren in de toekomst

    Het tweede toneelstuk Rijgdraad gaat over herinneren en datgene wat je overkomt. Zwart zegt: ‘Werd ik maar seniel (…). Dan ben je toch van alles af!’ Het is dezelfde die zegt dat de oorlog doodnormaal is ‘voor wie het meemaakt. Doodnormaal!’ Het is een andere toon dan in Leedvermaak, er is een zekere dubbelzinnigheid voor in de plaats gekomen. Neem Pien, een naoorlogse vrouw en van origine niet-joods, die haar zeven kinderen in een bolderkar zet. Zij beginnen te huilen en te schreeuwen. ‘Stuk voor stuk’, zegt ze, ‘het gevoel dat ze niet genoeg plaats hebben’. Lea zou het ‘associaties’ noemen. Dat zei ze tenminste toen iemand viel over het woord ‘weghalen’ van een baby: ‘Het woord alleen al!’
    De humor is in dit stuk minder beladen. Zoals diezelfde Lea, die als ze een zoontje zou krijgen, hem Isaac wil noemen, maar dat wil Dory óók al. Tot Lea’s vader uitlegt dat dit komt omdat Dory’s vader Isaac heet, waarop Lea zegt: ‘Ik wou het alleen maar vanwege Isaac Stern’, naar de beroemde violist.           

    Ada zegt als vervolg op de hiervoor genoemde zin van Daniel in Leedvermaak: ‘Mijn herinneringen slaan op de toekomst. Ik herinner me alles wat nog gaat gebeuren’, zoals het feit dat ze ‘gewoon [is] gestorven doordat [ze] een versleten hartklep had’. Hoewel Lea haar toch als een oorlogsslachtoffer wil bestempelen en haar het zwijgen over de oorlog verwijt. 

    ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’

    Het surreële neemt in het laatste stuk van de trilogie, Simon, toe. Ada hangt aan een kledingrek met wintermantels, een boekenkast is dan kast dan weer een foto van een kast, Simon laat alles uit zijn handen vallen, wat op het toneel eerst een slapstick en daarna beklemmend moet overkomen; eten als dieren van de grond. ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’ zegt Hans, een ex-leraar en zakenman even verderop. Maar toch. Je voelt het, je ziet de beelden op je netvlies. 

    Ook als de trilogie ten gevolge van de corona-crisis niet zou kunnen worden opgevoerd. Want dat was de bedoeling: voor het eerst, in zijn geheel in een marathonvoorstelling door Het Nationale Theater en Asko|Schönberg in de regie van Eric de Vroedt, waarbij Simon überhaupt voor het eerst op de planken zou worden gebracht.
    Wanneer het gespeeld wordt, zal duidelijk worden dat het niet primair over de oorlog gaat, maar over een ‘gewone’ familie die moeizame relaties onderhoudt tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Dat zou nu, anno 2020, weer twintig jaar later, net zo goed de corona-crisis kunnen zijn die alles op scherp zet. In huis, waar de hele familie aanwezig is, inclusief huilende en schreeuwende kinderen, inclusief het soms wegkijken en niet-begrijpen van de ernst van de zaak. Zo actueel is deze trilogie, die relaties tegen de achtergrond van een crisis schijnbaar terloops en op luchtige toon ten tonele voert. Ook als zij niet kan worden opgevoerd, rest deze fraaie, complete uitgave.