• Een fascinatie voor grensgangers

    Een fascinatie voor grensgangers

     

    Els van Swol (1952) blogt sinds 2012 op haar eigen website over muziek, toneel, film, literatuur, filosofie, beeldende kunst en nog veel meer, kortom over alles wat raakt aan cultuur en cultuurgeschiedenis. Wat haar boeit zijn de tegenstelling tussen goed en kwaad en de kunstenaars die zich op de grens daarvan bewegen. 

    Minimaal een keer per week plaatst ze op haar website een blog. Sinds 2015 schrijft ze recensies voor Literair Nederland. Ze recenseert eveneens voor NBD Biblion, een organisatie die bibliotheken ondersteunt en het lezen wil bevorderen, en voor cultuurwebsite 8WEEKLY. Daarnaast schreef zij zeven boeken, waarvan Tien boeken, tien deugden, over Philippe Claudel, een paar maanden geleden verscheen.

     

    Wat drijft jou om te schrijven? Je produceert best veel.

    ‘Ik heb zelf niet het gevoel dat het veel is. Van de recensies, ook voor Literair Nederland, hangt het af van met welke andere zaken ik nog bezig ben, een cursus of zo, of van wat ik toegestuurd krijg. Alleen voor 8WEEKLY schrijf ik iedere maand. Ik bezoek dan een tentoonstelling en vertel er wat over. En ik schrijf voor Kerk in Mokum, een tijdschrift voor kerk, cultuur en samenleving van de Protestantse Kerk Amsterdam. Ik ervaar het niet als veel schrijven, het is een hobby. Wat mij drijft is creatief bezig zijn. Zo heb ik ook als vrijwilliger een keer per maand een muziekclubje waar ik dan een lezing geef. Ik duik in de muziekgeschiedenis, zoek van alles bij elkaar over een bepaald muziekstuk of een componist, vertel er wat over en hoop dat mensen dan zeggen: Wat heb ik een heerlijke middag gehad. Soms gaan ze een cd kopen van een componist waar ze voorheen nooit van hadden gehoord. Dan is mijn middag goed.’ 

    Els van Swol deed de opleiding tot muziekbibliothecaris aan de vroegere Frederik Muller Academie en studeerde later Kunst en Cultuurwetenschappen bij de Open Universiteit. Daar was muziek een vak, net als beeldende kunst, literatuur, filosofie en cultuurgeschiedenis. Ze studeerde af op het filosofische Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel. Van Claudel was ze zo onder de indruk dat ze zelf een boek over hem en tien van zijn romans ging schrijven: Tien boeken, tien deugden (2021). 

    Wat trok je aan in zijn boeken, wat is de gemene deler?

    ‘Hij schuurt. Er zit een soort dialectiek in. Goed en kwaad, licht en donker, in een vaak heel bloemrijke taal. Die schuurt met het thema waar hij over het algemeen over schrijft, het kwaad, en dat vind ik interessant. Dat is de gemene deler die mij in een kunstwerk aanspreekt, in boeken, muziek of wat dan ook. Ook in beeldende kunst ja. Ik herinner me dat ik voor het eerst met vakantie in Vlaanderen was. Het regende, ik had te weinig boeken bij me en ging een boekwinkel binnen. Toen is mijn liefde voor de Vlaamse literatuur geboren. Zowel de beeldende kunst die je daar ziet als de literatuur zijn wat rauw. Die heeft ook heel bloemrijke taal en toch schuurt het. Die twee kanten zitten ook in Claudel, en trouwens ook bij Shakespeare, waar ik ook een groot fan van ben, dat komische en het tragische. Componisten als Carl Nielsen en Francis Poulenc hebben het ook. 

    Zelf ben ik een boek over Claudel gaan schrijven omdat ik het zo interessant vond wat hij schrijft. Er waren toen tien romans van hem vertaald en ik dacht, tien is een mooi getal, wat kan ik daarmee? Toen stuitte ik toevallig op het boekje Tien waarden om in te geloven van Bernard Luttikhuis en heb ik dat als kapstok gebruikt voor de boeken van Claudel, zodat er een mooie structuur ontstond en mijn verhaal meer werd dan een uittrekselboek.’

    Een ander boek van Van Swol is Mythe, mysterie, mystiek, (2019), een “kennismaking en een in memoriam” over de in 2016 overleden theoloog Henk Vreekamp, die zichzelf ook wel als “heiden christelijke” voorganger omschreef.  

    Wat was de aanleiding om dat boek te schrijven?

    ‘Er was een studiedag in de synagoge in Zwolle over het werk van Vreekamp die toen een jaar eerder overleden was. Ik kende hem en zijn vrouw en ik kende de serie van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij – die inmiddels door KokBoekencentrum wordt uitgegeven – en het leek me leuk om Vreekamp daarin te laten opnemen. Aan zijn vrouw heb ik gevraagd: zou je medewerking willen verlenen als ik voorstel om dat te gaan schrijven? Dat vond ze enig. Ik kreeg de volle medewerking, maar heb zijn archief niet mogen raadplegen omdat zij erop stond dat het echt alléén mijn visie op zijn werk was die ik zou weergeven. Daarom wilde ze ook niet dat ik een hoofdstuk Receptie zou toevoegen, waarin ik in zou gaan op reacties op zijn werk anders dan die van mijzelf. Verder was het een hele leuke samenwerking. Nee, ik heb niet overwogen om het dan maar niet te schrijven, ik wilde het toch graag doen.’

    Uit dat boek en uit andere van je teksten blijkt dat je nogal wat Bijbelkennis hebt.

    ‘Die heb ik niet bij de Open Universiteit opgedaan, het is altijd mijn persoonlijke interesse geweest. En dan voornamelijk de joodse uitleg van de Bijbel, waar Vreekamp ook erg sterk in was. Ik heb in verschillende commissies op dat terrein gezeten, kerkenraadcommissies en zo, ben er altijd wel mee bezig geweest. Als puber niet, ik ben wel christelijk opgevoed, maar keek toen kritisch naar de kerk. In Leeuwarden, waar ik een tijd gewoond heb, ging ik praktisch niet naar de kerk. Maar toen mijn ouders daar ook kwamen wonen ging ik samen met mijn vader, dat was gezellig.’  

    Vanwaar de interesse voor de joodse kant van de Bijbel?

    ‘Die is meer concreet, de joodse uitleg van de bijbel, meer op het aardse gericht. Geen dogma’s van dit of dat moet je geloven, gewoon praktisch doen, het geloof in praktijk brengen, letterlijk. Daar gaat het in het jodendom om, er handen en voeten aan geven. In het Hebreeuws zijn woord én daad een en hetzelfde woord: dabar. “Geen woorden maar daden” klinkt daarom in mijn oren dus vreemd. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen water te drinken geven, vreemdelingen opnemen, naakten kleden, zieken bezoeken, gevangenen bezoeken en doden begraven. Het gaat erom de wereld beter te maken.’

    De Bijbelteksten die je onder andere aanhaalt in het boek over Vreekamp en ook in dat over Claudel, en die ook wel in je blogs voorkomen, ken je die uit je hoofd?

    ‘Bij Claudel heb ik heel weinig aangehaald en met enige schroom, want ik was me erg bewust van het feit dat hij humanist is. Maar door die opvoeding zit er zoveel bagage dat er al snel een koppeling met zo’n tekst in me opkomt. En soms heb ik ook wel eens een klepel waar ik de klok even voor moet opzoeken. Leve het internet hè. 

    Nee, de allernieuwste vertaling van de Bijbel heb ik niet gekocht. Dat wordt te gek ook. Ik heb er laatst iemand uit horen voorlezen, vond ik wel mooi, maar om nou nog weer een vertaling te kopen… Ik heb er al een paar en ben geen theoloog. Ik heb een paar jaar Ivriet gedaan, het moderne Hebreeuws, en kan in het oude Hebreeuws sommige dingen wel plaatsen. Over vertalingen zijn hele hetzes gevoerd. Dan denk ik, ja ach…’ 

    Je schreef ook twee boeken over muziek, waaronder Dialoog in muziek (Panta Rhei, 1997) over de invloed van de joodse muziek op de westerse muziekgeschiedenis. Hoe zit dat precies?

    ‘Die invloed is er, vanf het Gregoriaans, tot nu toe. Maar dat weten weinig mensen, eigenlijk heel vreemd. De invloed kwam vanuit wat we nu Israël noemen naar hier, mensen gingen over en weer. Bij Monteverdi zijn er veel invloeden, die zat in het getto in Venetië en heeft daar de joodse muziek gehoord. Er zijn ook twintigste-eeuwse componisten die zich bewust hebben laten beïnvloeden, niet-Joodse componisten. Je kunt het soms horen, in bepaalde uitvoeringstradities van het Gregoriaans die daar echt op gestoeld zijn en bij Monteverdi in bepaalde versieringstechnieken. Je vindt de invloed ook terug in de getallensymboliek in allerlei werken van J.S. Bach. Vervolgens bij de joods-christelijke componist Mendelssohn-Bartholdy, in werken van Schubert en vooral in Russische muziek van met name Rimski-Korsakow en Sjostakovitsj.’ 

    Je schreef ook een boek over je moeder.

    ‘Het is een biografie van mijn moeder. De titels van de hoofdstukken zijn ontleend aan de delen uit Dieterich Buxtehude’s cantate Membra Jesu Nostri. Mijn vader en ik hoorden dat stuk tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, niet lang nadat mijn moeder was overleden. Het maakte een verpletterende indruk. Vandaar de keus voor de hoofdstuktitels als kapstok voor de indeling. In het boekje kijk ik door de ogen van mijn moeder naar de kunst waar zij van hield: beeldende kunst, (binnenhuis)architectuur, literatuur, klassieke en jazzmuziek. Ik probeerde deze voorliefdes psychologisch te duiden. Op deze manier ontstaat ook een tijdsbeeld en gaat het ook over kunstgeschiedenis. En bepaalde kanten van het karakter van mijn moeder ben ik al schrijvende steeds beter gaan begrijpen.’ 

    Voor Shakespeare heb je een grote liefde. Wanneer is die ontstaan en wat trekt je in hem aan?

    ‘Dat was in 1993. Ik zat tv te kijken, zapte wat en toen kwam er een opvoering van Hamlet voorbij, opgenomen in het Hilversumse raadhuis onder regie van Dirk Tanghe en Berend Boudewijn. En toen was ik verkocht! Ik dacht, dit is wel zo iets moois! Ik heb Shakespeare natuurlijk op de middelbare school gehad, maar toen drong het nog niet zo tot me door, het hoorde gewoon bij de les. De opvoering was zo mooi gedaan dat ik er meer van wilde weten. Sindsdien ga ik altijd als Shakespeare ergens opgevoerd wordt. Ik ben gek genoeg om er ook voor op reis te gaan. Vrienden van me zijn ook grote fans, we delen die liefde. Een van hen is een Engelse toneelspeler. Ze sturen weleens linkjes door over opvoeringen in Engeland en dan ga ik daar ook naar kijken. Het is een totaal andere opvoeringstraditie dan in Nederland. Het grootste verschil zit er misschien in dat Engelse regisseurs meestal dichter bij het origineel blijven en Nederlandse niet altijd. De eerste opvoering van een Shakespearestuk vond in Nederland pas halverwege de negentiende eeuw plaats. Bovendien kent Nederland regisseurstoneel: de visie van een regisseur op een bepaald stuk is nadrukkelijk aanwezig. Het is heel leuk om kennis te nemen van dat verschil. 

    Ik ben ook een paar keer in Stradford-upon-Avon geweest, maar heb daar geen opvoering bijgewoond. Wel in Londen. Wat me trekt is misschien toch ook wel weer die dialectiek, goed, kwaad, tragedie, komedie ineen. En het mengen van dingen. Grensgangers zijn het eigenlijk, dit soort kunstenaars en in die verschillende stijlen. Dat is denk ik wel een kenmerkend woord.’

    Je blogs op je website zijn heel verschillend. Soms zijn het recensies, soms boekaankondigingen of een verhaal over iets anders, met veel boektitels en auteursnamen. Heb je die associaties allemaal paraat?

    ‘Soms moet ik wel wat nazoeken, maar iemand heeft ooit tegen me gezegd: “Dat is een hele leuke soort kortsluiting in jouw hersenen.” Dat vond ik het mooiste compliment dat ik ooit gehad heb. Wanneer ik over literatuur aan het schrijven ben, schiet me vaak meteen een schilderij te binnen of een stuk muziek. Dat is de cultuurwetenschap in praktijk gebracht. Ik denk dat ik dat altijd heb gehad, door de studie misschien aangewakkerd. Maar het zat altijd al in me.’ 

     

    Lees hier de recensie van Els van Swol

    En kijk hier voor Els’ Blogs.


    Foto: Nori Rutgers-Dekker

     

  • Brieven aan zijn Mieske, een waar revolutionair

    Brieven aan zijn Mieske, een waar revolutionair

    Soms komt een boek op het juiste moment. Dat geldt voor Wissel op de toekomst van Soetan Sjahrir (1909-1966), waarbij Soetan geen voornaam is maar een titel. Eerder werd er in 1945 van deze Indonesische nationalist, Indonesische overpeinzingen uitgegeven dat meerdere drukken kende. Wissel op de toekomst komt op het juiste moment omdat het in de slipstream van vijfenzeventig jaar onafhankelijkheid van Indonesië verschijnt, waardoor de belangstelling voor de koloniale geschiedenis in ons land toeneemt. Zo kwam de naam Sjahrir ook bovendrijven in het boek Revolusi van David Van Reybrouck, zijn naam neemt in het register bijna een hele kolom aan verwijzingen in beslag, met toevoegingen als: premier, arrestatie en ballingschap, gevangenschap en overlijden.

    Nu is er dan een vollediger beeld van hemzelf beschikbaar in de vorm van brieven die hij schreef aan zijn Hollandse geliefde Maria Duchâteau, die hij Mies of Mieske noemde. De brieven zijn bezorgd door Kees Snoek, die in Indonesië heeft gewoond, onder meer de biografie van Eddy du Perron publiceerde en poëzie vertaalde van Sitor Situmorang en Rendra. De brieven omvatten de periode 1931-1945, van het idee van Soekarno om een nieuwe partij op te richten tot de dekolonisatieperiode. De laatste brief dateert van kerst 1945. In voetnoten wordt telkens de politieke achtergrond – die meeklinkt in de brieven – geschetst, zodat de kennis daarvan voor de lezer wordt verdiept.   

    Toekomstplannen

    Sjahrir heeft toekomstplannen voor zijn land die hij met zijn geliefde deelt, maar hij is bang dat de Indonesiërs vijandig tegenover de Hollandse Maria Duchâteau zullen staan, temeer daar ze nog getrouwd is met Sal Tas, voorman van de SDAP. Deze houding blijkt ook uit, ‘maar Mies was van het begin tot het einde een waar revolutionair. Standvastig en principieel.’
    Het is altijd jammer niet te weten hoe zij hier zelf over dacht, want haar brieven zijn helaas niet bewaard gebleven. We moeten het doen met verzuchtingen van Sjahrir in de trant van: ‘Als je hard en koel schrijft (…) doe je mij zoveel verdriet aan en Mieske het is niet waar’.   

    Sjahrir maakt zich per brief ook losser van haar en hecht sterk aan zijn werk en aan Ita, een vrouw waarmee hij, zoals we nu zeggen, een knipperlichtverhouding heeft. Hij lijkt Mies daarnaast vooral nodig te hebben om zijn verhaal kwijt te kunnen. Hier past enige schroom, want zijn brieven zijn in eerste instantie niet voor onze ogen bedoeld en al helemaal niet om ons oordeel op los te laten. Toch ontkom je als lezer niet helemaal aan deze beeldvorming, waarbij aangetekend dat het Sjahrir zelf de eerste is die zijn eigen tekortkomingen meteen weer relativeert: ‘Mijn eigen lot interesseert mij maar matigjes’, schrijft hij nadat hij in maart 1934 gevangen is genomen en naar Boven-Digoel werd verbannen, samen met onder meer Mohammad Hatta, de opvolger van Soekarno als partijleider. Later werd Sjahrir overgeplaatst naar Banda. Bovendien moeten we als lezer natuurlijk ook niet vergeten, dat de brieven werden gecensureerd.
    De reden van zijn gevangenneming en verbanning is, dat hij als ‘gevaarlijk voor de openbare rust en orde’ wordt beschouwd (volgens de wet van 1854). Een wreedheid die volslagen in tegenstelling is tot enkele mooie natuurbeschrijvingen die Sjahrir geeft van Nieuw-Guinea.

    Tegenstellingen

    Het zijn juist zulke tegenstellingen die schrijnen, en die ook het begin vormen van een ander recent verschenen boek, De strijd om Bali van Anne-Lot Hoeks. Zij zag in 2013 foto’s uit het album van een veteraan. Gruwelijke foto’s die ze niet kon rijmen met een bezoek dat ze eerder, in 2011 aan Bali bracht. De veteraan, vertelde zij tijdens een bijeenkomst in Spui25 in Amsterdam, wilde echter, toen ze hem in Parijs bezocht, vooral zijn eigen verhaal kwijt, terwijl Hoek in de eerste plaats op zoek was naar het grote, koloniale verhaal. Wat ze overigens ook ondersteunt met brieven, die een belangrijk onderzoeksobject blijven.

    Opvallend is, dat Sjahrir op een gegeven moment schrijft dat Mies ‘weer zo heerlijk sterk’ in hem leeft. ‘Overal voel ik je nabijheid en soms zie ik je zo voor mij staan. Heerlijk is dat liefste.’ Het lijkt of Sjahrir de lezer in zijn gevoelens over hem en Mies telkens een stapje voor is. Hij is niet bitter meer dat zij zo weinig schrijft, want de brieven die hij krijgt beuren hem in de situatie waarin hij verkeert op. Het lukt de lezer steeds beter zich in beider posities in te leven, hij ver van zijn vrouw en kinderen, zij met de kinderen ver van hem, met wie ze in september 1935 ‘met de handschoen’ trouwt.

    En toch schrijft Sjahrir opeens weer dat hij zich aangetrokken voelt tot het geestelijk nihilisme van Eddy du Perron, met wie hij contact heeft. Het geeft duidelijk zijn verwarring weer, want hij weet dat hij elk moment zou kunnen worden doodgeschoten. 

    Biografische schets

    Na de brieven volgen zo’n tachtig pagina’s met een biografische schets. Hierin leren we Sjahrir kennen als een analytische geest, hoewel de romantiek soms van zijn brieven afdruipt. Wat niet wegneemt dat hij ook Mies gebruikt als instrument om zijn hart te kunnen luchten en als makker in zijn revolutionaire strijd. Hij wordt ongeduldig als het niet gaat zoals hij wil. Tijdens zijn gevangenschap krijgt een zeker fatalisme vat op hem, dat na zijn overplaatsing naar Banda plaats maakt voor meer onverschilligheid.

    De notities van Kees Snoek bevestigen wat de aandachtige lezer al in Sjahrirs brieven had bespeurd, dat Sjahrir en Maria Duchâteau niet in staat zijn om zich in elkaars situatie in te leven. De biografische notities gaan door waar de brieven stopten. Sjahrir is inmiddels premier (november 1945-juni 1947) en Maria verdwijnt helemaal naar de achtergrond. Ze hebben elkaar nog een keer gezien: op 2 april 1947 in New Delhi, tijdens een door Nehru belegde conferentie. Het was een pijnlijk en nogal koel weerzien. Ze scheiden en hertrouwen beiden. In 1962 wordt Sjahrir beschuldigd van betrokkenheid bij een aanslag op Soekarno. Hij wordt gevangen genomen en op verzoek van zijn vrouw voor medische verzorging na enkele beroertes overgebracht naar Zürich, waar hij in 1966 zal overlijden.

    Door hun gelaagdheid en de aanvullende informatie zijn de brieven van Sjahrir aan Maria Dûchateau interessant voor een breed lezerspubliek. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het kolonialisme in het algemeen en die van Indonesië in het bijzonder. En voor hen die geïnteresseerd zijn in de vraag hoe een huwelijk, hoe twee geestelijk aan elkaar verwante mensen al dan niet bestand zijn tegen een fysieke scheiding. Minder voor lezers die mooie, letterkundig hoogstaande liefdesbrieven willen lezen, maar dat was primair ook niet de bedoeling van deze uitgave. 

     

  • Op de schouders van de zwarte vrouwen voor haar

    Op de schouders van de zwarte vrouwen voor haar

    Neske Beks zegt nadrukkelijk dat zij staat op de schouders van Zwarte vrouwen die vóór haar kwamen. Zij noemt ze bij name. Twee pagina’s lang met elk drie kolommen. Van Toni Morrison tot Manouschka Zeegelaar Breeveld. En last but not least Andre Lorde, die een gedicht schreef onder de titel ‘Echoes’ dat voorin deels als motto is afgedrukt. Lorde leerde haar dat de wereld Zwarte meisjes en vrouwen ‘niet ziet, niet hoort en stigmatiseert’. Zwart met een hoofdletter. ‘Als cultureel statement.’ Als politieke term. Zoals The New York Times dat al een jaar of wat doet en het Stedelijk Museum het deed in de zaalteksten en de catalogus bij de tentoonstelling ‘Kirchner en Nolde. Expressionisme en kolonialisme.’ 

    Zwart, vrouw en ook wit

    Na de Inleiding volgt geen witte maar een zwarte pagina. Een statement dat staat voor ‘de ervaring en het Zwarte perspectief’ waar witte schrijvers ‘een onvolledig verhaal’ vertellen. Ook Toni Morrison deed zoiets in haar The Black Book, dat eindigt met twee zwarte pagina’s. Beks brengt een eerbetoon aan haar, die ze als haar grootste leraar ooit beschouwt. Neske Beks (1972) is schrijfster, film- en theatermaker van dubbelbloed, met Vlaamse, Senegalese, Afro- en inheems Amerikaanse roots. Ze voelt zich ‘in de eerste plaats (…) Zwart, daarna pas (…) vrouw, daarna pas (…) – als dubbelbloed – ook wit’.

    Wat ze onder die woorden, zwart, dubbelbloed, wit verstaat, is de volgende stap die ze zet. Witheid is een sociale positie, zwartheid een cultuur. Het is interessant deze woorden te vergelijken met de verklarende woordenlijst, de ‘Woke’ woordenlijst, die Bas Belleman samenstelde voor Filosofie Magazine (dec. 2021). De conclusie is misschien dezelfde: de woorden zijn ‘niet neutraal en dat mag ook nooit [zo] lijken’ (Belleman). Al zet Beks kanttekeningen bij het begrip ‘Woke’: ‘Woke worden behoeft wat mij betreft meer gedachte-oefening, lezen, reflectie, pijn, eerlijkheid’. Belleman stelde zijn woordenlijst primair samen voor de veelal witte lezer van Filosofie Magazine, Beks schreef haar boek inclusief woordenlijst ‘in de eerste plaats voor Zwarte vrouwen. BIPOC vrouwen’ (‘Black Indigenous and People of Color’). 

    Op oorlogspad tegen onrechtvaardigheid

    Het boek is een bundeling van essays, speeches, enkele brieven en gedachten, ‘een ode aan Zwarte vrouwen’. Een vorm van troost en een uiting van strijd. Deze veelzijdigheid, en de afwisselende vorm en stijl van de verschillende stukken, zijn kenmerkend voor Beks’ werk dat niet in een hokje past en dat is moeilijk wanneer je haar zou willen plaatsen, maar moet dat ook? Het is een rijkdom die ze met de lezer deelt. Of het nu om korte notities gaat, of een uitgebreid essay over bijvoorbeeld Toni Morrison, dat ze voor een tijdschrift schreef en op grond van redactioneel commentaar niet wilde aanpassen. 

    Niet aanpassen – dat kennen we ook uit de serie Liever kroes?! op NPO3 en npo3.nl. Nelly dos Reis wilde haar haar niet langer ontkroezen, zich niet langer anders voordoen dan ze is. Het kostte Beks jaren therapie om zichzelf te durven en kunnen zijn. Op een dag werd we wakker en was ze toch, tegen eerder uitlatingen in, ‘Woke’. Dat wil zeggen: met een verscherpt gevoel voor onrechtvaardigheid, zoals de definitie luidt van Walter Weyns, de Vlaamse socioloog en auteur van Wie Wat Woke?  Ze was een ander ik geworden, een donkerder zelf, op oorlogspad tegen racisme met haar ‘vurige temperament’.

    Op het gevaar af, dat ze – zoals ze schrijft – op een dag gek wordt. Want ze is niet alleen activist voor de Zwarte zaak, maar ook voor bijvoorbeeld LGBTI+-rechten. Ze schrijft en schrijft. Essays en een ontroerende én heftige brief aan haar zoon. Tot vier keer toe herstelde ze van een herseninfarct. Ze vraagt zich af hoe ze activist kan zijn ‘zonder er onontkoombaar zuur en bitter van te worden’ door alle weerstand die ze ondervindt. Het kan – door dit boek te schrijven. Een pijnlijk boek, maar het moet. Het is een proces dat doorlopen moet worden, een weg die moet worden afgelegd. In de hoop dat wit en Zwart elkaar ergens halverwege ontmoeten. Een weg terug is er niet. Maar eerst moet er ruimte zijn voor boeken zoals deze, waarin Zwarte mensen hun pijn kunnen uiten. Een betere gids dan Beks kun je je daarbij nauwelijks wensen.

     

  • Een levendige tegenstrijdigheid

    Een levendige tegenstrijdigheid

    Het is een bijzondere gewaarwording om direct na het herlezen van Tonke Dragts De brief voor de koning – dit jaar voor een prikje te koop in het kader van ‘Geef een boek cadeau’ – Willem die Madoc maakte van Nico Dros te lezen. Beide boeken ademen eenzelfde sfeer en toch ook weer niet. Het eerstgenoemde, een kinderboek, gaat over de bijna-ridder Tiuri. Het tweede over de bijna-geestelijke Beda, en begint op het moment dat hij op het punt staat de gelofte af te leggen in een Benedictijns klooster. Wat beiden vooral gemeen hebben is dat ze het goede of de goede zaak in het leven zijn  toegedaan. 

    Van ridderlijk naar intellectueel

    In de tweede helft van Willem die Madoc maakte heeft Beda de naam Madoc aangenomen. Hij is er met zijn hoofd vaak niet bij, reizend van de ene naar de andere plaats. Hij verkeert bij gedichten en vrouwen, in het bijzonder bij Veerle die hij op een late avond ontzette en wordt haar ridderlijke figuur. Op weg naar Parijs, een gevaarlijke tocht, wordt hij onderweg door de geestelijke Hincmar, graaf van Mourille, benoemt tot secretaris. Madoc is, zoals veel troubadours, onder de indruk van de onbereikbare kasteelvrouwe Adelina, die hem ’s nachts weet te vinden.

    Het kloosterleven ligt al ver achter hem wanneer Madoc zijn vuurdoop met wapens ondergaat, waardoor hij prikkelbaar en introvert wordt. Tijdens een gevecht ontdekt hij dat hij tweehandig is: links heeft hij kracht en met rechts doet hij het fijne werk, zoals schrijven. Het geeft Madocs dualisme weer, dat in het boek knap tot in alle finesses wordt doorgevoerd. De Franse filosoof Emmanuel Levinas noemt dit een ‘levende tegenstrijdigheid’. Eentje die leidt tot ‘een ingrijpende zwenking’ in het levensverhaal van Madoc, die op zijn reis naar Parijs zijn schrijverschap ontdekt. Een ‘omslag van het ridderlijke naar het intellectuele’, waarbij Madoc het geestelijke leven achter zich laat, gelijk opgaand met de metamorfose van Adelina van kasteelvrouwe tot mondaine dame. Hij verdwijnt in gedachten over de relatie tussen filosofie en theologie, bij Aristoteles’ ‘leer van de dubbele waarheid, waarin openbaring en rede zich niet zozeer verzoenen, maar als twee afzonderlijke wegen naar het enige, ware inzicht voeren’.

    In Parijs ontmoet Madoc een priester uit Wales die op grond van een nachtelijk droomgezicht van de bard Maelgwn, Madocs herkomst onthult als de kleinzoon van twee koningen: Owain en Madog. De Welshmen verlangen naar een vorst die de strijdende partijen voor eens en voor altijd kort en klein slaat.

    Een drama in het Diets

    Verder zuidwaarts ontmoet Madoc onderweg Wijchje, die de doopnaam Hadewijch heeft, net zo’n twijfelaar als hij is. Zij zingt Occitaanse liefdesliedjes aan de ene kant en kent de ‘spirituele vervoering van de begijnen’ aan de andere kant. Dat levert zielsverwantschap op. Wanneer hun levens elkaar kruisen, is Madoc op weg naar het zuiden en zij op weg naar het noorden. Hij besluit met haar mee te gaan en trouwt haar. Zij raakt zwanger en verandert ‘in een puur aardse vrouw’. Hun dochtertje sterft kort daarna. Waarna Hadewijch afdrijft ‘naar al te ijle sferen’, naar Antwerpen evertrekt en intreedt in het Begijnenhuis. Madoc wil wraak nemen op het geloof dat hem Hadewijch deed verliezen, en schrijft een drama in het Diets. ‘In een lucide vervoering die in sommige opzichten deed denken aan eenzelfde mystieke extase, als waar Wijchje bij vlagen door werd meegesleept’. 

    Behalve in het Diets, schrijft Madoc ook een in het Latijn gesteld dichtwerk Duo Somnia (Twee dromen). Hierin uit hij zich in termen als een openbaring die zich in zijn geest uitstortte, ‘in momenten van luciditeit’. Hij moet voor een schepenbank komen, op verdenking van ongeloof. Daar komt hij tot de synthese tussen zijn oude geloof en nieuwe ongeloof: ‘Mijn geest werd in een dichterlijk visioen geconfronteerd met een profetie waarin de grenzen van de christelijke leer worden overschreden’. Hij wordt veroordeeld ‘wegens buitensporige blasfemie in geschrifte’ en wordt – speling van het lot – ingemetseld gelijk een incluse als zuster Bertken, die de laatste zevenenvijftig jaar van haar leven in een nis in een kerkmuur doorbracht.

    Prachtig en actueel boek

    Deze roman van Nico Dros kent een meerlagigheid die het boek uittilt boven veel andere historische romans zonder dat de lezer er verstrikt in raakt of het spoor bijster is. Het is – net als De brief voor de koning van Tonke Dragt – zelfs een ware ‘page turner’, al mag zo’n opmerking, die vaak voor een wat populairder boek wordt gebruikt – het prachtige boek van Dros met zijn tot in de finesses uitgewerkt dualisme niet te kort doen.
    Ten diepste ontdekt de lezer, hoe actueel het boek is: de weg van Beda tot Madoc (kerkverlating), Beda die in het klooster werd opgevangen, nadat hij als schipbreukeling (bootvluchteling) was aangespoeld, de in het klooster levende, Godvruchtige monnik Elmus, die ook dingen deed ‘waar de kinderen met geen woord over spraken’ (ontucht in de rooms-katholieke kerk). Ook dit ligt er, net als de filosofische achtergronden, niet dik bovenop, maar is er als lezer zelf uit op te maken.

     

  • Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

    Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

    Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het nieuwe boek van Philippe Claudel is een sterke ‘Claudel’: geen overdreven metaforen of al te barok taalgebruik, die enkele andere boeken soms ontsieren. Nee, subtiele metaforen die zich pas bij herlezing prijsgeven en een prachtig, poëtisch taalgebruik zonder uitspattingen. Een rijp boek dat tot nadenken stemt van de inmiddels bijna zestigjarige Franse auteur. Want wat zich niet meteen prijsgeeft is een antwoord op de vraag: gaat het hier nu om een verhalenbundel of om een (soort) roman? Er zijn vijf hoofdstukken of verhalen die tussen 2016 en 2020 op zichzelf staand zijn geschreven. Er is een centraal thema (goed en kwaad) en er zijn elementen die in alle vijf hoofdstukken terugkomen.

    Alles speelt zich af in Duitsland, en zijn bijvoorbeeld de Biergarten in München en een fabriek steeds terugkerende plekken. Dan is er die andere verbindende factor: de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Tenslotte is er de figuur Viktor die overal in terugkomt, al kun je je afvragen of het steeds dezelfde Viktor is; soms wordt zijn naam als Victor gespeld. In ieder geval klinkt er ‘Victorie’ in door, maar ook Vic(tim). In de ruimte tussen die twee, tussen Viktor en Victor, victorie en victim kun je als lezer zelf kruipen: wat zou ik hebben gedaan? Je zou het een grijze lacune kunnen noemen, met een knipoog naar de titel van een van Claudels bekendste boeken, Grijze zielen. Claudel veroordeelt zijn personages niet. En staat die leemte misschien symbool voor de lijmranden van een in scherven gevallen roman, die als verhalen aan elkaar zijn gelijmd, én voor de wereld die door en tijdens de oorlog kapot viel. 

    Aardappelsoep en zwart brood

    Het eerste hoofdstuk gaat over een leeftijdloze, gewonde soldaat die onder een den ontwaakt uit een droom. Hij denkt aan het kamp, waar zijn collega Viktor de gevangenen schillen toewierp als waren ze kippen of varkens, en hij zelf lijsten met namen opstelde en zo de transporten voorbereidde. Op het eind vindt de ik-figuur een fabrieksruimte waarin hij denkt te kunnen schuilen. In het tweede hoofdstuk is de ik-figuur een bijna negentigjarige, knorrige en bijna dove man. Hij heeft een vrouw, een zoon en Anne, een thuishulp die drie keer per dag komt. De weinige dingen die hij nog kan, zijn ruiken en zich dingen herinneren; belangrijke thema’s in de boeken van Claudel.
    De oude man denkt terug aan het Adagio uit de eenenzestigste symfonie van Joseph Haydn die hij eens hoorde, en ‘de bruinharige vrouw’, waarmee hij als vijftienjarige op een avond in mei zijn eerste seksuele ervaring beleeft. Hij bewaart ‘herinneringen aan haar gekreun, aan de kreten die ze verbeet tussen haar lippen, aan haar ademhaling als van een klein dier’. Zijn vader is in de nacht gebleven. Moeder en zoon eten elke avond aardappelsoep en zwart brood. Al etend brengen ze zich letterlijk de Tweede Wereldoorlog binnen, waar in de kampen immers aardappelsoep en zwart brood werd ‘geserveerd’. 

    Groot en klein kwaad

    In het derde, wellicht sterkste hoofdstuk, zet Claudel het grote en het kleine kwaad naast elkaar en laat het aan de lezer over of dit zinnig is. Er wordt een burgemeester opgevoerd, een vaak voorkomende figuur in de boeken van Claudel die alleen met zijn beroep en verder naamloos wordt opgevoerd. Voorts is er het zeventienjarig meisje Irma dat – zoals bij wel meer meisjes van die leeftijd bij Claudel – niet zo bijster intelligent is. Irma krijgt via de burgemeester een baan in een bejaardenhuis, een sociale werkplek, waar ze zijn zoon, Viktor, moet voeren. Een van de weinige dingen die Viktor nog heeft, is een portefeuille met een zwart-witfoto van een ‘groep glimlachende soldaten met aangelijnde honden en wagons op de achtergrond’. Omdat Viktor zo moeizaam eet en zij vaak trek heeft, eet ze het merendeel zelf op. De man vermagert zienderogen en sterft. ‘Bloedarmoede. Ouderdom’, meent de huisarts.

    Gedeconstrueerde levens

    Het vierde deel van het boek is faction over de schilder Franz Marc (1880-1916). Claudel laat hem de granaataanslag die Marc in 1916 het leven kostte als psychiatrisch patiënt overleven. In dit fantasieverhaal overlijdt hij pas in 1940. Viktoria Charles is expert bij een veiling van een veertigtal tekeningen van Marc. Hierop staan voornamelijk dieren afgebeeld; inderdaad de kern van Marcs werk. Waarbij aangetekend moet worden dat niemand de tekeningen gezien heeft. Gegevens over deze veiling in de pers worden afgewisseld met een dossier van het ‘geval Franz Moritz Wilhelm Marc’, psychiatrisch patiënt. Voorts is een interview opgenomen met Wilfried F. Schoeller, een bestaand auteur van het eveneens bestaande boek Franz Marc, een biografie.
    Zoals de nazi’s alle herinneringen aan het verleden wilden uitwissen, zo wordt in deze brokken het verhaal van Marc zowel gedeconstrueerd als weer opgebouwd, of zoals in dit verhaal te lezen is: ‘Voor het regime was het altijd zaak de realiteit te deconstrueren zodra die niet meer uitkwam en schade zou kunnen berokkenen, om het vervolgens te vervangen door een realiteit die op hun bevel, en hunner glorie, tot stand was gebracht’. 

    In het laatste hoofdstuk staat een nog geen tienjarig meisje centraal. Haar familie, bestaande uit vader, moeder, broertje en zijzelf werd door een soldaat die Viktor heet meegenomen naar een kuil, waarin allemaal ‘mannen- en vrouwenlichamen overal om haar heen, onbeweeglijk’ lagen. Zij en haar broertje overleven en worden door een boerin meegenomen.  Alles is verwoest en gebutst, zoals haar hoofd, dat kaal, ‘rond en gedeukt’ is. Ze gaat vaak op stap, de kleine, en slikt modder met speeksel door, internaliseert met andere woorden wat verwoest is, zoals de oorlog zelf ‘de meest onbeschaafde incarnatie van het lot is’. Op een dag loopt de kleine naar de fabriek waaruit een ‘monsterlijk geluid ontsnapte (…) een jammerklacht’. Ze ziet een verkoold lichaam liggen en praat ertegen. Zo vergeet ze haast de beelden van vroeger.

    Fantasie viert hoogtij

    Is Een Duitse fantasie nu een verhalenbundel of een roman? Is Claudel, de traditioneel schrijvende auteur een experimenteel pad ingeslagen, of staat hij op een of andere manier toch in de traditie van de Franse literatuur? Van beide wat lijkt het. Denk aan de ene kant aan titels als de Roman de la rose, wat ook geen roman is maar een gedicht. En aan de andere kant aan de titel van het boek waarin het woord ‘fantasie’ voorkomt.
    De auteur gaat daar zelf op in aan zijn ‘Aan de lezer’ aan het slot van het boek: ‘Het woord “fantasie” uit de titel is volstrekt niet ironisch bedoeld. Het moet worden begrepen in de muzikale en poëtische betekenis, die zoals bekend duidt op een werk waarin de subjectiviteit van de auteur de overhand heeft en zich onttrekt aan de strikte regels’ van vorm. Waarmee Claudel zich bekent tot de romantiek, waarin de fantasie hoogtij vierde. Wordt een oorlog niet altijd begeleid door muziek? Van de oude componisten tot de pianospelende Aehem Ahmad op de puinhopen in Syrië. Ook dit resoneert mee in dit nieuwe, sterke boek van Philippe Claudel, dat daarmee meer lagen heeft dan je na een eerste lezing denkt.

     

  • Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Het is 1986 en ‘Ma’ is in het eerste deel van De belofte, waarmee de Zuid- Afrikaanse Damon Galgut de longlist van de Booker Prize haalde, overleden. ‘Oom Ockie en tante Marina vangen Amor, de jongste dochter op. Zij is al bijna geen kind meer.’ Dergelijke korte zinnen worden afgewisseld met beschrijvingen in beeldend taalgebruik,  zoals die van oom Ockie: ‘Bruine broek; geel overhemd en glimmende schoenen’. Hij heeft flaporen en rookt sigaretten. Het huis waar ze wonen is ‘als een dronkaard die een samenraapsel van kledingstukken draagt’.      

    De ziekelijke moeder, Rachel Swart was niet geliefd bij haar zuster Marina. Moeder Rachel en dochter Amor worden – tot de dood van Ma – verzorgd door Nanny Salomé, ‘die zat bij de koop van het land inbegrepen’; een terloops zinnetje dat inslaat als een bom. Ook Amor voelde zich soms, net als de zwarte Salomé, onzichtbaar. Salomé was erbij toen Rachel haar laatste adem uitblies, maar ze telt als getuige uiteraard niet mee. Die getuige had Amor moeten zijn, vindt haar aan anorexia lijdende zus Astrid.
    Rachel was joods, haar man Manie is Nederduits Gereformeerd en wordt ondersteund door ds. Simmers, die eigenlijk niet meer gelooft, slecht ziet (mooie metafoor) en wordt geleid door een predikant in opleiding. Salomé is ook Nederduits Gereformeerd. Conform dit geloof meent ze, dat God Rachel ‘dit grote lijden heeft gegeven’ zodat ze voor haar kon zorgen. Als dank heeft Rachel aan Salomé het huisje beloofd waarin ze woont.

    Familieperikelen in Zuid-Afrikaanse geschiedenis geplaatst

    De verschillen tussen de personages worden treffend en tot in de détails uitgedrukt. Zo zit Manie tijdens het rouwbeklag op een stoel en niet – volgens joods gebruik – op een laag krukje, zo dicht mogelijk bij de grond. Het geeft de zorgvuldigheid aan waarmee Galgut te werk is gegaan en die je ook als langzame lezer zou moeten betrachten, al schrijft de auteur soms een tussenzin als: ‘Let op de nautische term’.

    Grote gebeurtenissen in Zuid-Afrika worden door het familieverhaal gestrooid: ‘Een kleefmijn in Johannesburg, troepen in de townships’, terwijl de racistische houding van Marina en Ockie tegenover Salmomé uitvoeriger aan bod komt: ‘Onvergeeflijk, zo lui is ze, (…) ze moet als een soort rotsblok voortgeduwd worden, de hele tijd bevelen geven is een uitputtingsslag’. Die afwisseling in stijl geeft het boek iets ritmisch, waarin ook de kosmos meedoet: ‘Het is nacht, dezelfde nacht, maar later, de sterren hebben zich verplaatst’. Zo verschuift het verhaal ook in de tijd, steeds dichter naar het heden toe.
    Naast Amor en Astrid is er nog een broer, Anton. Ook een naam die begint met de eerste letter van het alfabet. Hij zit in het leger en wordt op weg naar huis geraakt door een steen van een ‘oproerige inboorling’.

    De vertaler, Rob van der Veer, heeft zijn woorden zorgvuldig gekozen. Zo speelt hij bijvoorbeeld met de gevoelswaarde van ‘blank’ en ‘wit’ en met verschillende taalregisters, zoals ‘flatulentie’, ‘vlietende momenten’, Bijbels taalgebruik (‘lankmoedig’) en Zuid-Afrikaans.

    Niet naast elkaar leven, maar wel sterven

    Het tweede deel van het boek gaat over Pa, die door een cobra uit zijn eigen reptielenpark in een slagader is gebeten. Hij ligt bewusteloos in het ziekenhuis, naast een zwarte man die kreunt in ‘de taal van de pijn’, een universele taal. De ‘apartheid is gevallen, we sterven tegenwoordig naast elkaar, in intieme nabijheid. Alleen naast elkaar leven is nog iets wat we onder de knie moeten krijgen’, denkt zoon Anton. Pa sterft en Salomé hoopt dat Amor de belofte van haar ouders aangaande het huis gestand zal doen. Dit is echter niet het geval. Nog niet.

    In het derde deel, ‘Astrid’, zijn we weer verder in de tijd, de periode van Mbeki’s bewind. Astrid heeft zich bekeerd en is rooms-katholiek geworden. Kort na de bekering wordt ze bij een roofmoord gedood. Het huis voor Salomé speelt nog steeds een rol. Haast letterlijk: als een personage dat telkens stilzwijgend opduikt. 

    In het laatste deel volgen we Anton, die het hele boek door, al zo’n twintig jaar aan een roman over het menselijk tekort werkt. Hij heeft alle vertrouwen in Zuid-Afrika verloren, hoewel hij er zelf aan meewerkt door een verkeersboete vanwege dronkenschap af te kopen. Hij doodt zichzelf met een geweerschot, ‘een vernederend incident’, aldus zijn vrouw Desirée. Tijdens de crematie wordt al dan niet terecht benadrukt, dat Anton waarheidlievend was; de macrokosmos van de waarheidsvinding in Zuid-Afrika wordt in de microkosmos weerspiegeld.

    Onvoltooid manuscript over menselijk tekort

    Als Amor in de werkkamer van Anton slaapt, vindt zij het onvoltooide manuscript van zijn veelgenoemde roman. Het zouden, net als Galguts boek, vier delen moeten worden, naar de vier seizoenen. In beide gevallen, zowel bij Antons roman als die van Galgut, kun je je afvragen: ‘Is het een familiesage of een plaatsroman?’ In beide gevallen is alles ‘gescheiden door tussenpozen van grofweg tien jaar’. Maar er is ook een verschil: de natuur doet bij Galgut als een personage of als een koor in een Griekse tragedie mee, geeft commentaar: ‘Onweersgerommel in de verte, als een menigte die in een vreemde taal schreeuwt’. Niet universeel, zoals die van de pijn. Het bouwvallige huisje gaat na eenendertig jaar met een fors geldbedrag naar Salomé en haar zoon. De reactie is anders dan Amor had gedacht. ‘Verbonden maar niet verbonden’, zo voelt het.
    Ondanks alle geweld, lijkt het land momenteel op een keerpunt te staan. De naam Amor lijkt dit uit te drukken en houdt een belofte voor de toekomst in. 

     

  • De zomerboeken van Els van Swol

    De zomerboeken van Els van Swol

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Els van Swol gaat tijdens de zomer  de volgende boeken lezen: 

    Willem Jan Otten – De Om
    Damon Galgut – De belofte
    Sasja Janssen – Virgula
    Philo van Alexandrië – De schepping van de wereld

     ‘De Om ga ik lezen omdat ik tijdens de pandemie verslingerd ben geraakt aan niet alleen wandelen, maar ook aan de serie ‘Terloops’ van Van Oorschot. Als het even kan loop ik de routes in Nederland na. De route van Willem Jan Otten in De Om gaat rond de Sloterplas in Amsterdam-Osdorp. De belofte van Damon Galgut kreeg ik van Literair Nederland ter recensie. Het boek speelt in Zuid-Afrika, en dat sluit prachtig aan bij een ander uitstapje: naar de expositie met werk van de Zuid-Afrikaanse schilder Deborah Poynton in het Drents Museum.  Op reis gaat ook altijd een dichtbundel mee. Dit keer Virgula (komma) van Sasja Janssen. Ik las er een lovende recensie over van Alfred Schaffer en besloot de bundel meteen te kopen; zo kunnen recensies dus uitwerken. Nog een boek van een uitgever wiens uitgaven ik volg: De schepping van de wereld van Philo van Alexandrië in een vertaling van Albert-Kees Geljon. Deze ga ik lezen ter voorbereiding van een cursus in het najaar.’

     

    Lees hier meer over Els van Swol

     

  • Onheilspellende visioenen

    Onheilspellende visioenen

    De dystopische roman Kallocaïne van de Zweedse schrijfster Karin Boye (1900-1941) speelt zich af in een collectieve Staat. De ik-figuur, Leo Kall, stelt zich voor als gevangene en chemicus. Hij heeft alle tijd en krijgt zelfs alle vrijheid om het boek te schrijven dat hij móet schrijven, naast zijn experimenten met mensen. Hij is getrouwd met Linda, ze hebben drie kleine kinderen en een hulp in de huishouding (‘medesoldaat’) die aan het eind van de week rapport moet uitbrengen. De kinderen zijn ‘kleine medesoldaten’ die aan de Staat zijn geschonken, als ze volwassen zijn worden ze als werknemer opgeroepen voor het Jongerenkamp. Zo dragen Leo en Linda bij aan de Staat, al stijgt de geboortecurve in totaliteit onvoldoende.
    De Staat is een collectief, individu-zijn wordt als iets romantisch beschouwd. Net zoals er maar één taal in deze Wereldstaat gesproken dient te worden. Leo en Linda wonen met hun kinderen in de ondergrondse Chemiestad nr. 4, die deel uitmaakt van de gemilitariseerde, politionele Wereldstaat. In hun huis zit op de muur ‘het politieoor met daarnaast het politieoog’. 

    Het experiment

    Het experiment is ‘iets waarvan ik hoop dat het de Staat van nut zal kunnen zijn’, zegt Leo, want wat dreigt is een oorlog. Het gaat alleen maar om het ‘nut’, niets mag leuk zijn. Eten wordt naar binnen gewerkt, cultuur is een luxe ‘voor tijden waarin er geen gevaar dreigt (tijden die misschien nooit terugkeren)’. 

    Het experiment bestaat uit een middel dat wordt ingespoten waardoor iedereen zijn geheimen verraadt. Daarvoor geldt de Wet tegen staatsvijandige gedachten. Het middel heet kallocaïne, genoemd naar hoofdpersoon Leo Kall. De enige bijwerking is een lichte hoofdpijn. Het middel is uitgeprobeerd op vijf mensen van de vrijwillige offerdienst. Zij hoefden niet gezond te zijn, wel bij hun volle verstand én getrouwd, waarbij de injectie zo zal werken, dat de echtgenoot of echtgenote zijn/haar wederhelft aangeeft, waarbij de kans bestaat dat ze elkaar aangeven! Dat wil zeggen dat ‘de dader’ in opdracht van de politie een verzonnen verhaal vertelt en daarvoor geld krijgt.

    De filosofische vraag die in deze roman is: wat is de mens, wat is goed, wat is kwaad? In deze Wereldstaat is de mens een puur biologisch verschijnsel. De rest is mystiek. In concreto wordt het verhaal verteld van Kadidja Kappori en haar man Togo Bahara. Zij heeft hem verraden, waarop hij wil scheiden. Was dat verraad binnen de visie van de Wereldstaat nu goed of slecht? Het is nota bene Kall die door allerlei retorische omhalen, het huwelijk redt.
    Daar staat tegenover dat Leo op een dag een restant van de vloeistof gebruikt om Linda in te enten. Ze ‘bekend’ in haar halfslaap dat ze Leo wel zou willen doden. Waarop Leo een valse getuigenis aflegt, ‘bevroedde wat macht was, voelde die (…) als een wapen – en wanhoopte’.

    Grenzeloze stilte

    Voor het eerst luistert Leo naar zijn vrouw die het heeft over ‘wat het betekent om te baren’. Ze hoopt dat zich misschien zo ‘een nieuwe wereld kan vormen van degenen die moeder zijn, en of ze nu kinderen hebben gekregen of niet’. Het is een gedachte die doet denken aan het begrip ‘nataliteit’ van de filosofe Hannah Arendt, die zich verdiepte in totalitarisme, zelf geen kinderen had, maar dit begrip muntte als een nieuw begin.
    Leo vraagt zich af, of hij ook ‘op een nieuwe manier’ zou kunnen spreken. In stilte, zoals opvallend genoeg het geluid van de metro niet meer doordringt door muren en aardlagen. ‘Deze stilte was grenzeloos’, maar toen hoorde Leo iets wat hij ‘nooit eerder had gehoord: de wind’, een bries. Het begin van een nieuwe wereld dacht hij, maar nee: het geluid van de metro teruggekomen. 

    Maar dat niet alleen, Leo geeft ook de hoofdcommissaris van politie aan. Uiteindelijk wil hij dit weer intrekken, maar dat verzoek wordt niet ingewilligd. Leo wordt opgepakt en moet zijn uitvinding afstaan. Het is de bedoeling dat de straten van Chemiestad 4 met gas worden gevuld, zodat de inwoners uit de straten omhoog zouden kruipen. 

    Vertaalslag naar het hier-en-nu

    Alles wat in deze dystopische roman wordt beschreven, valt op een of andere manier naar recente of iets langer geleden gebeurtenissen te vertalen. De afluisterpraktijken, geboortecurve in China die weer moet stijgen, onderdrukking minderheidstalen, nationalisme, politionele staten, experimenten op mensen, een waarheidsserum zoals de KGB dat gebruikte, kunst als luxe, complottheorieën, de geldigheid van (nood)wetten, de mens als puur biologisch verschijnsel, verraad, macht, enzovoort. Vergeet hierbij niet dat het boek in 1940 werd geschreven.

    In een nawoord gaat vertaler Bart Kraamer in op het leven en werk van Boyle. Ze groeide op in een intellectuele en religieuze omgeving; de stilte en de bries zijn als beelden bijvoorbeeld rechtstreeks aan de Bijbel ontleend. Kallocaïne is haar bekendste roman, die ze in een flow schreef terwijl de oorlog steeds dichterbij kwam. Aan haar ideeën over de Wereldstaat lagen de stalinistische Sovjet-Unie en het nationaalsocialistische Duitsland ten grondslag. Door beide landen had ze gereisd. Het verraden van geheimen valt terug te voeren tot de psychoanalyse, die Boye ook uit eigen ervaring kende. In 1941, op 24 april wordt Karin Boye dood aangetroffen nadat ze een overdosis slaapmiddelen had ingenomen. 

    Lees na deze roman de recent verschenen bundel essays Tegen totalitarisme van George Orwell, de schrijver van die andere grote dystopische roman (1984, geschreven na Kallocaïne), en je zult versteld staan van de overeenkomsten met betrekking tot de beklemmende, onheilspellende visioenen die worden geschetst. 

     

     

  • Empathie is de poort naar vriendschap

    Empathie is de poort naar vriendschap

    De Amerikaanse biologe Catherine Raven debuteert met het boek Vos & ik, waarin haar relatie met een vos centraal staat. De vos is een voorbijganger bij haar huis in een afgelegen bergvallei, ver van de bewoonde wereld.
    In tegenstelling tot de Franse schrijfster en pianiste Hélène Grimaud die met een wolf als huisdier begon, wat uitgroeide tot een Wolf Conservation Center met zo’n dertig wolven, gaat het bij Raven niet om een gedomesticeerd, maar om een wild roofdier dat ze niet van plan is temmen. Het enige dat ze zou willen temmen, is haar slaapmat die alle kanten op gaat behalve de kant die zij prettig vindt.

     Dit neemt niet weg dat de schrijfster razend nieuwsgierig is naar de vos, zonder dat ze meteen beschuldigd wil worden van antropomorfisme (vermenselijken van dieren). Ze is nieuwsgierig naar het dier, en vraagt zich af of Vos een persoonlijkheid heeft. Inmiddels schrijft ze vos met een hoofdletter; maar een eigen naam zal ze hem niet geven. Wel leest ze Vos voor uit De kleine prins van De Saint-Exupéry. Over die ene roos, terwijl Vos elke dag bij dat ene vergeet-mij-nietje gaat zitten en luistert naar haar bla-bla-bla, want meer  (zo stelt zij zich voor) zal het in zijn oren niet zijn.

    De visie van haar studenten

    Behalve dat Raven Vos’ ontwikkelingsgang beschrijft, is het boek ook een beschrijving van haar eigen ontwikkeling als mens. Soms met schrijnende constateringen die haast terloops worden genoemd. Haar solitaire bestaan is, schrijft ze bijvoorbeeld, het gevolg van het feit dat haar ouders haar niet accepteerden. Daaruit vloeit het idee voort dat dit dan wel voor iedereen zal gelden. Ze denkt dat ze in de maatschappij, alleen in de universitaire wereld zal worden geaccepteerd als ze Vos en de berg achter zich laat. Dat is nogal wat, nu Vos op haar pad is gekomen, hoewel hij haar soms laat wachten wanneer hij meer te doen heeft dan zij. De leegte die zulke momenten opleveren, zetten aan tot piekeren. En tot goed kijken naar alles in haar omgeving dat groeit en bloeit, en dat wordt gedétailleerd opgeschreven.

    Ze schrijft over haar tuin of wat ze op pad met een gids en haar studenten langs een droge beekbedding tussen de akkers, een berg oplopend, tegenkomt. Het onderwerp ‘Vos & ik’ is onder haar studenten een hot item. Telkens komen ze erop terug. Ondertussen blijkt dat ze, net als De kleine prins, alles vanuit haar hart beschouwt, meer dan met haar verstand. En toch ook steeds meer antropomorf. Bliksemschichten worden ‘nors’ genoemd, grassen ‘rebels’ en de ogen van een gewond hertenkalfje ‘smekend’. Ze weet wat dit betekent: onwetenschappelijk en emotioneel onvolwassen tegenover wat haar studenten eigenlijk willen: de vos objectiveren, tot data terugbrengen, zijn poep verzamelen of DNA afnemen. Het betekent ook: zoeken naar een baan met een vast inkomen en een zorgverzekering. Dan zou ze – ook dit wordt terloops vermeld – eindelijk een operatie aan een goedaardige tumor kunnen betalen. 

    Natuur en cultuur

    Naast De kleine prins leest Raven onder meer ook Mary Shelley’s Frankenstein. Ze hoopt dat het lezen van dit boek haar kan helpen bij de keuze tussen wetenschap of intuïtie. De natuur kan haar in dit opzicht niet de weg wijzen; het is de literatuur waarbij ze telkens weer te rade gaat. De natuur roept haar verbeelding wakker, de cultuur doet ook een beroep op de rede. Vos neemt een tussenpositie in: ze gebruikt het dier niet als studieobject, zoals haar studenten dat zouden willen, maar een vriend zou ze hem ook niet willen noemen. Hij heeft een goede invloed op haar gewoontes, zoals tot bloedens toe haar hoofd openkrabben, want daar houdt ze mee op. Het is natuurlijk niet voor niets dat ze haar hoofd openkrabt, want daar zetelt de rede. De mens en het wilde dier staan bij Raven niet aan twee uiteinden van het spectrum, zoals bijvoorbeeld bij de Canadese filosoof Will Kymlicka, die wilde dieren niet ziet als voorbijgangers, maar als ‘inwoners van een ander land’, terwijl hij huisdieren en boerderijdieren beschouwt als medeburgers, met alle rechten van dien.

    Dan beschrijft Raven een tocht met een groep studenten door een dennenbos dat dreigde af te sterven en plaats moet maken voor sparren. Zo’n verschuiving wordt ‘het climaxstadium’ genoemd, de meest stabiele fase en culminatie van alles. Raven stelt, dat ze zelf ook het climaxstadium nadert. Vos komt om bij een brand, ze moet het verhaal van Vos vertellen, het verhaal van een wilde vos. Als hij niet wild was geweest, had ze hem misschien een halsband omgedaan, laten chippen en aangelijnd. Sinds zijn dood maakt ze zich druk om vossen, heeft ze een fulltime baan als universitair docent en woont nog steeds in de afgelegen bergvallei. Het evenwicht en de rust is gevonden. 

    Het feit dat het rijke en beeldend getoonzette persoonlijke verhaal in dit boek subtiel wordt verweven met het verhaal over de natuur in het algemeen en Vos in het bijzonder, tilt dit door Henny Corver mooi vertaalde boek, ‘een ongewone vriendschap’ uit boven het genre van ofwel een autobiografie sec ofwel een biologieboek zonder meer. Op deze manier voelt de lezer zich ook geen indringer, noch in het leven van Raven, noch in de natuur, maar iemand die met zowel de schrijver als met Vos mee kan leven, empathie kan hebben. En empathie is volgens de auteur de poort naar vriendschap.

     

  • Weerbaarheid en seksueel misbuik in de sportwereld

    Weerbaarheid en seksueel misbuik in de sportwereld

    De Australische oud-topsporter Lucia Osborne-Crowley beschrijft in haar boek Ik kies Elena, ‘de roofzuchtige blik van perverse mannen die ons maken tot een object voor publieke consumptie’. Veel vrouwen zullen dit herkennen, sportvrouwen in het bijzonder. Ze vallen ‘zo sterk op dat we op den duur gaan denken dat het alles is wat we zijn. In dat licht willen we ons onzichtbaar maken’. Vandaar dat recent Duitse turnsters als statement op de Europese Kampioenschappen in Bazel verschijnen in een turnpak dat armen en benen bedekt. Er zijn ook andere meningen, zoals die van Jannah Loontjens in haar boek Schuld. Die ‘neiging om je te verstoppen’ beschrijft ze als een patroon. ‘Geweld van mannen wordt hiermee nog niet goedgepraat, wel wordt de verantwoordelijkheid voor wat er zou kunnen gebeuren bij de vrouw gelegd. Ja, als ze dan naar buiten gaat, is het ook haar eigen schuld’. 

    Osborne-Crowley vindt die opvattingen ook in de Napolitaanse romans van Elena Ferrante. Daarin is het Lilia, een van de twee vriendinnen, die wil verdwijnen, maar dat is niet wat de schrijfster wil. Zij wil juist gezien worden. Dat heeft ze van die andere vriendin, Elena geleerd. Ze kiest voor de opvatting van Elena. Dit alles nadat ze in 2007 als vijftienjarige is verkracht door een volwassen man met een mes op haar keel. Ze verlamde, zoals dat in de traumatheorie wordt genoemd, maar weet toch aan hem te ontsnappen. Vervolgens stort ze op straat in, krijgt later nachtmerries over de verkrachting en gaat fysiek zó achteruit, dat ze niet meer kan turnen zonder blessures op te lopen.

    Posttraumatische stress

    Ze leest studies over posttraumatische stress, zoals Traumasporen van Bessel van der Kolk en het werk van Peter Levine en Robert Jay Lifton. Mede daardoor is ze zeer goed in staat om onder woorden te brengen wat er met haar lichaam gebeurt. ‘Iemand die een trauma heeft opgelopen, heeft een gevaarlijk overactief (…) zenuwstelsel. Het schakelt de vecht-, vlucht-, of bevriesreactie in zodra het ook maar het kleinste teken van gevaar ziet, of als het wordt herinnerd aan de traumatische gebeurtenis. (…) Het autonoom zenuwstelsel schakelt alle functies uit die niet nodig worden geacht voor het ontsnappen, en stuurt bloed en zuurstof naar de grote spiergroepen, die klaarstaan om weg te rennen. Alles wat niet nodig is om onmiddellijk te vluchten, wordt tot stilstand gebracht.’

    Ziekenhuisopname na ziekenhuisopname volgt, de ene na de andere orgaanstoornis steekt de kop op, artsen worden steeds ongeduldiger, het schuldgevoel van Lucia Osborne-Crowley – die inmiddels politicologie en rechten is gaan studeren en zichzelf als ‘journalist’ omschrijft – zwelt aan. Psychiaters proberen haar ervan te overtuigen, dat het allemaal psychosomatisch is. ‘Ik was maanden bezig geweest de ene na de andere arts ervan te overtuigen dat ik mijn lichaam aan het verliezen was, en ze dachten allemaal dat ik mijn verstand had verloren’. 

    Napolitaanse romans als voorbeeld

    Ze gaat meer lezen om te begrijpen wat er met haar gebeurt; boeken van Ann-Sophie Backman, Diane E. Hoffman en Anita Tarzian, John Guillebaud en Esther Chen. In 2010 kwam het verlossende woord uit de mond van een gynaecologisch chirurg: ernstige endometriose, een chronische aandoening van het baarmoederweefsel. Deze diagnose viel samen met het feit dat haar ouders, na de zoveelste operatie en ziekenhuisopname, het eerste deel van Ferrantes Napolitaanse romans voor haar meebrachten. In 2015 kwam daar nog de diagnose de ziekte van Crohn bij, die soms in verband wordt gebracht met de gevolgen van een onbehandeld seksueel trauma.

    Hoe kan een mens dit allemaal verstouwen, als het de lezer soms al moeite kost om in dit helder verwoordde en indrukwekkende boek verder te lezen? Terwijl veel opgelost had kunnen worden als Osborne-Crowley haar verhaal maar had willen vertellen, een arts er naar had willen luisteren. Toch herstelt ze langzaam. Daarover schrijft ze in het vijfde deel van het boek. Na een weg met zware pijnstillers, alcohol, verschillende mislukte relaties en zelfhaat, overleeft ze, hoewel ze met zelfmoordplannen blijft rondlopen.

    Zichzelf vergeven

    Haar mantra wordt een zin van June uit Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale die zich in haar nestelt: ‘Ik ben van plan te overleven’. Dat wil zeggen: lichaam en geest moeten weer worden herenigd. Het lukt haar met behulp van een seksuoloog, een fysiotherapeute en haar beste vriendin. Ze turnt weer, want haar lichaam ‘had alles op zijn rechtmatige plek bewaard, in afwachting van mijn terugkomst’. En ze werkt weer, al is het maar voor een paar uur per dag.

    Het volgende hoofdstuk komt niet onverwacht: in haar jeugd is Osborne-Crowley al eens verkracht door de turntrainer Larry Nassar, die 175 jaar gevangenisstraf kreeg opgelegd voor het misbruiken van meer dan 260 vrouwen en meisjes. Zulke verhalen zijn ook vanuit de Nederlandse sportwereld bekend. Ze kan zichzelf niet vergeven dat ze toen haar mond niet heeft opengedaan, maar ze moet het zichzelf wel vergeven. ‘Ik moet mezelf verlossen van de schimmen van de slachtoffers die ik niet heb beschermd. Omdat ik nu weet dat ik ze niet veilig had kunnen houden, zelfs als ik het had geprobeerd, Als de schaamte me niet het zwijgen had opgelegd, had andermans ongeloof dat wel gedaan. Onze cultuur van wantrouwen en beschaming van vrouwen is groter en sterker dan wie dan ook.’

    Ik kies Elena is een groots en indringend boek, geschreven vanuit de hoop dat lezers net als de auteur willen proberen te begrijpen wat je overkomt als je verkracht wordt. Het is een boek voor mensen die, ook los van de sportwereld, niet geloven dat geweld en grensoverschrijdend gedrag in de breedste zin van het woord een systemische stoornis is. Voor mensen – ze zijn er echt – die geloven dat je toch weg kunt lopen als je wordt verkracht. Maar voor alles is het een steun voor meisjes en vrouwen, opdat ze gezien en gehoord worden.

     

     

  • Mensenzielen spreken vanuit het hiernamaals

    Mensenzielen spreken vanuit het hiernamaals

    Zoals Ian McEwan in zijn boek Notendop beschrijft hoe Hamlet al in de baarmoeder aan het filosoferen slaat, zo belicht Joke van Leeuwen in haar nieuwste boek haar kijk op de wereld vanuit het gezichtspunt van een foetus. Met name vanuit het hiernamaals  waar de achttienjarige Dinka het verhaal vertelt. Het is daarboven zoals in de Bijbel wordt beschreven: ‘een poort van smaragd en een stad met gouden straten’. Niemand maakt zich druk over vragen of je in de eeuwigheid nog nagels en haren hebt, zoals de middeleeuwse scholastici deden. De laatsten zijn er de eersten, en duizend jaar is er als één dag. Een contingent maagden is er niet, maar wel Dinka’s doodgeboren zusje.

    Het gezin

    We gaan terug in de tijd, toen Dinka, de ik-figuur in de baarmoeder nog ‘aan het worden’ is. Samen met haar Siamese tweelingzusje Dinska, de jij in het boek. Dinska sterft in de baarmoeder als ze bijna zijn volgroeid en wordt na de geboorte van Dinka gescheiden. Hun vader is procesmanager binnen het bank- en verzekeringswezen, hun moeder suppoost in het plaatselijke museum voor moderne kunst. Deze twee werelden worden geïroniseerd, zoals in respectievelijke films als The Lawyer en The Square. Er wordt door de auteur niet gezocht naar betekenissen van bijvoorbeeld kunstwerken, want misschien zijn die er wel niet. Omdat de kunstwereld de moeder begint te vervelen, start ze een adempraktijk aan huis en na hun verhuizing naar een villa met een grote tuin switcht ze weer naar Intuïtief Schilderen. 

    Op school wordt Dinka geplaagd (Dinka Stinka) en belandt ze vaak in de hoek. Daar valt het haar op, dat beide wanden van de hoek allebei geel zijn geverfd, maar ook dat ze door de lichtval toch anders lijken, waardoor ze ‘nooit kan weten of ik echt zie wat ik denk dat ik zie, want hetzelfde kan verschillend zijn’. Als een Siamese tweeling, en ook eenzelfde soort beeld als waarmee het boek begint: ‘een harde tegelvloer die een optische illusie vormt van kubussen’. Dinka zag de vloer van dichtbij, ze viel er languit op en overleed uiteindelijk aan die val.
    Het beeld van de hoek waarin Dinka op school moet staan en waarvan beide wanden geel zijn geverfd, de lichtval die ze anders doet lijken, doet sterk denken aan een van de late schilderijen van Edward Hopper: Zonlicht in lege kamer. En die harde tegelvloer met de optische illusie refereert natuurlijk aan schilderijen van Vermeer en tijdgenoten. Détails die benadrukken hoe beeldend Joke van Leeuwen te werk gaat. Zij is immers ook een gevierd, soms wat absurdistische tekenaar en mede-auteur van kinderboeken als Het Grote Rembrandt voorleesboek en Het grote Rijksmuseum voorleesboek. 

    Dinka en Mier

    Ook Mier (Miranda), een interessant personage met meerdere kanten en een paar klassen hoger zit, staat ook vaak in de hoek. Dinka kan echter ‘niet naar haar toe om te vertellen dat ze op het licht moet letten, omdat niets is wat het lijkt, door dat licht’. Mier zit in een kindertehuis, waar de meisjes ook naar de vloer kijken, ‘waar het zonlicht dat door een boom achter het raam scheen dansende vlekjes op toverde’.
    Dinska in de hemel is jaloers op haar zusje, dat meer bezig lijkt te zijn met Mier dan met haar nagedachtenis. Uiteindelijk worden Dinka en Mier geliefden en streelt Mier vaak en graag het litteken waar Dinska aan Dinka vastzat.
    Gaandeweg komen we te weten, dat de moeder van Dinska en Dinka de dochter van vluchtelingen is. Een gegeven dat verder niet of nauwelijks een rol speelt, zoals dat in bijvoorbeeld Van Leeuwens boek De onervarenen wel het geval is. 

    Rake karakteristieken

    De bedachtzame Dinka en vooral Mier worden, net als de moeder, raak gekarakteriseerd. Wat de moeder betreft inclusief een tijdsbeeld met windgongen, die ze aan het balkon had bevestigd, en uitspraken over nieuwetijdskinderen.  Joke van Leeuwen wisselt deze rake details af met ironische beschrijvingen over de wereld van de ouders, quasi-poëtisch en met humor beschreven. Leuk is een typische Van-Leeuwen-taalvondst als ‘Boven de hoofden klinkt zachte muziek waar haar oren over uitglijden’. Een enkele keer schemert door, dat de schrijfster in Vlaanderen woont (‘binnen te raken’). Al met al een mooie, nieuwe van Van Leeuwen.

     

     

  • Wanneer het weer winter wordt

    Wanneer het weer winter wordt

    Simon, de hoofpersoon uit De verdwenene, de tweede roman van Lot Vekemans, is zo’n vijfentwintig jaar geleden naar Canada geëmigreerd, de weg volgend van oom Gerard. Nu komt Simons zestienjarige neef (‘de jongen’) voor een tijdje bij hem op bezoek. De jongen is onhandelbaar en zijn ouders hopen dat hij onder invloed van diens oom zijn leven wat zal beteren. Simon zelf werd ooit naar oom Gerard gestuurd, – de jongen nu naar oom Simon. Het is een patroon, dat regelmatig in deze roman terugkomt, tot in détail. Door te observeren doet Simon alles wat zijn vader doet feilloos na. Zo doet Simon zijn jas open, als zijn vader hem juist dicht doet. Nadoen en leren, maar ook tegen de draad ingaan en afleren. Simon lijkt een oudere, en mildere versie van Boris uit Vekemans’ debuutroman, Een bruidsjurk uit Warschau. Hij geeft ook geen antwoorden, kijkt stuurs naar de grond en schopt om zich heen.

    Na verloop van tijd begint Simon zich te ergeren aan zijn neef die zijn schoenen net niet op de zitting van de bank zet, niet meehelpt met afwassen en elke vraag schouderophalend beantwoordt. Simon is vergeten dat hij als veertienjarige net zo was: geen vrienden, geen hobby’s, zich nergens voor interesserend. Het enige wat de jongen wil, is naar de Rocky Mountains gaan. Op twee mensen na die ze in de bergen ontmoeten en de ouders van de jongen, komen er geen andere personages in De verdwenene voor. Zo blijft het verhaal helder, of – om een levensles die Vekemans citeert te parafraseren: Rust, reinheid en regelmaat. Dat zou Simon zijn neef willen leren. Vekemans beschrijft op filmische wijze hoe Simon helemaal opleeft tijdens de autorit naar de Rocky Mountains.

    Autorit naar Rocky Mountains

    Het stof van de auto’s voor hen vormde wolkjes en hij hoorde de steentjes tegen de onderkant van de auto tikken. Al snel was Canmore volledig uit het zicht en werd de weg ingesloten door snel oplopende bergflanken. Ze passeerden twee kleinere meren en soms, als de naaldbomen langs de weg even verdwenen, verscheen er een vergezicht op nog meer bergen. De lucht was blauw en de lichtgrijze bergen staken er onwerkelijk scherp tegen af. De jongen stuiterde in zijn stoel van enthousiasme, als een hond die de bossen rook.’

    Vekemans’ observaties zijn raak beschreven. ‘Hij ontdekte (…) dat er muziek was die hij snapte, of nee, dat er muziek was die hém snapte’. Soms zijn het filosofisch getinte bespiegelingen die het verhaal vertragen zodat je de gelegenheid krijgt erover na te denken, ‘Jezelf vasthouden aan de werkelijkheid, niet aan een mogelijkheid’. Waarbij het hier-en-nu minder zwart wordt voorgesteld dan wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. Of zoals Marlena in haar eerste roman, Een bruidsjurk uit Warschau denkt: ‘Je reist altijd met het gevoel dat je niet weet wat er vóór je ligt, of je nu vertrekt of juist weer teruggaat’. 

    Gaandeweg de autorit leeft de jongen op en wordt steeds spraakzamer. In korte zinnen, maar toch. Oom en neef spréken met elkaar, en in die korte dialogen laat Vekemans zich kennen als toneelschrijver. Net als overigens in de opbouw van het boek, dat uit vier delen (aktes) bestaat à la een toneelstuk van Tsjechov. Gelijk opgaand met dat opleven en de toenemende spraakzaamheid van de jongen, verdiept ook de karaktertekening van Simon zich. Hij blijkt te kunnen genieten van het feit dat hij zijn neef naar de hand kon zetten. Kon – want in de Rocky Mountains lukt hem dat niet meer. De jongen spreekt, terwijl zijn oom op het toilet is, met een vreemde man, Chris, en diens zoon Quinn af om het weekend in de bergen te gaan wandelen. Simon geeft toe en blijft alleen in Canmore achter, want door een wond aan zijn been die maar niet dicht wil gaan is hij niet in staat te klimmen of veel te lopen.

    Op weg naar een ander leven

    Zit er in het beeld dat hij onderweg ziet een voorspellende waarde? ‘Een gigantische mannenkop die tot aan zijn mond in de grond was gezakt. (…) Het leek alsof hij zand hapte’. Vekemans zet met dergelijke beelden de lezer op het verkeerde been. Daarbij valt bijvoorbeeld ook te denken aan een verhaaltje dat Chris aan de jongens vertelt over iemand die iets te ver naar voren stapte en van de berg viel. ‘Bij dat laatste verhaal had de jongen gezwegen’.
    Vlak voor de wandeling meldt de jongen dat hij vanaf dat moment ‘Dan’ in plaats van (komen wij achter) Daan heet, en zo genoemd wil worden.  

    Die aanstaande bergwandeling en die naamsverandering zijn het op-weg-zijn naar een ander leven, weg van het puberale doen-en-laten van de jongen. Al gaat dat, net als het spreken, nog niet van harte en mondjesmaat. Ondanks dat is Quinn in ieder geval jaloers op de jongen en diens steeds nauwer wordende band met zijn vader Chris. Er ontstaan twee kampen: Chris en Dan tegenover Simon en Quinn. De rolverdeling is duidelijk: ‘Chris vertelde weer onophoudelijk verhalen, de jongen liet weer foto’s zien, Quinn kon weer geen hap door zijn keel krijgen’. En Simon? Dat blijft de vraag. Terwijl het net beter gaat met de wond op diens been, schopt Dan hem in een woedende bui twee keer tegen zijn zere been.
    Zowel met de wond als de jongen gaat het mis en is haast pijnlijk om te lezen. Net als de droge constateringen, ‘De jongen was weg’. En, ‘Hij was bedrogen’, al had de lezer dit wel aan zien komen. Dat bedrog was overigens niet de eerste keer, wat de goedgelovigheid van Simon benadrukt; de enige vrouw met wie hij ooit (negen dagen) een relatie had, was er met zijn spaargeld vandoor gegaan. 

    Verdwijning van de jongen

    De jongen was weg en diens gealarmeerde ouders arriveren. Daan lijkt wat zijn eetgedrag betreft op Hanne, wat weer een patroon aanduidt. De vermissing van Daan komt steeds dichter op Simons huid te zitten. De politie doet een leugendetectortest om hem als verdachte uit te sluiten. Terwijl Simon van het politiebureau wegrijdt, staat er opeens een wahiti voor hem op de weg, die hem aankijkt. Het symbool voor kracht en natuur, het tegenovergestelde van Simons aard, waarbij aangetekend moet worden, dat Simon de natuur beschouwt ‘als het product van mensenhanden, zorgvuldig vormgegeven en ingericht.’ Rust, reinheid en regelmaat. Later is het een raaf, die op het dak van de auto gaat zitten. Het symbool van het slechte en het kwaad dat mensen verbindt, én van eenzaamheid. 

    Dat laatste geldt voor alle mensen in deze roman. Een frase als ‘dan ben je nooit alleen’, die wel tegen tweelingen wordt uitgesproken gaat niet op. Dat ging ook niet op voor Simon en diens volslagen anders zijnde tweelingbroer Robbert, de vader van Daan. Maar er gloort hoop, op een andere manier dan je zou denken. Al was het alleen maar dat het winter wordt. ‘In de winter voelde het verschil tussen hem [Simon, EvS] en de wereld kleiner. Alles was dan weer naar binnen gericht’. En dat voelt voor Simon toch het veiligst, de kleine werkelijkheid van alledag.

    Op eenzelfde vergelijkbare manier eindigt Een bruidsjurk uit Warschau: ‘Gaat het weer sneeuwen?’ (…) ‘Ze hebben het niet voorspeld (…), maar zeker weten doe je het nooit’. Met dit verschil, dat Vekemans in haar tweede roman de patronen en metaforen duidelijker over het voetlicht weet te brengen en daardoor nóg meer in de hersenen en harten van de lezers weet te kruipen. Dat doet ze weergaloos goed.