• Een invuloefening

    Een invuloefening

    De liefdesgeschiedenis Dora doet een beetje denken aan de voorstelling The Second Woman van Nat Randall en Anna Breckon die dit jaar in het Holland Festival staat. Georgina Verbaan zal in een theatermarathon honderd keer, met verschillende, voor haar onbekende tegenspelers, steeds dezelfde scène spelen. The Second Woman gaat over een vrouw en een man die dan weer menen van elkaar te houden en dan ook weer niet. De man vertrekt. Een enorme rommel achterlatend.

    In het boek van Toon Tellegen gebeurt iets soortgelijks. Tweeënvijftig keer in het totaal, iets meer dan de helft van The Second Woman. In het boek draait het ook om een man (Vink) en een vrouw (Dora). Hier is het de vrouw die telkens weer naar – in dit geval – het strand vertrekt. Ze laat haar man achter. De rommel die door een buitenstaander of door Vink zelf wordt veroorzaakt, wordt elke keer weer door Vink opgeruimd en opgebouwd voor het nieuwe hoofdstuk.

    Een scène die telkens wordt herhaald

    De scène is in wezen telkens hetzelfde. Vink wordt op een morgen wakker, neemt de kamer in ogenschouw en denkt aan Dora. Hij wil haar eigenlijk meenemen naar het strand, maar kan de woorden niet over zijn lippen krijgen, gelijk Cordelia in King Lear van Shakespeare haar ‘hart niet naar de lippen kan tillen’. Vink ziet een vaas met bloemen staan en aan de muur hangt ‘een klein schilderijtje’. Een volgende keer wordt het tafereel ingevuld: het gaat om ‘een paardenrace in Engeland’. De bloemen blijken rode gladiolen te zijn. Naast Dora komt als personage de heer Leenderts voor, die de gewoonte heeft alles kort en klein te slaan. De vaas met bloemen, het schilderijtje van de muur. Waarom? Hij komt elke ochtend opdagen en waarschuwt Vink, maar waarvoor?

    Dora komt binnen en nu is zij het die naar het strand wil. Ze heeft een picknickmand bij zich. Uiteindelijk gaat ze alleen. Twee jongens staan voor het raam. De een gaat op de schouders van de ander staan, kijkt naar binnen en rapporteert aan de andere jongen wat hij ziet. ‘Gladiatoren,’ bijvoorbeeld. Daarna gaat er een of gaan ze allebei voetballen. Er zijn nog andere constanten: een motorfiets die langsrijdt, een liedje dat op het gazon voor de deur wordt gezongen door een koor onder leiding van een moedeloze dirigent: Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde, onze liefde blijft altijd bestaan. Boven elk hoofdstuk staat een trefwoord, variërend van aardig, gezellig, tot hartverwarmend enzovoort. In een register achter in het boek zijn ze allemaal nog een keer alfabetisch gerangschikt, als gaat het om een wetenschappelijke verhandeling. Het zijn allemaal emoties en stemmingen.

    Een stuk repetitieve muziek

    Deze opzet doet niet alleen denken aan het toneelstuk The Second Woman, waarvan Tellegen misschien de filmversie uit 1950 kent, maar ook aan een stuk repetitieve muziek uit het Amerika van zo’n tien jaar later (Terry Riley, Steve Reich en anderen): een motief dat telkens wordt herhaald, met aldoor minieme veranderingen, verschuivingen en aanvullingen. Verder gebeurt er niet of nauwelijks iets. Niet in de muziek en ook niet in het oorspronkelijk in 1998 verschenen boek.

    Misschien ga je bij het luisteren naar een stuk repetitieve muziek op het puntje van je stoel zitten en kun je soms zelfs in een bepaalde vorm van trance raken, bij het lezen van een boek als dit moet je doorzetten. Of je legt het boek weg, of je bent nieuwsgierig (het woord komt in het register voor…) en leest door. Ondanks een gebrek aan spanning, die de aandacht soms doet verslappen, wil je weten hoe het afloopt. Als het al afloopt.

    Opeens zit er een ontwikkeling in de karakters. Vonk laat Leenderts’ gedrag en dagelijkse waarschuwing niet zomaar lijdzaam over zich heenkomen. Hij wordt boos (staat in het register), zegt stampvoetend en met zijn vuisten zwaaiend, dat Leenderts stinkt. En het koor zingt opeens een andere tekst, waarin geen bloemen vergaan, maar liefde vergaat. Leenderts wil de schade ten gevolge van Vinks uitval opeens vergoeden. De koordirigent ziet het niet meer zitten en loopt weg, Vinks vrouw blijft thuis en vraagt of haar man Anna Karenina al eens heeft gelezen. Is dat ook als waarschuwing bedoeld? Een roman over een vrouw die verliefd wordt op een ander?
    Het is allemaal eenmalig en de gewone, dagelijkse gang neemt tot op zekere hoogte weer zijn loop. Elk hoofdstuk wordt weer op dezelfde manier opgebouwd. Heeft de verteller, Vink, houvast nodig, vraag je je als lezer af. Is hij misschien aan het dementeren? Er zijn signalen die in die richting wijzen; hij verwart Dora met zijn moeder (Dora? Nora?) en met Leenderts, wordt opeens boos en flapt er iets uit.

    Grotere veranderingen

    De grootste veranderingen liggen in het feit dat het koor opeens binnen staat te zingen, en de twee buurjongens niet langer buiten voor het raam staan, maar ook binnen zijn. Alles lijkt intern te zijn geworden. Geïnternaliseerd als het ware. Ook Dora komt van buiten, wanneer ze Vink komt opzoeken, wat een andere wending aan het geheel geeft. De picknickmand lijkt zo opeens meer op een mand fruit die je aan een bedlegerige in een tehuis komt brengen. Zoals een koor daar soms met hoogtijdagen in de gang staat te zingen. Bedlegerig is Vink steeds meer. Hij kan niet of nauwelijks meer opstaan. Koortsdromen houden hem in de greep en roepen een surrealistische sfeer op.
    Uiteindelijk gaan Dora en Vink toch samen naar het strand. Op de motorfiets. Als lezer mag je invullen wat daar gebeurt. Had Leenderts met zijn waarschuwingen iets voorzien? Of hebben de scherven van de vaas met gladiolen uiteindelijk toch geluk gebracht? Die twee mogelijke eindes geeft Tellegen niet weg. Dat hoeft ook niet. De lezer mag ook wel wat doen. Meer misschien dan je in eerste instantie verwacht bij zulke repetitieve scènes die uit hetzelfde stuk hout zijn gesneden.

     

  • Twee aan twee

    Twee aan twee

    Het door Sven Schriever ontworpen omslag van de tweede roman van Leo Pauw brengt een kleine schok teweeg: het hele beeld van de titel doet aan oud-Duits schrift denken, maar dan wat strakker vormgegeven. Met als ondergrond de gebroken spiegels van het Auschwitzmonument van Jan Wolkers in het Amsterdamse Wertheimpark. Op het eind van het boek wordt de bedoeling van dit beeld duidelijk: Duits Angehaucht aan de ene kant en herdenken van de vermoorde joden uit Amsterdam aan de andere kant.

    Een stap verder is de titel: De tranen van de stad. De hoofdpersoon van het boek, David, kent ze – de tranen van Amsterdam over de uit hun midden weggevoerde joden. Soms denk je dat het beschrijvingen zijn van beelden uit de documentaire Verdwenen stad van Willy Lindwer en Guus Luijtens. Zij laten zich in tramlijn 8 (een berucht nummer, dat het GVB niet meer voert) door de stad rijden, wijzen elkaar panden aan. Lieux de mémoires zijn het, plaatsen die aan in dit geval de Tweede Wereldoorlog en kort daarna herinneren. Plekken waar ‘het’ gebeurde.

    De hoofdpersoon, David, laat ook zulke plekken zien en vertelt erover aan iedereen die er iets over wil horen en weten. Of – eerder – aan iedereen waaraan hij zijn verhaal maar kwijt kan: zijn geliefde Marthe (die eigenlijk rooms-katholiek als Martha was gedoopt), zijn uitgesproken kleindochter Pat die dierenactivist is en haar bedeesde vriendinnetje Liora.

    Als yin en yang

    Alles gaat in tweetallen, als yin en yang. David en Marthe, Pat en Liora. En vooral David en zijn oud-studievriend Arend, die met hem heeft gebroken. Waarom wordt aan het eind van de roman duidelijk. Het heeft alles met schaamte te maken.
    David is een sportieve oud-politiek journalist, geboren in 1944, geïnteresseerd in literatuur. Arend is een flirt, zenboeddhist en geïnteresseerd in filosofie. Ze kennen elkaar van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (1965) en studeren daarna verder. David politicologie en Arend culturele antropologie. Ze ondernemen begin jaren zeventig als respectievelijk zesentwintig- en zevenentwintigjarige een tocht naar Jotunheimen, een berggebied in Oost-Noorwegen. Een ‘mooi, maar hard’ oerlandschap dat door Pauw prachtig wordt beschreven, met beelden als ‘een klein wak in de wolken’. Het gaat David ‘om het gevoel van nietigheid’, denkt Arend. En je ziet wéér beelden voor je, nu van een schilderij van Caspar David Friedrich, van een eenzame man op de rug gezien in een groots berglandschap.

    De overgang naar het tweede hoofdstuk is hard, want de stijl veranderd op slag. We zijn in Amsterdam en belanden in dialogen tussen de verschillende personages. David weet het allemaal wel heel erg goed en dat maakt hem – zeker in het begin – niet tot een al te aangename man in wiens doen en laten de lezer zich kan inleven. Vervolgens gaat het over de kennismaking tussen Arend en David, die – een opvallend detail dat in het verhaal een onverwacht grote rol speelt – bij de jeugd van de ‘jodenclub’ Ajax voetbalt. De beide jongens wonen in een huis bij de kunstenares Van Wijngaarden, waar ook nog een dementerende mevrouw De Vries woont. Hier weer een tweetal, dat overigens in het verloop van het boek geen rol meer speelt.

    David heeft een joodse moeder. Zij is voor de tweede keer getrouwd, met een man die afkomstig is uit het Friese land. Davids biologische vader is door de Duitse bezetters geëxecuteerd voor een van de villa’s op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat die ze in brand hebben gestoken. Beide hoeken vallen nu nog op door de nieuwbouw die daar later is gepleegd.

    Mozaïekroman en ideeënroman

    Het volgende tweetal wordt door een alwetende verteller qua karakter verder uitgewerkt: David en zijn geliefde Marthe. David is een rationele atheïst die wikt en weegt. Hij is een man van de bergen en de winter, van het ijzige Noorwegen. Marthe is een gevoelsmens, wat zweverig en spiritueel ingesteld. Ze is impulsief, houdt van de zomer en de zee. Ze zijn kortom even verschillend van elkaar als Arend en David, Pat en Liora. Marthe wordt afhankelijk van David, die haar van zich afduwt, hoewel het Marthe is die verliefd wordt op een collega van haar werk. Ze blijven vrienden en raken elkaar niet kwijt.

    Dan krijgt David opeens een brief van Arend. Hij zoekt weer contact. De mozaïekroman die stukjes waarheid toont, kantelt richting een ideeënroman waarin vraagstukken aan de orde komen als: bestaat er een verschil in vriendschap tussen mannen met mannen, en vrouwen met vrouwen? Wat is het activisme van Pat precies? Wat te denken van sociale media? Wat houdt schaamte in? Arend en David maken uiteindelijk weer samen een reis naar Noorwegen en Arend vertelt zijn verhaal, met name over zijn eigen vader. Meer weggeven hier is niet de bedoeling, maar duidelijk is dat David na die bekentenis als versteend achterblijft. Arend gaat lopen, de bergen in. Het boek eindigt in het land waar het ook vele jaren eerder begint. Tussen de bergen. Bergen als symbool voor leven en dood. De stad huilt, maar de bergen verstenen.

    Het boek is mooi geconstrueerd. De karakters zijn goed uitgewerkt. En hoewel de dialogen niet altijd even sterk zijn, zijn de natuurbeschrijvingen juist van hoge kwaliteit. Een roman tenslotte die door deze opzet doet denken aan Pauws debuut Riverside Drive. Ook hier is een gepensioneerde man de hoofdpersoon. In dit geval een historicus. Hij heeft geen dochter maar een zoon en een geliefde. Ook hier speelt een stad, New York, een grote rol. Niet de joodse geschiedenis ervan, maar de koloniale rol van Nederland in de historie van de stad. En ook hier komen beschouwingen voorbij over thema’s als liefde, verlies en dood. Het is een beproefd model gebleken, want alles bij elkaar heeft Pauw in een soortgelijk stramien wederom een boeiende, beeldende tweede roman geschreven.

     

     

  • Mozaïek van verhalen

    Mozaïek van verhalen

    De Nederlandse auteur Frank Nellen (1982) – schrijver en fiscalist – kreeg voor zijn tweede roman De onzichtbaren, de Boekhandelsprijs 2024, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2024 én voor de E. du Perronprijs 2022/23. Het kan niet op en dat is terecht, want het boek verdient het allemaal. Net als lezers. Heel veel lezers. Vanwege de zorgvuldige stijl waarmee de auteur de sfeer weet te treffen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Vanwege de manier waarop hij de twee totaal verschillende hoofdpersonen, een ik-figuur die luistert naar de naam Dani en zijn vriend Pavel, weet te treffen. Zoals hij in zijn debuutroman Land van dadels en prinsen ook twee totaal verschillende jongens, Simon en Youssef, neerzette. Vanwege de stijl die soms aan een jongensboek doet denken.

    Bijvoorbeeld in de scène met een monster à la Loch Ness dat de jongens in hun greep houdt. Wanneer ze hem hebben gevangen, blijkt het een meerval te zijn die ze naar het dorp brengen, waar hij ’s avonds met peterselie wordt opgediend. Een stijl die je dan weer eerder van een sprookje zou verwachten. Neem bijvoorbeeld de omschrijving van Dani’s en Pavels schooljuf Kravets: een blank, geplooid gezicht, samengeknepen ogen, mondhoeken die zo laag hangen dat ze haast over de vloer sleepten, een gerimpeld voorhoofd, haren op de kin.

    Een groteske figuur zoals we die uit de grote Russische literatuur kennen. Vanwege de sombere en naargeestige scènes, gelijk die in een lampenfabriek, die op een komische manier worden verteld, waardoor ze des te meer bijblijven. Vanwege surrealistische verhalen. Bijvoorbeeld over hoe Pavel aan zijn ene oog kwam. Door een onontplofte granaat uit de Tweede Wereldoorlog die de baan van een gouden ring kruiste die zo in zijn oog terecht kwam. Wie zal zeggen of het allemaal waar is, maar allemaal samen vormen ze een mozaïek van kleine verhalen en anekdotes, groots verteld, waarbij de schrijver veel aan de verbeelding overlaat.

    Neem bijvoorbeeld de manier waarop de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl wordt beschreven. Nellen duidt die aan met ‘een vroege zaterdagmorgen in april’ en met het feit dat het ‘warmer voelde dan andere jaren’. De lezer vult de gegevens aan (26 april 1986), maar het gebrek aan verdere informatie is vergelijkbaar met wat de bewoners toen wisten. Niets. Of foute informatie, zoals dat het om ‘een ernstige natuurramp’ nabij Pripjat zou gaan.

    Pavel

    Laten we beginnen met Pavel, een geëngageerd personage dat niet alleen iets ongrijpbaars over zich heeft, maar ook iets ongenaakbaars. Want hij leest onverstoorbaar boeken en niemand op de school van Pavel en diens vrienden, waaronder Dani en bijfiguur Igor, doet dat. Wat wil je ook met boeken over arbeiders, Lenin-pioniers of kosmonauten en tegen het kapitalisme. Ze doden de tijd niet, want die lijkt eindeloos en vol verveling; een constante onderstroom onder alle verre van vrolijke verhalen.

    Pavel heeft haast een Messiaanse uitstraling: ‘In Pavels bijzijn gebeurde er (…) niets onbetamelijks. Er werd niet gevochten, niet geraakt, niet gesjacherd. Langzaamaan werd de plek voor de zijgevel [van de school waar hij zich ophield en een boek leest, vS] het belangrijkste trefpunt van het schoolplein’. Er vormde zich een kring van jongens om hem heen die geen woord van hem wilden missen en uiteindelijk ook zelf aan het lezen sloegen. ‘Een boek in je handen was niet langer een rariteit. Het straalde verfijning uit, en bovenal bevrijding’. De tijd ging opeens snel voorbij.

    De inmiddels ouder geworden Pavel houdt in de universiteitsbibliotheek een rede tegen het communisme en trekt een goedkoop gipsen beeld van zijn sokkel, een daad die doet denken aan Jezus die in de tempel de tafels van de wisselaars omver wierp. Pavel verdwijnt op een gegeven moment van de universiteit en verzoekt later om zijn onderzoeksmateriaal en archieven te vernietigen, zoals Jezus zijn leerlingen verzocht te zwijgen. Uit angst voor de gevolgen.

    Zo’n personage met Messiaanse trekken lijkt ook, net als lerares Kravets, te zijn weggelopen uit de grote Russische literatuur. Bijvoorbeeld uit De gebroeders Karamazov van Dostojevski.

    Dani

    Dani woont met zijn moeder aan de ene kant van een dorpsweg in Taranivka, weesjongen Pavel aan de andere kant ervan bij zijn oudtante mevrouw Janovitsj. ‘In een huisje aan de voet van een metersdikke beuk’. Beide jongens zijn bevriend. Maar op een gegeven moment verliest Dani Pavel uit het oog. Tot hij hem op een radiostation verhalen hoort vertellen van gewone, alledaagse Sovjetburgers. Dani vindt hem terug in Kamp 451, vlakbij Nova Nolienka, ‘tussen de restanten van een verloren leefwereld’. Barrevoets. Als een handelaar in oud roest en oud papier. Waarbij het cijfer 451 een geestig detail betreft, dat naar van alles en nog wat kan verwijzen: Fahrenheit 451 (een dystopische roman, een film), het jaar waarin de Romeinen worden verslagen, een dakpan, een polsbandje en een artikel in het Burgerlijk Wetboek. De roman van Nellen zit vol met zulke grapjes.
    ‘De verhalen,’ zegt Pavel tegen Dani, ‘daarom ben ik hier’. ’s Nachts leest hij ze voor. Dani hoopt Pavel met zijn verhalen ‘terug te voeren naar de werkelijkheid’.

    De onzichtbaren

    Veel uit de werkelijkheid blijft onzichtbaar. Het gif van de Sovjet-Unie is onzichtbaar, net als dat van Tsjernobyl, maar het bestaat wel degelijk. De spionnen van de Sovjet-Unie zijn onzichtbaar, maar ze zijn er wel. De onzichtbaren zijn de mensen in de werkkampen, de sanatoria. Pavel geeft ze een stem. Of liever: de ene mens maal miljoenen, want het communisme kent aan een individu nauwelijks betekenis toe.

    De titel doet denken aan de roman De onzichtbaren van Roy Jacobsen, waar het om Noorwegen gaat. Beide landen zijn niet of nauwelijks te verlaten of in gedachten achter te laten. Is het bij Jacobsen de natuur die haar eigen loop neemt, bij Nellen is het het communisme met zijn al even ijzeren wetten. Wat blijft zijn dromen over een ander leven. Bijvoorbeeld door het lezen van boeken zoals eerst Pavel doet en later de andere schoolkinderen, of door het omverwerpen van goedkope beelden. Toch blijkt er in het eentonige leven op het eiland en in Oekraïne eind jaren tachtig veel te veranderen met het wankelen van de Sovjet-Unie en de dreiging en meer dan dat die er nog steeds – ook voor Noorwegen – van uitgaat.

     

     

  • Een leven in het bos als metafoor

    Een leven in het bos als metafoor

    Bambi. Iedereen kent de naam van het reebokje. Veel mensen zagen de Disneyfilm uit 1942, die nog steeds via streamingsdiensten valt te bekijken. Maar weinigen zullen weten dat het verhaal erachter (1923), dat oorspronkelijk als feuilleton in een Weense krant verscheen, is geschreven door de Oostenrijks-Hongaarse Felix Salten (1869-1945). Eigenlijk heette hij Siegmund Salzmann en was theatercriticus, redacteur, schrijver, jager én dierenbeschermer. Het verhaal is niet – zoals vaak wordt gedacht – als kinderverhaal bedoeld, al verscheen het ook als Gouden Boekje.

    Nu is er bij De Geus een herdruk (als Salamander klassieker) verschenen van de Rainbowuitgave (2017) in de soepel lopende Nederlandse vertaling van Jet Quadekker. Aangevuld met een voorwoord van Arnon Grunberg en een nawoord van de vertaalster. Geschikt voor mensen die de film maar niet het originele verhaal kennen. En voor lezers die geen van beide kennen en er nieuwsgierig naar zijn. Of voor mensen die zonder meer een boek willen lezen dat volgens Grunberg ‘uiteindelijk over eenzaamheid en de dood gaat’. De vreugde over de hernieuwde kennismaking met het origineel wordt alleen wel een beetje (te?) ver doorgevoerd: ‘Salten (…) doet daarbij niet onder voor bijvoorbeeld Tolstoj in De dood van Ivan Iljits’, meent Grunberg. De novelle uit 1886 gaat over het stervensproces van gerechtsdienaar Iljitsj Golowin na een eenzaam leven. Thematiek die inderdaad overeenkomt met Bambi, maar verder lijkt Tolstoj toch een maatje groter.

    Zien, voelen en ruiken

    Laten we daarom Bambi van Salten zelf bekijken en op zijn eigen waarde schatten. Het gelijknamige reetje wordt diep in het struikgewas van het bos geboren en wil al jong van het gebaande pad afwijken. Hij schrikt van de eerste ‘moord’ die hij ziet: een bunzing die een muis vangt. Dat zou híj nooit doen! Net zomin als ruzie maken over eten, zoals twee Vlaamse gaaien. Nee, hij, Bambi zal genieten van ‘de hoge, wijde, blauwe hemel’, de gloed van de zon ‘en het weidse groen’. Zien, voelen en ruiken.

    Maar zijn moeder is altijd op haar hoede. Op klaarlichte dag zullen ze bijvoorbeeld nooit naar het veld gaan. Dat is te gevaarlijk. De grote herten boezemen de reetjes ontzag in. Familie en toch ook weer niet. Van je familie, die grote herten, moet je het hebben! Een bosuil adviseert dat ze zich niet met dat volk moeten bemoeien. Moeder ree heeft het tot twee keer toe over ‘Dat … was … Hij!’; een vertegenwoordiger van de mensensoort, een jager, begrijpt de lezer. Al gaat het verhaal ‘dat Hij op een dag bij ons [de dieren, vS] zal komen en goed zal zijn als wij. Hij zal met ons spelen, het hele bos zal gelukkig zijn en we zullen vrede sluiten’.

    De (volwassen) lezer begrijpt meer. Bijvoorbeeld over bladeren aan de bomen die op een gegeven moment doodgaan en naar beneden vallen. Vraagt het ene blad aan het andere: ‘”Wat is daar beneden?” Het eerste blad antwoordde: “Dat weet ik niet. De een zegt dit, de ander dat (…). Van degenen die beneden zijn is er nog nooit iemand teruggekomen”.’ Bambi beleeft de wisseling van de seizoenen. Een zware wintertijd breekt aan. Voedsel vinden wordt steeds moeilijker en Hij waart rond, de roep van de reeën imiterend. Tot overmaat van ramp sterft Bambi’s moeder. ‘Verdwijnt’ zegt Bambi eufemistisch. Bambi geeft op dat moment niets meer om de ontluikende natuur.

    Horen, zien en ruiken

    Die natuurbeschrijvingen zijn prachtig, bijvoorbeeld over het ontwaken van de vogels. Zodanig dat je het hoort en ziet: ‘De vinken sloegen en ook de roodborstjes en puttertjes lieten zich horen. Met veel vleugelgeklapper vlogen de duiven van de ene plek naar de andere. De fazanten gaven een luide schreeuw (…). De zon was opgekomen (…). Het veld fonkelde van de dauw, rook naar gras, naar bloemen en natte aarde’. Horen, zien en ruiken. Ook de angst voor een groot hert wordt invoelbaar beschreven: ‘Niet ver van hen’ [de kudde] ‘was er geritsel. Ze stonden meteen stil en tuurden naar die kant. Daar schreed langzaam een enorm hert door de bosjes op de open plek af. In de kleurloze schemering leek hij op een reusachtige grijze schaduw.’

    Toen het boek uitkwam was de ontvangst redelijk koel. Disney kwam in 1942 met zijn film, die een groot succes werd en het originele verhaal overschaduwde. Vond de Weense uitgever nog dat Salten de ziel van het Duitse woud had opgeroepen, Disney toonde een beeld van een lieflijker natuur.

    Metafoor voor het interbellum

    Toch is het niet moeilijk om Bambi als een metafoor te lezen voor wat er in het interbellum tussen de Eerste- en Tweede Wereldoorlog in de Europese politiek gebeurde. Het bos staat voor nationalisme, zoals dat vanaf de vroeg-romantiek in Duitstalige kunstuitingen het geval is. Het veld (of de wei, in andere vertalingen) voor het beloofde land en de reeën zou je als vervolgden kunnen zien, ten prooi aan de pogroms die plaatsvonden. ‘Uiteindelijk gaat boek over eenzaamheid en de dood’, schrijft Grunberg terecht. En niet primair over liefde, zoals de Disneyfilm ons wil doen geloven: ‘Liefde is als de zon’ klinkt het meermalen in de film. Het is een mooie boodschap, maar wel wat ver van het originele verhaal verwijderd.

     

     

  • Vol zielskracht

    Vol zielskracht

    De titel van dit boek geeft al veel prijs: Leven in termijnen, van scan naar chemo, van bloedprikken naar bestraling. En letterlijk: ondertussen het leven verlengen, tijd kopen. Een verkeerde uitspraak van het laatste deel van de achternaam van de auteur (dood in plaats van doed) is in dit verband schrijnend. Dit verband is het leven na de diagnose uitgezaaide kanker, ongeneeslijk ziek zijn, en ook van een leven na een traumatische jeugd. Beide verhalen worden soms alleen in aanduidende zin verteld en door elkaar geweven.

    Shadood is in 1967 in Paramaribo uit Guyanese geboren, haar ouders waren Hindoestanen. Tot voor kort werkte ze in Baarn als coach persoonlijke ontwikkeling. Waheeda is de vrouwelijke vorm van wahid, Arabisch voor zowel één als uniek. Ieder mens is uniek en ieder verhaal ook. Iedere schrijver verwerkt zijn/haar verhaal over kanker en trauma’s op een eigen manier. Lieke Marsman doet dat in dichtvorm (De volgende scan duurt vijf minuten), Herman Koch recent in het autobiografische Ga je erover schrijven?, een boek dat meteen de bestsellerlijsten binnen dendert. Er zijn overeenkomsten. Shadood schrijft vergelijkenderwijs bijvoorbeeld: ‘Na acht minuten sta ik weer buiten.’ Zó kort maar, terwijl het zo erg is, lijken zowel Marsman als zij te denken en ons mee te willen geven.

    Ellendige ervaringen

    Shadood voegt aan deze ziektegeschiedenis nog iets toe, namelijk dat wat in het voorwoord van haar echtgenoot Rik Bulten ‘weinig feestelijke herinneringen’ worden genoemd. Dat is een eufemisme voor de ellendige ervaringen die Waheeda als kind en jong meisje overkwamen. Zo werd ze op vijfjarige leeftijd samen met haar zusje en broertje door haar moeder achtergelaten in Guyana. Hun moeder keerde terug naar haar eigen ouders in Suriname. Haar vader huwt achtereenvolgens verschillende vrouwen die Waheeda’s stiefmoeders worden. Ze verdwijnen altijd weer snel. Huilen doet Waheeda dan niet, later wel. Op haar zeventiende vertrekt ze naar Nederland.
    Op het eind van het boek vindt verzoening met haar moeder plaats. Eerst via belcontact en later tijdens een bezoek van haar moeder aan het ziekenhuis waar haar dochter ligt. Met ‘rechts een infuus met het levensverlengende én dodelijke elixer dat rechtstreeks mijn aderen in wordt gepompt, en (…) links de vrouw die mij het leven schonk’.

    Meerdere lagen

    Je kunt in het boek meer van dergelijke tegenover elkaar staande elementen ontwaren die de auteur hand-in-hand laat gaan. Of misschien moeten we zeggen: ontwarren, want het boek is, hoe indrukwekkend ook, helaas niet altijd even helder qua structuur en woordgebruik.
    De eerste twee elementen zijn uiteraard leven en dood. Shadood geniet ondanks alles, en ondanks moeilijke momenten van twijfel en pijn, van het leven, van haar man en zoon Jaden, die ze omschrijft als ‘inspirator, voorbeeld en spiegel’ en laat zich door het aanschijn van de dood niet uit het lood slaan.
    De volgende twee elementen zijn de twee culturen, in elk waarvan ze met een been staat: die van Guyana en die van Nederland. Daarmee verbonden zijn respectievelijk de alternatieve Chinese geneeskunde waarvan ze door een orthomoleculaire arts op het spoor is gezet en de klassieke geneeskunde in het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam. En tenslotte, als derde, haar traumatische jeugd en de ziektegeschiedenis die haar daar soms naar terugvoert. Bijvoorbeeld tijdens een inwendig onderzoek.

    Net als deze lagen van Waheeda’s verhaal is het boek deels tweetalig: voor het overgrote deel Nederlands en waar haar niet-Nederlandse familie aan het woord is, of wanneer zij met ze spreekt, Engelstalig. Helemaal duidelijk wordt de bedoeling van deze tweetaligheid niet.

    Protocollen en alternatieven

    Het boek kraakt ook een kritische noot richting de Nederlandse zorg, net als basisartsen in opleiding of pas afgestuurde artsen dat zelf soms ook doen. Shadood loopt aan tegen de vele protocollen. Al spreekt ze aan de andere kant ook veel waardering uit voor individuele artsen in onder meer het Antoni van Leeuwenhoek. Hoewel zij in coronatijd achter plexiglas zitten en Shadood rustig een laborante knuffelt. En er zijn ook nog de protocollen van de verzekeringsmaatschappijen over onder meer wat wel en niet wordt vergoed. Bijvoorbeeld over aanvullende alternatieve geneeswijzen, zoals een suikervrij en koolhydratenarm dieet. Niet iedereen is ervan overtuigd dat dit werkt, maar Shadood wel.

    Hoewel het haar soms aan helderheid ontbreekt, ze zichzelf een enkele keer wat lijkt tegen te spreken – bijvoorbeeld over hoe sterk of kwetsbaar ze nu eigenlijk vroeger was en nu is – en de bedoeling van de tweetaligheid niet duidelijk wordt, is Leven in termijnen zonder meer een indrukwekkend boek. Hoe het na het afronden hiervan nu met de auteur is gesteld, houdt ze bij op haar blog waheeda.nl.

     

     

  • Wijze én berekenende aforismen

    Wijze én berekenende aforismen

    Veel mensen zullen de naam Baltasar Gracián y Morales (1601-1659) niet kennen. Toch heeft het denken van deze vrijdenkende, Spaanse jezuïet veel invloed gehad. Hij wordt wel ‘de Machiavelli for the good guys’ genoemd. De manipulatie en misleiding van Machiavelli zijn bij hem vervangen door berekening, al heeft Tinneke Beeckman het beeld van Machiavelli onlangs genuanceerd in haar boek Machiavelli’s lef. Omgekeerd zitten er aan het werk van Gracían misschien minder fraaie kantjes. Of, zoals Annemart Pilon, vertaler en bewerker van zijn ‘spreuken’ in De kunst van de voorzichtigheid in het voorwoord bij deze uitgave schrijft: ‘Gracián predikt deugdzaamheid, al is die misschien vermomd als schijnheiligheid (of is het juist andersom?)’. Is dit een vooroordeel tegenover jezuïeten (jezuïtisch schijnheilig)? Redenen temeer om het toegankelijke boek te lezen en erachter te komen.

    ‘Spreuken’ in twaalf thema’s

    Pilon heeft de driehonderd in 1647 door Gracián gepubliceerde ‘spreuken’ (ze schrijft dit telkens tussen aanhalingstekens), tot de kern teruggebracht of samengevoegd en in twaalf thema’s ondergebracht. Thema’s als Weten en denken, Jezelf en anderen kennen, Karakter en gedrag. Maar dat niet alleen. Deze uitgave is geïllustreerd door de Delftse kunstenaar Dirk van Dien die met gemengde technieken werkt. Sterker nog, de afbeeldingen die hij maakte na het lezen van Graciáns Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid in de vertaling van Theo Kars (1940-2015), uitgegeven in 1990 en in 2020 ongeïllustreerd herdrukt, vormde de aanleiding tot deze uitgave. Omdat Annemart Pilon gewijzigde titels gaf aan de ‘spreuken’, maakte Van Dien ook nieuw werk. Achterin het boek is een schets van het leven en werk van Van Dien opgenomen.

    Zijn stijl houdt het midden tussen Paul Klee en Picasso met niet-Westerse of islamitische elementen. Soms is het een woord in een ‘spreuk’ (‘Denk vooruit en gebruik je voorzichtigheid’) dat hem op het spoor van in dit geval Rodins beeld De denker zette. Of hij maakte collages met gebruik van postzegels en andere bestaande afbeeldingen. Heel concreet, zoals Graciáns werk dat ook is.

    Actualiteit en levenskunst

    Graciáns denken blijkt nog steeds actueel. Hij beveelt bijvoorbeeld aan om tegenover bronnen een kritische houding aan te nemen. En iedereen kan in deze tijd van gekleurde, eenzijdige of onware berichtgeving waarop geen dubbele controle heeft plaatsgevonden, talrijke voorbeelden van fake nieuws noemen.
    Er zitten tussen de ‘spreuken’ echter ook denkbeelden waar we nu niet meer zo achter kunnen staan, zoals in het hoofdstuk ‘Uitblinken’: ‘Hoogstaande bezigheden [leiden] tot roem’. Meer in de lijn van levenskunst ligt een opvatting die ook Nietzsche in Graciáns voetsporen ontwikkelde: werken aan je persoonlijkheid tot je een afgerond mens bent, een mens zoals we eigenlijk bedoeld zijn. Dat de term Übermensch door toedoen van Hitler een andere invulling kreeg, is niet aan Nietzsche te wijten.

    Een andere denker waar de ideeën van Gracián af en toe aan doen denken, is Spinoza. Beiden hebben het over voorzichtigheid (caute bij Spinoza), innerlijke rust (‘een groot geluk op de wereld’ schrijft Gracián) en ‘hevige emoties [die] de rede verjagen’. Spinoza zei het hem na in het derde deel van zijn Ethica.

    Er zit iets van een streber in het denken van Gracián, maar we herkennen ook de wijze denker in hem bij de trits translatio (vertalen) – imitatio (navolgen) – aemulatio (overtreffen) wanneer hij schrijft: ‘Kies je grote voorbeelden en probeer hem of haar [dat laatste zal een toevoeging van Pilon zijn neem ik aan, EvS] juist voorbij te streven’ (aemulatio). En stop daarmee op het juiste moment, op je hoogtepunt. Net zoals je ook je kwetsbaarheid moet durven laten zien en dan hopen dat naasten en vrienden er voor je zijn.

    Gracián vindt aan de andere kant weer wel dat alle begin onvolmaakt is en dat je dat dan niet moet laten zien, want dan ‘blijven de onvolkomenheden ervan in iemands hoofd zitten’. Daar staat een hedendaagse opvatting over bijvoorbeeld het jeugdwerk van Vincent van Gogh tegenover. Daarin zie je behalve inderdaad nog onvolkomenheden, óók al de kracht van de schilder die zich inspant om er binnen zijn mogelijkheden van dat moment het beste van te maken. Dat mag best worden gezien.

    Karakter en gedrag

    Een mooi onderdeel van het boek is ‘Karakter en gedrag’, zowel tekstueel als qua verscheidenheid aan afbeeldingen. Bijvoorbeeld de ‘spreuk’ over integriteit: ‘Je eigen geweten moet zwaarder wegen dan het oordeel van anderen’. Deze gaat vergezeld van een afbeelding met een kern, omringd door allemaal vissen die dezelfde kant op zwemmen. De ‘spreuk’ over halsstarrigheid wordt verbeeld door een man met een lange nek, omzwachteld door een touw. En een over een gezond karakter door een wybertjesvorm met daarin twee portretten uit de oudheid. Raak gekozen, want was Sophocles al niet de filosoof die wist dat je je in korte zinnen moet uitdrukken, zoals Gracián zelf ook doet?

    De vraag die nog rest is: hoe reageren hedendaagse jezuïeten zelf op het werk van Baltasar Gracián? De bekende Vlaamse jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin schreef naar aanleiding van de eerdere vertaling door Theo Kars dat veel aforismen (een beter woord dan ‘spreuken’, al dan niet tussen aanhalingstekens) ‘getuigen van grote mensenkennis en wijsheid. Vele andere kunnen schokken door hun cynisme en opportunisme.’ Na lezing van deze mooie, nieuwe gebonden uitgave met leeslint kun je niet anders dan dit beamen.

     

  • Zoektocht naar Nataraja

    Zoektocht naar Nataraja

    Op het omslag van het boek Oog in oog met de goden van Alexander Reeuwijk staat een bronzen beeld van Nataraja, de dansende Shiva. Een beetje liefhebber van Indiase beelden kent het uit het Aziatisch Paviljoen van het Amsterdamse Rijksmuseum. Zo ook de schrijver Alexander Reeuwijk, voor wie het liefde op het eerste gezicht is. Het zet hem aan om er meer van te weten te komen. Dit boek is de neerslag van die zoektocht. Maar er is méér, en dat maakt dit boek er uiteindelijk een met een rijke inhoud.

    Reeuwijk publiceerde eerder onder meer over Indonesië (dat op de shortlist van de Jan Wolkers Prijs terecht kwam) en Iran. Boeken die niet alleen zijn gebaseerd op onderzoek, maar ook op reizen. Daar in het paviljoen van het Rijksmuseum ontluikt het idee om zo’n Natarajabeeld op te gaan zoeken in een Natarajatempel. Want in Amsterdam staat het er maar wat verloren bij, meent Reeuwijk.

    Amsterdam, Zuid-India en terug

    Het begin van het boek katapulteert de lezer van Amsterdam naar Zuid-India. Naar Baskar en zijn neef Vasanth die massief gegoten godenbeelden voor tempels maken, maar vooral vrij werk dat ze in een winkel verkopen. Reeuwijk vraagt ze de oren van het hoofd over onder andere de techniek van de modellen in was tot de afwerking ervan, over hun leermeester, de routine van hun werkdag, maar ook over hun leven als kind en jongvolwassene.
    Reeuwijk laat het niet bij het beschrijven van het uiterlijk van de beelden. Hij wil ook een idee krijgen van de betekenis en de functie van de Nataraja. Terug in Nederland maakt hij daarvoor een afspraak met een indoloog, conservator Zuid-Aziatische kunst van het Rijksmuseum. Daarbij is het goed dat achterin het boek een afbeelding van de Nataraja is afgedrukt. Geestig is dat Reeuwijk de conservator in dit verband juist wel naar haar uiterlijk en voorkomen beschrijft, namelijk als een gedecideerde vrouw die zeker is van zichzelf, terwijl haar uitlatingen eigenlijk getuigen van meer bescheidenheid: ‘Zelf ben ik er (…) niet zo zeker van dat dit de correcte uitleg is’ van de kleine Apasmara onder de voeten van Nataraja – door Reeuwijk consequent als ‘dwerg’ omschreven. ‘Of,’ vervolgt ze dan, ‘eigenlijk ben ik er gewoon zeker van dat het niet de juiste interpretatie is.’ Ze blijkt een vrouw van nuances en zet Reeuwijk op het spoor van een tempel in Chidambaram, waar een beroemde Nataraja staat. Hij gaat ernaartoe.

    Verschillende beelden van Nataraja

    In bloemrijke taal beschrijft hij wat hij er ziet en hoort; tweemaal heeft hij het over blauwe vingers, die van hemzelf van het schrijven en van een ander van het trommelen. En wel erg veel mannen hebben opvallend genoeg een ‘eivormig hoofd’…
    De opeenvolgende uitleggen die hij over Nataraja krijgt, ziet hij niet als aanvullingen op elkaar, maar ze duizelen hem. De kennis om het allemaal te kunnen plaatsen ontbreekt, zoals hij zelf erkent. Iets weerhoudt hem ervan om in India in een tempel het beeld van Nataraja ook daadwerkelijk te naderen en in de ogen te zien. Is hij bang er iets van zichzelf in te herkennen dat hij liever niet onder ogen komt? Het is opvallend dat Reeuwijk zich in het Government Museum in Chennai afvraagt wat al die godenbeelden daar doen ‘uit hun context gehaald, in vitrines in het museum, sfeervol uitgelicht met ledlampjes’, maar zich tot dan toe niet afvraagt of het beeld van Nataraja in het Amsterdamse Rijksmuseum misschien roofkunst is. Hoewel hij wel meldt dat mensen in India met ‘lede ogen’ aanzien ‘hoe het culturele en religieuze erfgoed’ naar het buitenland verdwijnt. Ook citeert hij uit het werk van onder anderen de Duits-Nederlandse schrijver en VOC-beambte Jacob Haafner, die zich tegen het kolonialisme keerde. Want boeken over zijn onderwerp heeft Reeuwijk genoeg. Zijn kast puilt uit, zoals hij in een apart hoofdstuk (‘Nataraja en de boeken’) schrijft. In die boeken kan hij verwijlen.

    Spanning en afwisseling genoeg

    Reeuwijk laat de lezer in spanning wat de herkomst van het beeld in Amsterdam betreft. We weten inmiddels wel hoe een ander Shiva- en een Parvatibeeld in het Rijksmuseum terecht zijn gekomen. Maar snel verplaatst de auteur de aandacht weer naar achtergrondverhalen, interviews, bezoeken aan tempels, het bijwonen van een processie en het zich verdiepen in de leefgemeenschap van Aurovillianen. Dit zijn mensen uit alle landen van de wereld die in een stad in India vredig en harmonieus samenleven en die uitstijgen boven alle verschillen in geloof, politiek en nationaliteit.

    Zo is voor de lezer afwisseling gewaarborgd, hoewel Nataraja op die manier wel eens wat teveel naar de achtergrond lijkt te verdwijnen. Deze insteek is wellicht beïnvloed door Walden van Henry David Thoreau, die ook ‘persoonlijke observaties, filosofische bespiegelingen en maatschappijkritiek met feitelijke informatie over de natuur’ combineert, zoals Reeuwijk schrijft. Al doet Reeuwijks reactie op persoonlijke aangelegenheden bij de familie van Vasanth, waar hij zich thuis voelt, voor de een misschien wat te pertinent aan en getuigt ze voor de ander wellicht van een vertrouwdheid die nu juist te prijzen valt.

    En dan gaat het weer over de herkomst van de Shiva Nataraja in Amsterdam. Of liever gezegd over de vraag ‘welke weg de beelden ooit hebben afgelegd, vanuit India naar de musea of privéverzamelaars’. De auteur geeft een gesprek hierover weer met Vijay Kumar, die jacht maakt op handelaars van Indiase beelden. Hier wreekt zich soms de boekenwijsheid en de ietwat betweterigheid van Reeuwijk: ‘Je hebt gelijk, maar…’ of ‘Uiteraard, maar…’.  Het langverwachte antwoord blijft ook nu uit. Misschien – denkt de lezer op dit moment van het boek aangekomen – had het boek aan kracht gewonnen als het in twee afzonderlijke delen was verschenen: een over de godenbeelden en een over de reis door India. Daadwerkelijk en innerlijk.

    Inzicht en (h)erkenning

    Wie een antwoord op de vraag naar de herkomst van de Nataraja zoekt, komt dan ook bedrogen uit. Maar wie niet bang is met Reeuwijk de diepte in te gaan zal wellicht anders kijken naar wat hij aan extra’s toegeworpen krijgt – zoals de reisverhalen en interviews – waarbij alles aan het eind van het rijk geschakeerde boek uiteindelijk in elkaar past en valt. De auteur had het klaarblijkelijk allemaal nodig om tot een inzicht te komen, eerder dan tot een conclusie. ‘Thuis’ is voor hem niet langer alleen Amsterdam, maar blijkt ook India ‘van Rajasthan tot Tamil Nadu en van West-Bengalen tot Maharashtra’ waar hij ‘families ontmoet’ die hem levensverhalen vertellen waarin hij zich herkent. Dát is de uiteindelijke boodschap van het verhaal. Het gaat allang niet meer om alleen de herkomst van het beeld, maar om (h)erkenning.

     

  • Slechts een bezoeker?

    Slechts een bezoeker?

    Er staat een man voor de deur die het toneelstuk Droefheid der dingen van Erhan Aksoy maar liefst 157 keer heeft gezien. Daarmee begint het boek De laatste voorstelling van de Turks-Nederlandse schrijver Şaban Ol. Aksoy, de ik-figuur in de roman, noodt de man die voor zijn deur in Istanbul staat binnen voor een kop koffie. Koffie is in Turkije onder andere het symbool voor vriendschap. Maar Aksoy wil hem vooral ontfutselen wat het geheim is om 157 keer naar een opvoering van hetzelfde stuk te gaan. 1 + 5 + 7 = 13, denkt de lezer, net als koffie ook een symbool, in dit geval het ongeluksgetal.

    Met die symbolen wordt aan de lezer meteen al veel weggegeven: (vermeende) vriendschap en ongeluk spelen dus een rol in deze debuutroman. Maar pas op: Aksoy is een wat naïef personage, dus of hij door heeft dat het die kant op gaat, is nog maar de vraag. Wat hij uit de mond van de bezoeker, Ender (Zeldzaam), wil horen zijn eerder toverachtige woorden over wat de toeschouwer van het toneelstuk in de ban houdt. In plaats daarvan plaatst deze – ‘slechts een bezoeker’ zoals de stalker zichzelf onschuldig omschrijft – allerlei kanttekeningen bij het toneelstuk: meer visuele elementen zou het stuk goed doen, geen pauze óók. Dan wordt het nog epischer, zegt de man die Droefheid der dingen omschrijft als ‘een mijlpaal in de geschiedenis van het Turkse theater’. Theater dat een synthese is van episch theater, traditioneel Turks theater en storytelling. Toch is het stuk dat al zo lange tijd wordt opgevoerd niet de redding van het theater in Turkije, meent hij. Dat moet iets anders zijn.

    Ender, Aksoy en Cafer

    Wat dan wel? Ender lacht op momenten dat andere bezoekers dat niet doen. Hoe komt dat? Het is een van de vele absurdistische trekjes in de roman. Zou stiltes inlassen inderdaad helpen? Dat werkt niet, denkt Aksoy – dat is iets voor Westers regisseurstoneel. Actuele grappen dan? Die zijn er genoeg. Om te beginnen gaat dan de pauze er maar uit, tot groot ongenoegen van Cafer, de uitbater van het theatercafé, die zo niets meer verkoopt. Ook Cafer begint met het geven van adviezen: drankjes in de pauze verkopen geeft ‘een perfect Verfremdungseffekt’ zoals vroeger in de openluchtbioscopen werd gedaan. Bedoeld om je niet al te zeer te kunnen inleven in de personages. Volgens Ender is het immers ook ten aanzien van toneel en andere kunsten de bedoeling dat het nationale bewustzijn over de werkelijkheid in de maatschappij wordt verscherpt.

    Cafer verkoopt – nog weer zo’n mooi detail – alleen maar nationale producten. ‘Leve de lokale producten! Leve de onafhankelijke kunst!’ Twee tegenstrijdige uitlatingen, want de (toneel)kunst in Turkije is verre van nationaal en onafhankelijk. Waarop Cafer op het toneel (!) een heel vertoog houdt over Turkije dat geen identiteit meer heeft, geplet tussen Europa, Azië en Amerika als het is. Aksoy gaat er heftig tegenin en voelt zich een figurant zonder inhoudelijke rol op zijn eigen podium. Een enorm boegeroep is zijn deel.

    Of heeft hij gedroomd, van die lokale, Turkse koffie? Cafer heeft het de volgende dag namelijk opeens over Nescafé Gold en Coca-Cola. Net zoals er volgens Aksoy zoiets bestaat ‘als open theater en theatrale werkelijkheid’. Dat laatste blijkt wanneer hij in een inmiddels als louche bekend staande nachtclub in de kosmopolitische wijk Beyoglu van Istanbul belandt. De voorloper van deze club, enkele decennia geleden, speelt een rol in Droefheid der dingen. Aksoy wordt beroofd en geslagen. Op het politiebureau doet hij aangifte. De politie herkent hem niet als een bekend schrijver, houdt hem voor dealer, beticht hem van verboden wapenbezit en stopt hem in een cel. Het absurdisme ten top. Een misverstand, een nachtmerrie, een slecht toneelstuk, een spel dat wordt gespeeld, meent Aksoy.

    Het eind is nog niet in zicht. Van het Ministerie van Cultuur krijgt Aksoy een lijst van gedeeltes uit het toneelstuk die hij wegens vermeende slang en scheldwoorden moet aanpassen. Als hij dit niet doet, volgt een boete. Er wordt ook gedreigd met sluiting van het theater. Aksoy wordt verweten dat hij sprookjes vertelt die tot de verbeelding spreken, weg van de werkelijkheid. Het theatergebouw wordt inderdaad gesloten. Aksoy krijgt een gevangenisstraf van twaalf jaar en drie maanden en vraagt zich af waarom de politie zo bang is voor een clown als hij, die de mensen alleen maar wil vermaken en niets meer dan dat.

    Saban Ol, Turkije en Nederland

    De tijd waarin de roman van de Turkse schrijver Şaban Ol (1962) speelt, wordt in het midden gelaten, al komen er gebouwen en dergelijke in voor die niet meer bestaan. Het is aannemelijk dat het om de periode voor 1978 gaat, toen Ol Turkije verliet en naar Nederland emigreerde. In Nederland studeerde hij in 1989 af als regisseur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. In 2000 richtte hij Theater RAST op, het huisgezelschap van Podium Mozaïek in Amsterdam.
    Hij schreef ook toneelteksten, vertaalde Nederlandstalig toneel in het Turks en maakt nu zijn debuut met een geslaagde roman die zich onder meer laat lezen als een absurdistische allegorie op de repressieve toestand in Turkije.

    Je kunt het verhaal dan ook haast een-op-een op de recente(re) Turkse politieke geschiedenis leggen. Neem bijvoorbeeld de vraag wie de ‘echte’ Ender is. De naam Ender doet zowel aan Erdogan denken als aan Ergenekon, de naam voor een schimmige groep die de APK-regering ten val zou willen brengen. Maar het is ook de stalker die uiteindelijk met zijn idool, Aksoy, zou willen samenvallen. Net zo dubbel dus als de uitlatingen van Cafer.
    Het zijn deze lagen die de absurdistische roman rijk maken. Ol schreef zijn boek in het Turks dat door Erhan Gürer in mooi Nederlands werd vertaald. Een roman over de vraag voor wie Aksoy nu eigenlijk zijn Droefheid der dingen schreef: voor het publiek, voor zijn land of primair voor zichzelf? Een roman over verbeelding en werkelijkheid, clowns, sprookjes en de rol van onafhankelijke kunst in onze tijd. Of het nu in Turkije of in Nederland is.

     

     

  • Een uitdaging

    Een uitdaging

    De Duitse filosoof en historicus Rüdiger Safranski voegde aan zijn indrukwekkende biografieën over een aantal grote denkers en schrijvers, zoals Nietzsche en Goethe, een boek toe over eenling zijn. Een individu zijn, dat zelfstandig denkt, zijn/haar eigenheid ontwikkelt op een zelfbewuste manier.

    In grote lijnen schetst Safranski eenlingen vanaf de Italiaanse renaissance tot nu. Een in wezen traditionele opvatting, waarin wordt uitgegaan van het ontwaken van individualiteit in de renaissance. Hoewel aan die opvatting al geruime tijd wordt gemorreld. Bijvoorbeeld door kunsthistoricus Merlijn Hurx, die aantoonde dat al in de late middeleeuwen bouwmeesters van de gotische kathedralen méér waren dan dat; ze waren individuen met een eigen naam, zelfbewust als ze waren. We kennen zelfs namen, zoals die van de familie Keldermans.

    Tegenstellingen tussen geloof en ratio

    Safranski staat om te beginnen stil bij onder anderen de humanist Pico della Mirandola, die hij met één pennenstreek neerzet als een ‘Don Juan met het aura van een kuise monnik’. Met Pico beschrijft Safranski één kant van het eenling zijn: het zich verheffende individu. Met Machiavelli gaat hij in op de keerzijde hiervan: eenzaamheid.

    Dit is de opzet van Safranksi’s boek: het als dichotomieën, tegenstellingen, tegenover elkaar plaatsen van telkens twee denkers. Zo vergelijkt hij Luther met de filosoof Montaigne. Martin Luther wordt met meer nuances dan Pico della Mirandola ten tonele gevoerd. De auteur beschrijft hoe de reformator zichzelf als eenling ontdekt. In het klooster waarin hij intrad, zocht hij volgens Safranski een ‘exercitieplaats voor zelfdiscipline. Hij wilde zichzelf, en ook zijn vader, bewijzen dat hij niet het gemak, maar de zelfoverwinning zocht’. En God natuurlijk. Eén ‘die zich niet verborg achter instituties (…), maar een God die je persoonlijk kon ervaren’. In de visie van Safranski wil dat zeggen: ‘een God die een eenling van je maakt, omdat je hem als eenling moet ondergaan’.

    Montaigne daarentegen riep een eeuw later niet het geloof, maar de ratio te hulp. Safranski somt allerlei denkbeelden van Montaigne op, die men in zijn eigen tijd eigenaardig vond. Hij gebruikt daarbij het begrip ‘identiteit’, wat op zich óók eigenaardig mag worden genoemd, omdat dit woord pas in 1950 door de psycholoog Erik Erikson voor het eerst werd gebruikt.
    Montaigne schreef weliswaar Over de eenzaamheid, maar of hij ook werkelijk eenzaam was, valt te betwijfelen; hij had aan zichzelf en zijn rijke innerlijke wereld genoeg, net zoals Rousseau, die schreef dat hij in zijn ‘eenzaamheid duizendmaal gelukkiger [was] dan [hij] tussen de mensen zou kunnen zijn.’

    Het lege midden

    Toch is er een verschil tussen beide denkers. Rousseau zocht namelijk de vervulling niet in zichzelf, ‘maar in het wij van de staatsgemeenschap’, aldus Safranski. Daarin stond hij lijnrecht tegenover Diderot, de volgende denker waarop Safranski ingaat. ‘Het ware zelf’, schrijft hij, is voor Diderot ‘een leeg midden waar niets te vinden is dat houvast biedt’.
    Het lege midden moet dan – zo begrijpen wij uit de tekst – worden opgevat als iets diep van binnen. Iets dat doet denken aan de betekenis die de twintigste-eeuwse theoloog Karl Barth eraan gaf: een plek (Hohlraum) die niet is opgevuld met bijvoorbeeld een beeld van God, zoals bij Luther.

    Stendhal en Jaspers

    Dat je er met die tegenstelling tussen telkens twee denkers niet helemaal komt, blijkt uit het hoofdstuk over Stendhal. Stendhal is een schrijver die zichzelf niet als een eenheid beschouwde, die vanuit één centraal punt dacht, maar als ‘een man van de geest of een domkop, moedig of een lafaard’. Dan weer het één en dan weer het ander, een romanticus met een analyserende inslag eigen.
    Safranksi heeft het in dit verband over ‘authenticiteit’, wat nog weer een facet is dat hij aan het begrip eenling toevoegt. Om te vervolgen met Stendhals verlangens: vrouwen, schrijversroem en geld. Overal wilde de schrijver het beste zijn. In die zin was hij volgens Safranski een egotist, iemand die zichzelf weet te ensceneren.

    Een laatste voorbeeld. Nog een andere vorm van eenling zijn vindt Safranski bij psychiater en filosoof Karl Jaspers. Door een ernstige longaandoening was hij hiertoe volgens Safranski van jongs af aan veroordeeld. Of je hier Jaspers’ hele filosofie uit kunt verklaren, is nog maar de vraag. Een feit blijft namelijk dat Jaspers ook is opgevoed met het idee altijd onafhankelijk te denken, zoals Jozef Waanders in zijn boek over Jaspers (Sporen van transcendentie, 2018) schrijft.

    Hiermee heeft Safranksi het eenling zijn beperkt tot wat hij omschrijft als het ‘van een feit (…) een taakstelling [maken] voor je leven en denken’. Dat is iets dat te denken geeft. En hoewel er een facet kan zijn dat daarbij overheersend is, heeft een identiteit altijd meerdere kanten.

    Door deze kanttekeningen en vooral door de compacte schrijfstijl is dit boek als introductie op de thematiek van eenling zijn wellicht wat onbevredigend. Voor lezers die meer vertrouwd zijn met het thema, nodigt het boek evenwel uit tot het zelf leggen van dwarsverbanden. Terug naar de door Safranski niet behandelde middeleeuwen, dwars door de tijd en tot nu. Een uitdaging. Inderdaad, maar dan op een andere manier.

     

     

     

  • ‘Vilein, smerig of genadeloos’

    ‘Vilein, smerig of genadeloos’

    De lezer die aan het nieuwe boek van de Vlaamse auteur Delphine Lecompte (1978) begint, is geneigd het snel weer weg te leggen. Het slaat je plat door de grofheid en de rauwheid ervan. Maar wie blijft doorlezen in het aaneengeregen relaas, vijfhonderd pagina’s lang, moet erkennen dat hier een schrijfster aan het woord is die het vak tot in de toppen van haar vingers beheerst. Of alle ellende je echt raakt is echter nog maar de vraag, maar de schrijfster lijkt daar ook niet naar op zoek. ‘Ik wil gewoon vilein, smerig of genadeloos mogen zijn,’ zei ze tegen Arjan Visser in het kader van diens rubriek de Tien geboden in Trouw (21 mei jl.).

    Ze spaart zichzelf niet in omschrijvingen als ‘anorectische drankzuchtige wereldvreemde egocentrische bipolaire navelstaarder’ die automutilatiegedrag vertoont om de pijn te verdrijven of aandacht te krijgen. We weten met wie we van doen hebben. Het boek is min of meer chronologisch opgebouwd in vier delen, een Proloog en een Epiloog.

    Vier delen

    Het eerste deel, De vagevuurjaren, gaat over de jeugd van de ik-figuur in De Panne. Met een moeder die op de hak wordt genomen en grootouders waarvan ze houdt. Het tweede deel, De gekkenhuisjaren, speelt in de psychiatrische zorg in Knokke, waarin de ik-figuur is opgenomen met een borderline persoonlijkheidsstoornis en suïcidale gedachten. Zij heeft anorexia en de hoofdpsychiater is ook graatmager. Toch klikt het niet. In het volgende deel, ‘De zuiveljaren’, heeft de ik-figuur tijdelijke baantjes gevonden op verschillende afdelingen van een supermarkt (telkens een stapje lager in de rangorde ervan) en een kantwinkel. Ze wordt telkens ontslagen, onder meer omdat ze nogal eens wat achteroverdrukt. Het vierde deel heeft min of meer de inhoud van een catharsis; Lecompte woont samen met een voormalige vrachtwagenchauffeur en debuteert als dichter en leest hier-en-daar voor uit haar bundels. Hilarisch en humoristisch is een voorleesbeurt in Friesland, een dag nadat bij haar enkele voortanden zijn getrokken en ze de s niet kan uitspreken.

    Sommige hoofdstukken zijn in eerdere versies en fragmenten gepubliceerd op de website Ooteoote en in Humo. Binnen de lange hoofdstukken werkt de auteur veel met tritsen, drietallen. Bijvoorbeeld:
    ‘De discipline zou misschien vuur worden.
    Vuur zou bezetenheid kunnen worden.
    Van bezetenheid was het een korte route naar genialiteit. Of waanzin.’

    Of, eveneens als een blok tekst ingesprongen onder elkaar als een couplet van een gedicht:
    ‘Ik woonde in een badstad en kende de zee op mijn duimpje.
    Maar je kan de zee niet kennen.
    Je moet de zee niet willen kennen.’

    En een derde en laatste voorbeeld:
    ‘De duinen waren veilig, nee niet veilig.
    De duinen waren mystiek, eerlijk en wild.
    Het was een wildheid zonder slechte bedoelingen.’

    Dergelijke tritsen geven het boek een filosofische ondertoon die na alle geraas rustpunten biedt. Ook veel mensen in dit boek hebben hun goede en slechte kanten. Zo is er de pedofiele tuinman (Lecompte is mede bekend geworden doordat ze eerder over pedofilie schreef) die als enige mededogen heeft met een buurvrouw, een bestolen, vereenzaamde Russische gravin: ‘Enkel de pedofiele tuinmaan reageerde fijngevoelig en met mededogen, hij zei: “Ach, och, ocharm”.’

    Sprookjes

    De gravin heeft iets sprookjesachtigs, de pedofiele tuinman is eerder een groteske in de traditie van de Russische literatuur: de ‘gebochelde taxidermist / tulpenkweker / paardengokker / pedofiel.’ Mensen in een wasserette worden omschreven als mensen met ‘scheve neuzen, gebroken aders, nekwratten, bloemkooloren, aangezichtstumoren, etalagebenen en horrelvoeten’. De ik-figuur schrijft dat ze van ze houdt en hun mascotte was, lelijk zoals ze zichzelf omschrijft, met haar ‘abominabele kop’.
    Ze droomt over sprookjesachtige figuren, weggelopen uit de sprookjes die haar oma vroeger voorlas. Bijvoorbeeld van mensen met vleugels. Goed en kwaad, als duivels of als engelen? Of van bomen die orakeltaal uitslaan.

    Autofictie

    Het boek is duidelijk autofictie, want de ene keer heeft de ik-figuur geen wimpers en wenkbrauwen omdat deze bij een brandje dat ze had gesticht zijn weg geschroeid. De andere keer was ze op een dag zonder wenkbrauwen opgestaan en twee weken later waren ook de wimpers verdwenen als had ze de ziekte madarose. De ene keer kan de ik-figuur niet thuis maar wel op kamp goed slapen, maar wanneer ze ‘op zeeklas’ is (vijf dagen met de klas naar zee), kan ze juist de slaap weer níet vatten.

    Het boek wordt afgesloten met een Epiloog die eerder in Humo verscheen. Dit is een realistisch verhaal van Lecompte over het veelvuldige misbruik door een nachtverpleger dat haar als twintigjarige in de inrichting is overkomen en over de vraag waarom #MeToo geen aandacht heeft voor psychiatrische patiënten die dit overkomt. Niet dat ze hen een stem wil geven: ‘Ik kan alleen mijn unieke (niet zo unieke) grimmige banale sinistere verhaal vertellen.’
    Dat verhaal geeft de strijd van de ik-figuur weer en is deels gebaseerd op de strijd die de auteur heeft gehad om uit alle ellende te komen. Als schrijver debuteerde ze met een roman in het Engels (2004) en als dichteres kreeg ze in 2010 de C. Buddingh’-prijs. Dat vraagt niet om medelijden, maar om bewondering. In de verdrietige wetenschap dat ‘de aangename beschaafde hartelijke genereuze zorgeloze persoon’ is vermoord.

     

     

  • Net niet

    Net niet

    De Vlaamse dichteres Ruth Lasters (1979) werd bij het grote publiek, ook in Nederland, bekend door haar pamfletachtige, ritmische en retorisch sterke gedicht Losgeld. Ze schreef het, samen met enkele studenten van de Spectrumschool in Deurne, als stadsdichter van Antwerpen. Het werd echter (om formele redenen? om inhoudelijke redenen?) door het stadsbestuur geweigerd. Nu is het opgenomen in haar bundel Tijgerbrood, zodat we het nog eens kunnen nalezen of – als de lezer de commotie heeft gemist – er kennis mee kunnen maken. Inclusief een toelichting achterin (zie ook http://ruthlasters.com). Eigenlijk is die toelichting niet eens nodig. In de eerste plaats omdat we de discussie over hoog- en laagopgeleiden (of liever: praktisch en theoretisch geschoolden) ook in Nederland kennen. In de tweede plaats omdat het gedicht sterk genoeg is om op zichzelf te staan.

    Het gedicht maakt deel uit van de afdeling Omerta die – zoals meer van de zeven afdelingen – wordt voorafgegaan door een motto. In dit geval van Iris Murdoch, over taal: ‘Really a machine for making falsehoods’. Want als je écht de waarheid wilt spreken, dan zijn woorden ontoereikend. Óf je moet nieuwe woorden verzinnen, zoals ‘navendel’ voor de geur die lavendel achterlaat. Óf je moet gewoon je mond houden.
    Het is een thema dat we ook uit de debuutroman, Poolijs, van Lasters kennen, de eerste van de inmiddels vier romans die zij schreef. Daarin is het Yves, een van de hoofdpersonen, die veelvuldig over zijn adamsappel strijkt. Daarin is het het zwijgen van mensen dat letterlijk en figuurlijk rust geeft. Ze zwijgen omdat ze willen zwijgen of omdat ze om wat voor reden dan ook niet kunnen spreken.

    Kunstgedichten en kerngedachte

    Er is nog een ander thema uit Poolijs dat ook in Tijgerbrood terugkomt: kunst. Het woord ‘navendel’ komen we tegen in een gedicht over het schilderij Le déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet. Hierin spreekt de dichteres over ‘pre-picknick’. De titel van het schilderij is volgens haar een toonbeeld van ‘verbale vaagheid’. Het gaat ofwel om vóór ofwel ná de lunch op het gras.
    Eigenlijk is dit idee van voor of na een kerngedachte in Lasters’ gedichten. Het is altijd net iets voor of net iets na iets, al dan niet in combinatie met kunst en taal:

    ‘Vlak voor ik nies wordt alles even pointillistisch in mijn hoofd.
    Als het acuut gaat kriebelen in mijn sinussen, lijkt taal bereid
    om haar totale nederlaag toe te geven’

    schrijft ze in het gedicht Appelboom.

    Geluid, beeld en associaties

    Geluiden, of het ontbreken daarvan gaan ook in andere gedichten in mooi gekozen beelden samen: lachritmes van de lichtsignalen van vuurtorens, die een back-up hebben in misthoorntonen. Maar dat niet alleen. Lasters is ook de dichteres van associaties. Bij ‘appel’ denkt ze bijvoorbeeld aan de Bijbelse Eva en Wilhelm Tell, bij een kromme lepel uit de oorlog aan een

    ‘… gruwel die niet zonder breken terug te buigen valt
    niet omringd dient door bestek’

    Bij kaasprikkers denkt ze ook aan tandenstokers, bij de plastic holtes van een strip pillen (dé pil in dit geval) aan de kralen van een rozenkrans. Bij meel dat rijst voor een volkoren-, spelt- of het tijgerbrood uit de titel van de dichtbundel gaan haar gedachten naar een kind dat niet in de buik groeit van de ik-persoon uit het gedicht. Het is een grote stap, maar als je er een klein beetje moeite voor doet zijn deze en ook andere grote stappen meestal te volgen.

    Filosofisch

    Op deze manier zit er een filosofische laag in veel gedichten. Gedichten die in eerdere versies zijn verschenen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, De Revisor, Terras en Apache.
    In het gedicht Venter vraagt Lasters zich bijvoorbeeld af wanneer een bril nog voldoet aan het zelf. Met krassen? Zonder schroefjes, neussteuntjes of een poot (been, zegt Lasters antropomorf)? Het doet denken aan Jean-Paul Sartre, die stelde dat een mens ook zonder armen of benen nog steeds een mens is. Alleen een torso en een hoofd maken dat je altijd nog kunt reflecteren over dit gegeven en kiezen hoe je ermee om zult gaan. Een mens is niet zo bedoeld, maar het is zoals het is. Net zoals ‘ballenrapers, die weergaloze vangers van / het onbedoelde’ een mooi beeld is voor tennisballen die er niet voor bedoeld zijn om op de grond te vallen en opgeraapt te worden, maar om terug te worden geslagen richting tegenstander.

    In andere gedichten gaat het over ander onheil, zoals een scheepsramp, raketinslag of tsunami die ons niet troffen, net niet troffen, net zomin als een metastase en foltering vanwege huidskleur of geaardheid. Of neem een route die je ‘door een gruwelaanslag niet kreeg afgelegd’, zoals de jongeren op het Noorse eiland Utøya.
    En dan, als iets er bijna is, gaat de tijd niet vooruit maar terug, zoals 1945-1940. Dit doet denken aan een essay van de dichteres Maria de Groot: eerst Bevrijdingsdag vieren, dan herdenken.

    Filosoferen is verwonderd in het leven staan. Je erover verwonderen, zoals Lasters doet, dat je uit papieren bekers kunt drinken, terwijl die afkomstig zijn uit pulp van een boom die ook eens water dronk. Het is zoeken naar een geëngageerd verband tussen al dan niet antropomorf aangeduide dingen, tussen mensen en met de natuur. Naar

    ‘heelheid, naar iets
    uit één stuk ondeelbaar, een überverzoening
    van wonder en toeval.’

    De kracht van Lasters’ poëzie zit in haar woordgebruik met een neologisme als ‘navendel’, haar beeldend woordgebruik met beelden als lachtritmes voor de lichtsignalen van vuurtorens, in de associaties bij een enkel woord (appel, lepel) en in de extra, filosofische en geëngageerde lagen die er vaak mee gepaard gaan. Kortom: een mooie, derde bundel na Vouwplannen en Lichtmeters.

     

     

  • Op zoek naar een authentiek leven

    Op zoek naar een authentiek leven

    Het onlangs vertaalde boek van Skye Cleary, de Australische filosoof, schrijver en spreker die werkzaam is in New York, wil de lezer (primair) helpen met een zoektocht naar een authentiek leven, een leven waarin je jezelf bent en kunt zijn. ‘Jezelf scheppen (…) – het bewust kiezen van wie we willen zijn (…), zelfcreatie en zelfvernieuwing’ schrijft Cleary. Ze noemt het zelfs ‘transcendentie’: ‘Het uitstijgen boven de facticiteit’ (feiten van ons leven). Of zoals het in de lijst met Sleutelbegrippen achterin ingewikkeld wordt omschreven als ‘Het uitoefenen van onze vrijheid door te streven naar zelfgekozen doelen in een open toekomst’. In gewoon Nederlands: het boven jezelf uitstijgen.

    Cleary gebruikt naast transcendentie wel vaker qua originele betekenis omgebogen begrippen uit het vocabulaire van een andere filosoof om Simone de Beauvoir te verklaren. Zo is er naast transcendentie ook de veel voorkomende frase over het ‘in de wereld zijn geworpen’, het beroemde adagium van Martin Heidegger. Net als je denkt dat Cleary daar misschien eerder de sluier van onwetendheid van John Rawls mee bedoelt, het niet-weten welke rol je wordt toebedeeld, wijst ze je terecht en schrijft streng: ‘Mensen komen niet als een onbeschreven blad ter wereld.’

    De levensloop van een vrouw

    Na de wat warrige inleiding begint het eigenlijke boek waarin de schrijfster de loop van een (vrouwen)leven volgt. Van de jeugd tot de ouderdom en de dood. Het uitgangspunt is dat van De Beauvoir: Je wordt niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Een bekend statement dat onlangs door de socioloog Mark van Ostaijen werd omgebogen tot: Je wordt niet als man geboren, maar tot man gemaakt.

    Dat wil in beide gevallen zoveel zeggen als: vrouwen en mannen krijgen stereotypen en mystificaties over zich heen. Overigens niet alleen vanwege hun sekse, maar ook door verschillen in bijvoorbeeld leeftijd, klasse, etniciteit, ziekte of handicap, seksuele geaardheid en gender. Aspecten die De Beauvoir volgens Cleary overigens veronachtzaamde.

    De sleutel tot authenticiteit ligt volgens de Française in een houding tot de ander die constructief en uitdagend is. Cleary geeft verschillende voorbeelden van hoe dit kan lukken, of mislukken, uit enkele romans en toneelstukken van De Beauvoir: Uitgenodigd, De mandarijnen en De nutteloze monden en aan de hand van De Beauvoirs open relatie met Jean-Paul Sartre. Hij hielp haar om niet eenzaam te zijn, terwijl niet-authentieke vrienden alleen maar met zichzelf bezig zijn ten koste van de ander. Elizabeth Lacoin (‘Zaza’ Mabille in De Beauvoirs mémoires) was zo’n vriendin. Overigens zag De Beauvoir het huwelijk in het beste geval ook als vriendschap (in: De tweede sekse).

    Cleary vervolgt de levensloop van een vrouw en komt uit bij het moederschap. De Beauvoir zelf was geen moeder, maar moet dat ook om erover te kunnen schrijven? Deels misschien, lijkt Cleary te denken. Zij gaat namelijk uitgebreid in op ervaringen met haar eigen zoontje toen hij baby was. Ze concludeert dat ‘de eis om lief te hebben tot we helemaal leeggezogen zijn, in feite demonisch is, omdat het ons wegtrekt van ons authentieke wordingsproces’.

    Geslaagd hoofdstuk over ouderdom

    Een stap verder in de tijd betreft het ouder worden in de zin van verglijdende jaren. De Beauvoir schreef daarover het boek De ouderdom. Ouder worden was voor haar een angstbeeld. Cleary schrijft er invoelend en helder over. Ze wijst ook op de kritiek die er na verschijnen van het boek op kwam, onder meer door Martha Nussbaum in Aging Thoughtfully. Kritiek die Cleary weer pareert: Nussbaum heeft ‘geen oog voor haar [eigen, Evs] geprivilegieerde positie’. Een voor Cleary kenmerkend kritiekpunt, omdat ze – net als de onlangs benoemde Denker des Vaderlands Marjan Slob – denkt vanuit haar eigen gesitueerdheid. Hoewel dat wat ze inlevend zegt over de laatste levensfase van een vrouw, een mens die niet oud hoeft te zijn, overeenkomt met algemeen geldende ideeën. En met wat ervaringsdeskundige dr. Mirjam Willemsen (arts en ongeneeslijk ziek) zegt in de indrukwekkende documentaire Dying to live: Zoek een doel en zingeving in de laatste fase van je leven.

    Volgens Cleary kunnen ‘mensen op oudere leeftijd dichter bij hun authenticiteit’ komen ‘dan in welke andere levensfase ook’. Al kan de gedachte aan de dood voor sommigen angstaanjagend zijn. Zoals voor De Beauvoir zelf, hoewel ze manieren vond ‘om op een authentieke wijze om te gaan met de dood’. ‘We transcenderen onszelf in de richting van onze levensdoelen,’ schrijft Cleary, die reflecties op de dood in haar omgeving afwisselt met reflecties op romans van De Beauvoir waarin de dood een rol speelt. Dit samen maakt het hoofdstuk over de dood tot een van de meest indringende stukken uit het boek.

    Voorbeelden van authentiek leven

    In het laatste en derde deel van haar boek gaat Cleary dieper in op De Beauvoirs ideeën met betrekking tot levensvervullende projecten, waarbij we anderen om ons heen echter niet mogen vergeten. Opvallend is dat de atheïste De Beauvoir hierbij ook denkt aan Teresa van Avila, wier extatische houding ze ziet als een uiting van vrijheid. Haar band met God overstijgt (transcendeert) haar individuele werkelijkheid (facticiteit). Net zoals dat volgens De Beauvoir geldt voor Catharina van Siena. Ze ziet beiden zelfs als pré-existentialisten, die leven in harmonie, wat Claery definieert als ‘je vrijheid omarmen, verantwoordelijkheid nemen voor je leven, streven naar waarheid en echte verbindingen aangaan met de wereld en andere mensen’. Voor De Beauvoir was Sartre een voorbeeld van een in die zin gelukkig mens, hoewel Cleary opmerkt dat ze niet zag ‘dat het geluk van Sartre vaak ten koste ging van anderen’.

    Hoewel de ondertitel van het boek van Skye Cleary ‘Gids voor een authentiek leven’ luidt, is het méér dan een zelfhulpboek over hoe authentiek te leven. Het is vooral een gang door de loop van een vrouwenleven aan de hand van het denken van Simone de Beauvoir en eigen ervaringen van de auteur. Het beste is het boek te lezen zonder al te veel voorkennis van bepaalde filosofische begrippen (transcendentie, in de wereld geworpen zijn, sluier van onwetendheid) en al lezend de eigenzinnige invulling die Cleary eraan geeft tot je te nemen. Je houdt er uiteindelijk een verfrissende kijk op het denken van De Beauvoir en het begrip authenticiteit aan over.