Achter in de tuin, onder het dak van het open tuinschuurtje heeft een merel een nest gemaakt. Boven op het jute dat om de zeis gewikkeld is die aan een balk hangt, steekt een bruin vogelkopje boven de rand van een slordig in elkaar gestoken woonstee uit. Vader merel had ik eerder al opgemerkt, druk zoekend naar worm en slak op plekken waar ik de aarde had omgewerkt. Toen hij met volle snavel het tuinschuurtje invloog, sloop ik er achteraan, zag het vrouwtje broedend op het nest. Hij ging er als de wiedeweerga vandoor het vrouwtje stijf van schrik achterlatend. Met opengesperde snavel keek ze blind voor zich uit, alsof ze uitgetreden was. Snel stapte ik achterwaarts terug het tuinpad op. Ik dacht houd stil, blijf zitten, verroer je niet. Ik dacht ‘Freeze’, een gedicht uit de bundel Meestal tussen bomen, dat ik de laatste dagen herhaaldelijk gelezen heb.
‘Als ik diep in balans ben, zoals mij wel eens overkomt, waarom zou ik dan ooit nog willen bewegen?
Ik kan de lichtheid voelen van een boom of struik te zijn en als ik mijn denken loslaat weet ik meteen het meeste -’
Waarin ik het, ‘zoals mij wel eens overkomt’ meesterlijk vind. Net als, ‘als ik mijn denken loslaat het meeste weet’. Zeventwintig gedichten die ik gretig lees tot de bundel zomaar uit is. Dan opnieuw begin (het moet, er is magie in het spel) met het eerste gedicht, ‘De negende maand’
September en de atmosfeer is stil er valt nog nauwelijks een blad
zelfs op de kleinste schaal van zichtbaarheid houdt de natuur zich in, de minuscuulste
bloei treedt aan het licht, er is alleen verademing – ook in mijzelf
het is mijn geboortemaand, een cyclus komt ten einde en er wacht
een zoveelste begin, een nieuwe jaarring
De verzadigde atmosfeer van een septembermaand is voelbaar, dan het plotselinge, ‘ook in mijzelf’. De dichter is present, ze verjaart. Betoverend, ‘een zoveelste begin, een nieuwe jaarring’. Ik lees achter elkaar door, en weer opnieuw. Steeds bij dezelfde regels verschuift er iets in mij, grijpt iets mij aan (maar wat?). De dichter telt zijn dagen en zegeningen. Geen sprake van dramatiek, er is een nuchter weten dat de hemel ‘op een kier’ gezet, wordt ‘alvast’. Er is de, ‘Rust van een hoge sloot / van water dat op land ligt onder regen /glanzende plas met stille hemel / waarin een ruimte als voorbij de dood’. Lees nog eens, ‘van water dat op land ligt onder regen’. Elly de Waard was ooit popjournalist, melodieën spelen nog regelmatig door haar hoofd, ‘Ze staan daar altijd zachtjes aan’. Nu al meer dan veertig jaar dichter. Meestal tussen bomen is haar twintigste bundel. Ik lees nog eens ‘Oudejaarsavond op een benzinestation’, waarin tijdens een stormachtige nacht een ‘Romance- kort als een verwaaide oogopslag.’, wordt beschreven. Eindigend met, ‘Maar dit is een herinnering van lang geleden’. Daar is het dat er iets verschuift, alles dichterbij komt. Het is een magische bundel, waarin een terugkijken op een leven in de bossen rond huize Vogelwater. Een memoreren van de honden Vosje en Peerke, van een vossenmoeder. Van al dat groeide, voorbij ging, in leven en liefde.
Meestal tussen bomen / Elly de Waard / De Harmonie (2022)
In de Oogst van deze week twee poëziebundels, een debuutvertaling van een roman uit het Engels en een boek dat niet geschreven zou zijn als Donald Trump in 2016 niet tot president gekozen was.
Elly de Waard was jarenlang popjournalist voor de Volkskrant en Vrij Nederland, voor ze als dichteres naam maakte. Vanaf haar eerste bundel Afstand (1978) was ze spraakmakend omdat ze duidelijk stelling nam tegen de vijftigers die in die tijd nog bepaalden wat goede poëzie was. De liefde tussen vrouwen werd een van haar belangrijkste thema’s. Haar werk is daarom geliefd evenals om haar zorgzame omgang met taal. Het heterogeen is de negentiende dichtbundel van Elly de Waard.
Het werk van Elly de Waard wordt al veertig jaar trouw uitgegeven bij De Harmonie. Dat mag wel eens gezegd worden in een tijd van dolende schrijvers.
Auteur: Elly de Waard
Uitgeverij: De Harmonie
Identiteit
Francis Fukuyama is docent internationale economie aan de John Hopkins University en werd wereldwijd bekend met zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
Met zijn nieuwe boek Identiteit laat hij zijn licht schijnen op het electorale succes van populisten. Een succes dat verklaard wordt vanuit economische motieven, maar in feite voortkomt uit een behoefte aan identiteit. In Het einde van de geschiedenis schreef Fukuyama al dat mensen hechten aan erkenning van hun waardigheid. In Identiteit verklaart hij dit begrip vanuit het huidige tijdsgewricht.
‘Ik heb de laatste decennia veel nagedacht over de ontwikkeling
van moderne politieke instellingen: hoe de staat, de
rechtsorde en democratische verantwoording zijn ontstaan,
hoe ze zich ontwikkelden en op elkaar inwerkten, en ten
slotte, hoe ze in verval hebben kunnen raken,’ schijft Fukuyama in zijn voorwoord.
Auteur: Francis Fukuyama
Uitgeverij: Atlas Contact
Lief slecht ding
Dichter en essayist Frank Keizer (1987) is redacteur bij nY en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Zijn eerste bundel Onder normale omstandigheden werd genomineerd voor de Poëziedebuutprijs Aan Zee.
Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding is, zo de uitgever laat weten, ‘een zoektocht naar wat aantrekt en afstoot, naar wat beter maakt en wat zeer doet. Ikken en jijen (soms een jullie) verzamelen zich rondom vuren en keukentafels, liggen op beton of in een kapot bed. Ze begeven zich op een postmilitante weg naar iets wat toekomst heet. Ze wachten, bereiden zich voor. Ze praten over het wij dat nog moet worden aangeleerd of eerst afgeleerd.’ Want geluk zal collectief zijn, of niet.
‘Zijn poëzie is witty – geestig én intelligent – en bij vlagen messcherp en puntig’, oordeelde de Jury van de Poëziedebuutprijs Aan Zee over de poëtische kunsten van Frank Keijzer.
Auteur: Frank Keizer
Uitgeverij: Polis uitgevers
Veenland
De verhalenbundel Fen van Daisy Johnson (1990) werd vertaald als Veenland, door Callas Nijskens, die hiermee haar debuut als vertaalster maakte.
Daisy Johnson (Oxford, 1990) schrijft over vrouwen die de grenzen van hun kracht opzoeken. Het speelt in de moerasgebieden van Engeland en gaat over een tienermeisje dat zichzelf uithongert tot ze zo dun is als een paling. Over een huis dat verliefd raakt op een meisje en een jongen die uit de dood herrijst als een vos. Het moerasgebied is een plek waar dieren en mensen in elkaar overgaan, waar vreemde metamorfosen plaatsvinden en waar mythe en donkere magie zich ophouden.
Op de foto droeg ze een scheefgezakte kroon en keek ze met een opgetrokken wenkbrauw in de camera. Ik kende haar niet, en toen ik de foto zag, op het affiche van de Victoriefonds Cultuurprijs, waarvoor ik was genomineerd in de categorie Letteren, dacht ik dat ze een man was. Maar ze was geen man, ze was Elly de Waard. Op de middag van de prijsuitreiking werd ze geïnterviewd door Ronald Giphart, die eind jaren tachtig als jonge student Nederlands in de Grote Zaal van Vredenburg in Utrecht had gezeten toen zij met haar dichteressengroep De Nieuwe Wilden de strijd aanbond met de mannen van de Maximalen. Een poëtische strijd, was de bedoeling, maar toen aan het eind van de avond witte duiven in de zaal werden losgelaten om de avond in vrede af te sluiten, ging het mis. Enkele duiven vlogen zich dood tegen het plafond, een vrouw die hoorde bij de Maximalen schold Elly de Waard uit voor dierenbeul, de zus van Elly de Waard pakte daarop een microfoon om de scheldster met een versterkte klap op het hoofd te slaan en dat was het startsein voor een veel minder poëtisch gevecht. ‘Heel vervelend,’ zei Elly de Waard. ‘Die jongens hadden allemaal veel te veel gebruikt. Dus dat was eens maar nooit weer.’
Dat waren nog eens tijden, dacht ik, braaf klappend voor Elly de Waard, braaf mijn stukje voorlezend toen ik aan de beurt was om aandacht te krijgen, braaf de vragen van Ronald Giphart beantwoordend, braaf de bloemen in ontvangst nemend, braaf klappend voor de andere genomineerden, braaf de uiteindelijke winnaar feliciterend en braaf lachend en poserend voor de fotograaf van de Alkmaarsche Courant. Dat waren nog eens tijden, toen er nog echt gekke dingen werden gedaan. Toen er nog werd gevochten, de vrouwen tegen de mannen. Dat heb ik toch maar mooi gemist, al stond ik in die tijd al wel mijn vrouwtje als we jongens- en meisjespakkertje speelden op het schoolplein. En ik kreeg zin om te gaan vechten, of een duif los te laten, of een kroon op te zetten en scheef te laten zakken en mijn linker wenkbrauw op te trekken. Ik zon op een daad van verzet, al wist ik nog niet precies waartegen.
Maar ik verzette me niet. Ik dronk een biertje, praatte wat na en ging samen met mijn moeder iets eten in het mooie plaatsje Bergen. Thuisgekomen aaide ik de kat en bekeek foto’s die een huisgenoot gemaakt had van mensen in Portugal die door bosbranden hun huis hadden verloren. Daarna zat ik nog een tijdje te praten, buiten op het balkon, gewoon omdat het nog kon.
Ik zin op een daad van verzet.
Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.
Een symposium over de sixties – de jaren van seks, drugs en rock-’n-roll, de Beatgeneration, de dreiging van de bom – met popgrootheden als dichter/zangeres Patty Smith, gitarist en pophistoricus Lenny Kaye en Bob Dylan-biograaf Sean Wilentz. Alle drie beleefden zij als jongeren deze vernieuwende jaren, gaven er zelf vorm aan en schreven er later over. Patti Smith in het autobiografische Just Kids en Wilentz onder meer in de biografie van Bob Dylan waarin de sixties uitvoerig aan bod komen. Het Nexus-Instituut organiseerde het symposium ‘An Education in Counterculture’, dat plaatsvond op 26 mei in het DeLaMar Theater te Amsterdam.
Tijdens het symposium, waarbij Nexus oprichter Rob Riemen als gespreksleider optreedt, komt in fragmentarische stukken en aan de hand van beelden en muziek uit de jaren ’60 en ’70, een verhaal naar boven dat een kantelmoment betekende in de culturele geschiedenis van Amerika en Europa. Over wat het was en welke betekenis het nu nog heeft, of we er nog iets van kunnen leren van die Counterculture. Roerige jaren waarin popmuziek zich razendsnel ontwikkelde en voor de jeugd een tegenwicht bood tegen het burgerlijke bestaan van hun ouders. Er kwam een beweging op gang die de wereld zou veranderen.
Ontmoeting in New York
Maar eerst bezocht Rob Riemen eind vorig jaar Patti Smith in New York nadat hij haar geschreven had over haar boeken die hij gelezen had en om haar uit te nodigen aan het symposium deel te nemen. Kort daarop belde ze hem om een afspraak te maken: ‘Meet me in my café. I’ll be there writing.’ Wie het autobiografische M-Train van Smith heeft gelezen, weet van haar koffie- en schrijfrituelen. Hij ging naar New York en trof haar in het café waar ze aan een tafeltje bij het raam zat te schrijven aan een nieuwe poëziebundel. Een bundel die overigens na voltooiing door het Nexus Instituut in een tweetalige editie is uitgegeven en niet in Amerika.
Haar nieuwe werk, zo laat ze tijdens hun ontmoeting in New York weten, is een reactie op het besluit van Trump de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te laten verhuizen. ‘Van geen [enkel] land mag Jeruzalem de hoofdstad zijn, een politiek symbool. Jeruzalem als “stad van vrede” kan dat alleen zijn als het een stad van alle volkeren is’, is het oordeel van Patti Smith. De bundel The New Jerusalem zal tijdens het symposium gepresenteerd worden.
In de uitverkochte zaal van het DeLaMar Theater in Amsterdam zitten veel bewonderaars van Patti Smith die zelf de jeugd bezaten toen haar punkpoems in de jaren zeventig vanuit Amerika, Europa bereikten. Aan een grote ronde tafel waarover een rood kleed is gedrapeerd, wordt het gesprek gevoerd. Rechts op het toneel is een muziekhoek ingericht met een gitaar, microfoons op standaards en geluidsboxen. Dat stelt de fans vast gerust, dat Patti Smith en Lenny Kaye straks in ieder geval nog zullen optreden.
Behoefte aan een tegengeluid
We vallen gelijk midden in de American Dream. Een filmpje vertoont optimistische beelden van huisvrouwen met gewatergolfde kapsels, lipstick en gebloemde jurken tijdens het huishouden. Steevast twee kinderen, een jongen en een meisje en vader met een gulle lach en een golf in het glanzende haar. De American Dream: gelijke kansen en rechten voor iedereen – waarbij de belofte van een eigen huis, een tv, koelkast, wasmachine, droger, anderhalf of twee kinderen en een auto (of twee) voor iedere Amerikaanse staatsburger in het vooruitzicht wordt gesteld. Het ziet er allemaal rooskleurig en Happy family-achtig uit. Rob Riemen vraagt zich af wat daar op tegen kon zijn in de jaren van wederopbouw.
‘Het begint er al mee’, reageert Sean Wilentz, ‘dat er niet één zwarte burger in deze filmfragementen voorkomt.’ Waardoor Amerika het bestaan van een aanzienlijk grote bevolkingsgroep ontkende. Ook was het de tijd van de koude oorlog. Overal waren schuilkelders en werden er oefeningen gedaan om, als de bom zou vallen, er een veilig onderkomen te vinden. Niet veel later was er de oorlog in Vietnam. De term Counterculture (tegencultuur) ontstond in die jaren voor de maatschappelijke revolte en New York was de stad waar het zich allemaal voltrok. Terwijl jonge gezinnen zich in een zeker bestaan trachten te voorzien, was er onder de jeugd een sterke behoefte aan beweging.
Beatgeneration
De literaire stroming de Beatgeneration, in de jaren vijftig in het leven geroepen door de schrijvers Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William S. Burrough, vond zijn hoogtepunt in de jaren zestig. Bob Dylan maakte als protestzanger furore en Allen Ginsbergs Howl, dat begint met de wervelende openingszin: ‘Ik zag de knapste koppen van mijn generatie verwoest door waanzin, hongerend hysterisch en naakt, die zich voortsleepten door negerstraten bij zonsopkomst op zoek naar een woedende spuit’ was een waar cultding voor de jeugd geworden.
Sean Wilentz, wiens vader en oom eigenaar waren van de legendarische Book Shop in 8th street, groeide op tussen de beats. De boekenwinkel was het literaire middelpunt van New York in die jaren. De oprichters van de Beatgeneration waren frequente bezoekers van de Book Shop. ‘Je moet niet vergeten, zegt Wilentz, dat in die tijd een boekwinkel de ontmoetingsplaats was voor gelijk gestemde geesten. Ik groeide ermee op.’ Zo was hij in de gelegenheid om op zijn twaalfde Howl te kunnen lezen.
Waar Patti Smith vandaan kwam was geen boekwinkel of bibliotheek en had ze nog nooit gehoord van Allen Ginsberg of zijn gedicht Howl. Op die leeftijd las zij sprookjes en Peter Pan. Ze vertelt op anekdotische toon waar ze voor het eerst een uitgave van Howl zag. Het was in 1965 in Plains, New York waar Bob Dylan speelde. Ze had wat geld gespaard en nam de trein om zijn concert bij te wonen. Toen Dylan na het akoestisch gedeelte van het concert, zijn elektrische gitaar pakte begon iedereen boe te roepen. Het viel haar op dat iedereen een zwart/witte bundel bij zich droeg, als was het onderdeel van hun outfit. Terwijl ze Dylan uitjouwden, begonnen ze de boekjes naar het podium te gooien. Smith: ‘Ik dacht: wat is dat voor een boek dat iedereen het heeft. En wat een idioten dat ze ermee gooien.’ Pas toen Smith op twintig jarig leeftijd naar New York was verhuisd, kreeg ze de gelegenheid alle ‘goede boeken’ te lezen, zoals ze zelf zegt.
Invloed Bob Dylan
Al die dingen waar jongeren aan dachten, naar verlangden, maar niet gevisualiseerd kregen, leek Dylan in zijn songs en met zijn houding tot uitdrukking te brengen. Hij was een bondgenoot maar ook al zoveel verder dan zijn leeftijdgenoten klonk het rond de tafel. ‘Hij was iemand om je mee te identificeren’, zegt Patti Smith. ’Alles wat hij deed, was precies wat wilden zijn. Als er twintig verschillende zonnebrillen op de markt waren, was hij degene die het juiste model koos en dan wilden we allemaal die zonnebril.’ Wilentz zegt dat hij van Dylan heeft geleerd dat je niet stil moet blijven staan. Waar Kaye aan toevoegt, ‘Dat je een eigen stem moet hebben.’
Deceptie van de jeugd van toen
Na de politieke moorden op Malcolm X in 1965 en Robbert Kennedy in 1968 stortte de wereld voor hen die streden voor gelijkheid en wereldvrede, in. Patti Smith had zich net aangemeld als vrijwilliger om voor het campagneteam van Robert Kennedy te gaan werken. Een dag later werd hij neergeschoten. Het ontroert haar zichtbaar nog steeds als ze daarover spreekt: ‘Zijn dood was een van de treurigste dagen uit mijn leven en het einde van de hoop van de jeugd.’
Voor Sean Wilentz viel zo’n moment van deceptie toen Malcolm X in 1965 werd neergeschoten. Het gebeurde om de hoek van de Book Shop in 8th street. Ze hadden juist die dag de boekhandel verhuisd naar een pand aan de overkant van de straat. Er heerste een feestelijke stemming, toen kwam iemand vertellen dat Malcolm X was vermoord. Wilentz: ‘Een zwarte vriend van mij verliet direct het feest. Toen ik hem later weer zag had hij zijn naam veranderd en meed al zijn witte vrienden. Het ergste vond ik dat alle successen die er tussen zwart en wit waren geboekt, teniet werden gedaan door deze gewelddadige aanslag.’
Regels en principes
De jaren zestig generatie werd vooral verweten dat ze traditionele waarden omver wierp. Maar in de counterculture ging het niet om tradities maar om het afwijzen van een leven dat in regeltjes en principes werd vastgelegd door de overheid.
Patti Smith voegt daaraan toe dat de sleutel naar een betere toekomst daarin ligt dat je een goed mens moet zijn, leven in harmonie. ‘Wat we probeerden was ruimte te creëren voor de generatie na ons. Dat is wat er van ons verwacht mag worden. We moeten onze rivieren zuiveren voor de kinderen van de toekomst. De bijen beschermen, geen plastic meer. We deden het niet voor het geld of de roem, we deden het voor de toekomst.’
Een brug naar het hier en nu
Het is een indrukwekkend symposium, alleen al door de aanwezigheid van getuigen van gebeurtenissen uit een tijd die de aanwezigen in de zaal ooit alleen via het polygoon journaal hebben meegekregen. Later door documentaires en via de literatuur een notie hebben gekregen van hoe het er in Amerika aan toeging.
Toch werd de brug waarvan je verwachtte dat die – van de roerige jaren zestig naar het nu – gelegd zou worden, niet gemaakt. Zoals ook het bruggetje van Amerika naar Europa in de lucht bleef hangen met een enkele uitspraak als dat van Nixon naar Trump één lijn te trekken was. En dat de protesten onlangs van de Parklandscholieren na de schietpartij op hun school, tegen wapenbezit in Amerika, de nazaten van de Beatgeneration hoopvol stemde.
En dan bedenk je opeens dat een getuige van die tijd uit Europa het debat beslist meer verbindende grond had weten te geven. Denk aan voormalig popjournalist Elly de Waard bijvoorbeeld. Zij volgde de Beatgeneration en de Amerikaanse popmuziek op de voet en heeft en daar nog steeds iets over te zeggen, stelde ik mij zo voor.
Poëziebundel
Als tastbaar gegeven is daar wel de bundel The New Jerusalem door Patti Smith. Met thema’s die generaties en culturen met elkaar verbinden. Zeven proza gedichten met een religieus getint karakter en een sterke appellerende toon het leed in de wereld onder ogen te zien en actie te ondernemen. Zoals het eerste sonnet van: ‘Wat voor boodschapper daar vliegt’. Waarin Smith het angstbeeld schetst van een niet kunnen ontkomen aan een wereld van regels en voorwaarden.
‘Meisjes in paarse regenjassen sluipen door de schaduwen; ze hebben zich kundig gecamoufleerd en ontwijken de rode en blauwe stralen van een reusachtig volgsysteem. Spookachtig zijn ze en ze volgen de sporen die mogelijk leiden tot waar ze heimelijk kunnen overleven. Ze blijven onder de radar, zigzaggen door de zich versmeltende stralen en infiltreren in het verboden gebied waar zwaarbewaakte poorten toegang verschaffen tot de buitenste regio’s.’
Het openings (proza)gedicht ‘De strekking van de tijd’ is welhaast een metafoor voor de inhoud van het symposium: over hoe tijd voortsloft, over regelgevers en landontginners en waarin God gebruikt wordt als doel. Waarvan in het derde couplet de indruk gewekt wordt dat de nieuwe tijd hoe dan ook schuldig is:
‘(…) En de nieuwe tijd was hun werktuig: een wakend oog. Een fijnmazig magnetisch web daalde neer over het land; het verlamde de rede en scheidde het volk als kaf van het koren. (…) en het kaf, de vermeend onnutte blolsters? / Dat waren wij, kinderen, dat waren wij. / (…) En met lege handen gingen wij heen, in vier windrichtingen, zonder plan of idee.’
Dat doet dan toch weer denken aan de sixties, waar de jongeren zonder plan of idee hun weg gingen, maar wel kiezend welke richting ze op wilden.
Het symposium sloot af met het door Patti Smith voordragend/zingende en onverbeterlijke We got the power die de hele zaal in beweging brengt. En dan is daar opeens de overtuiging: ‘Ja, wij hebben de macht en de keuze om dingen te veranderen’, die voor heel even als een geloofwaardig gegeven in de lucht blijft hangen.
Foto’s symposium: Jan Reinier van der Vliet. Portretfoto: Gasper Tringale
The New Jerusalem / Patti Smith
Tweetalige editie
Inleiding / Rob Riemen
pag. 76
Nederlandse vertaling: Onno Kosters
Engelse vertaling: Liz Waters Uitgegeven door Nexus Instituut
In 1978 debuteerde Elly de Waard met haar bundel Afstand, waarin zij een eigen stem liet klinken dwars tegen het geluid van de Vijftigers in. Zij pleitte voor een meer lyrische poëzie, waarin op directe wijze uitdrukking werd gegeven aan emoties en gevoelens. Ook het ritme kreeg een prominente plaats toebedeeld, want De Waard stelt dat gedichten voorgedragen moeten kunnen worden: ‘Dichters die hun eigen werk niet kunnen voordragen […] hebben te weinig naar zichzelf geluisterd.’ Inmiddels heeft zij vijftien bundels op haar naam staan, waarvan In die tijd die, de jongste is.
De titel van de bundel doet aartsvaderlijk en bijbels aan, als het begin van het evangelie van Lucas: ‘En het geschiedde in die dagen […]’. In het derde gedicht, dat dezelfde titel draagt, wordt dat aangevuld: ‘In die tijd (die van alle tijden is)’. Ook uit de verdeling van de gedichten blijkt dat De Waard probeert alles te omvatten: ‘Tijd en ruimte’, ‘Materie, aarde’ en ‘Slaap, evenwicht’. De vierde afdeling is getiteld “Oorlogscyclus’ en staat los van de andere.
Vanuit het idee dat De Waard het gehele universum probeert te betrekken in deze bundel kan ook de keuze van de gedichten verklaard worden: er is geen onderscheid gemaakt, alles hoort bij elkaar. Hermetische gedichten zijn geplaatst naast de wat eenvoudigere, humor en ernst lopen door elkaar, evenals heden en verleden: Eeuwen geleden is niet verder weg / dan Afrika, Antarctica en dichterbij / dan Mars. […]
Er is een sterke ontwikkeling in de toon en het onderwerp van de gedichten merkbaar door de gehele bundel: in de eerste afdeling ‘Tijd, ruimte’ lijkt de dichter alleen te observeren en verslag te doen zonder verdere interpretaties, als een waarnemer op afstand:
Als wij aannemen dat het heelal een gesloten systeem is, bepaald door zijn oneindigheid, dan zal het, zoals alle gesloten systemen, onderhevig zijn aan de wet van het behoud van energie
De gehanteerde versvormen wisselen elkaar af, evenals ritmes, lengte van de gedichten en de woordkeuze. Die doet de ene keer archaïsch aan en in een ander gedicht juist zeer hedendaags is, waarbij zowel ‘hymne’ als ‘rap’ een plaats krijgen in datzelfde gedicht. Weer andere gedichten zijn ronduit flauw of onbegrijpelijk, zoals het openingsgedicht ‘De triniteit van pi’, dat eerder thuishoort in een wiskundig studieboek. Toch is er bij deze bundel geen sprake van een aantal willekeurig bij elkaar geraapte gedichten, maar doet het geheel aan als een collage waarvan de uitkomst meer is dan de som der delen. In het gedicht ‘Het belang van willekeur’ zegt De Waard dan ook: ‘Zelf deed ik weinig of veel, maar het toeval / was altijd mijn meester’. Er wordt aan het een niet meer belang gehecht dan aan het ander: wetenschap en natuur zijn, hoewel vaak tegenstrijdig, beide van invloed. Zo kan Alfred Einstein samen met Brian Ferry een plaats krijgen in het grote geheel.
In het tweede deel ‘Materie, aarde’ wordt de afstand die de dichter ten aanzien van de dingen bewaart, gaandeweg kleiner en laat ze haar betrokkenheid zien en de emoties die vooral de natuur bij haar kan losmaken: ‘Wat genoot ik ervan, de wilde orde / die er heerste op mijn gebied’. Hoewel gevoelens zich aandienen, is het belangrijk dat er nog orde heerst, al is dat ‘wilde orde’. Maar geleidelijk aan is verlies van controle onontkoombaar en verzet daartegen is nutteloos: accepteren en berusten is het enige dat we kunnen doen als de elementen, de natuur en de ouderdom alles gaan beheersen.
In het derde deel ‘Slaap, evenwicht’ wordt deze tendens voortgezet. De gedichten worden milder van strekking, liefdevoller en humoristisch. Ze spreken van rust en berusting. In de chaos van de tijd is er een evenwicht gezocht en gevonden, echter niet zonder het angstige besef dat het tij elk moment kan keren:
Wat is er in de lichtheid van mijn leven overdag dat het betaald moet worden met de zwaarte van de nacht?
Deze mooie cyclus van angst en aanvaarding had hiermee afgesloten kunnen zijn, ware het niet dat De Waard er een vierde deel aan toegevoegd heeft: Oorlogscyclus. Hiermee komt alles wat in de voorgaande delen gezien en overwonnen was, weer op losse schroeven te staan. Paniek en angst domineren – ‘angst is een roofdier dat onder je bed slaapt’ – en worden teweeg gebracht door de actualiteit van oorlog, vluchtelingen en de ramp met de MH17. Hier is het niet mogelijk om afstand te nemen: De Waard uit haar angst en haar woede zonder terughouding:
Ooit werd ik in een oorlog geboren Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed’
Ze waarschuwt voor een nieuwe oorlog in het laatste, prachtige gedicht ‘Als Cassandra’:
Wie is er geen Cassandra in een tijd waarin je zonder visionair te zijn kunt zien dat Troje zal gaan branden?
Het verontrustende laatste deel van de bundel vormt een angstwekkend contrast met de zojuist verworven milde zelfgenoegzaamheid uit de voorgaande delen en dat is ook merkbaar aan het taalgebruik dat De Waard hanteert. Strakke en korte ritmes doen deze gedichten opgejaagd klinken als de vluchtelingen over wie zij spreekt. Voor mooie woorden en elegante vergelijkingen is er geen plaats meer. Dwingend spreekt ze de lezer rechtstreeks aan: ‘Luister, het is de wind niet, blijf niet doof’.
Elly de Waard heeft met deze prachtige bundel de angstgevoelens van vele mensen vertolkt. ‘In die tijd die’ is een titel die elk voor zich kan aanvullen. Wat voor de hand ligt, is het besef dat die bedoelde tijd toch vooral de ónze is, met alle verschrikkingen en ellende die om ons heen waar te nemen zijn. In deze bundel laat De Waard de actualiteit van het heden en het leed van het verleden dooreen lopen. Tijd en ruimte laat ze versmelten tot één heelal, één alles omvattende kosmos, waarin alleen het kleine universum van het menselijk bewustzijn zich probeert te verzetten tegen de krachtstroom van de natuur en de loop van de planeten, de omwenteling van de jaren, de terugkeer van de seizoenen.
In 1986 verscheen van Elly de Waard (1940) de gedichtenreeks Een wildernis van verbindingen, van 82 gedichten. De bundel werd niet besproken en is al jaren niet meer verkrijgbaar. Hoe het digitale tijdperk, dat voor (in zijn tijd) niet opgemerkte poëzie van betekenis kan zijn mag blijken uit het feit dat van deze gedichtenreeks nu een digitale uitgave verschenen is. Ook is een film online te bekijken waarop de hele bundel wordt voorgelezen door de dichter zelf. Binnenkort worden er ook nog negen Engelse vertalingen van de meest cruciale gedichten bij geplaatst.
De Waard is een gerenommeerd dichter die, voor zij in 1978 debuteerde met haar bundel Afstand, gedurende vijftien jaar als poprecensent werkte voor de Volkskrant en Vrij Nederland. Die jaren moeten haar wel gevormd hebben in haar stijl en toon die later in haar poëzie doorklonk. De emoties en agressie die in de popmuziek zo gangbaar zijn komen in haar werk naar buiten als zeer gepassioneerde en lyrische uitingen. Van begin af aan nam zij duidelijk stelling tegen de heerschappij van de Vijftigers. Zij pleitte voor meer directe gevoelsuitingen in haar gedichten. Haar belangrijkste voorbeelden in de poëzie waren Emily Dickinson, Sylvia Plath, Vasalis en Ida Gerhardt. Op haar mooi verzorgde site is te lezen dat de Nederlandse poëzie moest ‘worden gevitaliseerd door er de agressiviteit en emotionaliteit van de popmuziek in te laten doorklinken’.
De gedichtenreeks Een wildernis van verbindingen werd op de flap aangekondigd als ‘het eerste epos van een vrouw over vrouwen’. Gedurende de jaren tachtig was Elly de Waard binnen de kringen van het Nederlandse feminisme zeer bekend. Maar ook daar vond Een Wildernis evenmin veel weerklank. Toch was er één persoon die het op waarde wist te schatten. De Vlaams/Nederlandse dichter Christine D’haen liet weten: ‘Elly de Waard heeft nu toch gedichten geschreven die nog nooit geschreven zijn, over vrouw en vrouw. Ik ken niets in de literatuur van hoge literaire waarde dat dat goed beschrijft vóór haar. Het verruimt het literaire veld.’
Elly de Waard vraagt zich af of het literaire veld nu, dertig jaar nadien, toe is aan verruiming. Er zijn nieuwe generaties vrouwen en mannen opgestaan die wellicht Een wildernis kunnen waarderen.
De andere reden dat De Waard deze queeste van 82 gedichten opnieuw onder de aandacht wil brengen is het in deze tijd sterk veranderende culturele klimaat. Vrijheden die de laatste halve eeuw met veel strijd zijn verworven staan plotseling onder druk. Van die vrijheden is in de bundel Een wildernis volgens de dichter optimaal gebruik gemaakt.
Vandaar dat dit ‘epos van een vrouw over vrouwen’ opnieuw onder de aandacht wordt gebracht en omdat de tijd er rijp voor is.
Astrid H. Roemer (1947 Paramaribo, Suriname) wint met haar indrukwekkende oeuvre als eerste schrijver van Caraïbische oorsprong de prestigieuze P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde 2016. In de media wordt er gesproken van een Grande finale in het jaar van haar comeback. De keuze van de jury voor Roemer kwam als een grote verrassing voor degenen die Arnon Grunberg en Jeroen Brouwers als favoriet op hun lijstje hadden staan.
Opmerkelijk is dat Roemer voor meer dan tien jaar uit het literaire zicht verdween en haar werk niet, of alleen tweedehands te verkrijgen is. Maar datzelfde werk, waarin thema’s als discriminatie, seksisme, homoseksualiteit en racisme centraal staan, getuigt dus van een onvoorstelbare zeggingskracht die zelfs de jaren van radiostilte overbrugd hebben.
Roemer debuteerde in 1970 onder het pseudoniem van Zamani met de dichtbundel Sasa; mijn actuele zijn. Behalve romans en poëzie, schreef Roemer ook voor toneel. Met de roman De gekte van een vrouw is de romantrilogie Gewaagd leven (1996), Lijken op Liefde (1997) en Was Getekend (1999) dat wel als haar meest ambitieuze schrijfproject wordt gezien, haar best gekende werk. De trilogie beslaat duizend pagina’s waarin het trauma van de dekolonisatie wordt behandeld en de pijnlijke alsook de constructieve aspecten van de Surinaams-Nederlandse verhoudingen belicht worden. Na haar laatste publicatie in 1999, is er niet veel meer van haar verschenen dan de dichtbundel Afnemend; 21 liefdesgedichten (2012) waarvan 125 exemplaren werden gedrukt, en de autobiografie Zolang ik leef ben ik niet dood (2004).
Ondanks deze publicaties bleef Roemer zelf buiten beeld, niemand wist waar zij zich ophield. Tot cineaste Cindy Kerseborn op zoek ging naar haar in Schotland. Een zoektocht die haar uiteindelijk naar een Gents klooster bracht waar Roemer een teruggetrokken bestaan leidt.
Literatuurcriticus Arjan Peters schreef onlangs nog een mooi stuk over Astrid Roemer die in mei van dit jaar haar comeback maakte tijdens een hommage aan haar, georganiseerd door Cindy Kerseborn. Peters was uitgenodigd haar te interviewen en greep de gelegenheid aan, zoals hij aangaf, om haar in ieder geval te kunnen bedanken voor haar laatste kleinood, de dichtbundel Afnemend. De film De wereld heeft gezicht verloren is 7 december in première gegaan in de filmzaal van de OBA waarbij overigens de schrijfster zelf verstek liet gaan.
De jury, die bestond uit Karin Amatmoekrim, Sander Bax, Toef Jaeger, Edzard Mik en Pauline Slot oordeelde dat ‘politiek engagement en literair experiment bij Roemer hand in hand gaan.’ En dat dat leidt tot ‘romans die tegelijk scherpe en relevante interventies in het publieke debat zijn. (…) Het is een geschiedenis die voor velen in Nederland nog tamelijk onbekend is, buiten de steekwoorden als slavernij en Decembermoorden, maar die onlosmakelijk met ons land verbonden is, en daarmee ook, middels het unieke oeuvre van Roemer, met onze literatuur.’ Aldus het juryrapport.
De prijs wordt uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum, op donderdag 19 mei 2015, twee dagen voor de sterfdag van de naamgever van de prijs, de dichter P.C. Hooft (1581-1647), Nederlands grootste renaissancedichter. Aan de prijs is een bedrag van zestigduizend euro verbonden.
Hier een mooi interview uit 1985 van Elly de Waard met Astrid Roemer vrij gegeven uit het archief van Vrij Nederland.
Lezen, een gebruiksaanwijzing is alleen al vanwege de prachtige illustraties van Brecht Evens de moeite waard. Maar vooral zal dit boek de nieuwsgierigheid bevredigen van menig literatuurliefhebber. Hoe gaan schrijvers te werk als ze hun personages scheppen? Hoe verhouden autobiografie en fictie zich in een roman? Dirk Leyman voert vijftig beroemde literaire personages uit de boeken van o.a. Gabriel García Márquez, Oscar Wilde, Jeroen Brouwers, Gerard Reve, Virginia Woolf en Georges Perec ten tonele en legt uit hoe ze gebaseerd zijn op echte mensen en historische figuren.
Auteur: Dirk Leyman
Uitgeverij: Polis
Het jasje van David Bowie
In het Groninger Museum is vanaf half december de tentoonstelling David Bowie is te zien. Volgens kenners een absolute ‘must’!
Goed getimed verschijnt bij uitgeverij De Harmonie Het jasje van David Bowie dat veel meer biedt dan alleen dat verhaal over dat jasje dat auteur Elly de Waard indertijd gestolen zou hebben. Of die diefstal nog steeds kwaad bloed zet? Misschien. Zeker is wel dat dit boek niet verkocht mag worden in het Groninger Museum. Het jasje van David Bowie geeft een overzicht van de popmuziek in de jaren zeventig en tachtig en de ontwikkeling van muzikanten tot supersterren. Al hun concerten, nieuwe albums en ideeën over muziek en politiek komen aan bod, maar ook zaken als Woodstock, groupies, films en rockopera’s.
Als popjournalist voor Vrij Nederland en de Volksrant sprak Elly de Waard ze allemaal, de supersterren van toen: David Bowie, The Rolling Stones, The Beatles, Roxy Music, Frank Zappa en The Velvet Underground en nog vele anderen.
Auteur: Elly de Waard
Uitgeverij: De Harmonie
Sterven in stijl
De Grieken en Romeinen hadden uiteenlopende opvattingen over de dood. Anton van Hooff illustreert dit door middel van grafbeelden, grafreliëfs, literaire en filosofische teksten en vooral door talrijke grafschriften. In Sterven in stijl laat hij zien hoe de mens in de oudheid omging met sterven, de dood en het geloof in wat daarna kwam. Daarmee biedt hij niet alleen een historisch interessant inzicht, maar ook een waardevolle aanvulling op de hedendaagse dialoog over de dood, euthanasie en zelfmoord.
Anton van Hooff Anton van Hooff (1943) was tot 2008 hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen. Hij schrijft voor diverse kranten en tijdschriften en geeft lezingen over onderwerpen uit de klassieke geschiedenis.
Auteur: Anton van Hooff
Uitgeverij: Ambo/Anthos
Cécile en Elsa, strijdbare freules
De jongste van de gezusters De Jong van Beek en Donk, Elsa (1868-1939) trouwde de Amsterdamse componist Alphons Diepenbrock. In zijn brieven en dagboekfragmenten las Elisabeth Leijnse over Elsa en raakte door haar gefascineerd. Elisabeth Leijnse noemt haar intelligent, gevoelig en gepassioneerd.
Haar zuster Cécile (1866-1944) was in haar tijd de bekendste feministe van Nederland, en schrijfster van de bestseller over Hilda van Suylenburg. Zij trouwde de rijke Haagse projectontwikkelaar Adriaan Goekoop maar werd later door hem aan de kant gezet.
Hoogleraar letterkunde Leijnse schreef een lijvige dubbelbiografie over deze fascinerende vrouwen.
‘Literatuur veroorzaakt kleerscheuren’, zei Herm Pol een paar weken geleden tijdens de bespreking van een boek van Amélie Nothomb bij De Avonden. Een korte, krachtige én poëtische beschrijving van wat literatuur zou moeten doen en het geeft heel precies aan wat een van de problemen is van De aarde, de aarde, de nieuwste dichtbundel van Elly de Waard: geen enkel gedicht veroorzaakt zelfs maar een miniem scheurtje. Er zijn in deze bundel wel mooie, tere gedichten te vinden, zoals ‘Ach en wee’:
‘Zo mooi theekleurig
batisten zakdoekje
bemodderd en versleten
op de grond –
de draden van het weefsel
nog zo fijn getekend, rafels
gaatjes zelfs, verloren
in verdriet of misschien
weggesmeten, heeft zich
als afgevallen blad
vermomd’
Gedichten waarbij je je kunt voorstellen dat De Waard ze opschreef, direct na een wandeling, zittend achter een raam in een van die hoge kamers van het prachtig gelegen Vogelwater. Gedichten die je verwacht in een bundel met de titel De aarde, de aarde.Dat geldt zelfs voor een gedicht als ‘Fantasma’ dat gaat over windwijngaarden in Donzières. Geen onderwerp waar je in eerste instantie aan zult denken als onderwerp van een gedicht, maar Elly de Waard toont aan dat in de aarde gewortelde energiefabrieken prachtige gedichten kunnen opleveren.
Dat lukt haar niet met de aandelenhandel op het Damrak. Het onderwerp is net zo onverwacht, maar waar ´Fantasma´ wel overtuigt, doet ´Meesters van het geld´ dat niet. Het gedicht over de (wind)handel in het aardse slijk is – net als het onderwerp – te platvloers, te voorspelbaar. De mislukking wordt extra benadrukt, omdat het direct na het fijne ‘Ach en wee’ in de bundel is opgenomen.
Waarmee het andere probleem van deze dichtbundel is genoemd: willekeur. Willekeur in onderwerpen, maar ook – zo lijkt het – in de volgorde van de gedichten. De titel suggereert een samenhang die er niet is in of tussen de gedichten, maar er wel was geweest als ‘De meesters van het geld’, ‘Over ons land’ en ‘Dodenherdenking’ niet in de bundel waren opgenomen. Die drie gedichten vallen uit de toon, niet alleen vanwege het onderwerp, maar ook vanwege de kwaliteit en het ‘tegeltjeseinde’ dat deze gedichten hebben. ‘Over ons land’ eindigt bijvoorbeeld met:
‘Massale droefheid verbroedert
dat is het enige goede eraan.’
Een gedicht dat al niet al te sterk is, wordt zo nog treuriger. Deze drie niet passende, en enkele andere gedichten die ook aan een obligaat einde lijden, doen afbreuk aan een verder prettige dichtbundel. Naast ‘Ach en wee’ zijn er in De aarde, de aarde nog een aantal mooie gedichten te vinden zoals ‘Vannacht’, dat het gemis van een al lang geleden verloren geliefde beschrijft en het prachtige ‘Aan Ingrid Jonker’ (een Zuid-Afrikaanse dichteres):
Aan Ingrid Jonker (1933-1965)
‘Een dichter was je net als ik, geen dichteres
en lange tijd was je hier onbekend.
De wetten van je vader teên die swartmens hielden ook jou apart – van ons met name.
Totdat je werk, dankzij Mandela, eindelijk openging.
Wij zijn familie, hebben voorvaders en strijdbaarheid
gemeen, wij spreken zustertalen. Over het wonder
van de jouwe ben ik nog steeds niet heen,
van afskeid, bitterbessie, en die kind, wat doodgeskiet is bij Nuanga deur soldate.
Dat kind dat nu op reis is langs de noordrand
van je continent, waar jonge mensen overal
hún vrijheid eisen. Terwijl jij voor de tweede keer
Europa doet, glansrijk gedragen door de Zwarte Vlinders, die je doen herrijzen.’
Tussen genoemde diepte- en bijna-hoogtepunten is in de bundel een klein pareltje verstopt: ‘Na het afscheid’. Een gedicht vol spetterende levenslust, direct na het treurige en zompige ‘In memoriam de iep’:
Na het afscheid
‘Groeien! schalt het tussen de stammen
Groeien! er is een gat gevallen!’
Je voelt het hele bos zich vol enthousiasme storten op het opengevallen iepengat en zo een treurig voorval omtoveren in een groen, glinsterend groeifeest. Als alle gedichten in De aarde, de aarde elkaar zo zouden hebben versterkt, zou de bundel dan wel een paar kleerscheurtjes hebben veroorzaakt? Vermoedelijk wel.
Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.
De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31eNacht was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.
In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.
Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’
Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.
Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.
Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.
Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.
Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.
In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.
‘Het ritme van Elly de Waard’,een prachtige documentaire over Elly de Waard, voormalig poprecensent, later dichter. Prachtmens met een zeer eigenzinnig ritme!
Vanavond zendt Het Uur van de Wolf (NTR) de documentaire Het Ritme van Elly de Waard uit. De 72-jarige De Waard toont zich in vele gedaantes: als dichter, voormalig popjournalist, feminist, beurshandelaar en als ‘huismeester’ van het voormalige rustoord Vogelwater te Castricum. Uitgesproken en ongenuanceerd spreekt Elly over haar levenswijze, haar carrière, haar bijverdiensten op de stock market en haar liefde voor poëzie: ‘… kleine gebeurtenissen slijpen in taal’.
Aan haar tijd als poprecensent denkt Elly met veel plezier terug. Veel van de spraakmakende stukken die ze in meer dan 15 jaar voor De Volkstrant en Vrij Nederland schreef, heeft ze bewaard. Openhartig deelt ze anekdotes over interviews met onder andere Dusty Springfield en Janis Joplin; zangeressen die volgens de schrijfster “op haar vielen”. Anekdotes die ze ook in haar gedichten verwerkt. Daan Cartens, conservator van het Letterkundig Museum, noemt Elly “geen dichter van slappe regels”.
Samen met fotografe Frederique Masselink-van Rijn publiceert Elly de Waard het boekVogelwater. In 1973 betrok Elly de Waard samen met dichter Chris van Geel Vogelwater in het duingebied bij Bergen. Een landhuis als een verouderd pension. De afgelegen locatie maakte het tot een ideale plek voor schrijvers en dichters.
In Vogelwater beschrijft Elly de Waard in gedichten, verhalen en anekdotes hoe zij het jachthuis transformeerde tot een bijzonder woonhuis, een toevluchtsoord en pleisterplaats voor haarzelf en andere dichters als Amy Clampitt en Joseph Brodsky.
Fotografe Frederique Masselink-Van Rijn legde het huis en de omgeving vast in schitterende foto’s.
De documentaire laat zien dat achter de extravagente verschijning van Elly de Waard een vrouw schuil gaat die haar grootste droom heeft bereikt. Als klein meisje was het haar “geheimste wens” om dichter te worden. Ze vertelt hoe haar huwelijk met de veel oudere, in 1974 overleden dichter Chris van Geel een eerste kennismaking met het vak was en haar motiveerde om zelf ook poëzie te gaan schrijven. Nu woont Elly, samen met haar vrouw Marijke Weijters en hond Peerke, op het landgoed Vogelwater waar ze ooit met Chris van Geel woonde. De documentaire is een persoonlijk portret van een compromisloze, gedreven persoonlijkheid die bereid is de consequenties van haar uitgesproken opvattingen en levenswijze op de koop toe te nemen.