• Weer de vogels horen zingen

    Weer de vogels horen zingen

    ‘De goede verhalen zijn net als het leven tragikomisch’, schrijft Helga Schubert (1940) in Altijd weer opstaan. Een Duitse geschiedenis. ‘Plotseling rukt het verhaal me uit het medelijden. De ironie in, uit de ironie de verachting in, uit de verachting het begrip in. En alles op het moment dat ik openstond voor een bepaalde invalshoek.’

    Dat steeds kantelende perspectief typeert het schrijven van Helga Schubert. In 2020, als tachtigjarige, won ze de Ingeborg Bachmann-prijs voor Altijd weer opstaan. Daarmee kregen haar verhalen eindelijk ook internationale bekendheid. Hoewel ze in interviews stellig heeft ontkend dat schrijven een therapeutische functie voor haar heeft, verraadt haar vermogen om alles vanuit meerdere gezichtspunten te beschouwen toch misschien wel haar achtergrond. Tot haar pensionering werkte ze naast het schrijverschap als psychotherapeut en klinisch psycholoog in Berlijn.

    Zelfs Berlijn als plaatsaanduiding heeft voor Schubert een dubbele lading. Ze werd geboren en leefde in een stad die ‘achtentwintig jaar, twee maanden en zevenentwintig dagen’ gedeeld was, zoals ze met een exactheid van een gevangene vermeldt. Van haar éénentwintigste tot haar negenenveertigste zat ze ‘ingemetseld’ in Oost-Berlijn. In de nacht toen de Muur viel, 9 november 1989, liep ze over de Brandenburger Tor naar het westen en bedacht zich dat het feitelijk West-Berlijn was dat ommuurd was – door de DDR.

    Blijven, ondanks alles

    Bijtend is haar beschrijving van het leven als schrijver in Oost-Duitsland. Zoals ook veel van haar collega-schrijvers mocht ze West-Duitsland bezoeken met toestemming. In 1987 kwam ze zelfs in de Verenigde Staten, omdat het als gunstig werd gezien voor de profilering van de DDR: ‘De DDR wilde om tactische redenen met zijn schrijfsters in het meest westerse land van het westerse buitenland een goede beurt maken.’ Haar boeken mochten in West-Duitsland uitgegeven worden, maar haar honoraria werden één op één omgerekend van West- naar Oost-Mark, wat zoveel wilde zeggen als dat er nagenoeg niets van over bleef.

    Tegelijkertijd werd ze in de gaten gehouden door de Stasi en jarenlang onder druk gezet om uitnodigingen uit het westen af te slaan onder de dreiging dat ze niet meer terug zou mogen komen. Ook haar Ingeborg Bachmann-prijs was in feite een tweede kans: ze was veertig jaar eerder, in 1980, al eens uitgenodigd, maar kreeg geen uitreisvergunning op het voorwendsel dat de prijs er was voor ‘Duitse literatuur’, die volgens de Oost-Duitse overheid niet bestond. Oost- en West-Duitse literatuur mochten niet binnen dezelfde categorie vallen.

    Dus ging ze niet, want terug naar huis wilde ze wel. In Oost-Berlijn had ze haar man, zoon en moeder. In een dorp boven de stad Schwerin had ze een tweede huis, waar ze later heen verhuisde met haar man, voormalig hoogleraar klinische psychologie en schilder Johannes Helm, die na een beroerte vooral rust nodig had. In Altijd weer opstaan beschrijft ze hun leven als hoogbejaarden en de dagelijkse zorg voor haar man, alledaagse taferelen die haar niet beletten het leven om zich heen net zo scherp en met evenveel zelfironie te beschouwen als altijd: ‘Dat is het goede, het zachte, het gelukbrengende aan de ouderdom: ik hoef niets meer.’

    Tweemaal bevrijding

    Haar moeder verging het anders. Deze werd honderd één in het volle bewustzijn dat ze nooit genoeg had. Ze was verslaafd aan spullen die ze bleef kopen ondanks dat ze al in de schulden zat. Dan moest de dochter haar geld lenen, vond ze, en ook in andere opzichten liet ze zich door iedereen bedienen. Schubert: ‘Ik heb een moeder die nog nooit haar eigen haar heeft gewassen.’ Ze was de zeventig al gepasseerd, toen een pastoor haar eindelijk zei dat ze zich niet verantwoordelijk voor haar moeder hoefde te voelen: ze had al genoeg gedaan – een raad die zij als psychotherapeut zelf beslist talloze keren aan anderen had gegeven. Ook zij, geschoolde therapeut, had iemand anders nodig om inzicht in zichzelf te krijgen en om zich eindelijk van haar liefdeloze moeder te bevrijden.

    Over dat schurende gebrek aan liefde kan ze pijnlijk vertellen, en dat doet ze, toch zonder de andere kant van de medaille uit het oog te verliezen. Ze vertelt over het leed van haar moeder die alleen voor een jonge dochter moest zorgen nadat haar man in de oorlog was gesneuveld. De relatie tussen moeder en dochter was genadeloos ingewikkeld. Volgens de kleine Helga was haar moeder de mooiste van alle moeders, maar van haar houden kon de moeder niet, omdat Helga zo leek op de moeder van haar vader, de schoonmoeder die haar moeder haatte.

    Toch is de politieke lading van Schuberts verhalen haar grootste sterkte. Daarin komt haar genuanceerde, steeds vragende houding het beste tot uiting – en zijn de verhalen op z’n bizarst. ‘Ik had me zo volledig van het DDR-heden afgekeerd dat ik zelfs niet meer naar de vogels in de tuin luisterde,’ schrijft ze. Ondanks dat ze zich fel verzette tegen de onvrije DDR-samenleving en actief deelnam aan de oppositiebeweging die binnen de evangelische kerk ontstond, kon ze tot op het laatst niet geloven in een werkelijke verandering. Toen de DDR-overheid in de vooravond van de val van de Muur aankondigde dat de weg naar het westen vrij was voor wie dat wilde, kon Schubert niet gelijk enthousiast werden. Het zou toch weer alleen met een toestemming zijn, dacht ze schamperend. Maar het was echt.

     

     

  • Alleen achterblijven met een bananenplant

    Alleen achterblijven met een bananenplant

    Wat maakt een huis tot een thuis? In Onroerend goed, het derde deel van haar autobiografische essaytrilogie, verkent Deborah Levy de betekenis van ergens wonen. Behalve een daadwerkelijk bestaande woonplaats, staat het huis als metafoor voor een zelfstandig, creatief leven als een vrouw van middelbare leeftijd. Maar wat gebeurt er als het gedroomde huis niet overeen wil komen met de werkelijkheid?  Van origine toneelschrijfster, Deborah Levy (1959), publiceerde drie bundels korte verhalen, een gedichtenbundel en acht romans. In 2014 verscheen Dingen die ik niet wil weten, het eerste deel van haar essaytrilogie, en in 2019 het tweede deel De prijs van het bestaan. Daarin vertelt Levy over haar schrijvend leven als een gescheiden moeder van twee jonge kinderen, wonend in een aftandse flat in Noord-Londen. Onroerend goed bouwt verder op de thematiek van de twee eerdere autobiografische essays. Levy, nu bijna zestig, wordt geconfronteerd met de volgende veranderingen in haar leven.

    De lange weg van vrouwen

    Haar jongere dochter gaat het huis uit en Levy blijft met een bananenplant alleen achter. Haar dromen heeft ze nog: een ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’ die ze vult met een oud huis met een granaatappelboomgaard en uitzicht op de zee en voorwerpen die dierbaar voor haar zijn. Als tussentijdse oplossing huurt ze een schuur waarin ze kan schrijven. Maar ook dat blijkt tijdelijk: de krasse eigenares in wier tuinschuur Levy schrijft verkoopt haar huis en Levy moet uitwijken naar een nieuwe schuur. Dat gaat niet zonder horten en stoten, want eerst moet ze haar bezittingen uitspitten. Die brengen oude herinneringen naar boven die haar bewust maken van de lange weg die vrouwen moeten afleggen om een zelfstandig bestaan te leiden en niet louter ‘voor het geluk van anderen’ leven. 

    Ze reist naar een literair festival in Mumbai, naar Parijs waar ze een fellowship heeft, naar Berlijn om een vriendin te ontmoeten en naar een villa in Griekenland. Onderweg laat ze zich gidsen door de werken van onder meer Virginia Woolf, Marguerite Duras, Georgia O’Keeffe en James Baldwin, net zo goed als door vrienden. Aan kritische vriendinnen heeft ze geen gebrek, maar het is de ultiem relaxte ‘beste mannelijke vriend’ die haar de nodige spiegel voorhoudt. Terwijl hij, net zoals zij, een bende van zijn leven maakt, ziet Levy aan hem wat zij niet is. ‘Hij en ik [zaten] aan elkaar vast, in voor- en tegenspoed, armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid.’

    Een parallel leven

    In een interview merkte Levy op dat haar boeken geen manifesten zijn, ondanks dat ze veel over de positie van vrouwen schrijft en vaak gezien wordt als een feministische schrijfster. Haar essays zijn herinneringen, memoires, gebaseerd op de persoonlijke situatie van een ik-verteller die op Levy lijkt maar niet met haar samenvalt. In Onroerend goed gaat het dan vooral om de omstandigheden waarin een ouder wordende vrouw leeft en droomt. Haar ingebeelde huis is een bescheiden utopie, een droom met ongeveer realistische afmetingen, een plek waar zich thuis en warm te voelen – een droom die er is om oude dingen in een nieuw licht te kunnen zien. Die droom heeft ze hard nodig:
    “Sterker nog,” zei ik, “ik draag dat huis al mijn hele leven met me mee.”
    “Dat moet loodzwaar zijn,” luidde Agnes’ reactie. “Waarom laat je het niet los?” Ik gebaarde met mijn sigaret naar haar voeten. “Nooit! Als ik dat huis niet had om naar uit te kijken zou ik instorten.”‘

    Parabel over een schrijvend leven

    Het gedroomde huis, ofwel het ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’, verleent onderdak voor al haar spullen. De revue passeren caractèreschoenen, zijden nachtponnen, houten speelgoedpaarden, elektrische fietsen – en die ene bananenplant, die volgens haar dochter ‘het derde kind’ is. ‘Ik was spullen voor een parallel leven aan het verzamelen, of een leven dat nog niet was geleefd, een leven dat nog gecreëerd moest worden. In zekere zin leken deze voorwerpen op de vroege versies van een roman.’ 

    Zo wordt Onroerend goed – naast al het andere – een boek over een boek, of een boek in een boek. Dat maakt deze afsluiting van Levy’s essaytrilogie tot een slim parabel over een schrijvend leven, waarin dromen kans maken om werkelijkheid te worden – als tekst. Maar Levy laat niet bij een literair-filosofische verkenning naar de reikwijdte van literatuur. Zij zet zichzelf met al haar grillen en onhebbelijkheden in het spel. Dat maakt Onroerend goed tot een uiterst benaderbaar én smeuïg verhaal, waarin je als lezer de stem van Levy hoort, in alle toonaarden. 

     

     

  • Madeleine of de herinnering als tegenwoordige tijd

    Madeleine of de herinnering als tegenwoordige tijd

    In En dan nog de liedjes van Helen Knopper is de tijd een caleidoscoop. Het gaat de verteller om de aanwezigheid van al het geleefde leven – van haarzelf en bij vlagen ook dat van haar ouders. Zij draait aan de caleidoscoop, de kralen zijn er in alle kleuren, en ze schikken zich keer op keer opnieuw. Caleidoscopisch is ook de relatie van Knoppers nieuwe roman tot haar andere boeken. In haar eerder werk beschreef zij steeds een episode uit het leven van een vrouw die misschien wel maar misschien ook niet op haarzelf leek, nu beslaat de vertelling haar hele leven tot en met het achtenzestigste jaar, de tegenwoordige tijd in deze roman. En toch, als ze zichzelf neerzet als de jonge Madeleine in de derde persoon, is dat geen terugkijken, maar schrijven over een blijvend heden. 

    De methode doet denken aan die van schrijvers als Annie Ernaux, die in De jaren, (Les années) het vroeger naar het heden brengt door middel van voorwerpen en beelden die niet zozeer de herinnering oproepen, maar de textuur van de herinnering ‘zijn’. Met haar rollator snelt ze aan Proust voorbij: haar Madeleine is niet de drager van een herinnering, zij is de herinnering.

    De dingen zien

    En passant haalt ze ook nog een associatie met Stendhal of een regel van Lorca aan, maar de meest opvallende draai maakt ze bij het aanschouwen van oude foto’s. Dan verruilt ze haar eigen laconiek-geestige vertellerstoon voor de stem van haar moeder of een ander familielid die de tijd van voor haar geboorte kent. Als in een intentionele stijlbreuk worden de zinnen stug en hoekig, het is een taal van horen zeggen die hoort bij de beelden in de doos die met gemak weer dicht kan. 

    In haar autobiografische film Les Plages d’Agnes zegt de bejaarde cineast Agnès Varda: ‘Ik herinner me terwijl ik leef’. Op eenzelfde manier meandert Knoppers verteller door wat ze heeft meegemaakt, zich bewust van haar ouderdom en de bijbehorende gebrekkigheden, maar zonder eraan toe te geven. Voor zichzelf is ze zoals ze zich herinnert. Haar lichaam mag haperen, maar aan haar geheugen mankeert niets. 

    Nu is zij een aspirant-kunstenaar in het wilde Amsterdam van de jaren zestig, daarna weer het meisje uit Bussum dat christelijke jongens verleidt, om vervolgens dertig, veertig, uiteindelijk vijftig jaar over te slaan om een langgerekt ommetje te maken naar haar eigen Nieuwmarktbuurt. Daar aangekomen levert ze commentaar op oude liefdes en vrienden die ze dacht uit het oog te hebben verloren en toch weer doorzakkend in de stamkroeg terugvindt. ‘De dingen zien zoals ze zijn. Daar gaat het geloof ik om,’ schrijft ze bij wijze van een terloops statement. 

    De andere comeback

    Er zit ironie in de koppige trots waarmee Knopper haar verteller zich laat verzetten tegen het idee dat haar tijd voorbij is, een ironie die zich tijdens haar carrière als schrijfster heeft bewezen. Ze debuteerde in 1965 en was de daaropvolgende decennia productief als schrijfster maar ook als vertaalster. Ze gold lange tijd als een vergeten schrijver, in die hoedanigheid werd ze in 2006 door Joris van Casteren geportretteerd in Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf

    Dat was een voorbarige conclusie, want tien jaar later had ze met Het loopt het ademt het leeft, weer volop de aandacht van critici en lezers. Een comeback, heette het. Niet veel later kreeg Knopper een hartstilstand en stierf bijna – bijna, want, zoals ze in En dan nog de liedjes beschrijft, ze knapte toch weer op. Dat is pas een echte comeback te noemen. 

    Met een innemende levenskracht schrijft ze verder in haar teder-sarcastische proza. Zonder een oordeel te vellen doorziet ze de onvolkomenheden van anderen even goed als die van haarzelf. En dan nog de liedjes geldt als een geestdriftig protest tegen iedereen die ouderen wegzet als passief en hulpeloos. Dat protest krijgt ruggensteun van haar leitmotiv: het geleefde leven als een voorlopig voortdurend heden. Aan de lezer de schone taak zich tot dat idee te verhouden.
    ‘Wat is waarheid?’ vraagt Knoppers verteller aan haar boezemvriendin Mandy. ‘We zitten er middenin,’ antwoordt Mandy, waarop zij zegt: ‘Om claustrofobisch van te worden.’

     

    Kijk hier voor: Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf / Joris van Casteren.