• Thema en variaties

    Thema en variaties

    Muziek is de rode draad in Hotel Goldberg, de tweede roman van Ewa Maria Wagner. ‘Goldberg’ in de titel verwijst naar de Goldbergvariaties van Bach, de compositie waarmee Wagners protagoniste, de Nederlands-Poolse pianiste Marie is opgegroeid. Als docente aan het conservatorium van Amsterdam brengt ze al sinds jaar en dag haar liefde voor Bach over aan de volgende generatie pianisten. En toch. Er wringt iets in het muzikale leven van Marie. ‘Muziek leek slechts door mijn leven te kabbelen, in plaats van echt te stromen,’ merkt zij op.

    Marie voelt zich steeds erger verstrikt in het web van verwachtingen van anderen. Haar vriendin doet beroep op haar hulp in het restaurant dat ze samen runnen, op het conservatorium verwacht een student dat ze meewerkt aan een project en haar bejaarde vader wil dat ze hem vergezelt naar Polen, waar Marie’s tante net is overleden. Onderkoeld en precies registreert Marie wat er om haar heen gaande is. Zelf blijft ze aanvankelijk een meewerkende toeschouwer, die lijkt niemand helemaal tevreden te kunnen stellen, en zichzelf allerminst.

    Een hotel in Silezië

    Pas in Polen wordt ze gesteld voor een keuze, waarvoor ze niet kan weglopen. Ze blijkt de enige erfgenaam van haar tante, haar moeders zus Christa, en daarmee wordt ze opeens de eigenaar van een hotel in Silezië. Marie is niet goed bekend met Silezië, een gebied dat honderden jaren tot Duitsland behoorde en na de Tweede Wereldoorlog Pools werd, en toch voelt ze dat ook dat een deel van haar herkomst is.

    Wagner weet waar ze het over heeft als ze de strijdigheid tussen Marie’s Duitse grootvader en Poolse grootmoeder beschrijft. Zelf groeide ze ook op in Silezië, in een gezin vol oorlogstrauma’s. Daarover schreef zij haar sterk autobiografische eerste roman, Het Tristan-akkoord. In de nieuwe roman verbreedt ze haar radius van de familiegeschiedenis naar de geschiedenis van de plaats, de stad Pless, die even goed staat voor de gespannen verhoudingen in elk door de oorlog verscheurd oord. Wagner voert de verschillende lagen van het verhaal aan als variaties op een thema, ook letterlijk: het boek bestaat uit 42 variaties of hoofdstukken, tien meer dan in Bachs Goldbergvariaties, die ongetwijfeld ten grondslag liggen van de structuur van de roman. Toch doet het verhaal niet gekunsteld aan, eerder gecomponeerd, zoals het een schrijvende musicus betaamt; van huis uit is Wagner altvioliste.

    Ook in tante Christa’s hotel werd Bach gespeeld, en van Christa heeft Marie als kind haar liefde voor muziek gekregen. Die innerlijke band met haar tante hoopt ze te hervinden in het hotel, maar ze stuit op iets heel anders: de nagelaten schriften van haar grootvader, waarin hij verslag doet van zijn leven aan het oorlogsfront. Met de schriften krijgt het hoofdthema van het boek én van Marie – kiezen voor jezelf of leven zoals anderen van je verwachten – een nieuwe variatie erbij.

    Verantwoordelijkheid

    ‘Pas op voor geheimen,’ waarschuwt Marie’s vader, voordat hij terugreist naar Nederland. Marie blijft achter met een hotel en alle intriges die gekoppeld zijn aan Christa en haar nalatenschap. Opa’s geschriften bieden Marie een uitvlucht uit die lastige situatie, en met elke pagina raakt ze meer gebiologeerd door een geschiedenis die ze niet kende. Tot ze het punt van schok en afschuw bereikt. Grootvader heeft namelijk vooral niet gekozen: hij werd een SS’er omdat hij Duitser was, en als SS’er heeft hij, zoals zovelen, gedaan wat hem opgedragen werd, niet uit overtuiging, maar uit plichtsbesef. In haar verantwoording legt Wagner uit dat ze het personage van de grootvader losjes gebaseerd heeft op een historische figuur: de oorlogsmisdadiger en SS’er Willi Kulla, die, net zoals Marie’s grootvader, afkomstig was uit Pless en tegen het einde van de oorlog gestationeerd was in Baarn.

    Naar Baarn voert uiteindelijk ook het spoor van Marie’s erfenis. Tegen beter weten in heeft zij niet opgepast voor geheimen. Nu moet ze de verantwoordelijkheid dragen voor wat ze weet en haar uiteindelijke keuze maken: Amsterdam of Pless. Het is jammer dat Wagner aan het einde de verhaallijnen zo sluitend aan elkaar knoopt. Alle vragen worden beantwoord, er blijft weinig ruimte over voor ambivalentie en twijfel. Mooi is dat Wagner de muziek niet uit het oog verliest, maar de Goldbergvariaties steeds op een andere manier laat terugkomen – ook dat is al een variatie op zich.

    In een interview met het radioprogramma Nooit meer slapen legt Wagner uit hoe het komt dat ze pas begon met Nederlands leren, toen ze al een geruime tijd in het land woonde. In de internationale wereld van musici – ze speelt in het Radio Filharmonisch Orkest – worden vele talen door elkaar gesproken, met de muziek als de gemeenschappelijke taal. Die ervaring laat Wagner ook in Hotel Goldberg terugkomen, als ze de woordloze relatie tussen Marie en haar pas ontdekte, meervoudig gehandicapte halfbroer beschrijft. Dat levert gelijk de meest aangrijpende en geloofwaardige passages van het boek op.

     

  • Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Zo vrij als een vrouw kan zijn

    Wereldbekend is Het Lam Gods, het vijftiende-eeuwse altaarstuk van twaalf panelen in het Sint-Bataafskathedraal in Gent. In de roman Margriete licht Kathleen Vereecken, ook zelf Gentenaar, de ontstaansgeschiedenis ervan toe. Tegelijk is de roman een fraai tijdsbeeld. Zoals ook in haar andere historische romans kiest Vereecken ook nu het perspectief van degenen die niet in het centrum van de macht liggen: vrouwen, in het bijzonder Margriete, de evenzo schilderende zus van de drie schilderbroers Van Eyck. Het maakt niet uit welke bron je opslaat, vrijwel altijd staat het altaarstuk op naam van Jan, de meest bekende van de broers. In werkelijkheid was het Hubrecht, de oudste broer, die de opdracht kreeg van de Gentse koopman Joos Vijt. Uiteindelijk werkten alle vier Van Eycks eraan, samen en apart. Haast en passant werpt Vereecken het interessante idee op dat Margriete misschien wel een beslissende rol had bij de keuze van sommige van de afgebeelde personages en bepaalde composities van de panelen. Haar levendige profielschets van een jonge vrouw, die alles gaf voor de kunst, maakt dat dit idee zelfs aannemelijk overkomt.

    Maagd

    Over Margriete is weinig bekend, alleen dat ze schilderde en als maagd is overleden. Ze leest Christine de Pizan en Hildegard van Bingen en deelt hun ideeën over het vrome leven en de beperkte mogelijkheden die vrouwen hebben. Maagd blijven betekende dat een vrouw beter in staat was haar talenten te ontwikkelen, en dus ook afzag van trouwen en voor een gezin zorgen. Als Margriete in het kielzog van de veel oudere Hubrecht naar Gent komt, maakt ze kennis met vrouwen die ieder voor zich hun eigen weg hebben gekozen. Zo is er Lysette, de vrouw van Joos Vijt, die een goedburgerlijk, maar beperkt leven lijdt. Er zijn de nonnen, met name de jonge Mayken, een voormalige prostituee, die in het klooster is gegaan om boete te doen voor haar zonden.

    Vereecken beschrijft Maykens verval in wat in moderne ogen godsdienstwaanzin lijkt: ze maakt het leven zich letterlijk onmogelijk door een extreme vorm van ascese. Uiteindelijk sterft ze als gevolg van de honger. Vanuit het middeleeuws perspectief is het een welkome dood, want dood betekende bevrijding van het aardse leven, dat gezien werd als een kwelling. Ook Margriete en de vrouwen om haar heen bidden uitvoerig. Margriete gelooft, maar ze strijdt ook om zelfstandigheid. Daarom slaat ze mannen die haar begeren af, ondanks dat ook zij hen begeert. Want: ‘De beslissing maagd te blijven kan haar bevrijden. Zo vrij mogen blijven als ze nu is, zo vrij als een vrouw maar vrij kan zijn. Vrij en gerespecteerd.’

    Kunst boven alles

    Vrij zijn betekent voor haar ook de vrijheid om te komen en gaan zoals ze zelf wil. Vereecken laat Margriete door Gent verdwalen. Ze wandelt zonder doel en het liefst zonder een chaperon, wat haar van alle kanten wordt afgeraden en bij wijlen onmogelijk gemaakt wordt.
    Zo leert ze in het Begijnhof de kruidengenezeres en vroedvrouw Catelijne kennen. Ondanks hun leeftijdsverschil begrijpen ze elkaar naadloos. Catelijne leeft als Begijn, als een vrome, zelfstandige vrouw, die haar werk als genezeres en vroedvrouw serieus neemt. Dat komt nog het dichtst bij Margrietes eigen ambities.

    Als vrouw schildert ze aanvankelijk miniaturen, maar als haar broers zich bekwamen in het schilderen van grote panelen, leert ze vanuit de zijlijn mee. In Gent is het de bedoeling dat ze in het scriptorium van het klooster gebedenboeken kopieert – de drukpers is immers lang nog niet gevonden – en met miniaturen verlucht. Na een tijdje begint ze te werken in Hubrechts atelier. Dat is niet niks, want Hubrecht staat bekend om zijn vakmanschap. Ook Margriete oogst aanzien als schilderes. Zo krijgt ze bezoek van Margaretha van Bourgondië die door haar een kostbaar manuscript wil laten illustreren. Tegelijk beginnen Hubrecht en andere schilders te werken aan Het Lam Gods, dat een groot en belangrijk werk is, waarvoor ze alle tijd nemen. Als Hubrecht ziek wordt, neemt Margriete de leiding over de schilderwerkplaats, een positie die nog nooit eerder bekleed is door een vrouw.

    Een scherp oog

    Veelzeggend is een scène, waarin Margriete samen met Jan en een andere schilder naar de schetsen voor de panelen staat te kijken. Haar valt het op dat er alleen maar mannen op zijn afgebeeld. De mannen menen dat het er niet toe doet, want het gaat om de symboliek, en mannen die meer in het openbare leven verkeren, zijn de dragers van symbolen als moed en rechtvaardigheid. Margriete is niet overtuigd, en ze werpt ertegenin dat mannen uiteindelijk misschien wel ijdeler zijn dan vrouwen. Haar broer lacht: ‘Wat is toch misgelopen in jouw opvoeding?’ Margriete: ‘Ik had broers om me heen die me als hun gelijke behandelden.’

    Het is alsof Vereecken met een penseel in de hand schrijft, zo nauwkeurig, treffend en origineel is de manier waarop ze beschrijft wat Margriete ziet als ze door Gent loopt, de bloemen en planten in Catelijnes tuin bestudeert of haar broers aan het werk observeert. Over de ogen van het ‘volmaakte lam’ dat Jan tekent, twijfelt Margriete. Volgens haar kloppen die niet. ‘Ze zegt het voorzichtig, beschroomd bijna. En niet eerder dan wanneer de knapen en schilders naar huis zijn,’ noteert Vereecken. Jan en Margriete bespreken de tekening, en uiteindelijk geeft Jan zijn zus gelijk. Iets van dezelfde ingehouden manier zit in Vereeckens schrijven. Ze dringt de lezer niets op, maar schrijft heel beknopt en precies het leven dat ze haar Margriete ziet leiden. Er zit geen woord teveel in, er mist niets.

     

  • Memoires van een avontuurlijke filmmaker

    Memoires van een avontuurlijke filmmaker

    Meer dan zeventig films heeft hij gemaakt, de filmreus Werner Herzog. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag verschenen zijn herinneringen onder de veelzeggende titel Ieder voor zich en god tegen allen. Het boek is het weergaloze relaas van een levenslustige avonturier voor wie zowel mentale als fysieke grenzen er zijn om ze te overwinnen.

    Van meet af aan is Herzog van wereldformaat. Vanaf zijn tienerjaren reist hij de wereld rond, aangetrokken door het onbekende, het onmogelijke en het gevaar. Bij wijze van een karakterschets citeert hij uit een interview met zijn eigen moeder: ‘Toen hij op school zat, leerde Werner nooit. Hij las nooit de boeken die hij moest lezen. Het leek wel alsof hij nooit wist wat hij moest weten. Maar in feite wist Werner altijd alles. (…) Hij weet, hij ziet, hij begrijpt, maar hij kan niets uitleggen.’ Verder in een zelfanalyse gaat hij niet. Hij heeft een grondige hekel aan psychologie en beschouwt de twintigste eeuw, de eeuw van Freud, als een mislukking.

    Over zijn films schrijft hij daarentegen graag, en over wat het vak van de filmmaker inhoudt heeft hij een duidelijk idee. ‘Het belangrijkste wat ik over film moest weten, leerde ik binnen een goede week uit dertig à veertig bladzijden van een encyclopedie over radio, televisie en film. Ook nu ben ik van mening dat je niet meer kennis nodig hebt,’ stelt de man die zijn eerste filmcamera jatte. Die gestolen camera is een van de talrijke mythes over zijn filmcarrière, en hij geeft grif toe dat ook hij zelf een aardige bijdrage daaraan heeft geleverd.

    Geen hersenspinsels

    Het mythologische interesseert hem in allerlei opzichten. Zo bekeerde hij zich als veertienjarige schooljongen in München tot het katholicisme. De dogma’s van de georganiseerde religie lieten hem koud, maar des te meer zag hij in de legendes en verhalen over heiligen en helden. Toch, waarschuwt hij, moet je het mythische niet verwarren met het abstracte: ‘Mijn films bevatten een aantal terugkerende motieven, die bijna altijd op directe ervaringen in de werkelijkheid teruggaan. Films zijn in de regel niet geschikt voor abstracte hersenspinsels.’

    Uit de werkelijkheid distilleert hij steeds onderwerpen die tot de verbeelding spreken. Denk maar aan zijn operaverfilmingen of films zoals Encounters at the End of the World, waarin hij visionairen en wetenschappers bij elkaar laat komen op de Antarctica. Of aan Cave of Forgotten Dreams, een documentaire over de pas in 1994 ontdekte grot van Chauvet, waar hij als de enige heeft mogen filmen. Waarom juist hij en niet een Franse filmmaker de toestemming kreeg, mag curieus lijken, maar Herzog geeft een plausibel uitleg: de toenmalige Franse minister van cultuur bleek een grote fan van zijn films.

    Zoeken naar problemen

    Het ongeluk volgt hem op de hielen zodra hij aan een project begint, schrijft Herzog haast trots. Doorgaans komt hij terecht in ingewikkelde, zo niet onmogelijke situaties. Om een voorbeeld te noemen: zijn eerste speelfilm Lebenszeichen filmde hij in de jaren zestig in Griekenland tijdens de staatsgreep, met in de hoofdrol een koorddanser die tijdens het filmen zijn been brak. Typerend zijn ook zijn boude uitspraken en grootse beloften, waarvan de bekendste waarschijnlijk zijn weddenschap met Errol Morris is: lukt het deze zijn film af te maken, dan eet Herzog zijn schoen op. Morris maakte de film en Herzog hield zijn belofte, en niet alleen dat: de bevriende filmmaker Les Blank maakte er een documentaire van, Werner Herzog Eats His Shoe.

    Aan anekdoten heeft Herzog geen gebrek. Het plezier spat van het papier af als hij de obstakels beschrijft die hij moest overwinnen bij het maken van een van zijn bekendste speelfilms, Fitzcarraldo. Alleen al de voorbereidingen duurden jaren, en toen hij met zijn crew eenmaal de Peruaanse jungle bereikte, kwamen ze terecht in een grensoorlog tussen Peru en Equador. Daarna waren er ziektes, vliegtuigrampen en vijandelijke aanvallen van inheemse bewoners die vreemdelingen niet gewend waren. In de pers werd gerept over de onherstelbare schade, die Herzog aan de geïsoleerd levende oorspronkelijke bewoners zou hebben berokkend. In het boek weerkaatst hij de kritiek met een sarcastische verwijzing naar de Ray Ban-zonnebrillen en Travolta-T-shirts die hij bij dezelfde Amazon-bewoners tegenkwam.

    En dan was er nog Klaus Kinski, de hoofdrolspeler in Fitzcarraldo en vier andere films van Herzog. Naar zijn zeggen was Kinski een onmogelijke persoon, die om het minste in een woeste razernij kon raken; een onbestuurbare maniak, maar tegelijkertijd ook een man met een magnetische kracht. Fitzcarraldo, het bizarre verhaal over de negentiende-eeuwse rubberbaron die een schip door de jungle liet slepen, paste zowel Kinski als Herzog als een handschoen. In feite delen alle door Herzog bewonderde en soms ook bevriende mannen – altijd mannen; de ‘vrouwen in zijn leven’, zoals hij zijn vier echtgenotes noemt, zitten in één ietwat obligaat aandoend hoofdstuk gepropt – met hem een voorkeur voor het ongetemde en avontuurlijke. Onder andere: Philippe Petit, koorddanser. Bruce Chatwin, schrijver en wereldreiziger. Ryszard Kapuściński, journalist en schrijver, die, zoals later bleek, het niet altijd even nauw nam met de feiten.

    Poëtische waarheid

    Ook Herzog denkt het zijne over een feitelijke weergave van de werkelijkheid. Feiten zijn nodig als achtergrond bij het maken van documentaires, maar een film die zich bij de feiten houdt, is armoedig, want: ‘Ik beschouw waarheid nooit als vaste ster in de horizon, maar altijd als een activiteit, een zoektocht, een poging van een benadering.’ In een interview heeft hij gezegd dat zijn documentaires altijd speelfilms in vermomming zijn. In het boek staat hij uitgebreid stil bij wat hij de ‘extatische waarheid’ noemt: ‘De waarheid moet niet met de feiten overeenstemmen.’

    Hij is beslist niet de eerste die van mening is dat alleen dichters een diepere laag van waarheid zichtbaar maken, en tussen de regels door wordt al snel duidelijk dat hij zichzelf in de eerste plaats tot die dichters rekent. In de biografische documentaire Werner Herzog: Radical Dreamer van Thomas von Steinaecker, die tegelijk met het boek uitkwam, zegt Herzog: ‘Mijn bestaan heeft een betekenis wanneer ik een verhaal vertel dat in ons allemaal leeft, maar nog niet eerder gearticuleerd is.’

    De combinatie van het poëtische en het avontuurlijke is ook eigen aan Ieder voor zich en God tegen allen: het boek eindigt midden in een zin, en wel met een reden die Herzog in het voorwoord uit de doeken doet. Zo’n rare ingreep in de gang van zaken, bekend uit zijn films, is het ‘Herzog-moment’ komen te heten. Als Herzog zulke momenten in zijn herinneringen inbouwt, is hij op zijn best ook als schrijver. De associatieve overgangen en abrupte breuken aan de chronologie van zijn levensloop geven het boek een toegevoegde dimensie, die de lezer wakker houdt. Dan vergeef je hem de andere hoofdstukken, waarin hij eerder lijkt op een verslaggever dan de strijdlustige filmmaker die ook op z’n tachtigste aan vier, vijf nieuwe filmprojecten werkt.

     

    Noot: De documentaire Werner Herzog: Radical Dreamer is te zien op het internationale documentairefestival IDFA in Amsterdam tot en met 18 november 2022.

     

  • Een universeel sprookje voor alle leeftijden

    Een universeel sprookje voor alle leeftijden


    Een droevige jongen wordt een koningszoon die het land van zijn vader bevrijdt van het juk van een boze tovenaar: klassieker dan Astrid Lindgrens Mio, mijn Mio kan een kinderboek haast niet worden. Het avontuur van de jonge Bo Vilhelm Olsson, alias Bosse, alias Mio, heeft in de afgelopen zeventig jaar miljoenen lezers gevonden. Het is een verhaal dat uitnodigt tot herlezen, zeker nu het ook in het Nederlands heruitgegeven is met de nieuwe illustraties van Johan Egerkrans.

    De Zweedse illustrator Egerkrans staat bekend om zijn draken, monsters en andere fantasiewerelden in zowel boeken als films en games. Die krachtige, kleurrijke tekeningen maken Mio, mijn Mio bijna tot een nieuw verhaal. Ook de Nederlandse vertaling van Saskia Ferwerda uit de jaren vijftig is, zoals ook in de vorige edities, weer aangepast naar het taalgebruik van deze tijd. Het verschil met de vorige uitgave mag er dan een van nuance zijn, maar is daarom niet minder belangrijk. In Astrid Lindgrens sprookjesachtige verteltrant komt het namelijk neer op het juiste ritme. Dat treft de nieuwe uitgave uitstekend.

    Een hervonden leven
    Behalve een spannend verhaal is Mio, mijn Mio natuurlijk wel een sprookje, en net als in sprookjes, gaat het over de grote menselijke thema’s als vriendschap, liefde, trouw en hoop.
    De weesjongen Bosse groeit op bij liefdeloze pleegouders in Stockholm. Hij vindt zijn leven een sleur zonder uitzicht. Dan komt hij in het bezit van een gouden appel en een brief, gericht aan de koning van het Land in de Verte. ‘Degene die je zo lang hebt gezocht, is op weg’, staat er in de brief. ‘Ik begreep er geen woord van,’ laat Lindgren Bosse vertellen. ‘Maar ik werd zo wonderlijk koud over mijn hele lichaam.’ Een paar wonderlijke gebeurtenissen verder blijkt Bosse de verloren zoon van de koning van het Land in de Verte: Mio.

    In het Land in de Verte ontdekt Mio veel fraais waarover hij in zijn leven als Bosse nooit had kunnen dromen. Hij krijgt een boezemvriend, Jum-Jum, die hem doet denken aan Benka, zijn enige vriend in Stockholm, die hij achter heeft moeten laten. Ondanks dat zijn leven als Mio veel meer voorstelt dan zijn eerdere leven, blijft hij het gemis om Benka met zich meedragen. Dat er in het leven altijd ook iets verloren gaat, is een kernelement in Astrid Lindgrens verhalen. Het geeft ook Mio, mijn Mio een ondertoon die tegelijk zowel weemoedig als diepmenselijk is. Dat maakt het boek, net zoals Lindgrens andere twee fantasyklassiekers Ronja de roverstochter en De gebroeders Leeuwenhart, tot een verhaal voor alle leeftijden.

    De achterkant van het geluk
    Mio’s leven in zijn vaders rijk is mooi, maar niet zonder schaduwen. Al gauw komt hij te weten van de kwade ridder Kato, die kinderen tot vogels betovert en de hele natuur laat sterven. Op zijn witte paard Miramis rijdt Mio, vergezeld door Jum-Jum, naar het Dode Woud, waar ridder Kato zijn kasteel heeft staan. De reis is niet zonder gevaren, maar keer op keer ontsnappen de jongens aan het onheil. Hoe dichter ze bij Kato komen, hoe sprookjesachtiger de vertelling wordt.

    ‘Maar toen gebeurde iets wonderlijks’, staat er bij elke nipte redding. Golven aan een stormende zee gaan liggen, bomen blijken beschermende holtes te hebben, de aarde en rotswanden barsten open. En dan? De laatste redding komt uit een onverwachte hoek. Die toont de kracht van samenwerking, waardoor ook degenen zonder macht en middelen veel kunnen bereiken.

    Bewegende beelden
    Johan Egerkrans is een illustrator die de spanning op de spits weet te drijven. Zijn Dode Woud is doder dan je uit de woorden van het verhaal zou kunnen opmaken, en zo is de ridder Kato van zijn hand verschrikkelijker dan ooit tevoren. Maar zo maakt hij ook de liefde en de vriendschap tussen Mio, Jum-Jum, Miramis en vader koning goed voelbaar in de beelden. Van Mio, mijn Mio is in de jaren tachtig een speelfilm gemaakt. Het zou mooi zijn Egerkrans’ illustraties in beweging te zien. Het idee is misschien niet helemaal uit de lucht gegrepen, want zijn stijl doet meteen denken aan de tekenfilms van Michel Ocelot, in Nederland vooral bekend om Kirikou en Azur & Azmar.

    Astrid Lindgren heeft verteld dat zij het idee voor Mio, mijn Mio kreeg tijdens een wandeling in hetzelfde park in Stockholm, waarin Bosse in het begin van het verhaal zich verwondert over de gouden appel en de brief. Op een avond zag ze er een eenzame jongen op een bank zitten. Ze dacht dat de jongen misschien in een van de huizen achter het park woonde. Ze stelde zich voor hoe zijn leven eruit zou zien en wat mogelijk daarna zou kunnen gebeuren. Zo beginnen verhalen.


    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er de komende tijd ook recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten en stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@jong.literairnederland.nl

  • Een andere Romeinse vertelling

    Een andere Romeinse vertelling

    Vilein, vuil en vunzig is het Rome dat Han van der Vegt in Een fellere zon schildert. Het is de stad van Julius Caesar, Cato, Cicero en andere bekenden uit het antieke Rome, en het jaar is 694 voor de stichting van Rome, ofwel 59 voor Christus. Terwijl het raamwerk historisch klopt, gaat Van der Vegt zijn eigen gang met de invulling ervan. Dat levert een smeuïg, spannend en op sommige plekken duizelingwekkend verhaal op. Daarin valt meer dan genoeg te herkennen van onze eigen tijd en samenleving, en van een mogelijke, minder plezierige toekomst.

    Implantaten en illusies

    Het verhaal opent met Caesars terugkeer naar Rome. Hij heeft roem en macht vergaard op zijn veldtochten en is nu van plan het hoogste ambt te veroveren: dat van consul. Hij is even gevreesd als bewonderd, een playboy en een neoliberale strateeg in één. Hij laat geen kans onbenut om gebruik te maken van anderen die minder gehaaid zijn in het manoeuvreren door het conglomeraat dat Rome is geworden. Geld telt, en de machtigste politici zijn magnaten, die hun bedrijf en liefst ook dat van anderen willen inzetten voor het bestendigen van hun eigen positie.

    In dit curieuze Rome dat bij vlagen beelden oproept van Pasolini’s films, worden gezaghebbers vergezeld door een leger van robots – het aantal persoonlijke ‘lictobots’ is afhankelijk van het gewicht van het ambt. Als dat al enig omdenken van de kant van de lezer vraagt, wordt het plaatje nog ingewikkelder met de door Caesar ingevoerde implantaten, inwendige apparaten waarmee mensen elkaars gedachten kunnen lezen. Plastisch beschrijft Van der Vegt hoe de twijfelaar Cato zijn implantaat uit zijn rechteroog rukt en daarbij haast doodgaat: hij wil niet meer overgeleverd zijn aan de gedachten, dromen en illusies van anderen.

    Caesars minnares Servilia – een van de protagonisten in de roman – daarentegen omhelst de wereld van de implantaten om dichterbij haar geliefde te komen. Voor dat doel neemt ze de leiding over van het netwerk van gangen waarin mensen met behulp van de implantaten hun illusies en dromen kunnen uitleven, een parallelle werkelijkheid die Van der Vegt vast niet toevallig de Metacombe heeft genoemd. Servilia doet de Metacombe herleven en zorgt daarbij en passant voor de emancipatie van vrouwelijke werknemers, die tot dan toe slechts een ondergeschikte positie hadden.

    Een dystopie

    Van der Vegt, die eerder kinderboeken en gedichtenbundels publiceerde, schuwt gelaagd schrijven niet. Als een hervertelling van de antieke geschiedenis toont de roman verwantschap met het werk van schrijvers als Pat Barker en Madeline Miller, maar waarbij zij zich vooral richten op het schudden van het genderperspectief, pakt Van der Vegt er ook nog dystopische elementen bij. Daarin doet Een fellere zon denken aan Dave Eggers’ dystopische romans De cirkel en, vooral, Het alles, waarin sociale media in elke sfeer van het leven doorgedrongen zijn. Doordat hij het verleden met elementen uit het heden en de toekomst combineert, volgt Van der Vegt eenzelfde soort procedé als bijvoorbeeld Hanya Yanagihara in haar recente roman Naar het paradijs, waarin tijdperken en toekomstbeelden over elkaar heen buitelen. Wat Een fellere zon weer anders maakt, is de gecomprimeerde tijd en plaats van handeling: één jaar in Rome.

    In dat jaar gebeurt veel meer dan alleen Caesars machtsovername. Aan het woord komen behalve de scherpzinnige maar liefdeszieke Servilia, de oude magnaat Pompeius, de rasopportunist Claudius en Bibulus, een volmaakt ambtenaar die werkelijk hoopt dat het zin heeft dat hij doet –  een illusie, waarvoor hij duur betaalt. Geestig is de passage waarin Claudia een treffende karakterschets geeft van Catullus, een vriend van haar broer: ‘Verlegenheid en schaamteloze verdorvenheid, het is een spannende combinatie maar een wankel evenwicht.’ Dat wankele evenwicht geldt voor de meeste karakters in het boek.

    Minder goed getroffen dan de dwaalgangen van de Metacombe is de manier waarop Van der Vegt de strijd om de richting die de Senaat moet nemen neerzet als een identiteitskwestie. Dat hij het gevecht tussen de elite en het volk de predicaten ‘wit’ en ‘zwart’ meegeeft, doet onnodig plat aan. Toch biedt die tegenstelling de schrijver een gelegen kans om Claudius’ opportunisme nog erger te maken en om een gooi naar het woke-fenomeen in onze tijd te doen. Na ettelijke tegenslagen probeert Claudius een nieuwe kans te maken in de politiek door zich een zwarte identiteit aan te meten. Zoals het in dit Rome toegaat, hoeft hij daarvoor zich alleen te laten adopteren door een zwarte man.

    Nog dichter bij de actualiteit komt de roman in Caesars pleidooi voor openheid van verhandelingen in de Senaat. Het volk, vindt Caesar, moet weten hoe beslissingen tot stand komen in het politieke orgaan waarvan hun welzijn afhankelijk is. De weerstand tegen het idee onder de senatoren laat zich raden. ‘Rome,’ merkt Caesar in de hitte van de richtingenstrijd op, ‘bestaat niet. Rome is een idee dat je kan helpen of hinderen.’ Die uitspraak is een nuttige aanwijzing voor de lezer, die het beste elke voorkennis over het antieke Rome kan vergeten om zich te kunnen overleveren aan de boven- en ondergrondse intriges van het verhaal.

  • Hoop op vertaling: Fifty Sounds, Crying in H Mart en The Undercurrents

    Fifty Sounds

    Welke boeken verdienen een vertaling? Ik ben enthousiast over een essayistisch sub-genre, dat vooral in de Engelstalige literaire wereld aan populariteit wint: een boeklang essay verpakt als memoires van de schrijver, met een specifiek onderwerp als kruiwagen voor de vertelling. Dat is een mondvol dat hopelijk duidelijker wordt met de volgende drie voorbeelden. Alle drie zijn het boeken die een Nederlandse vertaling zouden verdienen.

    In Fifty Sounds (Fitzcarraldo, 2021) vertelt Polly Barton haar wordingsgeschiedenis als vertaalster Japans aan de hand van vijftig onomatopoëtische Japanse uitdrukkingen. De beschrijving van haar worsteling met het Japans is even geestig als ontwapenend. ‘Een zintuigelijk bombardement’ noemt ze haar eerste ervaringen met de taal, waarvoor ze al gauw een obsessie ontwikkelt. Ze is nog jong en onbekend met de Japanse cultuur als ze naar het land wordt gestuurd om daar Engelse les te geven. Door kleinere en grotere blamages krijgt ze door hoe vaak ze ernaast zit, niet alleen met haar beginselen van het Japans maar ook met haar gedrag. Als ze inziet hoe zeer de taal verbonden is met de onmogelijk ingewikkelde culturele codes van het land, bijt ze zich twee keer zo hard erin vast. Dat verleent Fifty Sounds een universele strekking als een verhaal over wat het is te leren leven in een cultuur die ver af staat van wat je gewend bent.

    Fifty Sounds
    Auteur: Polly Barton
    Uitgeverij: Fitzcarraldo, 2021

    Crying in H Mart 

    De tweede essay-memoires die ik graag in een Nederlandse vertaling zou willen zien, zijn Crying in H Mart (Alfred A. Knopf, 2021) van Michelle Zauner, beter bekend als de voorvrouw van de Amerikaanse indiepopband Japanese Breakfast, die op 26 oktober 2022 in Paradiso in Amsterdam optreedt. Vooral pakkend is het eerste deel van het boek dat oorspronkelijk als een zelfstandig essay verscheen in The New Yorker. Daarin beschrijft Zauner hoe Koreaanse Amerikanen hun heimwee weg eten in de Aziatische supermarkt. Misschien zijn ze Koreanen van de tweede generatie, net zoals Zauner, die een Koreaanse moeder heeft. Hun smachten naar Koreaanse gerechten vertelt over een onverzadigbaar verlangen naar een thuis, een verlangen dat Zauner met ze deelt als ze voet probeert te vatten in New York. Zomers reist ze naar familie in Seoul, waar ze een thuisgevoel krijgt als ze de thuisgemaakte kimchi van haar tante proeft. Kimchi, gefermenteerde groente en onmisbaar in de Koreaanse keuken, staat symbool voor Zauners relatie tot haar Koreaanse familie zoals de onomatopoëtische klanken synoniem zijn voor Bartons verhouding tot het Japans  – soms plezierig, vaak ingewikkeld en altijd kostelijk.

    Crying in H Mart 
    Auteur: Michelle Zauner
    Uitgeverij: Alfred A. Knopf, (2021)

    The Undercurrents

    In vorm meest traditioneel essayistisch is het derde boek, The Undercurrents van Kirsty Bell (Fitzcarraldo, 2022). Bell opent haar verkenning van het heden en het verleden van Berlijn met een kleine, maar hardnekkige huishoudelijke ramp: een lekkend dak. Dat lek groeit gaandeweg tot eenzelfde soort afmetingen als Zauners kimchi en Bartons onomatopoetica: het onthult voor Bell andere, grotere rampen in haar persoonlijke leven even goed als in de de geschiedenis van Berlijn, haar gekozen woonplaats. Op dat moment woont ze er al een geruime tijd en meent ze een stabiel gezinsleven te leiden. Toch ontstaan er barsten – of lektranen – en valt haar huwelijk uiteen. Als een gescheiden moeder met twee jonge kinderen komt ze voor een werkelijkheid te staan die haar ogen opent, ook voor de stad zoals die geworden is. Vanuit haar raam kijkend gaat ze op zoek naar de zichtbare en onzichtbare sporen die het verleden in Berlijn en daarmee ook in haar appartementsgebouw heeft achtergelaten. Lek of geen lek, die kennis verandert haar verhouding tot het huis – en tot haarzelf.


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    The Undercurrents
    Auteur: Kirsty Bell
    Uitgeverij: Fitzcarraldo, (2022)
  • In het land van vrouwen

    In het land van vrouwen

    ‘Ze waren akelig redelijk, die vrouwen’, zucht verteller Van in Charlotte Perkins Gilmans feministische klassieker Moederland. Oorspronkelijk gepubliceerd in 1915, leest de roman als een aanklacht tegen de Amerikaanse samenleving van die tijd. Maar het verhaal over de wederwaardigheden van drie mannen in een land bewoond door uitsluitend vrouwen heeft ook iets te zeggen over de tijd waarin we nu leven.

    Gilman (1860–1935), een vooraanstaande feminist uit haar tijd, maakt gebruik van een beproefde satirische methode. Met de mond van de nog jonge avonturier Van beschrijft ze een vredige, egalitaire vrouwelijke samenleving, die ze presenteert als diametraal tegengesteld tot de maatschappij waar de drie mannen van afkomstig zijn. In die omgekeerde wereld zijn de drie miljoen vrouwen van Moederland in staat zich zelfstandig voort te planten zonder inmenging van mannen. Hoe dat in de loop van tweeduizend jaar zich zo heeft ontwikkeld, laat Gilmore haar verteller opschrijven in een uitvoerig verslag dat niet mis zou staan in een antropologisch onderzoeksverslag.

    Geen concurrentie
    Van en zijn kompanen Terry en Jeff worden in het land van vrouwen keer op keer van hun sokken geblazen. De vrouwen die ze er tegenkomen zijn sterk, slim en vrij in hun bewegingen. Ze dragen soepele, lekker zittende kleding – niet onbelangrijk in de context van de Victoriaanse kledingvoorschriften van de vroege twintigste eeuw. Begrippen als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ kennen ze niet en het komt niet in ze op iemand te willen behagen, want ze hoeven niet met elkaar te concurreren. ‘Het waren onbetwistbaar menselijke wezens,’ schrijft Van, ‘maar wat wij moeilijk konden begrijpen was hoe deze ultravrouwen, die slechts van vrouwen overerfd hadden, niet alleen bepaalde mannelijke eigenschappen hadden uitgeschakeld, die wij natuurlijk niet in hen zochten, maar ook veel van wat wij als wezenlijke vrouwelijk beschouwden.’

    In het licht van Gilmans tijd waarin een sterk historiserend idee van de wereld domineerde, wordt begrijpelijk dat de mannen alleen met een schok kunnen reageren als ze te horen krijgen dat geschiedenis, religie en tradities er weinig toe doen in Moederland. Wat telt is het nu dat gericht is op een nog mooier straks. Van: ‘De traditie waarin de man als voogd en beschermer optrad, was geheel uitgestorven. Deze geduchte maagden hadden van geen man iets te vrezen en daarom ook geen bescherming nodig. En wilde dieren kwamen in hun beschutte land niet voor.’

    Burgerschap
    Moederschap is het hoogst haalbare in Moederland en de opvoeding van kinderen is de hoogste kunst. Zo ver is die kunst ontwikkeld dat het geen opvoeding hoeft te heten: er worden geen regels gesteld en kinderen worden nooit gestraft. Scholing is een kwestie van een brede socialisatie, waarin kinderen in de eerste plaats burgerschap leren. In hun beroepskeuze zijn ze vrij om hun talenten en interesses te volgen. Macht is gelijk verdeeld, problemen worden openlijk besproken en, misschien wel het meest opvallende in de ogen van de drie mannen, de vrouwen geven openlijk toe dat hun eigen kennis nogal beperkt is. Ze stellen zich open voor nieuwe kennis en verwachten veel te leren van de mannen, want, menen ze, de mannen komen uit een wereld van contacten en veel verscheidenheid. Zo’n wereld moet wel superieur zijn aan hun eigen geïsoleerde stuk land. Wijselijk houden de mannen hun mond over de minder mooie werkelijkheid.

    Met zichtbaar plezier laat Gilman het drietal zwelgen in hun vooroordelen en zelfingenomenheid. Ze zijn imperialisten pur sang, die menen dat verre volkeren er zijn om veroverd te worden, net zoals ze menen dat vrouwen per definitie onderdanig aan mannen zijn. Ze krijgen de ene knauw na de andere te verwerken. Vooral de chauvinistische vrouwenman Terry kan er moeilijk aan wennen dat de vrouwen er niet uit zijn op een flirt en niet gelijk aan zijn voeten liggen, met fatale gevolgen. De romanticus Jeff daarentegen wordt overdonderd door zoveel schoonheid en voelt zich er uiteindelijk als een vis in het water. Over Van menen de vrouwen hij het meest op hun lijkt: hij is oprecht en analytisch. Hoewel ook hij zijn portie verrassingen heeft te verwerken, is hij op z’n minst zich bewust van zijn eigen tekortkomingen en kan hij tot op een zeker punt erboven uitstijgen. Zijn relatie tot Ellador, de vrouw met wie hij uiteindelijk trouwt, is eerst vriendschap. Verliefdheid komt pas later.

    Tweemaal herontdekt
    Moederland verscheen oorspronkelijk als een twaalfdelige serie in Gilmans eigen feministische tijdschrift The Forerunner.  Daarna zakte de roman in vergetelheid tot het in 1979 in boekvorm uitgebracht werd. In 1980 volgde de Nederlandse vertaling. De nu herdrukte vertaling is weliswaar een goed leesbare weergave van de inhoudelijke strekking van de roman, maar ze mist Gilmans bondige, ritmische toon en woordkeuze. Zo is bijvoorbeeld ‘doodkalm’ toch iets heel anders dan ‘cool as cucumbers’ in het origineel. Daardoor gaat veel onderhuidse ironie in de vertaling verloren. Toch leest ook de Nederlandstalige heruitgave als een bij vlagen kostelijke parodie op de Westerse samenleving, waarin de grootste strebers en de hardste ellenbogen vaak het verst komen. In dat opzichte is in honderd jaar tijd misschien niet zoveel veranderd is als we zouden willen.

     

  • Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    ‘Er zijn twee soorten vluchtelingen, met en zonder foto’s,’ citeert Dubravka Ugrešić een Bosnische vluchteling op een van de eerste pagina’s van Het museum van onvoorwaardelijke overgave. In het oorspronkelijk in 1997 verschenen boek verweeft Ugrešić essay met fictie, het verleden met het heden. De boventoon voeren haar ervaringen van ballingschap en herinneringen aan Joegoslavië, haar land van herkomst dat er niet meer is. De heruitgave is nu ongewild actueel door de oorlog in Oekraïne, maar Ugrešićs verhalen bezitten een tijdloze kwaliteit die de bundel uittilt boven de tijd en de context waarin ze geschreven zijn. Mensen die op een of andere manier losraken van het leven dat ze gewend zijn en gedwongen zijn zich te heroriënteren in een minder vertrouwde wereld zijn van overal en altijd.

    Fragmenten en flarden

    Net zoals in haar andere essays, romans en verhalen, richt Ugrešić zich op het persoonlijke, op fragmenten en flarden uit het verleden, dat wat blijft en beklijft. Op bezoek bij haar bejaarde moeder in Zagreb bladert ze door oude fotoalbums en herinnert zich weer details die buiten haar weten om ergens in haar geheugen zijn genesteld. Zo is er de ‘Singervorstin’, een naaister, die vanuit het perspectief van de kleine Dubravka één was met haar mechanische naaimachine. Er zijn schoolboeken uit de tijd, toen alle volkeren van Joegoslavië broeders met elkaar waren – een opgelegde nationale eenheid, die ze eind jaren tachtig wreed uit elkaar zag spatten. Het kleine en particuliere werpt licht op de wereld erachter. Ze geeft een stem aan het verleden van haar moeder, die als jonge twintiger de grens overstak vanuit Bulgarije, trouwde en bleef. Als kind kreeg Ugrešić te horen dat ze als half-Bulgaars ‘anders’ was en daarom er niet helemaal bij hoorde. Iedereen was toch niet helemaal gelijk.

    Dat ‘anders’ is prominent aanwezig in Het museum van onvoorwaardelijke overgave. Voor Ugrešić is ballingschap een gegeven: ze schrijft in het Kroatisch, maar ze is gevormd door het voormalig Joegoslavië, niet door een land dat Kroatië heet. In het nawoord bij de heruitgave constateert ze dat ze zich tegenwoordig meer een Nederlandse dan een Kroatische schrijver voelt: ze woont straks dertig jaar in Amsterdam. Dat ze internationaal bekender is dan in Nederland, zegt uiteraard meer over het Nederlandse literaire klimaat dan over de schrijfster en haar werk dat in tientallen talen is vertaald. Voor haar romans en essays heeft ze meerdere internationale prijzen gewonnen, waaronder de ‘Amerikaanse literatuur-Nobel’, de Neustadt International Prize for Literature in 2016.

    Een blijvende tijdelijkheid

    Of ze nu in Berlijn is of in de Verenigde Staten waar ze aan een universiteit lesgeeft, ze ziet om zich heen mensen die zo zijn zoals zij zelf: gegrepen door een blijvende tijdelijkheid, zonder een vaste verblijfplaats, of, zoals ze in een interview zegt, ‘transnationaal’ of ‘post-nationaal’, mensen wiens identiteit niet bepaald wordt door hun plaats van herkomst. ‘Het enige wat ik tegenwoordig bezit, is een koffer,’ schrijft ze. Die laconieke uitspraak staat in een scherp contrast met haar herinneringen aan haar volwassen leven in Zagreb, waar ze lesgaf aan de universiteit. Als ze haar hechte groep vriendinnen van toen beschrijft, laat ze bovennatuurlijke dingen gebeuren, alsof het gewone, vrolijke leven van toen waarlijk op een ander planeet en in een ander tijdperk plaatsvond.

    Haar heden is de Chinese buurman in Berlijn die lukraak nieuwe bestemmingen zoekt op de kaart, alsof de wereld een groot pingpongspel was. Veel landen vindt hij gewoon ‘shit’. Het is ook de vriend die haar een kaart van Joegoslavië geeft, waarop ze haar oude wereld in het klein terugvindt. ‘Ik ben een schipbreukeling, ik kom uit Atlantis,’ zegt ze tegen haar vriend. Als ze klaagt dat ze eenzaam is, zegt een andere vriend: ‘In Berlijn is iedereen eenzaam. Om een of andere reden heeft nooit iemand tijd.’ Een enkele keer ventileert Ugrešić haar eigen cultureel onbehagen, zoals wanneer ze verslag doet van haar Indiase huisgenoten op een Amerikaanse campus. De drie jonge vrouwen nemen zich alle tijd in de badkamer en maken lawaai in de keuken, die ze bezetten met hun Indiase gerechten. Gelaten en verongelijkt volgt ze hun doen en laten: dat ze een huis met hen deelt vindt ze hoe dan ook een administratieve fout, want zij is docent en de drie vrouwen zijn ‘pas’ studenten.

    Maar meestal schetst ze rake portretten van mensen die vaak gedwongen en soms vrijwillig niet binnen de nauwgezette grenzen van één identiteit of herkomst passen. De schitterendste parels zijn zeer compact. Neem het anekdotische verhaal van vijftien regels, waarin Ugrešić in een Italiaans restaurant in Berlijn in het Kroatisch aangesproken wordt door een Iraanse ober met een Bosnisch accent. Om in het restaurant te kunnen werken doet hij alsof hij Italiaans is. Zulke miniaturen zijn er om langzaam gelezen te worden en op je te laten inwerken. De strekking ervan echoot nog lang na.

     

  • Verstrikt in zijn eigen verhaal

    Verstrikt in zijn eigen verhaal

    Het startpunt van Scotty Gravenberchs roman De ploegscharen van Deik is even somber als veelzeggend: een dronken nieuwslezer gaat viraal, en dat betekent het einde van zijn carrière. De scène vat de twee centrale thema’s van het boek aardig samen: de macht van de media en het menselijk falen.

    Tot die online uitglijder had de hoofdpersonage Deik – hij houdt niet van zijn naam maar behoudt hem toch om het hart van zijn vader niet te breken – een beloftevolle loopbaan als presentator van het ochtendjournaal. Het is de tijd van nine-eleven, of ‘nine one one’ in Deiks vocabulaire. Zijn New Yorkse vriend Mitch helpt hem aan een potentieel spectaculaire primeur over een complottheorie, maar Deiks eindredacteur wijst de scoop van de hand. Deik voelt zich miskend. Toch blijft hij bij het journaal, want het vaste inkomen is nodig voor een hypotheek. Die vaste baan kan hij vergeten als hij ontslagen wordt na dat ene bewuste filmpje. Daarmee komt hij terecht in een neerwaartse spiraal, met als culminatiepunt dat hij zich in een verduisterde kelder bevindt, schuilend van de wereld en misschien ook van zichzelf.

    Charmante schoft

    De weg naar de kelder heeft vele tussenstations. Onder andere zoekt Deik Mitch op in New York, bij wijze van een tijdelijke uitkomst als hij in Nederland steeds erger verstrikt is geraakt in een web van ongelukkige gebeurtenissen. Met een spontaan verkregen vriendin reist hij naar een plek met een bijzonder gunstig uitzicht op Ground Zero: Terwijl ik poseerde met de nieuwe torens in aanbouw op de achtergrond en Doria een foto nam, kwam er een gezin langslopen. Vader, moeder, jongetje, meisje. “Asshole,” riep de vader terwijl hij mij passeerde.
    “Good morning to you too,” riep ik.’

    De foto van Deik voor Ground Zero blijft uiteraard niet zonder gevolgen.

    Met onderkoelde humor en een goed gevoel voor satire schetst Gravenberch in Deik een klassieke charmante schoft, die zichzelf niet kan helpen. Hij is aan de drank en zegt geen nee tegen drugs als de gelegenheid zich voordoet. Er schuilt misogynie in de manier waarop hij met zijn vriendinnen omgaat. Door een reeks gebeurtenissen ontwikkelt hij een achtervolgingswaan en denkt dat iedereen het op hem heeft gemunt, soms om geen andere reden dan dat hij een donkere huidskleur heeft. Wat daarvan waar en wat inbeelding is, weet hij niet meer uit elkaar te houden.

    Het epicentrum van het verhaal is een racistisch incident dat tegelijk het beste en het slechtste in Deik naar boven haalt. De timing zou niet beroerder kunnen zijn, want Deik heeft net een nieuwe baan bij een online magazine en zit vol goede voornemens: Ik mocht zeggen en schrijven wat ik wilde. Ik vroeg me af of ik nog wel iets te zeggen had, iets anders dan wat iedereen me al had horen roepen. Ik zou in ieder geval beginnen met het te herhalen. Maar dan in volledige zinnen. Zonder het gevloek, nuchter. En misschien eerst even naar de kapper.

    Het loopt anders af. Op een winterse ochtend komt hij langs een sinterklaasviering op straat. Er wordt snoep uitgedeeld. Alleen één jongen lijkt er geen zin in te hebben. De sinterklaas en een zwarte piet stappen op die jongen af, maar die steekt zijn middelvinger op. De piet valt hem aan, de jongen gaat dood. Deik speurt de piet op, die in het dagelijks leven bij de politie werkt. Er ontvouwt zich een moeizaam gesprek waarin de politieman Deik ervan wil verzekeren dat hij geen racist is. Toch publiceert Deik erover, waarna blijkt dat politie-piet verkeerde vrienden heeft die niet aarzelen Deiks leven zuur te maken.

    Raadselachtig

    Dat Gravenberch juist de sinterklaasviering voor zijn plot kiest, is niet vreemd. Al voor de eeuwwisseling publiceerde hij samen met Lulu Helder het boek Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht, dat de kiem legde voor de succesvolle beweging tegen de zwarte piet. Net zoals zijn Deik was ook Gravenberch van Surinaamse afkomst en had hij een wisselende carrière als publicist, redacteur, kunstenaar en schrijver.

    In het nawoord beschrijft Pieter Hilhorst, die met Gravenberch bevriend was, hoe deze zijn leven net weer op een rijtje had toen hij onverwacht op zijn vijftigste overleed. De publicatie van zijn roman heeft hij niet meer meegemaakt. Een jaar eerder was hij naar Portugal verhuisd voor werk, maar ook om aan het boek te werken. Dat hij lang aan De ploegscharen van Deik heeft geschreven, verklaart misschien de extreem gecondenseerde manier van vertellen die geleid heeft tot een verhaal van net boven honderdvijftig pagina’s.

    Het schrappen, herschrijven en herschikken is voelbaar in het verhaal. Het resultaat is bij vlagen heerlijk absurdistisch, maar er zitten ook stukken in die raadselachtig blijven en de aandacht afleiden van de actuele thematiek. Het raadselachtige geldt zeker voor de titel, die zonder Hilhorsts toelichting een uitdaging zal zijn voor de lezer, zelfs voor de Bijbelkenners onder de lezers.

     

     

  • Berlijn is vrijheid

    Berlijn is vrijheid

    De Netflix-serie Unorthodox over een jonge vrouw die zich van haar strenggelovige Joodse gemeenschap losmaakt werd in 2020 een wereldwijde hit. De serie is gebaseerd op de gelijknamige bestseller Onorthodox van Deborah Feldman (1986), waarin ze haar eigen levensverhaal vertelt tot het punt waarop ze de chassidische gemeenschap van haar jeugd de rug heeft gekeerd. Dat verhaal vervolgt ze in Exodus.

    Feldmans tweede boek is nauw verweven met het succes van Onorthodox. Kort na het verschijnen ervan in 2012 werd ze door haar uitgever gevraagd om een vervolg. In de toelichting vooraf vertelt ze over de spagaat waarin ze terecht kwam: de uitgever wilde een typisch Amerikaans verhaal over individuele bevrijding waarin velen zich zouden kunnen herkennen. ‘Amerikanen willen over zichzelf lezen, hield mijn uitgever vol. Jij vertegenwoordigt de American dream, schrijf daarover!’ Feldman zelf zat op een ander spoor. Ze voelde zich allesbehalve Amerikaans, opgegroeid als ze was ‘in een wereld die leek op een achttiende-eeuwse Europese sjetl’, met een andere taal, normen en regels. Maar ze was jong en onervaren en ging aanvankelijk akkoord met de vereisten van de uitgever. Pas na de overweldigende populariteit van de serie herschreef ze het boek. De Nederlandse vertaling is van deze nieuwe versie.

    Een eigen leven

    Lezers van Onorthodox komen in Exodus veel al bekende gebeurtenissen en anekdoten tegen, maar anders dan in haar eerste boek, schrijft Feldman dit keer geen chronologisch verhaal. Het is haar te doen om haar relatie tot de gedachtewereld waarmee ze opgegroeid is, de motieven en de geschiedenis ervan. Daarvan doet ze verslag met een innemende openheid, soms misschien net iets te gedetailleerd, maar haar verhaal is bijzonder genoeg waardoor dat niet storend is. Om zichzelf beter te begrijpen kijkt ze terug naar haar kindertijd en jeugd in de orthodox-Joodse wijk Williamsburg in Brooklyn, New York. Als dochter van een moeder die de gemeenschap – en haar – heeft verlaten en een vader met psychische beperkingen groeit ze op bij haar grootouders.

    In Exodus wil ze weten wie ze werkelijk is, een behoefte die gegeven is door haar opgroeien volgens een strak stelsel van normen en waarden die ze als feit moest aannemen. Volgzaamheid aan de leer van de Satmar-rabbijn gold als een absoluut vereiste. Vragen kon ze als meisje niet stellen, want in de streng patriarchale gemeenschap was haar rol te gehoorzamen en zich voor te bereiden op het huwelijk en een groot gezin. Van enig plezier aan het leven kon geen sprake zijn. Volgens de Satmar-stroming van het chassidisme leven de Joden na de holocaust in een post-apocalyptische tijd, wachtend op het definitieve einde en moeten ze zich lijdzaam onderwerpen aan hun positie als buitenstaander en zich zo ver mogelijk houden van de maatschappij.

    Van die patriarchale eindtijdswereldbeschouwing maakt Feldman zich beetje bij beetje vrij. Haar eerste stap is seculier onderwijs volgen, in het Engels. In de Satmar-gemeenschap is onderwijs aan meisjes beperkt, en uiteraard in het Jiddish. Als prille twintiger lukt het haar naar een college voor vrouwen te gaan, terwijl ze tegelijk een baby en een huishouden heeft om voor te zorgen. Daar maakt ze systematischer kennis met literatuur dan haar eerder gelukt was tijdens de stiekeme bezoeken aan de bibliotheek, toen ze nog bij haar grootouders woonde. Maar vooral ontmoet ze mensen die een volledig andere achtergrond hebben dan zij, en komt ze op het idee om een anonieme blog te beginnen over haar leven als chassidische vrouw. Dat blog krijgt rap bekendheid en leidt uiteindelijk tot Onorthodox.

    Ze laat Williamsburg achter zich en gaat alleen wonen, samen met haar jonge zoon. Eindelijk is ze onzichtbaar, een gegeven waar Feldman dubbel tegenover staat. Aan de ene kant is ze verlost van de, tot op het detail voorgeschreven kledingcode die haar overal herkenbaar chassidisch maakte, aan de andere kant is ze volledig alleen. Ze kent niemand, ze heeft alleen haar zoon aan wie ze zo snel mogelijk Engels leert, zodat hij zich leert redden in de maatschappij en een kind kan zijn zoals andere kinderen.

    Sporen zoeken

    Ze is als zeventienjarige getrouwd en heeft op achttienjarige leeftijd haar zoon gekregen. Als ze scheidt, treft ze een regeling met haar echtgenoot en aarzelt niet om aan een nieuw leven te beginnen. Toch wordt ze gekweld door haar achtergrond. Ze is angstig, schrikt van het minste of geringste en weet niet goed hoe gelukkig te zijn, ondanks dat ze daar nu de vrijheid voor heeft. Ze wordt achterna gezeten door haar familiegeschiedenis, vooral door wat ze er niet over weet. Zo reist ze naar Europa op zoek naar haar vooroorlogse wortels, genietend van de vrijheid te gaan waar ze heen wil en met wie ze wil. In het voorbijgaan denkt ze aan haar ex-man, die in zijn jonge jaren door Europa reisde om graven van beroemde rabbijnen te bezoeken. Zo niet Feldman: ze wordt verliefd, knoopt nieuwe vriendschappen aan, leert niet-koosjer te eten en leeft volop.

    Hoewel ze geen deel meer uitmaakt van de chassidische gemeenschap, blijft het Jodendom deel van haar identiteit. Nagenoeg de hele familie van haar grootouders is in de Tweede Wereldoorlog vermoord. Hun herkomst is weggeveegd, er is vrijwel niets meer over van de sjetls waarin ze opgegroeid zijn. Feldmans grootmoeder komt uit Hongarije, en na veel zoeken lukt het haar de graven van haar voorouders daar terug te vinden, hoe onvoorstelbaar ook. Een nog grotere verrassing wacht haar later in Duitsland, waar ze het geboortebewijs van haar overgrootvader naspeurt. Zij, die altijd aangenomen heeft wat haar verteld werd over haar gegarandeerd volledig Joodse herkomst, ervaart met een shock dat de waarheid veel ingewikkelder ligt.

    Thuis

    Tegen die tijd is ze naar Berlijn verhuisd. Jammer dat de Nederlandse uitgever de treffende ondertitel van de Engelse editie, ‘My unorthodox journey to Berlin’, niet heeft behouden, want om die reis is het Feldman te doen. Berlijn, schrijft ze, is de enige stad waar ze zich helemaal thuis kan voelen – een keus die haar vrienden met verbijstering achterlaat. ‘Hoe kun je daar als Jood gaan wonen?’ vraagt haar homoseksuele Joodse vriend, die zelf met zijn echtgenoot New York heeft geruild voor een wit, protestants plaatsje in New England. Of hij dacht dat de lokale gemeenschap hen met open armen zou ontvangen, merkt Feldman op met veel gevoel voor understatement. De ironie wil dat zij in Berlijn ook nog eens terecht komt in Neukölln, een wijk waar het gros van de bewoners een Arabische achtergrond heeft. Maar ze overwint haar aanvankelijke onzekerheid en leert de buurt kennen. Ze merkt dat er veel nieuwkomers zijn zoals zij. Voor het eerst heeft ze het gevoel dat ze ergens past.

    Als Feldman met Exodus iets duidelijk maakt, dan vooral dat er een ‘weg uit’ is ook als het onwaarschijnlijk lijkt. Het vereist geen speciale moed of ander bijzondere eigenschap, legt ze uit, alleen onverdraaglijke wanhoop. Het illustere voorbeeld is veelzeggend in zijn eenvoud: Feldman, net in Berlijn, wil haar niet-Duitssprekende zoon op een tweetalige school inschrijven, zodat hij zich minder verloren voelt in de nieuwe omgeving. Dat gaat niet zomaar, krijgt ze te horen. Er is een wachtlijst van twee jaar. Ze doet nuchter verslag: ‘Ik ging er elke dag heen en bleef voor het kantoor wachten tot ze mijn aanvraagformulier innamen. Daarna belde ik drie weken elke dag op om te zien hoe de zaak ervoor stond.’ Als lezer raad je al de ontknoping. Ze kan haar zoon de volgende maandag brengen.

     

  • Leve de recensie

    Leve de recensie

    Het nieuws over de recente overgang van NBD Biblion naar ‘automatisch gegenereerde metadata’ gonst sinds een paar weken in de media. Sinds 1 maart heeft de boekenservice geen recensenten meer in dienst. De zevenhonderd professionele lezers die bibliotheken voorzagen van weliswaar beknopte doch goed geïnformeerde en beargumenteerde recensies zijn vervangen door computer. Als reden voor de nogal rigoureuze ingreep noemt NBD Biblion tijdwinst. In een document dat de nieuwe werkwijze toelicht en er voorbeelden van geeft, spreekt NBD Biblion de verwachting uit dat boeken op deze manier de bibliotheken sneller zullen bereiken, zodat ze hun collecties ‘actueler’ kunnen houden. Niet alleen zijn de boekbeschrijvingen – NBD Biblion spreekt eufemistisch van ‘aanschafinformatie’ – flink ingekort, maar ook gebaseerd op een beperkt aantal voorgekauwde criteria. De recensie is met de recensenten de deur uit gezet. 

    Waarom wel recenseren? Om lezers te enthousiasmeren, te informeren en te helpen een eigen oordeel te vormen. In het geval van NBD Biblion gaat het niet alleen om de bibliotheekmedewerkers die op basis van de geleverde ‘aanschafinformatie’ een boek wel of niet bestellen. Het gaat ook om de bibliotheekbezoekers die in de catalogus de NBD Biblion-recensie kunnen lezen. Zelfs webshops voor boeken nemen vaak de NBD Biblion-recensies over. 

    Bij Literair Nederland krijgen nieuwe recensenten een beknopte handleiding mee. Punt één: ‘Een recensie vertelt het verhaal niet na.’ En verder: ‘Een goede recensie contextualiseert, geeft informatie over omgeving, tijdperk, eerder werk van de auteur e.d.’ En: ‘In elke recensie zit een oordeel, vaak aan het einde, goed beargumenteerd en met nuances. Dat betekent dat je de moeite moet nemen uit te leggen wat je van het boek vindt, en waarom.’ 

    Kortom, een recensie is geen samenvatting met steekwoorden maar een kwalitatieve, aantrekkelijke én kritische bespreking van een boek. Bovendien is daar tijd voor nodig, want lezen – goed lezen en over het gelezene nadenken – heeft nu eenmaal baat bij traagheid. Dat is nogal iets anders dan de nieuwe – ongetwijfeld heel snelle – beoordelingscriteria van de NBD Biblion ‘schuifjes’. Bij fictie voor volwassenen zijn het: ‘activiteit: ontspanning – concentratie’, ‘stemming: vrolijk – duister’, ‘seks: geen – expliciet’ en ‘geweld: geen – expliciet’. Alleen bij fictie voor jongeren doet kennelijk ‘humor: serieus – vrolijk’ ertoe, maar dat terzijde.

    Het is lang niet meer zeldzaam om kunstmatige intelligentie in te zetten als hulpmiddel voor allerlei nuttige activiteiten, denk maar aan stofzuigen of reguleren van temperatuur in huis. 

    Maar literatuur is anders dan een stofwolkje of een graad Celsius, want ambivalent, meerduidig en complex. In Dave Eggers’ laatste roman Het alles bestaat een geautomatiseerde dienst voor het herlezen van literatuur, genaamd ‘Algo Mas’. Het algoritme van ‘Algo Mas’ zuivert literatuur van te ingewikkelde en mogelijk aanstootgevende elementen. ‘Algo Mas’ censureert om lezers te besparen, met als achterliggende gedachte dat ingewikkelde plots en lastige onderwerpen ongewenst zijn. ‘Algo Mas’ en de almacht van Het alles zijn fictie. De ‘schuifjes’ van NBD Biblion zijn dat niet.