• Gepassioneerde discussies

    Gepassioneerde discussies

    De boezemvrienden Alessio Mainardi en Tarquinio Masséo leven in een eigen wereldje, zoals je wel vaker ziet bij scholieren van een jaar of zestien, zeventien. Ze fantaseren over het bestaan en richten hun omgeving in naar eigen maatstaven. Ze dopen de Piazza del Duomo om tot Parasang en gebruiken bijnamen voor klasgenoten en leerkrachten: zesjeskoningin, signora Formica, kikker, vroedvrouw. Het pension waar ze tijdens hun schooltijd wonen, is ‘protectoraat’, de gemeenschappelijke zitkamer ‘kamp’ en hun bedden ‘tent’. Hun universum is klein en overzichtelijk, gesitueerd in het centrum van het Siciliaanse stadje Siracusa, maar hun gesprekken gaan over wereldproblemen, literatuur en, onafwendbaar, de actuele politieke situatie in Italië. Mussolini is aan de macht, het fascisme drukt een zwaar stempel op het openbare leven, ook op ieders persoonlijke omstandigheden. Dit zijn de ingrediënten van Il garofano rosso uit 1948, door de Siciliaanse schrijver en criticus Elio Vittorini. Het werk is zojuist in een Nederlandse vertaling verschenen in de serie Cossee Century: De rode anjer. 

    Feuilleton
    Vittorini wordt in beschouwingen over de Italiaanse literatuur geprezen om zijn pogingen het ‘modernisme’ te verbreiden in de romankunst en poëzie, maar De rode anjer is een conventionele, burgerlijke roman over een korte episode uit het leven van Alessio Mainardi: een paar maanden op de middelbare school. En bepaald geen modernistisch meesterwerk. Het boek is samengesteld uit een reeks feuilletons die midden jaren 1930 werden afgedrukt en daar draagt het de sporen van. Sommige hoofdstukken worden verteld door de ik-figuur Alessio, andere bestaan uit fragmenten van dagboeken of brieven, soms geschreven door Alessio, soms door zijn vriend Tarquinio. Dat gaat ten koste van het ritme en de continuïteit.

    Ondanks de aanbevelingen die de uitgever op het omslag heeft afgedrukt: simpelweg geniaal en alsof Pirandello en Garcia Lorca elkaar de hand hebben geschud, valt nauwelijks te begrijpen hoe de hoofdpersoon zich verhoudt tot het fascisme. In bepaalde hoofdstukken prijst Alessio het fascisme vol trots aan als ‘revolutionair’ en ‘anti-burgerlijk’, beter dan het communisme, op andere momenten dweept hij met communisten als Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg en spreekt hij vol minachting over Giacomo Matteotti, de socialistische parlementariër die door Mussolini’s knokploegen in 1924 werd vermoord. Was het de bedoeling van de schrijver de ambivalentie van een jeugdige hemelbestormer te illustreren?

    Misschien weerspiegelt De rode anjer eerder het politieke opportunisme van de schrijver zelf. Als actief lid van de fascistische partij had hij direct te maken met Mussolini’s censuur: sommige hoofdstukken werden verboden. Nadat hij uit de partij werd gesmeten omdat hij zich uitsprak tegen Franco en zijn rol in de Spaanse burgeroorlog, heeft hij de nodige verwarring gesticht over de precieze redenen van de censuur. Werd zijn werk gezien als pornografisch? Daar is in deze versie geen enkele grond voor. Als politiek incorrect? Dat zou kunnen, want tot op de dag van vandaag wordt er in Italië getwijfeld of de schrijver politiek gezien wel zuiver op de graad was.

    Vrouwen
    Aanleiding voldoende. De vrienden van Alessio, allemaal scholieren, discussiëren over de mogelijkheid tot invoering van een Wetboek van de Liefde, waarin de doodstraf staat op prostitutie en overspel. Voor jongens moet er een internaat komen waar ze zich door relaties met beschikbare vrouwen kunnen voorbereiden op het huwelijksleven. Een ‘hygiënische maatregel’, zoals wordt opgemerkt. De vrouwen in het internaat zijn geen courtisanes, want ze mogen zelf hun jongens uitkiezen. Op een bepaalde leeftijd heeft de man behoefte zich aan een vrouw te onderwerpen, en wie daar niet aan toegeeft zal daar later berouw van hebben. Is het Wetboek van de Liefde een stokpaardje van Vittorini of is dit een weergave van de gangbare fascistische beginselen? Hoe dan ook, de schrijver neemt er op geen enkele manier afstand van.

    Vrouwen en prostitutie vormen de kern van De rode anjer. Alessio krijgt de bloem van Giovanna, het schoolmeisje op wie hij hopeloos verliefd is. Maar hij laat de anjer op zeker moment achter bij Zobeida, de hoer op wie zijn vriend Tarquinio verliefd is. Beide jonge vrouwen lopen in elkaar over, zoals de beide vrienden ook verwisselbaar lijken te zijn. Giovanna is voor Alessio onbenaderbaar, want ze heeft zich aan Tarquinio uitgeleverd. Alessio vindt troost bij Zobeida. Was jij ook maar Giovanna, zegt hij tegen haar. Kom we gaan!, zegt Tarquinio aan het slot van De rode anjer tegen Alessio. Je moet het niet erg vinden dat ik zo met Giovanna omga. Jij had tenslotte alleen met haar gekust. Heb jij die andere niet gehad?

    Waarom de uitgever dit curieuze boek nu heeft laten vertalen, mogen we raden. Barbara Kleiner is gevraagd om in een nawoord een rechtvaardiging te schrijven; wat haar specifieke deskundigheid zou zijn wordt in het duister gelaten. Ze prijst de vitaliteit van de schrijver. Met een verbluffend gevoel voor intuïtie streefde Vittorini zijn leven lang (…) maar naar één ding: praktische en intellectuele vitaliteit. Wat dit veelzijdige leven en werk in wezen bindt, gaat ze verder, is die onmiskenbare, instinctieve hang naar vitaliteit. Veel dure woorden zonder betekenis. Wie mocht aarzelen over de kwaliteiten van De rode anjer wordt streng terechtgewezen. Het boek is volgens haar een uniek tijdsdocument voor een typisch Italiaanse variant van het fascisme: een links fascisme met sterk anarchistische trekken. En dus… dat maakt verdere rechtvaardiging overbodig. 

     

     

  • ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    Na achttien pagina’s hebben we bijna uitsluitend dialogen gelezen. Bedrieglijk naïeve dialogen. En toch is de essentie van Mens of niet al aangeroerd: de roman opent in poëtische sfeer met de herontmoeting van partizaan N-2 en Berta in een winter die de zachtste is sinds haar geboorte in 1908. En Selva, bewoonster van het huis waar N-2 en Berta elkaar treffen, heeft hem dan al één van de vragen gesteld waar het in deze roman om draait: ‘Jullie verbeelden je nogal wat. Jullie werken voor het geluk van de mensen, maar wat de mensen nodig hebben om gelukkig te zijn weet je niet. Kunnen jullie werken zonder zelf gelukkig te zijn?’. En verder in het gesprek: ‘Alles heeft alleen maar zin als de mensen er gelukkig door kunnen worden. Is dat niet de enige zin van de dingen?’
    Op pagina 78 is het weer Selva die het thema tegenover Berta aanroert. Sprekend over N-2 zegt ze: ‘Een man moet een vriendin hebben. En zeker als hij één van ons is. Hij moet gelukkig zijn. Hoe kan iemand weten wat de mensen nodig hebben als hij zelf niet gelukkig is? Daar vechten wij voor. Dat de mensen gelukkig zijn.’

    Het is 1944. N-2 is de tweede man van een partizaneneenheid genoemd naar de wijk Naviglio in Milaan. Zijn groep heeft juist een aanslag gepleegd die door de Duitsers en de in hun opdracht werkende fascistische brigade wordt vergolden.

    Elio Vittorini, de auteur van Mens of niet, schrijft uit eigen ervaring. Hij was aanvankelijk zelf fascist, maar toen hij zag wat er tijdens de Spaanse burgeroorlog gebeurde verliet hij die partij. In de oorlog zat hij korte tijd gevangen. Hij sloot zich aan bij de communisten en nam actief deel aan het Milanese verzet tegen de nazi’s en de volgelingen van Mussolini. Al vroeg in zijn leven had hij een grote literaire belangstelling, in het bijzonder voor moderne Amerikaanse schrijvers.
    Dat is te merken in Mens of niet. De lezer herkent elementen uit Vittorio’s eigen leven (de gevangenisstraf, de aanslagen, de stad Milaan), terwijl in de stijl en de filosofie van de roman echo’s zijn te vinden van vooral het werk van Hemingway.

    Allereerst die stijl. Die vergt van de lezer aanvankelijk overgave aan de staccato zinnen die als een repeterend geweervuur worden afgeschoten. Meer dan de helft van de roman bestaat uit kinderlijk ogende gesprekken vol herhalingen. Maar als je bereid bent er in op te gaan werken ze bedwelmend. Vittorini weet er een sfeer mee op te roepen waarin de filosofie die hij wil overbrengen de lezer des te meer aangrijpt.

    Daarbij komt de poëtische kracht van zijn verhaal, waarin hij op een magistrale manier vragen over liefde en de zin van verzet in elkaar vlecht. N-2 en Berta zijn tien jaar geleden verliefd geworden op elkaar, maar hij heeft steeds te belangrijke zaken aan zijn hoofd om zich eraan over te geven. Al die tien jaar lang hangt achter zijn kamerdeur een mantelpak van Berta, dat daar na de eerste ontmoeting is achtergebleven; het blijft hem spookachtig de vraag stellen wat hij eigenlijk met haar wil.

    En dan is er Milaan, de grotendeels in puin gegooide stad, met zijn dagelijkse aanslagen en vergeldingsacties. Niet voor niets gebruikt Vittorini zowel voor dit Milaan als voor de niet doorleefde liefde hetzelfde beeld. Herhaaldelijk noemt hij de stad een woestijn en als het spook van Berta’s mantel achter de deur hem aanstaart na een vrijpartij met een andere vrouw waarin het hem erom te doen was zijn mannelijkheid te bewijzen, lezen we: ‘Een man zonder vrouw, ík weet wat het betekent, in een vrouw geloven, een vrouw toebehoren, en haar toch niet hebben, jaren doorbrengen zelfs zonder dat je man bent bij een vrouw, en er dan een nemen die niet de jouwe is en ja, in een hotelkamer vind je dan, in plaats van de liefde, de woestijn van de liefde.’

    Vittorini stelt grote vragen over de zin van geweld, het verzet en menselijkheid. Hij kiest niet voor een feitelijke beschrijving van gruwelijkheden, maar maakt die voelbaar in de dialogen en de reacties van daders, slachtoffers en omstanders. De kilheid van de moordmachine dringt zich bijvoorbeeld op in een gesprek waarin een een SS-er aantoont dat de Duitsers altijd zullen winnen omdat ze elke vermoorde landgenoot vergelden door tien vijanden te doden: ‘Wij zijn met negentig miljoen Duitsers. Voor wij alle negentig miljoen dood zijn zouden we negenhonderd miljoen personen gedood moeten hebben. Zijn er negenhonderd miljoen personen op de wereld? Die zijn er niet. Duitsland kan niet sterven.’ Het helpt voor dat standpunt bovendien dat de SS ook voor elke moord op een Duitse hond een Italiaan vermoordt. Ook zo’n geval beschrijft Vittorini des te krachtiger door de pesterijen te beschrijven die voorafgaan aan de wraak op een oude man die een Duitse hond heeft neergestoken; hij wordt levend verscheurd door andere honden. Van die geweldsdaad zelf geeft Vittorini geen enkel detail, maar hij is o zo voelbaar.

    Ontroerend, beklemmend, diepzinnig en daardoor prachtig zijn de hoofdstukken volgend op een executie van Milanezen, waaronder kinderen, vrouwen en een oude man, als vergelding van de aanslag door de partizanen. Ook hier wordt niet de executie zelf beschreven, maar wat die doet met de overlevenden. Omstanders die van de plek waar de lijken liggen weglopen reageren op vragen van anderen met: ‘Ik heb niets bijzonders gezien’. Aan de partizanen dringt zich de vraag op waarom zij als plegers van de aanslag zijn blijven leven, terwijl hier onschuldige burgers liggen als vergelding. De kracht van de voortdurende herhaling maakt de waarom-vraag steeds urgenter, bijvoorbeeld als de partizanen naast een geëxecuteerd meisje de eveneens doodgeschoten verzetsman Foppa aantreffen:

    Hij was een vreedzaam man geweest, een eenvoudig man. Waarom was hij dood?

    Hij had ook níét kunnen gaan vechten: alleen van de film houden, en van de Chinezen. Maar hij had zich gedwongen gevoeld te gaan vechten, en hij was als het meisje dat van haar bed was gelicht en gefusilleerd. Hij was net zo. Niet minder onschuldig dan zij, en zijn dood was net als die van haar. Niet minder ongerechtvaardigd.

    (…) Alle doden zeiden dag. En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht.

    Niets in dat gezicht was nog open en goed; of standvastig en goed, scherpzinnig en goed, nadenkend en goed; zoals ook niets nog kinderlijk was of fout.

    Vittorini velt geen moreel oordeel. Er zijn geen goede en kwade mensen. Er is het kwaad. En dat kan in elk mens huizen:

    Ergens wordt er gekrenkt en dadelijk staan wij achter degene die gekrenkt wordt, en we zeggen dat hij de mens is. Bloed? Zie de mens. Tranen? Zie de mens.

    Maar hij die krenkte, wat is hij?

    Nooit overwegen we dat ook hij de mens zou zijn. Wat anders kan hij zijn? Werkelijk de wolf?

    Vandaag de dag zeggen we: het is het fascisme. Of het nazisme. Maar dat het het fascisme zou zijn, wat betekent dat dan? Ik zou het fascisme wel eens los van de mens willen zien. Wat zou dat dan zijn?  Wat zou het doen? Zou het kunnen doen wat het doet als de mogelijkheid het te doen niet bij de mens zou horen?

    Laat als lezer Mens of niet van Vittorini binnenkomen. Vouw het boek respectvol dicht. En laat de sporen ervan zijn werk doen.

    De roman werd in 1984 en in 1995 ook al in het Nederlands vertaald. Hij kreeg lovende kritieken, maar vond nauwelijks zijn weg onder lezers. Het is goed dat Uitgeverij Schokland de lezer nu een nieuwe kans geeft.

    Mens of niet moet gelezen worden.

     

    Mens of niet

    Auteur: Elio Vittorini
    Vertaald door: Anthonie Kee
    Aantal pagina’s: 196
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland (2013, 3e druk)
    Prijs: € 23,90