• Een kwellend vraagteken

    Een kwellend vraagteken

    Een ‘armzalig leraartje wiskunde op het Frans Lyceum’ wordt ontboden bij de Franse consul in Grianta, de hoofdstad van een niet nader genoemd Afrikaans land dat vroeger een kolonie was van Frankrijk. Hij krijgt van hem de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is met de spoorloos verdwenen detectiveschrijver Robert Serval, pseudoniem van Stéphane Réal. Het ‘leraartje’ (wiens naam Veyraud veel later maar één keer terloops wordt genoemd) zou hem moeten kennen van de middelbare school in Étampes. De consul geeft Veyraud een envelop met een manuscript mee van Serval, waarin volgens die schrijver zelf de oplossing van zijn mysterieuze verdwijning te vinden zou zijn. Alsof dat niet raadselachtig genoeg is blijkt Veyraud zich bovendien niemand te herinneren met de naam Stéphane Réal. Met die gegevens in amper veertien pagina’s wordt de lezer door Georges Perec zijn onvoltooide laatste roman “53 dagen” (de aanhalingstekens zijn essentieel) in getrokken.

    Wie niets van Perec weet zal snel verzanden in de complexe verhaallijnen. Voor liefhebbers van zijn werk is diens zwanenzang een ware lusthof. Om er ten volle van te kunnen genieten zijn kennis van de belangrijkste autobiografische gegevens van de schrijver en van zijn liefde voor het onderuithalen van verwachtingen en zijn ingenieuze spel met taal en intertekstuele verwijzingen onontbeerlijk. Door zijn longkanker kon Perec die in 1982 stierf de roman niet afmaken. Twee van zijn beste vrienden, Harry Mathews en Jacques Roubaud, bezorgden zeven jaar later echter een uitgave die vanaf de plek waar Perec de pen moest neerleggen is aangevuld met aantekeningen die in allerlei nagelaten mappen, cahiers en kladvelletjes werden aangetroffen. De twee waren net als Perec lid van OuLiPo, de werkplaats voor potentiële literatuur, die zich toelegde op het schrijven van teksten waarbij de auteur zich vooraf allerlei contraintes (strenge verboden en schema’s) oplegde.

    Stendhal

    Eén van de vele contraintes was dat Perec de roman wilde schrijven in 53 dagen, de tijd die Stendhal nodig had gehad voor zijn De Kartuize van Parma. Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle, schreef die roman in 1839. Hij bestaat uit achtentwintig hoofdstukken.
    Naast de – niet gehaalde – opzet om zijn roman in 53 dagen te voltooien volgt Perec in “53 dagen” ook de indeling van Stendals roman in achtentwintig hoofdstukken, verdeeld in twee delen en begint hij de zinnen van elk hoofdstuk met een echo van de beginzinnen van het gelijkgenummerde hoofdstuk van De Kartuize van Parma. Hoofdstuk V bijvoorbeeld van Stendhals werk begint (in de Nederlandse vertaling van Theo Kars) met ‘Het hele avontuur had nog geen minuut geduurd’ en dat van Perec met ‘Dit hele avontuur eindigt met een kwellend vraagteken’.

    Het eerste deel is bij Perec getiteld 53 dagen (een titel die op het omslag een citaat is van de naam van dat deel en daarom als romantitel tussen aanhalingstekens staat) en het tweede deel Un R est un M qui se P de L de la R. In het Nederlands is die Franse titel intact gebleven omdat het een code is die de speurder dient te ontcijferen. Die blijkt te moeten worden gelezen als ‘Un Roman est un Miroir qui se Promène le Long de la Route’ (een roman is een spiegel waarmee men langs de weg wandelt). Dat is weer een parafrase van het motto van hoofdstuk XIII van Het Rood en het Zwart van Stendhal. Dat motto stond voor diens credo dat de roman de werkelijkheid dient te weerspiegelen. Ook die spiegeling is in Perecs roman voortdurend aanwezig, zij het dat die bij hem lang niet altijd de werkelijkheid betreft. Perec spiegelt voortdurend woorden en romans van anderen in “53 dagen.

    Paspoort

    Dat zijn nog maar de meest opvallende verwijzingen. Het is voor de Perecliefhebber een heerlijke puzzel om er nog veel meer te ontdekken. Er zijn er legio. Zo komt in het tweede deel een professor Shetland voor, een anagram van Stendhal; Veyraud is wiskundeleraar in de stad Grianta, wat waarschijnlijk weer een letterkeer is van de Romeinse naam van Stendhals geboortestad Grenoble, Gratian(opolis); er is een verwijzing naar het (fictieve) Marhenbey-schandaal, waarvan de naam is samengesteld uit de letters MAR(ie) HEN(ri) BEY(le), Stendhals burgerlijke naam.
    Dergelijke verborgen hints zitten ook in cijfers. Het paspoort van één van de personages heeft nummer 233184259, wat te lezen is als 23-3-1842 (de geboortedatum van Stendhal) en 59 (de leeftijd waarop hij stierf.

    Namen en nummers verwijzen een aantal keren naar figuren uit romans van anderen, maar vooral ook naar Perecs eigen leven en werk. De meest uitgebreide zien we in het tweede hoofdstuk waarin Veyraud aan de hand van een foto van klas 4B in Étampes probeert te ontdekken of er ene Stéphane Réal bij was. Perec zelf zat enkele jaren op het lyceum in Étampes en de beschrijving van de foto die Veyraud geeft doet erg denken aan die van klas 3B van Perec zelf die voorkomt in de biografie A Life in Words van David Bellos.
    Uit de nagelaten aantekeningen die Mathews en Roubaud vonden, blijkt verder dat Perec aan het slot van de roman ook weer het verlies van zijn moeder in de oorlog had willen verwerken.

    “53 dagen” is nu eindelijk in het Nederlands vertaald. Ook Perecs boekuitgave bij de film Récits d’Ellis Island en Je me souviens gaan in het Nederlands verschijnen. Edu Borger, die ook Het leven een gebruiksaanwijzing vertaalde, moet aan “53 dagen”´ een helse klus gehad hebben. Toch zijn zijn zinnen in het Nederlands soepel. En voor de grapjes van Perec, die soms moeilijk om te zetten zijn, heeft hij mooie equivalenten gevonden: ‘Maximien avait d’autres feles à fustigare’ in de originele tekst is een latinisering van het Franse gezegde ‘avoir d’autres chats à fouetter’ (letterlijk: andere katten te meppen hebben; ofwel: iets anders aan zijn hoofd hebben). Borger vertaalt de zegswijze met behoud van de latinisering zo: ‘Maximianus had nog wel alia aan zijn caput’.

    En dan hebben we het nog niet gehad over de Droste-effecten van allerlei fictieve romans die Perec in de speurtocht van Veyraud opneemt. Wie van Perec houdt mag “53 dagen” niet ongelezen laten.

     

     

  • Niet klagen, niet jammeren

    Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Teruggevonden manuscript laat vroege ambities zien

    Teruggevonden manuscript laat vroege ambities zien

    In 1989 bezocht David Bellos, de biograaf van Georges Perec, Belgrado. Hij was er om Joegoslavische vrienden van de schrijver op te zoeken waarmee hij in het midden van de jaren 50 in Parijs was omgegaan. Eén van die vrienden, Mladen Srbinović, bleek een doorslag te hebben van de tekst van De aanslag in Serajevo van Perec. Bellos wist uit correspondentie van Perec dat het er moest zijn, maar had het tot dan toe niet kunnen vinden, ook niet bij de uitgevers die het hadden afgewezen. In 1992 vond hij in een archief in Parijs nóg een exemplaar. Het bleek te gaan om een versie die door een toenmalige schoolvriendin van Perec, Noëlla Melut, was uitgetypt. In beide versies stonden doorhalingen en tekstsuggesties die niet met elkaar overeenstemden, maar duidelijk wel van Perec’s hand waren. In 2016 verscheen de roman daarom met annotaties. Nu is er de Nederlandse vertaling door Edu Borger. Daarin is, net als in het Franse origineel, te zien wat in de verschillende versies is geschrapt.

    De aanslag in Serajevo is de vroegste roman van Perec die in druk verkrijgbaar is. Een nog eerdere novelle die Bellos eveneens in 1989 terugvond, Manderre, een pastiche op Paludes (Moerassen) van André Gide, is wel in het Frans maar nog niet in het Nederlands verkrijgbaar.
    Dat uitgevers destijds De aanslag in Serajevo afwezen is wel begrijpelijk, maar dat we het boek postuum alsnog kunnen lezen is evenzeer terecht, deze roman laat zien hoe Perec al vroeg (hij was 21 jaar toen hij hem schreef) nadacht over structuur en thema’s die in zijn latere werk sterker terugkomen. Daarover straks.

    Machtsstrijd

    De ‘ik’ in de roman raakt in Parijs verzeild in een groepje Joegoslavische vrienden, waaronder Branko, een filosofiedocent en zijn maitresse Mila, op wie hij verliefd wordt. Mila vindt hem beslist aardig maar blijft toch enigszins op afstand. Niettemin wil ze de ‘ik’ graag blijven zien en ze nodigt hem, als het groepje studenten is teruggekeerd naar Belgrado, uit om haar daar een paar weken op te zoeken. Daar worden zijn gevoelens voor Mila intenser en hij stelt zich ten doel haar nu daadwerkelijk te veroveren. Daarbij is Branko een sta-in-de-weg, hetgeen leidt tot een machtsstrijd die uiteindelijk uitmondt in een plan om Branko’s vrouw Anna zover te krijgen dat ze haar man vermoordt zodat de ‘ik’ Mila alleen voor zichzelf heeft. De climax vindt plaats in Serajevo, de stad waar in 1914 de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand en zijn vrouw door Gavrilo Princip werden vermoord met de Eerste Wereldoorlog als gevolg.

    Grote Geschiedenis

    Zoals gezegd: in De aanslag in Serajevo zijn diverse elementen te herkennen die in later werk van Perec veel meer uitgewerkt worden. Het meest opvallende daarvan is de structuur waarin het microniveau van het liefdesverhaal wordt verbonden met de grote Geschiedenis. Dat zal Perec later het overtuigendst doen in W of de jeugdherinnering. Daarin vervat hij zijn poging om zijn jeugd (met het allesoverheersende thema van het verlies van zijn moeder tijdens de jodenvervolging) te reconstrueren in hoofdstukken die steeds afwisselen met een gruwelijke parabel over de vernietiging van de joden.
    In De aanslag in Serajevo komt de koppeling van de kleine en grote geschiedenissen nog wat geforceerd over. Je zou met wat moeite parallellen kunnen zien tussen de rol die de ‘ik’ Anna toebedeelt en de rol die Servië aan de aanslagplegers toedichtte. En het zal ook niet toevallig zijn dat de ‘ik’ net zo jeugdig is Gavrilo Princip en zijn kornuiten. Maar erg overtuigend is dat niet.

    Analyse

    Vrijwel alles wat Perec later zou schrijven heeft een sterk autobiografisch karakter. Dat is ook hier het geval. Branko is duidelijk gemodelleerd naar de Joegoslavische docent kunstgeschiedenis Žarko waarmee Perec in Parijs bevriend was en Mila naar Žarkos maitresse Milka. In de ‘ik’ op zijn beurt is erg veel van Georges Perec zelf te herkennen.
    De analyserende manier waarop hij zijn eigen gedachten en gevoelens jegens Branko en Mila beschrijft, is moeilijk los te zien van zijn levensfase op dat moment. Zijn behandeling bij psychiater Michel d’Uzan blokkeerde en Perec voelde zich zowel in de liefde als in het schrijverschap falen. Je kunt je afvragen of de ‘ik’ in de roman bezig is te bewijzen dat hij wel degelijk in staat is een vrouw te veroveren of juist eerder dat hij een man de baas kan. Een aanwijzing voor dat laatste is misschien zijn terugblik: ‘Uiteindelijk is het zo dat ik me altijd Branko herinner en Mila nooit’.

    Precedent

    Er zijn ook kleinere elementen waarin de latere Perec al doorschemert. Zijn ironie bijvoorbeeld in een zin als: ‘Want in Serajevo kan het gebeuren dat de zaken niet altijd gaan zoals je zou mogen wensen en dat de kleinste handelingen overweldigende gevolgen hebben’. En een aantal pagina’s verder lezen we (als hij zint op zijn plan om Branko uit te schakelen): ‘Het was toch wel iets raars om naar Serajevo te gaan om er een aanslag te plegen. Er waren zonder enige twijfel precedenten geweest’.
    Voorts zullen minieme details, zoals de aanduidingen ‘Marie-Dinges’ en ‘Marie-ik-weet-niet-meer-wie’ voor een eerder liefje van de ‘ik’, Perec-kenners doen denken aan de kolderieke benamingen Karathoestra, Karakinkel, Karavaggio enz in Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats?
    En we zien hier al de toespelingen op andere literaire werken, zoals Cyrano de Bergerac, en van Racine, Lamartine, Stendhal en anderen, zoals Perec dat later veelvuldig zal doen. De inleider bij De aanslag in Serajevo, Claude Burgelin, ziet in het ‘ik’/Mila-scenario tenslotte ook nog een Hamlet/Ophelia-motief.

     

     

  • Zomerlezen – Herlezen

    Oorlogsenthousiasme

    Als ik drie boeken als tip voor de vakantie moet noemen denk ik het eerst aan Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Maar dat las iedereen natuurlijk al. Naast de hoofdthema’s migratie (van toeristen en vluchtelingen) en de identiteit van Europa zitten er ook aardige grapjes in. Toch even één voorbeeld: Ilja heeft in de auto van de vrouw van de Nederlandse ambassadeur in Noord-Macedonië een gesprek over het belang van je geworteld kunnen voelen: ‘Met bloedstollende nonchalance haalde ze via de buitenbocht een tractor in die een kar met bieten trok. “Wortels zijn belangrijk”, zei ze’.
    Wie deze roman niet las heeft wat in te halen.

    Nee. Laat ik enkele oudere boeken noemen waarnaar ik regelmatig nog eens grijp.
    Allereerst twee tegenvoeters: Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft en De duizelingwekkende jaren van Phillip Blom. Ze beschrijven beide de tijd vanaf ongeveer 1900 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar vanuit gezichtspunten die soms diametraal op elkaar lijken te staan. Kieft verhaalt bijzonder boeiend hoe allerlei bewegingen van kunstenaars en schrijvers oorlog verwelkomden als een revolutie waarin een vastgeroeste en verouderde wereld een wedergeboorte zou doormaken vol energie en levenslust. Daarnaast ontstond er een verheerlijking van het patriottisme. Een toenemend aantal mensen was bereid zich te offeren voor het vaderland.

    Oorlogsenthousiasme
    Auteur: Ewoud Kieft
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De duizelingwekkende jaren

    Dat zijn aspecten die in De duizelingwekkende jaren bijna niet voorkomen. Blom probeerde zich in te leven in de mensen in die vooroorlogse jaren, die nog geen enkele vermoeden hadden van wat wij weten over 1914 en daarna. Bij hem lezen we over optimisme in de vooruitgang in een wereld die steeds sneller werd (denk aan de opkomst van de auto en de consumptiemaatschappij). Een opwinding die echter gepaard ging met angst. Er was dan ook tevens een tendens om juist oude waarden te benadrukken.
    Met die paar zinnen doe ik de boeken geen recht, ook niet in relatie tot elkaar, maar het is erg boeiend om ze allebei te (her)lezen en te toetsen aan ons eigen beeld van het lange decennium vóór WO I.

    De duizelingwekkende jaren
    Auteur: Philipp Blom
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het leven een gebruiksaanwijzing

    Als er één schrijver is met wie ik een dag zou willen optrekken is het Georges Perec (1936-1982). Deze Franse schrijver gaf een bijzondere invulling aan het gezegde ‘In de beperking toont zich de meester’. Het bekendste voorbeeld is zijn roman’t Manco, geschreven zonder de letter E te gebruiken. Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing is en grandioos boek gebouwd op vooraf bepaalde patronen. Plaats van handeling een appartementengebouw aan de rue Simon-Crabellier 11, van honderd ruimtes. Perec doorloopt die via de paardensprong uit het schaakspel, waarbij elk appartement één keer mag worden aangedaan. Zo spint hij een web van meer dan honderd verhalen die elkaar kruisen (de genre-aanduiding van het boek is ‘romans’). Hij stelde zich als taak dat in elk hoofdstuk een aantal zelfde elementen terugkeren (eten, drinken, een boek, muziek). De grote lijn wordt gevormd door een legpuzzel, annex schilderij. Het boek ontpopt zich net zo: als een legpuzzel vol woordspelletjes, intertekstuele grappen en raadselachtige gebeurtenissen. Bij tweede lezing zag ik dat er iets raars was met ‘de partituur van een beroemde Amerikaanse hit, Gertrude of Wyoming, van Arthur Stanley Jefferson’. Je leest er overheen, maar in alles zit een grap: het ‘lied’ is een gedicht van de Schot Thomas Campbell; het is nooit op muziek gezet, was nooit een hit en de genoemde componist was de echte naam van Stan Laurel. Op internet wemelt het van de sites waarop de structuur van het boek wordt beschreven en bediscussieerd en dit soort grappen worden ontrafeld.
    Het leven een gebruiksaanwijzing lezen gaat dan ook gepaard met veel gesnuffel op internet, resulterend in marges vol aantekeningen.

    Het leven een gebruiksaanwijzing
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Zomerboeken 2018 – La France douce-amère

    Zomerboeken 2018 – La France douce-amère

    Terug naar Reims

    Niet elke Fransman leeft als God in Frankrijk. Ook als u het land alleen kent van de camping in de Landes waar u elk jaar twee weken rosé gaat drinken, is het u waarschijnlijk niet ontgaan dat er in de banlieue weleens wat auto’s in de vlammen opgaan. Daan Pieters tipt drie boeken voor wie dat andere Frankrijk wil begrijpen.

    Didier Eribon ontvluchtte de armoede en uitzichtloosheid van het arbeidersmilieu in de Champagne waar hij opgroeide en ging naar Parijs om alles te worden waar zijn ouders een hekel aan hebben: progressief, intellectueel en homo. Wanneer zijn vader sterft, keert hij terug om de banden met zijn moeder aan te halen en zich te proberen verzoenen met zijn afkomst.

     

     

    Terug naar Reims
    Auteur: Didier Eribon
    Uitgeverij: Uitgeverij Leesmagazijn (2018)

    Weg met Eddy Bellegueule

    Iets gelijkaardigs overkomt Edouard Louis in Weg met Eddy Bellegueule, dat zich afspeelt in het troosteloze Picardië. Ook voor hem lonkt de vrijheid in Parijs, maar verraadt hij daardoor zijn eigen sociale klasse?

     

     

    Weg met Eddy Bellegueule
    Auteur: Édouard Louis
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2017)

    Angel

    Tot slot raden we nog Angel aan, van de Vlaamse auteur Filip Rogiers. Hij ontdekte in Marville, een dorp in de Gaume (‘de Provence van de armen’) vlak bij de Belgische grens, een kerkhof met opvallend veel graven van baby’s die stierven tussen 1957 en 1961 en laat zijn personages op zoek gaan naar antwoorden in de onderbuik van Frankrijk.

     

     

     

     

     

     

    Angel
    Auteur: Filip Rogiers
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis (2018)
  • Modiano’s spel met de lezer

    Modiano’s spel met de lezer

    Aan het einde van het derde seizoen van Netflix’ successerie Fargo zegt één van de hoofdpersonen: ‘The past is unpredictable. Which of us can say what actually occurred, and what is simply a rumour, misinformation or opinion?’ Daaraan zou je de herinnering kunnen toevoegen. Wie weet immers nog wat ergens precies is gebeurd, als het uit het geheugen moet worden opgediept?

    Wie een herinnering navertelt zal bovendien vrijwel altijd, bewust of onbewust, proberen deze een beetje mooier te maken dan die in feite is. Weinigen zullen nooit een verhaal een beetje aangedikt hebben zodat het een net wat spannender en indrukwekkender avontuur lijkt dan het in werkelijkheid was. Daar komt nog bij dat een verhaal, dat doorgaans een volgorde is van logisch achter elkaar gelegen elementen waar een gedachte achter lijkt te zitten, per definitie de realiteit geweld aan doet. Die heeft namelijk altijd iets onlogisch: er is geen vooropgezet plan voor de werkelijkheid. We kunnen de werkelijkheid pas achteraf (proberen te) ordenen.

    Een schrijver vertelt echter altijd een verhaal. Hij of zij doet dat, uitzonderingen daargelaten, door een logische plot te verzinnen waarin de personages meebewegen in een avontuur in een door de schrijver als scheppergod gecreëerd universum.  De realiteit van romans heeft dus doorgaans wél een vooropgezet plan.

    Patrick Modiano is een schrijver die het –letterlijk– obscure verleden onderzoekt en wiens hoofdpersonen ‘tevergeefs naar de sporen van verdwenen mensen zoeken. (…) [H]et geheugen wordt steeds opnieuw ondervraagd en [het] schiet steeds weer tekort’, zoals romanist en Modianokenner Manet van Montfrans het verwoordt.

    Modiano vraagt zich af hoe je een (jeugd)herinnering kunt navertellen zonder de gebeurtenis zelf geweld aan te doen, en wat ons geheugen nu eigenlijk vermag. Het interessante aan de Nobelprijswinnaar van 2014 is dat hij erin slaagt de lezer te doen geloven dat hij werkelijk de herinneringen opschrijft zoals ze zich in z’n hoofd bevinden. Dat wil zeggen: herinneringen die met twijfels zijn omgeven. Hij is niet zeker over hoe het met deze of gene afloopt of hoe het met hemzelf afliep in die bepaalde herinnering. Over zijn werken ligt, kortom, altijd een sluier van onduidelijkheid omdat herinneringen dat nu eenmaal zijn. ‘Het lijkt erop dat ons geheugen soms een proces doormaakt dat vergelijkbaar is met dat van polaroidfoto’s.’, zoals hij schrijft in één van de verhalen die Querido nu heeft gebundeld in de Nederlandse vertaling.  Herinneringen vergelen, verbleken. Uiteindelijk blijven alleen vage contouren over.

    Die bundel is uitgegeven onder de titel ‘Trilogie van een beginnend schrijverschap’ en de romans ‘Verdaagd verdriet’, ‘Bloemen en puin’ en ‘Hondenlente’ zijn erin vervat. De eerste en derde verschenen overigens ook in een door Modiano zelf samengestelde en zo genoemde ‘ruggengraat’ van zijn oeuvre in 2013. Onduidelijk is of het ook de bedoeling is van Modiano dat ‘Bloemen en puin’ ertussen staat, maar feit is dat de drie boeken goed bij elkaar passen. Ze gaan in ieder geval stuk voor stuk over een ik-figuur die verhaalt over de sporadische aanwezigheid van zijn moeder en vader, de veelal obscure zaakjes waarin zij en hun vrienden zijn verwikkeld en mistige herinneringen aan bijna vergeten vrienden. Het beginnende schrijverschap komt eigenlijk niet zo heel erg naar voren, en is ook niet het belangrijkste.

    Problematisch wordt het wel als de verschillende boeken niet meer zo gemakkelijk te onderscheiden zijn en de lezer niet meer weet of een bepaalde figuur nu ook al in de vorige romans opdraafde. In simpele bewoordingen is dat verwarrend. Tegelijkertijd lijkt de schrijver ook een ingewikkeld spel met de lezer te spelen. Door verschillende figuren terloops terug te laten keren in de geschiedenis van ogenschijnlijk dezelfde hoofdfiguur beleeft de lezer als het ware precies wat de schrijver probeert te beschrijven. Een soort terugkerende déjà-vu, gecreëerd door Modiano als scheppergod.

    Zo zijn de boeken precies wat ze proberen te beschrijven en leidt Modiano de lezer om de tuin. Het bundelen van drie soortgelijke verhalen schijnt daarmee een interessant nieuw licht op zijn oeuvre. Het verleden is dus zeker onvoorspelbaar, al is dat iets minder het geval voor de schrijver zelf.

     

     

     

     

  • Perec kijkend en Perec dromend

    Perec kijkend en Perec dromend

    Na jaren van stilte is de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982) weer helemaal aanwezig in de boekenschappen. Steeds meer niet eerder vertaald werk van hem is in het Nederlands verkrijgbaar. In 2009 was daar, nadat het zes jaar stil was geweest, ineens het bravourestuk van Guido van de Wiel, die de E-loze roman La disparition van Perec in alleszins leesbaar Nederlands presenteerde (’t Manco). Wie in dat jaar één van zijn meest betekenisvolle boeken, W of de jeugdherinnering te pakken wilde krijgen moest er tweedehands woekerprijzen voor betalen. De uitverkochte vertaling van Privé-domein 173 bleek een collectors item te zijn geworden. Tot de Arbeiderspers in 2010 besloot tot een betaalbare heruitgave, via printing on demand. En ineens kwam een nieuwe stroom op gang. Eveneens in 2010 verscheen Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen en in 2014 De condottiere (dat overigens twee jaar eerder pas in Frankrijk was uitgekomen). En nu, in 2017, worden de Perec liefhebbers opnieuw verblijd. Met twee vertalingen zelfs. Kiki Coumans bezorgde Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs en Perec vertaler vanaf het begin Edu Borger, De duistere winkel. 124 dromen.

    Poging
    Ga zitten op een plek en probeer je bewust te zijn van het gewone in je omgeving. Menigeen heeft het misschien wel eens geprobeerd. Perec schreef daadwerkelijk op wat er dan te zien is. Niet eenmalig trouwens. In hetzelfde jaar als de nu verschenen Poging tot… deed hij iets dergelijks in Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig door het keelgat heb gejaagd en twee jaar daarna over de voorwerpen die op zijn werktafel lagen. Daarna zou hij het idee nog een paar keer uitvoeren onder andere door een beschrijving op basis van bezoeken aan alle plekken in Parijs waar hij had gewoond of waaraan hij herinneringen had.

    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs is waarschijnlijk het meest interessante van die projecten. Wie leven en werk van Perec niet zo goed kent, zal het wellicht verbazen dat een dergelijke onderneming kan boeien, maar deze Poging is een prachtig stuk literatuur. Soms poëtisch, soms humoristisch en soms persoonlijk. Hij zet je bovendien aan het denken over hoe we kijken en, jawel, welke vooringenomenheid we daarbij hebben.

    Perec ging drie dagen, op 18, 19 en 20 oktober 1974, naar de Place Saint-Sulpice zitten kijken. Dat deed hij vanaf wisselende plekken rond dat plein, bar-tabac Saint-Sulpice (3x), het café de la Mairie (3x) het café La Fontaine (2x) en  een bankje in de zon (1x). Hij zat er steeds ongeveer een uur en pauzeerde daarna. Op een tafeltje of op schoot vellen papier en in zijn hand een pen. Elke ‘zitting’ noteerde hij allereerst het weer; veranderde dat in de loop van het uur dan schreef hij dat op.

    De verschillende rapporten laten zien hoe je onbewust gericht kunt zijn op iets en dus bijna programmatisch kijkt. Zo heeft hij de eerste keer vooral oog voor letters, cijfers, symbolen, kleuren en trajecten van bussen die het plein kruisen. De tekst krijgt daardoor een mooie cadans omdat zijn verbale registraties steeds door nummers van de buslijnen in stukjes worden gedeeld.

    In de tweede zitting zijn zijn thema’s weer anders: groottes van groepjes en groepen mensen, gesprekken tussen hen, manieren van voortbewegen (te voet, per fiets enzovoort) en houdingen (dwalend, zoekend, resoluut, zoekend enzovoort). Hij vraagt zich nu bovendien af hoe volledig zijn waarneming wel is, bijvoorbeeld als hij merkt dat een bromfiets die er pas nog stond, ineens weg blijkt te zijn zonder dat hij dat gezien heeft.

    Anders kijken
    Er gaan in alle zittingen dingen opvallen, waarbij je je als lezer afvraagt of Perec een grapje met je uithaalt. Het aantal ‘appelgroene 2cv’s’ neemt zo’n grote vormen aan dat het komisch gaat werken. Zo verstopt hij meer speelsigheden in zijn verslagjes: in cijfergrapjes zoals ‘…waarvan de vijf bridgespelers er vier drieklaveren zaten te spelen…’ en in ritmische zinnen als ‘Er rijdt een 86 voorbij hij is leeg / Er rijdt een 70 voorbij hij is vol’ en even verder ‘Een vrij lege 70 rijdt voorbij / een bijna volle 63 rijdt voorbij’. Dat blijft zich tijdens deze sessie herhalen.

    Op de tweede en derde dag (een zaterdag en een zondag) gaan veranderingen ten opzichte van de dag ervoor een rol spelen: licht dat anders is, verschillen in bewegingen en drukte. Hij lijkt nu meer te mijmeren dan te kijken. En ook nu weer zijn er de luchtigheden en humor. ‘Een man loopt met zijn neus in de lucht voorbij, / gevolgd door een man die naar de grond kijkt’. Of: ‘…niemand ziet de / bussen ooit langsrijden, behalve als hij zelf op / een bus staat te wachten, of als hij iemand bij  / een bus gaat ophalen, of als hij door de RATP / wordt betaald om ze te tellen’. En: ‘Een klein meisje, omgeven door haar ouders (of / door haar kidnappers) huilt’.

    De notatie hierboven (met slashes van mij; AA) geeft weer hoe Perec zijn waarnemingen bovendien giet in blanke verzen. Misschien koos vertaalster Kiki Coumans daarom wel bewust voor wat strikt genomen een taalfout is (‘aantal’ is eigenlijk enkelvoud) om zo het metrum te kunnen bewaren in:

    De duiven verroeren zich nauwelijks. Toch
    is het moeilijk ze te tellen (200 misschien);
    een aantal zitten op de grond met ingetrokken
    pootjes. Het is tijd voor hun toilet

    Perecs verslag van kijken naar het gewone is boeiende en poëtische literatuur, die soms doet denken aan de compositie 4’33’’ van John Cage, die duidelijk maakte wat er allemaal te horen is als het stil is. Gefluister, gemor, weglopende mensen bij de première in 1952, maar daarna gewaardeerd omdat blijkt dat stilte nooit hetzelfde is. Zoals Perec merkte dat zijn zien nooit hetzelfde was.

    Dromen
    In 1978 schreef Perec in Le Figaro in een essay (opgenomen in Ik ben geboren  dat in 2003 in Nederlandse vertaling – door Rokus Hofstede –  verscheen) dat hij zich in zijn boeken door vier vraagstellingen laat leiden. De eerste is hoe we naar de wereld van alle dag kijken. Daarop probeerde hij antwoorden te vinden in beschrijvingen als het hiervoor besproken Poging tot…, maar ook in Ruimten rondom en De dingen. De tweede vraag is die naar zijn eigen biografie met als bekendste W of de jeugdherinnering. De derde is de speelse variant die uitgaat van zelfgekozen beperkingen (contraintes) om zo de mogelijkheden van taal te ontdekken; dit betreft zijn werk in Oulipo, vergelijkbaar met het Opperlands bij ons. De laatste vraag gaat om het romaneske, waarmee hij experimenteerde in zijn verreweg beroemdste boek Het leven een gebruiksaanwijzing. De grenzen tussen deze vier vraagstellingen zijn overigens nooit star.

    In de tweede categorie, de eigen biografie, past ook het onlangs verschenen De duistere winkel. 124 dromen. Het bevat een zo sec mogelijke beschrijving van dromen van Perec van mei 1968 tot augustus 1972.

    De af en toe depressieve schrijver is verschillende keren onder psychiatrische behandeling geweest en de registratie van zijn dromen zal daar een uitvloeisel van zijn. De droombeschrijvingen volgen op een periode van ongeveer vijf jaar waarin hij vaak verbleef in een kunstenaarscentrum in de Moulin d’Andé in Dampierre. Die molen en de kunstenaars die er verbleven, zoals Niki de Saint Phalle, duiken veelvuldig op.

    Er liggen opvallende tijdsprongen tussen de dromen. Veertig ervan zijn uit de periode mei 1968 tot december 1970 (ruim 2,5 jaar) en liefst achtentwintig (vaak ook langere) uit de eerste vier maanden van 1971. Er ligt een merkwaardige cesuur na december 1970 als hij ineens drie dromen van slechts een paar regels invoegt van een zeker J.L. (waarschijnlijk zijn vriend Jack Lederer).

    Verwijzingen
    Natuurlijk zijn veel dromen lastig te duiden. Wat ze voor de lezer interessant maakt is dat Perec er stilistisch en qua scherpzinnigheid erg in aanwezig is, hoewel hij zich niet begeeft in interpretaties van zijn nachtelijke beelden. Als geheel spiegelen ze zijn moeite om de tijd in Dampierre achter zich te laten, zijn relaties met zijn vrouw Paulette Petras en zijn vriendin Suzanne Lipinska, eigenaresse van de molen van Andé. Maar er zijn ook linken naar zijn boeken. Zo heeft hij een paar keer een angstdroom dat in zijn La Disparition (de roman zonder de letter E) toch E’s zijn ontdekt. Maar de meest bijzondere droom op dit punt is toch wel nummer 46 uit januari 1971. Het is maar een korte beschrijving, die door Perec zelf deels is gecursiveerd (wat wil zeggen dat hij het een ‘bijzonder opmerkelijk element’ vond). Hij begint met: Concentratiekamp in de sneeuw of Wintersport in het kamp. De notitie wijst duidelijk vooruit naar W of de jeugdherinnering, dat in 1975 zou verschijnen.

    In de dromen herkennen we verder de humor en spitsvondigheid van Perec, zoals in de verwijzingen naar de kruiswoordpuzzels die hij bedacht en in het bijzonder in woordspelingen als in droom 103. Hij goochelt daarin in één zin met de dubbele betekenissen van contenance (‘houding’ en ‘inhoud’) en demi (‘half’ en ‘biertje’). Edu Borger vertaalt de zin met: ‘om me een hele houding te geven neem ik een halve inhoud: een pilsje’. Het origineel is gewoon niet te vertalen, stelt Borger in een noot spijtig vast.

    Perec schreef de dromen, zoals gezegd, sec en zonder duidingen uit. Toch deed hij er meer mee. Aan het slot van het boek voegde hij namelijk onder de titel Bakens en Havens een uitgebreide index toe op trefwoorden. Daarin vinden we de (regelmatig terugkerende) zaken waaraan hij kennelijk betekenis hechtte, van ‘achteruit’ tot ‘baard’, van ‘deksel’ tot het getal ‘drie’ en van de kleur ‘rood’ tot ‘sokken’.

     

  • Voor het eerst in Nederlandse vertaling

    Voor het eerst in Nederlandse vertaling

    De verteller en hoofdpersoon uit Patrick Modiano’s Nachtronde zou volkomen tevreden zijn geweest met een klein dorpje en een oude klokkentoren, zoals hij zegt, maar hij bevindt zich nu eenmaal in Parijs, een stad als een reusachtig Luna-Park, waar hij heen en weer wordt gesleept tussen schiettenten en achtbanen, tussen het Poppentheater en de Sirocco-draaimolens. Dit alles schijnbaar tegen wil en dank: Ik was voor al die dingen niet in de wieg gelegd. Ik had niemand ooit iets gevraagd. Ze waren me komen halen. Dit is wat we over zijn achtergrond te weten komen. Man zonder eigenschappen? Misschien. De persoon die zich schijnbaar willoos door de stad laat voortbewegen is in feite een dubbelspion, een louche verrader, die zich laat inhuren om informatie te verzamelen over groeperingen die elkaar op leven en dood bestrijden: enerzijds gangsters en zwarthandelaars die collaboreren met de Gestapo, anderzijds Franse officieren in het verzet. Nachtronde is de tweede roman van Modiano en tegelijk het tweede deel van zijn ‘oorlogstrilogie’. Het boek verscheen in 1969 voor het eerst als La ronde de nuit, werd niet eerder in het Nederlands vertaald.

    Eind jaren zestig, begin jaren zeventig riep het boek felle emoties op: de schrijver maakt geen onderscheid tussen goed en fout in de oorlog, zijn ‘held’ is een slapjanus zonder moraal die meehelpt bij het roven van joodse bezittingen en zich goed laat betalen om namen en adressen van verzetsmensen te verzamelen. Zijn zulke emoties inmiddels misschien een beetje gedempt? Niets is ‘zwart/wit’ bij Modiano. Je hebt niet meteen in de gaten wat er aan de hand is, wie de centrale personages zijn, wie bij wie hoort, wat er precies wordt gezegd. Zelfs de identiteit van de verteller lijkt onbestemd; hij wordt aangeduid als ‘jongetje’, maar ook als ‘prinses’, hij heet Swing Troubadour, maar ook Lamballe. Mystificaties alom. Ondanks de doodernstige context–bezet Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog–zijn de beschreven incidenten soms frivool. Geen oorlogshandelingen en geweld, maar feestjes, drank en absurde gesprekken. Dat was uitdrukkelijk de bedoeling. We zien het als Modiano ons door de stad voert. Nog een paar stappen. Links het theater Des Ambassadeurs. Er werd Nachtronde opgevoerd, een totaal vergeten operette.

    Bij een operette hoort parodie, voor sommigen is operette niet veel meer dan dat. Als de collaborateurs een feestje geven voor hun volgelingen worden en drankjes, sigaretten en petit-fours gepresenteerd, schaarse goederen in de oorlog. Tot de aanwezigen behoren markies Lionel de Zieff, baron Gaétan de Lussatz, Pols de Helder, Rachid von Rosenheim, Jean-Farouk de Méthode, Ferdinand Poupet, graaf Baruzzi, Micky de Voisins, Emprosine Marousi, barones Lydia Stahl en vele anderen–operettefiguren met bijpassende bezigheden en beroepen: pooier, driftkop, spion, magiër, homoseksueel prostitué, stripteasedanseres, kampioen gewichtheffen, bordeeleigenares, prinses, lesbienne. Ook Hitler doet mee.

    De verteller bevindt zich als dubbelspion tussen twee vuren, hij wil iedereen van dienst zijn maar moet met resultaten komen die  dood en verderf tot gevolg zullen hebben. Door dat besef krijgen de frivoliteiten van de operette wel degelijk scherpe kanten en dringt Modiano door tot vragen die ook vandaag de dag actueel zijn, misschien actueler dan ooit. Op een dag zouden ze me op zo’n manier het vuur aan de schenen leggen dat ik me, om ervan af te zijn, aan mijn beloftes zou moeten houden. De ‘vangst’ zou plaatsvinden. Ik zou eindelijk de benaming van ‘verklikster’ verdienen’. Soms vergeet hij dat hij geen toekomst heeft en dat hij ‘levend uit de nachtmerrie’ tevoorschijn zou kunnen komen. Hij mijmert over een mogelijk baantje als barman in een luxe hotel. Dat beroep is net zo ‘nobel’ als dat van arts of politieman. Achter de bar sta je beschermd, meent hij, en is iedereen je vriend omdat ze iets van je nodig hebben wat je direct kunt verschaffen: cocktails. Je schenkt in wat ze maar willen en na een paar glazen worden ze emotioneel en vragen ze om troost. Hitler smeekt je tussen twee hikken door om vergiffenis.

    Bij de ‘vloeibaarheid’ van Nachtronde past een onbeslist einde. Swing Troubadour ontvlucht Parijs, op de hielen gezeten door zijn opdrachtgevers uit de bende van collaborateurs, ze spelen kat en muis met hem–soms rijden ze vlak achter hem, dan laten ze hem weer een stukje vieren. Langs de weg staan rijen populieren. Eén onhandige beweging zou genoeg zijn. Ik blijf half slapend doorrijden.

  • Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Liefhebbers van Perec stond in 2012 een aangename verrassing te wachten. Éditions du Seuil besloot ter gelegenheid van de dertigste sterfdag van de schrijver diens Le Condottière uit te geven. Dat dit boek, één van de eerste onuitgegeven romans van Perec, bestond was bekend. Het was bij een verhuizing een tijd zoek geraakt nadat Gallimard publicatie ervan in 1960 had geweigerd. Nu is er ook de Nederlandse vertaling De Condottiere door Edu Borger, die in de jaren 90 van de vorige eeuw al drie andere romans van Perec voor Nederlandse lezers toegankelijk maakte.

    Waarom Gallimard de verschijning in 1960 niet zag zitten is gissen, want de roman is een waardige vertegenwoordiger van Perecs hele oeuvre. Alle thema’s van zijn latere werk zijn er al in aanwezig, soms prominent, soms in de kiem. Het duidelijkst geldt dat voor zijn obsessies met herinnering, identiteit, geworteldheid, leegte, ambities en het verschil tussen echt en namaak. Daarentegen zien we in De Condottiere nog nauwelijks de vormexperimenten, zoals de zelfgekozen beperkingen (‘contraintes’) die later zo kenmerkend voor hem worden. In de roman komen we al wel in embryonale vorm de autobiografische toespelingen tegen die in zijn hele oeuvre zo herkenbaar zijn.

    Maar eerst het verhaal in het kort.

    Gaspard Winckler raakt na een aanstelling tot restaurateur in een museum in Genève betrokken bij een netwerk van kunstvervalsers. Hij levert in opdracht van verschillende bazen twaalf jaar lang perfecte werken af. Tot hij van één van de kunsthandelaren uit het netwerk, Anatole Madera, de opdracht krijgt om een nieuwe Condottière te maken. Dat is de naam waaronder het doek  Portret van een man van Antonello da Messina uit 1475 bekend staat; het hangt in het Louvre. Winckler wordt gevraagd een schilderstuk te maken dat de expressie en de kracht van het origineel uitstraalt, maar géén kopie is. De vervalsers willen de wereld verbazen met de ‘ontdekking’ van een tweede portret van da Messina van dezelfde condottiere (een condottiere was in het Italië van de 14de en 15de eeuw een leider van huurlingen). Deze keer slaagt Winckler niet in zijn opdracht omdat de blik en de vastberadenheid van het voorbeeld hem confronteren met zijn eigen zelfbeeld. Langzaam beseft hij dat hij twaalf jaar lang een leven heeft geleid in de houdgreep van de handel in vervalsingen en nooit zichzelf is geweest. Hij faalt. En als dat besef hem in volle omvang aanvliegt vermoordt hij in een impulsieve daad zijn opdrachtgever Madera door hem in diens kantoor het hoofd af te snijden. Daarna sluit hij zich op in het aangrenzende atelier waar de Condottière op de ezel staat. Hij weet dat Otto Schnabel, de kamerheer van Madera, anderen uit het netwerk zal bellen om deze daad te vergelden. In grote haast en vervuld van een chaos aan gedachten graaft hij zich een weg naar de vrijheid en belandt bij zijn vriend Streten. Aan hem legt hij uit hoe zijn twaalf jaar als meester-vervalser zijn verlopen, voor welke keuzes hij stond en welke inzichten zijn daad en zijn falen hem hebben gebracht.

    Georges Perec (1936-1982) was kind van joodse ouders, die hij beide in de Tweede Wereldoorlog verloor. Vooral het verlies van zijn moeder en de Jodenvervolging komen in verschillende vormen terug in zijn werk, vooral in La Disparition (in het Nederlands vertaald als ’t Manco) en in W of de jeugdherinnering. Hij wordt lid van Oulipo (Ouvroir de Littérature potentielle, de Werkplaats voor potentiële literatuur), een genootschap van schrijvers (en puzzelaars) dat gelooft dat onvermoede creatieve bronnen kunnen worden aangeboord als je jezelf bij het schrijven strenge verboden en beperkingen (‘contraintes’) oplegt. Dit procedé beïnvloedt vooral de vorm van de romans van Perec, maar die vorm staat altijd in dienst van wat hij wil vertellen. Zo is La Disparition uit 1969 niet alleen een krachtproef om een boek te schrijven waarin de letter E niet voorkomt, maar ook een poging om uiting te geven aan het gevoel geen verleden te kennen waarin je geworteld bent. Hij vervatte de verbreking van de band met zijn joodse verleden (en lot) en met zijn vergaste moeder in verhalende vorm door de contrainte dat hij de meest voorkomende letter in zijn belangrijkste instrument, de taal, niet kon gebruiken.

    Voor wie De Condottiere nauwgezet leest zijn veel elementen uit later werk al te herkennen. Allereerst is er de hoofdpersoon Gaspard Winckler, die ook weer zal opduiken in W of de jeugdherinnering (1975) en in zijn omvangrijkste roman Het leven een gebruiksaanwijzing (1978), waarin hij de aquarellen van Bartlebooth verknipt tot bedrieglijke legpuzzels.

    We maken eveneens kennis met de stijlwisselingen die Perec vaak zal gaan toepassen. Al in de eerste twee pagina’s van De Condottiere wordt Wincklers verhaal bijvoorbeeld gedaan in drie persoonsvormen: de eerste, de tweede en de derde. Daarnaast wordt die geschiedenis op meerdere manieren verteld, eerst in de vorm van een monologue intérieur, daarna in een soort verhoor (zie hierna) en tenslotte in een korte documentaire beschouwing over da Messina en zijn schilderij.

    Bovendien wordt het boek aan de lezer voorgeschoteld als een legpuzzel. Tijdens het graven van een uitweg uit het atelier tuimelen de gedachten van Winckler als een chaotische waterval over de bladzijden: herinneringen aan zijn leven, de paniek om op tijd weg te komen, de ervaringen tijdens het schilderen, eerdere vervalsingen enzovoort. Er is voor de lezer nauwelijks een touw aan vast te knopen. Het dwingt je om terug te bladeren en zelf verbanden te leggen alsof je de stukjes van een legpuzzel op hun plek probeert te leggen. Dat is geen vreemde vergelijking als we bedenken hoezeer puzzels een rol in Perecs werk speelden. Het leven een gebruiksaanwijzing draait grotendeels om de al genoemde legpuzzel voor Bartlebooth. Maar het past evenzeer in de stelling van Perec die hij ooit in een interview verkondigde: ‘Schrijven is een spel dat je met zijn tweeën speelt’. Of, zoals Manet van Montfrans schrijft in haar prachtige Georges Perec, een gebruiksaanwijzing: ‘Zelden zal een oeuvre zozeer geschreven zijn geweest vanuit de behoefte om met de lezer een maatschappelijk duel aan te gaan’. In De Condottiere vergelijkt Gaspard Winckler zelf zijn werk aan de vervalsing ook enkele keren met een puzzel.

    Aan het eind van de roman blijkt aan het verhaal een heel precies tijdschema ten grondslag te liggen. Dat wordt vooral duidelijk als Winckler de gebeurtenissen aan Streten vertelt in een dialoog die veel weg heeft van een verhoor en een gewetensonderzoek. Dan vallen de puzzelstukjes voor de lezer heel precies in elkaar. Winckler begon, blijkt dan, in 1943 met zijn opleiding tot restaurateur en werd in 1947 vervalser. Twaalf jaar later, op 28 februari 1959 (het jaar vóór Perec de roman voltooide) vermoordt hij Madera. Zelfs het tijdstip wordt exact gegeven: om 3 uur.

    Tegenover Streten maakt hij duidelijk dat de karakterisering van de Condottière door da Messina hem confronteerde met zijn eigen gezicht en zijn eigen lafheid. Twaalf jaar lang had hij zich afhankelijk gemaakt van zijn opdrachtgevers en zijn eigen gevoelens genegeerd. Plotseling was er het inzicht dat hij zijn eigen leven diende te leiden. Als Streten hem bij herhaling vraagt of hij dan geen andere keuzes had kunnen maken, leidt dat tot het inzicht dat hij dat niet kon zonder Madera te doden:

    Ik leefde alleen dankzij hem, maar ik had de kracht in opstand te komen en hem te vermoorden, de kracht om me van hem te ontdoen… om me tegen hem te verzetten, tegen alles wat van hem afkomstig was, zijn hulp, zijn vergiffenis, zijn poen, zijn voedsel en zijn begrip… Hij zwierf als een gier om mij heen, maar ik heb hem de nek omgedraaid, ik heb hem de strot afgesneden… Hij maakte me het leven mogelijk, maar ik bestond niet. Ik was de gevangene van mezelf, maar hij was teveel cipier.

    We herkennen in De Condottiere ook al biografische gegevens van Perec. Het is niet toevallig dat Winckler zijn carrière begint in 1943 (het jaar waarin Perecs moeder naar Auschwitz werd gedeporteerd) en dat hij geen contact met zijn ouders meer heeft (die van Winckler leven nog wel – in tegenstelling tot Perecs eigen ouders –, maar hij weet zelfs niet waar ze wonen).

    ‘Heb je je verleden nodig om te kunnen leven?’, vraagt Streten hem. Winckler reflecteert daar een paar pagina’s later op met: ‘Het [vervalsersleven] was een raar bestaan. Zo ontzettend onecht. (…) Een leven zonder wortels. Zonder bindingen. Met als enige verleden het verleden van de wereld, abstract en verstard, als een museumcatalogus. Een bekrompen wereld. Een kamp. Een getto’.

    Een dergelijk citaat brengt je onmiddellijk bij een existentiële kwestie in het leven van Perec zelf. Die deed in zijn werk verwoede pogingen (onder andere in de verzamelbundel Ik ben geboren) om persoonlijke herinneringen minutieus te beschrijven. Hij wil op die manier vat krijgen op zijn leven omdat hij het gevoel heeft alleen die ‘museumcatalogus’ ter beschikking te hebben van de wereld waarin zich dat leven moet hebben afgespeeld. En hoe opvallend is in bovenstaand citaat niet de keus voor woorden als ‘een kamp’ en ‘een getto’ in het licht van de Jodenvervolging die Perecs familie trof?

    De keuze voor Le Condottière van Antonello da Messina als uitgangspunt voor de vervalsing is al evenzeer deel van Perecs eigen leven. We weten dat hij diep onder de indruk was van het doek en het vaak ging bekijken in het Louvre. De prachtige beschrijving ervan op pagina 135 en volgende van de roman geeft zijn eigen persoonlijke beleving weer. Een reden temeer voor zijn identificatie met het doek is een klein detail, een litteken op de bovenlip van de condottiere. Perec had in zijn jeugd zelf een dergelijk litteken overgehouden aan een ruzie met een medeleerling tijdens het skiën. Niet voor niets verwijst Winckler in de roman dan ook een paar keer naar een skivakantie uit zijn jeugd.

    Inderdaad: De Condottiere is volkomen terecht alsnog toegevoegd aan de beschikbare romans van Perec.

     

    De Condottiere

    Auteur: Georges Perec
    Titel: De Condottiere
    Vertaald door: Edu Borger
    Uitgever: De Arbeiderspers (2014)
    Prijs: € 15,00