• Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Wie dolt hier met de dood?

    Wie dolt hier met de dood?

    Er zullen weinig boeken zijn die de lezer zo gepreoccupeerd openslaat als Zelfmoord van Édouard Levé. Kort nadat de auteur het manuscript van deze persoonlijke reflectie op de suïcide van een vriend aan zijn uitgever had gestuurd, hing hij zichzelf op. Met die wetenschap, die in flapteksten bij het origineel en in vertalingen wordt vermeld, ontkomt de lezer er niet aan het verhaal te willen interpreteren in het licht van die daad van de schrijver zelf. Was het boek een bewuste voorbereiding op zijn eigen zelfmoord? Ontstond zijn doodswens pas door wat hij opschreef? Of kwam die pas op toen hij de pen had neergelegd?
    Zelfmoord kent tal van passages die het verleidelijk maken er antwoorden in te lezen. Maar ook wie probeert dat niet te doen heeft een intrigerend boek in handen.

    Levé valt in Zelfmoord met de deur in huis: ‘Op een zaterdag in augustus kom je in tennistenue met je vrouw het huis uit. Halverwege de tuin geef je te kennen dat je je racket bent vergeten. Je gaat het halen, maar in plaats van naar de wandkast in de hal, loop je naar de kelder. Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon. Een paar tellen later hoort ze een schot’. De vroegere vriend heeft zich twintig jaar geleden doodgeschoten. Hij was 25 jaar.
    Drie dagen nadat Levé het manuscript op 5 oktober 2007 had ingeleverd belde de uitgever om een afspraak te maken voor de 18de. Drie dagen vóór die datum hing de auteur zich op. Hij was 42 jaar.

    Knikkers

    Toen de vrouw van de protagonist van Zelfmoord hem vond lag een stripboek geopend op tafel. Ze stootte het per ongeluk dicht, zodat het een raadsel bleef of dat open boek misschien als een laatste boodschap was bedoeld.
    Levé richt zich tot zijn vriend in de tweede persoon: ‘Je weet nu meer over de dood dan ik’. Hij doet dat in één lange, heen en weer springende, terugblik op diens omgang met het leven en de dood: ‘In mijn hoofd kom je tot leven in toevallige details, als knikkers die we uit een zak graaien’. Zo kunnen we al lezend geleidelijk een portret van de man krijgen: hij hield zich altijd afzijdig, was afstandelijk, somber, traag, immobiel, slim, kunstzinnig, lichtvoetig. De afstandelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit hoe Levé over de entourage van zijn vriend schrijft. De enige namen die in het boek worden genoemd zijn die van een lid van een vroegere schoolband en van een kennis die een barbecue geeft. Hoe de vriend zelf heet komen we niet te weten. Zijn ouders, broer en zus, zijn vrouw en andere intimi krijgen geen naam en blijven daarmee anonieme figuren.

    Omgekeerd lijken zijn naasten evenmin goed te weten hoe ze met zijn dood moesten omgaan. Tijdens de begrafenis krijgt zijn broer een zenuwtoeval en valt zijn zus flauw: ‘Twee verwilderde dieren in het verdriet van je uitvaart’. De moeder kan niet ophouden met huilen en de vader, door wie de vriend zich vernederd voelde, vlucht in schuldgevoel: hij prent maniakaal de hele tekst van het stripboek in zijn hoofd op zoek naar de geheime boodschap die er wellicht in lag.

    Verzamelingen

    Levé tekent zijn vriend aan de hand van korte scènes uit de tijd dat hij hem gekend heeft. Ze vertonen enkele steeds terugkerende trekken. Liever dan over zichzelf te vertellen is hij toehoorder: ‘de vragen die je stelde, dienden om je achter het luisteren te verschuilen’. Er zijn diverse toespelingen op de omgang van de vriend met verleden, heden en toekomst: ‘het heden was je tot last’. Veelvuldig is er het gedrag waarmee hij grip wil krijgen op wat er gebeurt en op de werking van het geheugen. De vriend verzamelde achternamen, bewaarde al zijn agenda’s en herlas die, in een boekje hield hij bij wat hij allemaal had kunnen doen (wie iets meer van Levé weet moet onmiddellijk denken aan zijn Oeuvres, waarin hij ideeën voor meer dan vijfhonderd werken opsomt die nooit zijn gerealiseerd) en zelfs had hij een agenda waarin hij de dagen tot zijn dood alvast invulde. En vooral zijn er de verwijzingen naar zelfmoord. Hij bezocht een concert waarin de zanger zijn polsen doorsneed, hij kocht tweedehands schoenen die van een zelfmoordenaar blijken te zijn geweest, en hij ontwierp zijn eigen grafzerk die hij voorzag van een sterfdatum als een bizar spel met degene die de zerk zou zien: ‘Niemand anders dan jij haalde het in zijn hoofd om te dollen met de dood’, schrijft Levé.

    Alter ego?

    Wat de vertelstijl betreft valt op hoe veel Levé van Georges Perec heeft opgestoken. De keuze voor de tweede persoon (‘je’) en de willekeurige wandelingen door de stad doen erg sterk denken aan Perecs Een man die slaapt; de behoefte om verzamelingen en inventarissen aan te leggen zou zo in diens Ik ben geboren kunnen staan. En Levé gebruikt voor verlaten, vervallen plekken zelfs letterlijk de term non-lieu (door Vandenberghe enigszins hybride vertaald met ‘non-plaats’) die Perec bezigde voor de restanten van de immigratiegebouwen op Ellis Island.

    Zoals in het begin al opgemerkt is het lastig Zelfmoord te lezen zonder er verwijzingen in te willen zien naar Levé’s eigen einde. Daarover is in de kritiek veel gespeculeerd. Een interessante gedachte – maar ook niet meer dan een idee – is die dat allerminst zeker is dat de vriend echt geleefd heeft; hij zou een fictief personage kunnen zijn, een alter ego van Levé (onder andere in de op internet beschikbare studie Une analyse des jeux narratologiques dans l’œuvre troublante d’Édouard Levé). In dit verband is opvallend dat Levé, die fotograaf was, zichzelf ooit portretteerde als tweeling.

    Ook zonder het beslissende antwoord is Zelfmoord een boeiende vertelling waarin menige verwijzing naar Levé’s eigen leven en werk zijn te vinden. Het begint al op de omslag van het boek: een door hemzelf gemaakt pointillistisch portret. Zelfmoord maakt nieuwsgierig naar meer van hem, zoals zijn Homonymes waarin hij gewone mensen portretteert die dezelfde naam hebben als een beroemdheid, of zijn Pornographie waarin hij mensen fotografeert in scènes uit pornografische films met dien verstande dat ze hun dagelijkse werkkleding dragen. Op Google zijn diverse afbeeldingen te vinden.

     


    Als u behoefte heeft om te praten over zelfdoding kunt u bellen met de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of kijk op www.113.nl.

     

  • Oogst week 41 – 2021

    Het Martyrium

    Het Martyrium van Elias Canetti is sinds de eerste Nederlandse vertaling uit 1967 altijd wel verkrijgbaar geweest. Dat gold tot kort geleden alleen nog voor de uitgave in de stijlvolle Perpetuareeks. Voor wie de prijs daarvan een bezwaar was is er nu van dezelfde uitgever een zeer betaalbare achtste druk, net als alle vorige vertaald door Jacques Hamelink. Canetti schreef de roman met de Duitse titel Die Blendung (Verblinding) volgens eigen zeggen in één jaar in 1930. Het werk verkocht pas goed sinds de jaren zestig.

    Het Martyrium is een allegorie over het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad. De wereldvreemde sinoloog Peter Kien, die volledig opgaat in zijn boeken, trouwt met zijn lelijke huishoudster Therese Krumbholz. Zij stort hem, louter belust op zijn geld, in het ongeluk. Het leidt er zelfs toe dat hij zijn huis wordt uitgezet. Zijn leven blijft zich echter rond boeken en bedrog afspelen en culmineert in de beroemde scène waarin hij zijn eigen bibliotheek en uiteindelijk zichzelf in brand steekt. Een nog altijd beklemmend en aansprekend boek.

    Het Martyrium
    Auteur: Elias Canetti
    Uitgeverij: Athenaeum

    Zelfmoord

    De Franse schilder, fotograaf en schrijver Edouard Levé verhing zichzelf op 15 oktober 2007 in zijn appartement. Hij was 42. Tien dagen ervoor had hij het manuscript van zijn roman Suicide ingeleverd bij zijn uitgever.

    De nu in het Nederlands als Zelfmoord vertaalde roman (novelle) vertelt het verhaal van een 25-jarige man, waarschijnlijk een vroegere vriend van de schrijver hoewel hij in de roman naamloos is, die met zijn vrouw wil gaan tennissen. Plotseling zegt hij haar dat hij thuis iets vergeten is. Zodra hij weer binnen is hoort ze een knal. Hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Er wordt betwijfeld of hij met Zelfmoord een signaal afgaf voor zijn eigen plannen om een eind aan zijn leven te maken. De coïncidentie tussen de roman en de dood van de auteur is niettemin op zijn minst intrigerend.

    Zelfmoord
    Auteur: Edouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De hooier

    ‘Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier’. Het is de eerste zin van de derde roman van Ricus van de Coevering, die in 2007 veelbelovend debuteerde met Sneeuweieren. Zeven jaar later volgde Noordgeest en nu, weer zeven jaar later, is er De hooier.
    Timo zit die laatste keer te wachten op de uitslag van zijn vwo-examen en besteedt de tijd tot het verlossende telefoontje aan een terugblik op zijn leven. Daarin deed zich het ongeluk voor van Ruben, zijn broer met een verstandelijke beperking. Diens dood greep in de verhoudingen binnen het gezin diep in.

    Op een dag sloeg boer Horssen met de hooier achter zijn Fordson Dexta Ruben een blauw oog in plaats van hem te betalen voor een klusje. Timo was weggerend. ‘Ruben had wraak willen nemen, Ruben wel, hij had het nog gedurfd ook als hij de kans gekregen had, maar het ongeluk was kort daarna’.

    De hooier
    Auteur: Ricus van de Coevering
    Uitgeverij: Atlas Contact