• Zomerboeken 2018 – Het andere Amerika

    Zomerboeken 2018 – Het andere Amerika

     

     

    This Boy's Life

    Deze zomer ga ik een stukje van de VS bekijken, die gigantische plak land die minstens 5 landen is. Eerst rondrijden in de staten Washington, Oregon, California en Nevada, dan een weekje New York. Ik lees graag Amerikanen, met name verhalen: voor Raymond Carver, John Cheever, Charles Bukovski, John Fante, James Salter kun je me ’s nachts wakker maken. (Of als ik nog niet sliep, is er een goede kans dat ik die toevallig aan het lezen ben.) Hier noem ik 5 meesterwerken (en stiekem 17, als je streng bent.)

    Tobias Wolff – This Boy’s Life
    Het drong maar zeer langzaam tot me door toen ik op aanbevelen van ‘Steinz’ reisleesgids’ dit typische Oregon boek las, dat ik de film al had gezien. Wolff is een beetje ‘white trash’, een moeilijk jeugd met een hoop narigheid en dat hij er echt bovenop komt weet je door de rest van zijn geschiedenis. Zijn jonge jaren tonen een mooi en in zekere zin typisch Amerikaans plaatje van gerommel in de marge. Wolff is een technisch geweldig schrijver, knap is dat hij steeds het midden bewaart tussen sympathiek en helemaal niet sympathiek. Het betere Amerikaanse memoir.

     

    This Boy's Life
    Auteur: Tobias Wolff
    Uitgeverij: Bloomsbury Publishing PLC

    Romeinse koorts

    Edith Wharton – Romeinse koorts
    Het kwam als een schok, de eerste Wharton die ik las! Dit was Virginia Woolf in Amerika. Zo intelligent, zo geraffineerd goed geschreven! Met Lisette Graswinckel als vertaalster maakte ik een selectie van de verhalen om uit te geven, het boek verscheen bij Van Oorschot. Schitterend inzicht in de upper class in het New York van rond de vorige eeuwwisseling. Je kunt Wharton blijven lezen.

     

    Romeinse koorts
    Auteur: Edith Wharton
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Travels with Charley

    John Steinbeck – Travels with Charley
    Steinbeck reist in 1960 door de VS, een rondje tegen de klok in. Twee jaar later ontvangt hij de Nobelprijs. Dit is mooie reisliteratuur, niet overladen met feitjes, maar een schitterend rustig betoog over Amerika, deels besproken met Charley, de poedel van zijn vrouw die voorkomt dat John al te eenzaam wordt in zijn camper. Geert Mak reisde deze tocht na en schreef Reizen zonder John, eveneens aanbevelingswaardig. Hier meer.

     

    Travels with Charley
    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Penguin Books Ltd

    Specimen Days

    Whalt Whitman – Specimen Days
    Ook een Amerikaanse revelatie waren Leaves of Grass van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Kende u het niet probeer het eens, al is het alleen maar om de Nederlandse poëzie te leren kennen, een stuk of dertig dichters vertaalden allen een stuk van dit geweldige vitale meesterwerk van de Amerikaanse poëzie. Hier schreef Literair Nederland er al eens over: https://litned.hollands-spoor.com/2715/

    Whitman schreef zijn memoires op in Specimen Days. Je loopt met Whitman over het Long Island van rond 1859, toen het nog met name grasland was, en je helpt mee de gewonden op veldbedden te krijgen in Washington, na een grote slag in de Amerikaanse Burgeroorlog. De kracht van Whitman is dan steeds een soort verwondering over wat hij allemaal meemaakt en ziet, een schitterende toon van een man met wie je graag bevriend had willen zijn. Te verschijnen in de vertaling van René Kurpershoek voorjaar 2019, Van Oorschot.

     

    Specimen Days
    Auteur: Walt Whitman
    Uitgeverij: General Books

    McSorley's wonderbaarlijke saloon

    Hier zal ik kort over zijn, en verwijzen naar een paar stukjes waar ik er meer over uitwijd en lyrisch over ben. Ik houd zeer van dit boek, portretten van gewone bijzondere New Yorkers, literaire antropologie, indianen, kermisklanten, alcoholisten in het interbellum aan de rafelranden van New York, fraai vertaald door Dirk Jan Arensman.

    Wie naar mijn idee bijna ondergesneeuwd is in het landschap van de Amerikaanse literatuur is John Irving. Toch zijn zijn meesterwerken The World According to Garp en The Cider House Rules en een paar andere, echt geweldig. Zo leerde ik Amerika kennen. Ook Jonathan Franzen noem ik graag als de  schrijver van echte Great American Novels. En heb ik Amerika beter leren kennen door erg van Paul Auster te houden. Nu ga ik eerst maar eens kijken of er nog genoeg van Amerika te houden is onder The Donald die als eigenzinnige kwaliteit minstens heeft dat hij er weinig om maalt of hij wel aardig gevonden wordt. Een man als Babbitt van Sinclair Lewis dus, nog zo’n Amerikaanse grootheid, zodat ik er met Thomas Wolfe (Daal neder, Engel) en Sherwood Anderson (Winesburg, Ohio) nog net op de valreep een paar Amerikaanse klassiekers ingefietst krijg.

    In Amerika is het Nooit Genoeg!

    McSorley's wonderbaarlijke saloon
    Auteur: Joseph Mitchell
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Fijngevoelige portretten

    Fijngevoelige portretten

    Romeinse koorts is een bundeling van verhalen van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton (1862-1937). De meeste verhalen gaan over rijke vrouwen die worstelen met onzekerheden over hun sociale status of de visie van hun man of minnaar op hen. Ze voelen zich afhankelijk van de mening van de ander.

    Als een schets van de sociologische laag waartoe de personages behoren is Romeinse koorts zeer geslaagd. Wharton weet empathie op te wekken voor de veelal verwende figuren uit haar teksten die niet lijken te beseffen hoe bevoorrecht zij zijn.

    De personages uit deze bundeling lijken zich in het geheel niet te schamen voor hun rijkdom of voor het gegeven dat zij personeel in dienst hebben: dat wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. Het zou zeker wat hebben toegevoegd als Wharton extra aandacht had besteed aan het perspectief van de ‘bedienden.’  Slechts in twee of drie verhalen staat de wisselwerking tussen personeel en werkgever/werkgeefster centraal.

    Soms is het stramien waarop de verhalen zijn gebaseerd iets te duidelijk zichtbaar, is de vertelkunst van Wharton te nadrukkelijk. Zo wordt in het titelverhaal wel erg duidelijk toegewerkt naar een pointe in de slotzin. Verder spelen zaken als de ziekte van een compagnon, immobiliteit als gevolg van een val, of het medische verbod wijn te drinken een belangrijke rol in de teksten: deze gegevens maken de plot van het verhaal telkens mogelijk, het is te duidelijk dat de schrijfster ze puur met die reden introduceert.

    De verhalen ‘Granaatappelpitjes’ en ‘Allerzielen’ hebben een bovennatuurlijke thematiek die een welkome afwisseling vormt op de andere teksten waar het gaat om een aards realisme, aangaande status, liefde en afhankelijkheid. Deze beide verhalen laten zien dat Wharton vele facetten van het schrijverschap beheerst, wat ook blijkt uit het slotverhaal van deze bundel, ‘Xingu.’ Daarin betoont ze zich een groot humoriste in haar beschrijving van een ontmoeting van een snobistische lunchclub van niet al te snuggere vrouwen.

    De verhalen zijn goed vertaald door Lisette Graswinckel, zodat ook de stijl tot zijn recht komt. Niet alle in deze stijl gevatte inzichten spreken echter voor de moderne lezer nog tot de verbeelding. Een zin als ‘Niets is voor een man ondoorgrondelijker dan het denkproces van een vrouw die vanuit haar emoties redeneert’ (213), neigt naar het clichématige, al mag er natuurlijk niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de visie van het personage die van Wharton is. Veel interessanter is de volgende passage over twee ongetrouwde geliefden: ‘Ik denk weleens dat twee mensen die elkaar liefhebben alleen voor waanzin behoed worden door alles wat tussen hen in komt te staan –kinderen, verplichtingen, bezoekjes, saaie mensen, familie – alles wat getrouwde mensen van elkaar afschermt. We zijn elkaar te na geweest, dat was onze zonde. We hebben elkaars naakte ziel gezien.’ (228) Ook mooi is de volgende beschrijving van een man die contempleert over het gegeven dat zijn vrouw twee maal eerder getrouwd is geweest: ‘Hij bezat aandelen in de persoonlijkheid van zijn vrouw, en zijn voorgangers waren zijn zakenpartners.’ (252)

    Elk verhaal uit deze bundeling is de moeite waard. Wharton komt met fijngevoelige portretten van de personages, waarbij de subtiliteiten die de menselijke levensvorm zo boeiend maken – deze is zo veel meer dan slechts een ontspoorde aap – goed uit de verf komen. Ze laat zien dat onzekerheid over relaties en sociale conventies van alle tijden zijn.

     

     

  • Romeinse koorts

    Romeinse koorts

    Ik was alleen in mijn zolderkamer met mijn koortsaanvallen. Wanneer de koorts voor een moment geweken was, nam ik de dingen om me heen waar met een klaarheid die ik in het dagelijkse leven ontbeerde. De gordijnen voor het raam, een karaf water naast mijn bed, een drinkglas, een boek; Romeinse koorts van Edith Wharton. Alles lag en stond precies waar het staan en liggen moest,  ik hoefde er niets aan te veranderen. En daar, in dat perfecte beeld, stapte de dokter, die nooit ons huis bezocht, op stevige wandelschoenen mijn zolderkamer binnen.
    Hij stak mij zijn hand toe en zei: ‘Ha, Romeinse koorts. Dat heeft mijn vrouw ook. Goed Boek?’, beide woorden met hoofdletters uitsprekend. Ik zei: ‘Het is Meesterlijk’. Omdat ik het een mooie geste vond, opende ik het boek en las hem, slechts met een enkel kuchen onderbroken, de openingszin van het titelverhaal voor:

    Twee al wat oudere, maar goed verzorgde Amerikaanse dames liepen van het tafeltje waaraan zij de lunch hadden genoten naar de overkant van het imposante terras van  het Romeinse restaurant, waar ze, leunend op de balustrade, elkaar even aankeken en toen met eenzelfde blik van onbepaalde maar welwillende goedkeuring uitzagen over de uitgestrekte pracht van de Palatijn en het Forum.

    ‘Hm, hm,’ humde de dokter, ‘prachtige zin,’ waarna hij zich vervolgens afvroeg hoe een blik van ‘onbepaalde maar welwillende goedkeuring’ er uitziet. ‘Ja’, zei ik, ‘dat kunt u zich nu wel afvragen maar het mooiste is om je bij zulke zinnen niets af te vragen. Ze er gewoon te laten zijn.’ ‘Ah, ik zie het al, zei de dokter. Dit is duidelijk een geval van grensvervagende observaties.’ Het duizelde me  en ik liet me achterover in de kussens zakken. De dokter greep mijn koortsige hand en telde mijn polsslag waarna hij vervolgde: ‘Niemand geniet van lange openingszinnen. Ik voor mijzelf, ik houd er wel van. Mijn vrouw ook, vermoed ik, maar in mijn praktijk en kennissenkring ken ik niemand die het heeft op lange zinnen. Het moet tegenwoordig allemaal kort en vooral niets verbloemend zijn. Zodat er aan eigen beeldvorming niets hoeft te worden overgelaten.’ Hij nam Romeinse koorts ter hand en las me op zijn beurt een passage voor,… tot ik door slaap overmand werd.

    Ik ontwaakte opnieuw toen Mijn lief binnenkwam met een kommetje yoghurt. Ik vertelde hem over de lange vriendschap tussen twee oudere Amerikaanse dames. Dat ze die hele vriendschap lang een ernstig geheim, ieder voor zich, met zich meegedragen hadden. Dat het verhaal zo Meesterlijk goed in elkaar zat. En dat een lange zin je de tijd geeft om het beeld dat opgebouwd wordt en weer  verandert, waar heden, verleden en toekomst in verborgen zit, in eigen tempo kunt laten ontstaan. En dat de vrouw van de dokter ook Romeinse koorts heeft…. Hij legde een koud washandje op mijn voorhoofd en vroeg: ‘Welke dokter?’

     


    Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.