• Wonderschone verhalen

    Wonderschone verhalen

    In de vroege ochtend reden we met de Lelijke Eend naar een recreatiemeer op zeventien kilometer afstand. Gisteren kochten we zomerschoenen, die behoorlijk prijzig waren. Terwijl we langs bosranden reden met af en toe een opening met zicht op een akker met jonge aanplant, spraken we af dat we vandaag geen cent zouden uitgeven. We hadden brood met schapenkaas en rucola mee, en een fles water. Later, toen we langs een soort slotgracht reden, kon ik me opeens voorstellen dat als ik de dingen niet goed meer zou weten gelijk zoals je als baby de dingen nog niet wist, ik vaak met de Lelijke Eend zou willen worden rondgereden. In de Eend voelt rijden als op reis gaan, ook als de bestemming niet ver is. Ik sprak mijn gedachte uit, hij lachte, zei dat het goed was. We zetten de auto op de parkeerplaats van een restaurant waar bij de ingang een bord stond dat hier alleen gasten van het restaurant mochten parkeren. We haalden onze tassen uit de auto en liepen naar het strandje waar je zonder badkleding het water in kunt. 

    We liepen langs een weide waar uitheemse runderen graasden, aan de andere kant van de wei lag het meer er prachtig bij. Het strandje dat wij voor ogen hadden, was nog een flink eind lopen, het was warm. We keken elkaar aan, gingen door het klaphek dat de runderen binnenhoudt, de wei in. Aan de waterkant legden we onze spullen in het gras, keken om ons heen en doken het water in. Het was heerlijk, we zwommen een flink stuk, kwamen niemand tegen. Daarna zaten we op onze handdoeken en aten het brood met schapenkaas en rucola. Toen nam ik het boek Hoe ik de vissen ontmoette, van de Tsjechische schrijver Ota Pavel uit mijn tas, me enthousiast aangeraden door een vriend. Op een ochtend appte hij me ‘Ken je dit al?’ met de cover van het boek. Hij sprak over, ‘wonderschone verhalen in prachtig proza over vissen’ en, ‘de diepe verbondenheid met de natuur’. Enthousiasme van een vriend moet immer gehonoreerd worden, ik kocht het boek.

    Misschien omdat ik aan een meer zat, of door het zonlicht op het wateroppervlak waarboven talloze libellen scheerden, of de wind die langs bomen en struiken streek waardoor de verhalen van Pavel zich zo perfect lieten lezen dat ik na elk verhaal opkeek, als zou de wereld veranderd zijn. Het waren prachtige verhalen waarin, zonder dat triestige zaken benoemd werden, er toch sprake was van een bepaalde droefheid. Ik moest denken aan Het dikke schrift van Ágota Kristóf, verhalen die je door hun zuiverheid en heftigheid overmannen. Pavel vertelt over zijn leven met een stem waaraan je gekluisterd raakt. Hij schreef ze in de perioden dat hij, geplaagd door een bipolaire stoornis, in inrichtingen verbleef. Een verhaal begint zo: ‘We gingen hout sprokkelen.’ Een onderneming met de hele familie. ‘Ik liep stil achteraan in de familieoptocht om alles te zien en niets van mijn leven te missen.’ In al zijn verhalen is hij de stille toeschouwer van zijn leven, dat hij in, ja, ‘wonderschone verhalen’ heeft beschreven. En die vissen, nog nooit iemand zo liefdevol over vissen horen spreken. Ota Pavel leefde van 1930 tot 1973. Lees dit boek!

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • Oogst week 12 -2023

    De Zanzibardriehoek

    De boeken van historicus Martin Bossenbroek hebben een vaste insteek: altijd vanuit de standpunten van betrokken hoofdpersonen. Op deze manier heeft hij al een groot aantal toonaangevende boeken over belangrijke perioden uit de hedendaagse wereldgeschiedenis geschreven.

    In zijn waarschijnlijk bekendste boek De Boerenoorlog bijvoorbeeld (dat de Tweede Boerenoorlog van 1899- 1902 behandelt) verplaatst hij zich in alle partijen en volgt hij drie belangrijke personen op de voet: de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Engelse oorlogsverslaggever Winston Churchill en de Boerencommando Deneys Reitz.

    In zijn andere boeken, bijvoorbeeld Fout in de Koude Oorlog (Nederland in tweestrijd 1945-1989), en De wraak van Diponegoro (Begin en einde van Nederlands-Indië) gaat hij op eenzelfde manier te werk.

    Met De Boerenoorlog won hij in 2013 de Libris Geschiedenis Prijs. Hij is daarnaast vele malen genomineerd geweest voor verschillende prijzen.

    Onlangs is van hem De Zanzibardriehoek verschenen met als ondertitel ‘Een slavernijgeschiedenis 1860-1900’.
    Het vertelt over de geschiedenis van de Oost-Afrikaanse mensenhandel in Zanzibar die onder Britse dwang in 1873 wordt afgeschaft waarna Zanzibar een Brits protectoraat wordt.
    In dit boek beschrijft Bossenbroek de laatste episode in deze slavernijgeschiedenis, ook weer vanuit direct betrokkenen, in dit geval o.a. David Livingstone, de bevrijde slaaf James Chuma, Sultan Barghash, slavenhandelaar Tippu Tip en de diplomaat John Kirk.

    De Zanzibardriehoek
    Auteur: Martin Bossenbroek
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    Hoe ik de vissen ontmoette

    De Tsjechische schrijver Ota Pavel, geboren als Ota Popper (1930-1973), was journalist, sportverslaggever en schrijver. Hij wordt geroemd om zijn korte verhalen en autobiografische romans.

    Een bipolaire stoornis betekende het einde van zijn carrière als sportverslaggever en later ook als journalist. Hij zou regelmatig worden opgenomen in een inrichting. Wrang is dat er wordt gezegd dat hij juist in die periodes het meest creatief was en hij toen zijn mooiste boeken geschreven zou hebben.

    In Hoe ik de vissen ontmoette schrijft Ota Pavel aanvankelijk over zijn onbezorgde jeugd in Tsjecho-Slowakije, een tijd waar door de inval van de Duitsers bruut een einde aan komt. Zijn vader en twee broers worden naar het concentratiekamp afgevoerd en Ota voelt zich verantwoordelijk voor de voedselvoorziening van de rest van het gezin en steelt de door de Duitsers gevorderde karpers terug.

    Op de flaptekst omschrijft de uitgeverij het als volgt: ‘De ontroerende verhalen over de strijd van zijn sprankelende vader om voor zijn gezin te zorgen en over de heroïsche vindingrijkheid van de jonge Ota Pavel, zijn boven alles een gepassioneerd en aangrijpend pleidooi voor leven, liefde, vrijheid en vissen.’

    Hoe ik de vissen ontmoette
    Auteur: Ota Pavel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    Onder het Luchtspoor

    Jonge, talentvolle kunstenaars kraken in de jaren tachtig van de vorige eeuw samen een leegstaand pand in Rotterdam. Ze leven van de bijstand in een tijd van grote woningnood en jeugdwerkeloosheid. Zij hopen op succes, verwachten dat ook, maar zijn onvoldoende in staat hun talent tot bloei te laten komen. Een van hen is fotograaf Arend Zwart die na een aantal mislukte studies weer is teruggekeerd naar zijn geboortestad.

    ‘Na een kansloos avontuur aan de Faculteit der Aardwetenschappen en twee halverwege afgebroken studies op kunstacademies elders in het land keer ik noodgedwongen terug naar de stad waar ik ben opgegroeid.’
    Zo begint Onder het Luchtspoor. De toon is gezet.

    Peter Swanborn (1963) is vooral bekend als dichter. Onder het Luchtspoor is zijn prozadebuut.

    Onder het Luchtspoor
    Auteur: Peter Swanborn
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium (2022)
  • Ik wil zijn!

    Ik wil zijn!

    Voor de mensen die onder de communistische regimes in Oost-Europa hadden geleden en zich een paar weken bevrijd voelden na de Val van de Muur, openbaarde zich al snel de nieuwe werkelijkheid die in bezits- en klassenverhoudingen weinig onderdeed voor de vorige. De oude bazen hadden zich gewoon een nieuw maatkostuum aangemeten en gingen vervolgens op de oude vertrouwde voet verder.

    Dit is het thema in de onlangs in het Nederlands verschenen jongste roman van de Tsjechische schrijver Jaroslav RudišHet volk boven. Rudiš werkt dit uit aan de hand van het hoofdpersonage Vandam: ‘Ik word zo genoemd omdat ik me net als Vandam tweehonderd keer kan opdrukken.’
    De Belgische actieheld Jean-Claude van Damme transformeert in Rudiš’ roman tot een anti-held die in het post-communistische Tsjechië zijn plaats niet heeft kunnen vinden, evenals zovelen van zijn landgenoten.
    De plaats die Vandam in de maatschappij inneemt wordt vooral bepaald door diens afwijzing van de nieuwe, heersende moraal of ideologie: ‘Ze maken je wijs dat je gelukkig moet zijn en altijd breed moet lachen en opgeruimd en attent en aardig moet zijn’, zegt hij in een lange monoloog tegen zijn zoon, van wie Vandam hoopt dat die in zijn voetsporen zal treden.
    ‘Ze maken je wijs dat alleen wie schulden maakt, bestaat. Als je schulden maakt, heb je een toekomst, omdat je moet afbetalen. Opeens is er plek voor jou op deze wereld.’

    Vandam wil en kan daar niet aan meedoen. Hij heeft andere ideeën over de waarden in het leven. Want loopt de meerderheid niet opnieuw in het gareel, zoals ten tijde van de communistische dictatuur? Die is ingeruild voor de totale consumptiemaatschappij, maar de dwang om in het gareel te lopen is gelijk gebleven. Niet meedoen, betekent sociale uitsluiting. Maar je kunt je ’s ochtends wel aankijken in de spiegel, zonder schaamrood op de kaken te krijgen.

    Vandam is een vechter, die problemen het liefst met de vuist oplost. Aan (te veel) praten heeft hij een broertje dood en al helemaal aan gladde praatjes.
    Zijn broer, een studiehoofd, heeft het wél gemaakt in de nieuwe maatschappij. Die woont in een villawijk, waar huizen zwembaden hebben, maar waar de bewoners niet per se gelukkiger zijn dan Vandam in zijn stalinistische flatwijk.
    Volgens zijn eigen zeggen heeft Vandam de Fluwelen Revolutie in gang gezet, door de eerste klap uit te delen, maar anderen (of waren het dezelfden?) hebben van de val van de communisten geprofiteerd.

    Het bos, dat voor een deel heeft moeten plaatsmaken voor de nieuwe flatgebouwen, is een mythisch oord, waarop Vandam zijn voorstelling van een onbedorven geschiedenis projecteert. Er vinden gevechten plaats tussen Germanen en de Romeinen. Vandam ziet zichzelf als de laatste Romein, die het onbedorven verleden wil transponeren naar de huidige tijd, ‘waar de boel net als gletsjers smelt’, ‘waar de boel net als de regenwouden van de Amazone in brand staat.’

    Waar het om gaat, vindt Vandam, is de vastgelopen wereldgeschiedenis weer in beweging te zetten, met een paar goedgerichte klappen in het geval van Vandam, om te laten zien dat mensen zich aan de regels moeten houden. Rechtvaardigheid en fatsoen, dat wil hij.
    Maar niet iedereen is daarvan gediend. Lucie, de caféhoudster van de Poolster, het stamcafé van Vandam en zijn vrienden, schreeuwt hem op een cruciale nacht bij hem thuis toe, nadat ze na sluitingstijd met hem mee is gegaan om te vrijen: ‘Wie denk je wel dat je bent? Achterlijke idioot, debiel. De laatste klote-Romein die soldaatje speelt. Redder van de mensheid. Ik hoef niet gered te worden. Wat denk je wel dat je bent, man?’

    ‘Litteken’ heet het enige hoofdstuk dat geen nummer heeft maar een titel, waarin het nachtelijke gesprek tussen Lucie en Vandam wordt weergegeven, niet als een monoloog, maar waarin een verteller het woord neemt. Hierin komen we meer over Vandams persoonlijke geschiedenis te weten, meer dan in alle pagina’s ervoor. Vandam blijkt een dromer, veel gevoeliger dan hij meestal wil toegeven.

    Het volk boven is de tweede roman die van Jaroslav Rudiš, na Het einde van de punk in Helsinki in het Nederlands is vertaald, beide door Edgar de Bruin. Deze prachtige vertalingen zijn een aanwinst voor de Nederlandse literatuur. Als Nederlandstalige lezer wordt je blik gericht op Midden-Europa, dat door Rudiš opmerkelijk dichtbij wordt gebracht. ‘Ik wil niet hebben, ik wil zijn’, zou je Vandams machteloze schreeuw kunnen samenvatten. Dat riep Youp van t Hek ook al in 1995 in diens show ‘Spelen met je leven’. En over spelen met je leven gesproken, dat doet Vandam ook aan het slot van deze roman, met fatale gevolgen, zoals blijkt uit de weergaloze sterfscène aan het slot.

     

     

     

  • Rechte pad

    Rechte pad

    Het 13e nummer van Terras ‘China’, is net verschenen maar de voorgaande editie houdt me nog steeds bezig. ‘Catacomben’ met 265 mooie pagina’s tekst die, als was het een doktersvoorschrift, maandelijks, soms wekelijks herlezen moeten worden. Teksten als een mantra, teksten die gekraakt dienen te worden. De dagen moe en de geest verpieterd door virale rellen waar ik niets mee te maken had – maar toch. Met Terras #12 ondergronds, op zoek naar woorden die gevoelens van oprechtheid, van waarde en stevigheid teweeg brachten. Want god, wat is het moeilijk niet mee te bewegen met de stroom zo sterk als een modderstroom. Mijn laptop leek besmet met een ziekte, iets slijmerigs. Angst deze te openenen; één klik en de virale wereld stroomde over het toetsenbord uit.

    Lees dan Nuttige metalen van de Franse schrijfster Caroline Lamarche nog maar eens. Een verhaal waarbij elke lezing andere indrukken teweeg brengt. ‘De ketting die u als ijskoud water over mijn lendenen laat glijden, voordat u hem strak om mijn boevenlijf gordt (…) die ketting dompelt me in een wonderbaarlijk zachte slaap.’ Waarvan je je afvraagt of dat is wat het is? Is hier sprake van liefde of wordt iemands geest onderdrukt?

    Dan De taal van thuis is goede wil  van de Tsjechische schrijfster Kateřina Tučkov waarin haar moeder een definitie van ’thuis’ geeft: ‘Thuis, dat zijn deze vier muren en een deur met een veiligheidsslot, waarvan alleen de gezinsleden een sleutel hebben.’ Daar is geen speld tussen te krijgen, zo benauwend. Geen ongewenst bezoek. Wie weet brengt die ongewenste bezoeker de hoognodige lucht en ruimte tussen de familiebanden en neemt daarmee de geschiedenis een andere loop.

    De definitite van de dochter, Kateřina Tučkov, van ’thuis’ zijn woorden. Met taal een thuis creëren dat nooit op slot hoeft. Ze houdt van de volkstaal – het ‘hantec’ – een mengeling van Duits, Jiddisch en Tsjechisch. Elk woord uit het hantec heeft zijn eigen verhaal waardoor de taal leeft, omhulling geeft. Dat is voelbaar als je dit leest.Voor Tučkov is taal het middel waarmee ze haar huis maakt. Het hantec had een vulgair tintje, schrijft ze, maar het drukt voor haar het best het gevoel van thuis uit.

    Een zin als: ‘Naar verluidt staan elk jaar op de wereld een vijftigtal talen op punt van uitsterven. Het hantec is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gesneuveld.’, markeert dan een stilvallen in de tijd.

    Moeder is blij dat het hantec is uitgestorven, dochter betreurt het. Moeder noemt het hantec geen taal maar een ‘misbaksel’. Moeder voert als argument aan dat ze elkaar nu tenminste kunnen verstaan. Dochter bevestigt dat ze elkaar verstaan maar niet begrijpen. Dat elkaar begrijpen geen kwestie van taal is, maar van goede wil. En dat – beste mensen – houdt me op het rechte pad.


    De taal van thuis is goede wil
      van Kateřina Tučkov werd vertaald door Edgar de Bruin.
    Nuttige metalen werd vertaald door Nathalie Tabury.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Wachten op Godot aan de Moldau

    Wachten op Godot aan de Moldau

    De knorrige bejaarde Viktor Dyk probeert vanaf een bankje in een Praags park met zijn stok een kettingschallebijter (een kever) weg te slaan. Plotseling staat ‘een jong persoon van het vrouwelijk geslacht’ voor hem om de weg naar de Academie van Beeldende Kunsten te vragen. Die is vlakbij, maar de pesterige Dyk stuurt haar de verkeerde kant op. Later in de roman zal inspecteur Vilém Lebeda een zaak op zijn bureau krijgen van een jong meisje dat is aangerand. Hij gelooft haar niet als ze zegt dat het is gebeurd in een straat die helemaal niet leidde naar de Academie waarnaar ze beweerde op weg te zijn. Wat had ze daar te zoeken?

    Het is één van de raadselachtige verwikkelingen in Een afgedane zaak van de Tsjechische schrijver Patrik Ouṙedník. Een roman die de gedaante heeft van een detectiveverhaal, dat de lezer voortdurend het bos instuurt. Allereerst om de overvloed aan verwikkelingen: misdrijven die geen van alle worden opgelost (ondanks de titel Een afgedane zaak). Maar vooral omdat Ouṙedník het speurdersverhaal eigenlijk alleen gebruikt om ons als lezer te pakken te nemen. De roman gaat in wezen over de armoede van onze communicatie, de ontoereikendheid van taal, ja zelfs de zinloosheid van ons bestaan, die we proberen te verbloemen door elkaar verhalen te vertellen. En daarnaast maakt deze roman de balans op van de staat van Tsjechië na de Praagse Lente van 1968, die Ouṙedník als puber in de dop meemaakte. Dat alles in 160, nee: in 190 pagina’s, want het nawoord is in zekere zin deel van de roman. Maar daarover straks.

    Grabbelton
    Patrik Ouṙedník werd in 1957 in Praag geboren. Hij maakte er de illusie mee van een democratisering. Zijn kritische houding daarover werkte zo tegen hem dat hij in 1984 koos voor een vrijwillige ballingschap in Frankrijk. Daar werd hij een succesvol vertaler van Franse literatuur naar het Tsjechisch (Queneau, Beckett, Rabelais) en omgekeerd (o.a. Hrabal). Maar hij ging ook eigen romans publiceren, die stuk voor stuk laten zien hoe sterk hij is beïnvloed door de auteurs van wie hij werk vertaalde.

    Zijn eerste daverende succes werd Europeana uit 2001 – in Nederlandse vertaling verschenen in 2003 met de ondertitel Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw – boordevol anekdotes, dat eigenlijk meer gaat over onze omgang met het geheugen dan over de feiten zelf. In 2006 verscheen hier de vertaling van Het geschikte moment over de ondergang van een kolonie van anarchisten en gelukszoekers in Brazilië. In deze beide romans viert het absurdisme al hoogtij, maar dat is helemaal het geval in Een afgedane zaak (in het Tsjechisch Ad Act, schitterend vertaald door Edgar de Bruin).

    Welke leeservaring moet je erop plakken? Een grabbelton van genres, een duizelingwekkend toneel van kantelende ‘waarheden’, sarcasme en satire van de bovenste plank die je soms in schaterlachen doen uitbarsten. Maar bovenal een grenzeloos spel met mogelijkheden en tekortkomingen van taal en communicatie en een uitnodiging aan de lezer om zelf de roman in elkaar te steken.

    Niets
    Wat dat laatste aspect betreft, lezen we halverwege de roman: ‘Lezers! Vindt u dat ons verhaal alle kanten op schiet? Hebt u het gevoel dat er geen beweging in de plot zit? Dat er in het boek dat u in handen hebt al met al niets wezenlijks gebeurt? Wanhoop niet: of de auteur is een ezel, of u: de kansen zijn gelijk.’ En een paar hoofdstukken later: ‘De lezer heeft definitief begrepen dat hij definitief niets zou begrijpen: wat kan zorgen voor een zinvoller slot van een roman (…) We worden geboren in een roman, waarvan de betekenis ons ontgaat, en we verlaten de roman die we nooit hebben begrepen (…) Maar nee hoor: de voorstelling gaat verder, de roman gaat verder, gênant, nutteloos, saai.’

    Inspecteur Lebeda is al net zo’n zonderling figuur als de gemelijke Dyk uit het parkje. Hij heeft een fascinatie voor een moord die veertig jaar oud is en nooit opgelost: ‘Tja, ik heb een zwak voor zulke dingen. Onopgeloste criminele zaken, rebussen, raadsels, schaakproblemen en dergelijke.’ Geheel volgens die liefhebberij van Lebeda bestaat hoofdstuk 1 van Een gedane zaak uit niet meer dan een notatie van een Koningsgambiet uit een schaakpartij uit 1963, die 22 hoofdstukken later twee mogelijke eindes blijkt te kennen. In de ene wint wit, in de andere zwart. Het kan inderdaad alle kanten op, net als de roman zelf.

    Cellen
    De roman zit ook nog eens vol taalgrappen en hilarische redeneringen die doen denken aan de humor van Hrabal of de dialogen in Wachten op Godot van Samuel Beckett, van wie Ouṙedník, zoals gezegd, werk vertaalde.

    Zo is er de komische beschrijving van Lebedas functie en werk, als hij (pijprokend en psychologiserend heeft hij wat weg van Maigret), lezend in een boek van Ouṙedník, wordt geïntroduceerd. Zijn belangrijkste onderzoek gelden de ‘reclamevijandige en antikapitalistische’ posters overal in de stad, waarachter acties van ‘cellen’ worden vermoed, als Pacifisten Tegen Reclame, Trotskisten Contra de Agressie van het Kapitaal, Vrouwen voor Vrouwen en nog twee andere. Waarna volgt, let op het subtiele ‘onledig’,: ‘Behalve de reclame-uitingen hield Lebeda zich concreet onledig met de verkrachting van een kunstacademiestudente, met twee pogingen tot brandstichting in de plaatselijke bejaardensoos en met een verdachte zelfmoord.’

    Of de bijtende kijk op de Tsjechen wier schrijvers de traditionele handicap hebben dat ze hun boeken serieus nemen. En even verder: ‘Het spuien van jaartallen is in Tsjechië een geslaagde variant op het citeren van niet-bestaande bronnen (…) het getuigt niet alleen van grote intelligentie, maar ook van fervent patriottisme’. En ‘zakkerigheid’(…) is voor de Tsjechen de op één na hoogste ambitie, direct na het organiseren van een vruchtbare collaboratie met uiteenlopende machthebbers en het bouwen van rotstuintjes’.

    ‘Precies’
    Ronduit Beckettiaans tenslotte is een dialoog tussen twee bejaarden uit de soos over de vraag of Tsjechië nu eigenlijk wat is opgeschoten met de democratie:

    ‘Maar vroeger dachten de mensen ten minste na.’
    ‘Denkt u?’
    ‘Er werd min of meer nagedacht.’
    ‘Nou, nagedacht…’
    ‘Het mocht niet, maar ze deden het toch.’
    ‘Ik weet niet of ik het nou direct nadenken zou noemen.’
    ‘Misschien werd er niet nagedacht. Maar ze fantaseerden over van alles en nog wat.’
    ‘Dat gebeurt nu ook.’
    ‘Nu fantaseert niemand meer. Iedereen praat alleen maar.’
    ‘Dat komt door de democratie.’
    ‘Vroeger mocht het niet.’
    ‘Precies.’

    Montenot
    De laatste 25 pagina’s van de roman worden gevormd door een nawoord van ene Jean Montenot. Hij lijkt een gedegen sleutel te geven voor de detective die we hebben gelezen en een waardevolle literaire analyse van de romankunst van Ouṙedník. Tot je bij sommige zinnen het gevoel krijgt dat ze uit de pen van Ouṙedník zelf moeten zijn gevloeid.

    Wie is die Jean Montenot eigenlijk? (een vraag die de uitgever van de Nederlandse vertaling op de achterflap ook stelt). Googelen leidt naar een Franse filosoof, die ook nog gepubliceerd blijkt te hebben. Maar is het een mystificatie? Die vraag heeft blijkbaar lezers van Classé sans suite, de titel waaronder Ad acta in het Frans is uitgekomen, ook bezig gehouden, zoals blijkt uit een artikel in Liberation uit 2012. Ouṙedník zegt erover: ‘Jean Montenot est plus ou moins réel, selon les jours.’ Hij bestaat dus min of meer in werkelijkheid, afhankelijk van de omstandigheden. Er lijkt dan ook alle reden om het nawoord als deel van de totale roman te zien; als één van de genres waarmee Ouṙedník zijn werk uitvoert.

    En mocht u denken dat met bovenstaande de krenten wel uit De afgedane zaak zijn gepikt: niets van dat al. Lees deze roman en laat u meeslepen. En daarna: lees alles van Ouṙedník.

    Wat een schrijver!

     

  • De caleidoscoop van Anna

    De caleidoscoop van Anna

    Betoverend mooi vonden we het als kind, zo’n bedrieglijk eenvoudige kijkbuis (waarvan de naam al net zo betoverend bleek te zijn) waarin aan het uiteinde gekleurde splintertjes zaten die, als je de kijker ronddraaide, steeds andere kleurige vormen aannamen – iedere keer weer anders maar telkens één symmetrisch geheel. Het maakte niet uit hoe je de kijker draaide, steeds opnieuw pasten de splintertjes precies in elkaar en maakten zo steeds een nieuw figuur.

    Een vergelijkbare ervaring roept het boek Anna in kaart gebracht van de jonge Tsjechische schrijver Marek Šindelka (1984) op. Deze roman verpakt als verhalenbundel is een caleidoscopische vertelling rondom het leven van Anna en haar ontwikkeling van jong meisje tot volwassen vrouw. De afzonderlijke verhalen passen, net als de gekleurde splintertjes in de kijker, steeds op een andere manier in elkaar en vormen zo gezamenlijk het totaalbeeld van dit boek, dat na elk gelezen verhaal in de bundel steeds weer iets verschuift en verandert. Anna is een kind van de generatie Y, waarmee haar levensverhaal ook gaat over onze moderne tijd en menselijke verhoudingen onder invloed van digitalisering, medialisering en globalisering. Aan de ene kant bevat het boek filosofische bespiegelingen over taal en betekenis, economische en politieke ontwikkelingen en de nieuwe virtuele werkelijkheid die we hebben geschapen met zoekmachines, facebookvrienden, elektronisch geld en avontuurlijke videogames. Verschillende personages merken op welk effect dit heeft op hun dagelijkse functioneren, hun relaties en hun herinneringen en toekomstbeeld. Hiermee wordt het geestelijk leven van de moderne mens getoond, waarbij de mate van intellectuele dan wel existentiële worsteling varieert per karakter. Daartegenover plaatst Šindelka nadrukkelijk het lichamelijke, door zintuiglijke waarneming en fysieke sensaties tot in de kleinste details te beschrijven. Deze twee elementen zijn factoren van belang in de zoektocht naar (de betekenis van) identiteit; hoe wordt die gevormd? wat of wie zien anderen als ze naar ons kijken? hoe verhouden we ons tot die anderen? en hoe zien wij onszelf?

    Fysiek
    Hoe Anna zichzelf ziet wordt niet helemaal duidelijk in dit boek, wel hoe zij zich verhoudt tot anderen: we kijken mee met de mensen om haar heen, zowel direct betrokkenen als personages die zijdelings of via een omweg verbonden zijn met Anna’s leven. Alleen in het titelverhaal naderen we Anna’s binnenste, als de verteller haar in de tweede persoon aanspreekt en Anna en haar leven betekenis geeft aan de hand van haar lichaamskenmerken; de lippen van haar moeder en grootmoeder, de linkermondhoek van haar vader, haar neus en handen en voeten die haar zo onzeker maakten tijdens de puberteit: ‘Je werd voor het eerst verliefd en je zag tot je schrik wat er onder zulke omstandigheden met het menselijk lichaam gebeurt. Alsof je rijbewijs voor je gestel wordt ingenomen. Je wordt plotseling onaangenaam alert op je eigen bewegingen, je handen reiken bijvoorbeeld naar een beker en je ziet: de handen van een idioot’. De verteller beschrijft Anna’s coming of age aan de hand van de kaart van haar lichaam, met aandacht voor kenmerkende delen die iets zeggen over bepaalde karaktereigenschappen, zoals het minuscule rimpeltje tussen haar wenkbrauwen, ‘een stempel van je intelligentie. Hij verscheen elke keer als je ergens twijfels over had, als je het ergens niet mee eens was of iets weigerde. Als je bereid was om dingen te veranderen, als je ondanks alles en iedereen je eigen weg volgde’. Het lichaam en het gezicht vormen de verbinding met en tegelijkertijd een buffer tegen de buitenwereld. Lichaamshouding en gelaatstrekken maken de betekenis van het innerlijk zichtbaar, zijn de uiterlijke ‘vertaling’ van gedachten en emoties, voor omstanders te lezen en te interpreteren – maar daardoor ook vatbaar voor misverstanden en onbegrip.

    Dat de indruk die wij hebben van de ander niet altijd overeen komt met de werkelijkheid wordt pijnlijk duidelijk in het verhaal De schelp. Hierin wordt de ongelukkige relatie tussen Sylvie en Martin beschreven, die meer uit wederzijds medelijden dan uit liefde bij elkaar blijven, maar dat niet van elkaar weten. Martin worstelt met Sylvies kilheid en eenzaamheid: ‘Hij zag Sylvies ijsgladde buitenkant, zijn handen gleden erop weg, er was niets om je aan vast te pakken, niets om je aan vast te houden’. Sylvie op haar beurt voelt weerstand tegen Martin vanwege zijn gemaakte en ongemakkelijke omgang met zijn eigen lichamelijkheid: ‘Martin was kwaad, maar op een compleet verkeerde manier. Hij kon het niet. Hij was net een kitten. Een woedend jonkie van iets. Met zijn woede eiste hij aandacht. Sylvie had al eerder gemerkt dat Martin zich volstrekt geen raad wist met zijn fysiognomie’. Verderop in de bundel blijkt dat Martins onvermogen om woede op de juiste manier te tonen erfelijk is, waarmee voor de oplettende lezer ook duidelijk wordt hoe dit echtpaar verbonden is met Anna.

    Gezichtspunt
    Het doorgeven, spiegelen of kopiëren van karaktereigenschappen of lichaamshoudingen is een terugkerend thema in Anna in kaart gebracht – zowel in de relatie tussen personages, als tussen de verhalen onderling. Op een geraffineerde manier versterkt dit het caleidoscopische effect van dit boek; dezelfde elementen die in een andere context of relatie tot elkaar worden geplaatst kantelen het bestaande beeld en geven het nieuwe betekenis. Voortdurend zijn er details die in of binnen verschillende verhalen opduiken en daarmee een laag toevoegen of een frisse blik op de zaak werpen en zo bijdragen aan het in kaart brengen van de wereld van Anna. In De estafette wordt prachtig beschreven hoe de subtiele irritatie die een treinreizigster (Anna?) opwekt, steeds verspringt van medereiziger naar medereiziger. In De architect wordt de afgang van een architect gespiegeld aan de opkomst van zijn opvolger, een jonge architectuurstudent die het verhaal eindigt zoals het voor de architect begon: met een vrijpartij en een bloedende lip. In het verhaal Een kopie ten slotte maken we kennis met Matěj die populair is omdat hij zich snel aan iedereen aan kan passen door hun gedrag en eigenschappen te kopiëren, maar daardoor zelf een lege huls blijft. Vooral dit laatste verhaal verknoopt op scherpzinnige wijze het leven van toevallige voorbijgangers met dat van Anna.

    Zo ingenieus als de constructie van Anna in kaart gebracht is, zo doordacht is ook de stijl waarmee deze omkleed wordt. Šindelka geeft blijk van een scherp observatievermogen en beschikt over een ruim arsenaal aan formuleringen en vergelijkingen waarmee hij uitdrukking en betekenis geeft aan dat wat hij voor zich ziet. Dat de kracht en de energie van Šindelka’s taalgebruik ook in het Nederlands overeind blijven is een grote verdienste van vertaler Edgar de Bruin. Op verschillende plaatsen uiten personages stuwende woordenvloeden in geagiteerde monologen, terwijl sommige dialogen juist droog en understated zijn – beide even overtuigend en zonder overigens de verhalen uit evenwicht te brengen. Het zijn juist precies in elkaar passende onderdelen van het symmetrische caleidoscopische geheel. Bedrieglijk eenvoudig en betoverend mooi.

  • Verhalen als kogelwerend vest 

    Verhalen als kogelwerend vest 

    Een homofiele psychiater, koelbloedige politie-agente, bijdehante hoerenzoon, halfbloedje uit de jungle en een door visioenen gekwelde arts blijken ieder verweven met het leven van de naar eeuwige roem snakkende, nietsontziende wetenschapper Dokter Vidal. Wat hebben ze met elkaar van doen? En wat gebeurt er met de meedogenloze Vidal wanneer hij de wurgslang Haré in zijn handen neemt? Een tatoeëerder uit de slum onthult …

    Met Mijn lievelingsboek – haar tweede roman, eerder verscheen Mijn ogen leiden je naar huis (2011) – heeft de Tsjechische journaliste en schrijfster Pilátová (1973) een onalledaags boek afgeleverd waarin het krioelt van exotische slangen en wemelt van magie. Een fantasierijke, knap gecomponeerde raamvertelling uit de koker van het magisch realisme. Onder regie van een vertellende tatoeëerder – als de Sheherazade uit Duizend-en-één nacht – vervlechten verschillende levensgeschiedenissen zich tot één groot complex verhaal. Meanderend proza waarin Pilátová met name verrast door de wijd geschakeerde personages en afwisselende stijl. Het ene moment doorwoel je in een hotelkamer de profetische dromen van een psychiater, dan weer luister je naar bezwerende slangen of word je bewierookt met pathetisch gezang om je vervolgens in kraakheldere rauwe taal samen met een hoerenzoon en halfbloedje uit de jungle een gevaarlijke vlucht te banen door de verdorven onderwereld. Tussen de bedrijven door laat de tatoeëerder ook zichzelf nog aan het woord met bespiegelingen op de vertelsels en verhalen over zijn klanten en de eigen levensgang.

    De roman opent met het mysterieuze ‘Ik heb geen naam’. Aan het woord is een naamloze tatoeëerder – naar later blijkt de verteller – die zijn leven niet zeker is in de door drugsbendes geregeerde slum van een fictieve Latijns-Amerikaanse metropool. Voor het leeuwendeel bestaat zijn clientèle uit drugscriminelen. Met de hete adem van deze ‘narco’s’ in zijn nek (en de pistolen in hun broek) is het leven een ware beproeving. Elke morgen is het opnieuw de vraag of hij het einde van de werkdag wel zal halen. Uit veiligheidsoverwegingen kiest hij ervoor zich voor zijn tatoeages enkel te laten belonen in de vorm van voedsel, kleding of coca-bladeren. ‘Moorden op bestelling, ontvoeringen van ondernemers, lijken opgelost in vaten zuur en afgesneden hoofden ter afschrikking – dat alles gebeurde een eindje verderop.’ In dit spel op leven en dood trekt de tatoeëerder zijn eigen wapen: het vertellen van verhalen! Aan inspiratie geen gebrek met zijn stukgelezen lievelingsboek vol sprookjes. ‘De naalden dringen langzaam door in de huid en de kleur zuigt zich als een indringer met een lading pijn vast in het weefsel terwijl ik zit te vertellen, om ze af te leiden. Ik kan het me niet veroorloven mijn klanten te vervelen. Dus ben ik de beste verteller. Het is een kwestie van leven en dood.’ 

    En vertellen – já – dat doet hij. Met verbeeldingskracht en verve … Maar helaas ook met pathos, overdadige dromen en excessief bezwerend gezang.

    ‘Tussen de wortels slaapt een slang
    hij kan niet verder
    hij verzamelt krachten

    Kus zijn tong
    wees zijn ogen
    voel de wortels waarmee het begint

    […]
    ontwar die wortels, bloederig, verknoopt’

    In een samenspel van profetische dromen, magische liederen en fantasierijke verhalen maken we kennis met de diverse protagonisten die allen ergens het levenspad van dokter Vidal hebben ge- of doorkruist (en veelvuldig ook die van elkaar) – ieder treffend vormgegeven in een op zichzelf staand verhaal. Deze door velen gehate en gevreesde wetenschapper blijkt uit de dood herrezen en wonderbaarlijk getransformeerd. Daar waar vroeger enkel zijn verschijning al garant stond voor kippenvel, roept hij nu ineens ontroering op. Wat in hemelsnaam is er aan gene zijde met hem gebeurd? Al ‘luisterend’ dalen we af in de tijd.

    In de caleidoscopische afdaling vol zijpaden en meanders ontmoeten we – naast een overdaad aan slangen – onder meer een homofiele psychiater die in Polen op zoek gaat naar de wortels van zijn Joodse vader, een halfbloedmeisje uit de jungle dat de taal van slangen spreekt, een hoerenzoon die in de vlucht naar zijn vrijheid een onaangename verrassing wacht, een vurige one-night stand die ervan overtuigd is enkel te kunnen leven met Vidals armen om zich heen en een rancuneuze dochter. Gaandeweg wordt het beeld steeds completer (en complexer) van deze in zichzelf gevangen man.

    Het bestaan van de eerzuchtige Vidal, die met ijzeren vuist een slangeninstituut bestiert, kent slechts één doel: het ontwikkelen van een serum tegen huidveroudering op basis van slangengif teneinde wereldfaam te bereiken. Zelf wordt hij koud noch warm van de  martelpraktijken die het instituut hanteert om het gif te verkrijgen. Máár dan op een dag gebeurt er iets vreemds als hij Haré – een bijzondere wurgslang – vasthoudt. Honderden slangen heeft hij al door zijn handen laten gaan – meedogenloos leeggewrongen, vermoord en op sterk water gezet – maar dit exemplaar roept angst bij hem op, geeft hem instinctief het gevoel dat er iets niet klopt. Deze slang zuigt hem op met zijn ogen, er is geen ontkomen aan. ‘Hij vertrouwde het niet helemaal. Er klopte iets niet. Hij wist niet wat. […]. De handen van de dokter begonnen als de handen van een robot de lichtgekleurde huid te strelen. Hun gedachten werden één.’ 

    Zo sluipt de listige Haré – die Vidal verafschuwt maar zich tevens voor de uitdagende taak gesteld ziet deze gepantserde ziel te verlossen – met al haar bovennatuurlijke krachten het leven binnen van deze kwelgeest. Stevig is haar greep. Al gauw vallen de eerste schilfers van Vidals stalen harnas, verslapt de ijzeren vuist. Het magische breekt in in zijn werkelijkheid. De tijd is rijp voor een nieuwe dimensie. Het verlangen naar roem maakt plaats voor oorspronkelijke levenskracht. Maar eerst zal de dokter zichzelf moeten loslaten om in een allesomvattend bewustzijn van eeuwigheid te mogen herrijzen.

    Met Mijn lievelingsboek heeft Pilátová een originele, knap gecomponeerde roman afgeleverd die de metafysische dimensie van onze belevingswereld voelbaar maakt. Vertellen kan ze! Schrijven ook, deze Tsjechische Pilatova. En oh, wat een verbeeldingskracht! Maar soms ook kun je ronduit té enthousiast zijn. Eeuwig zonde is het dat Pilátová zich met de overdadige dromen, de pathos en het excessief bezwerend gezang aan haar talent heeft vergaloppeerd. Voor toekomstig werk ligt de uitdaging dan ook bij het aantrekken van de teugels, het dresseren van de verbeeldingskracht in termen van ‘Less is more’!

    Over de schrijfster

    Schrijfster en journaliste Markéta Pilátová (Tsjechië, 1973) studeerde Romaanse talen en doceerde daarna aan de Palacký-universiteit in Tsjechië en in Granada, Spanje. Ze verbleef aansluitend een aantal jaren in Brazilië en Argentinië waar ze les gaf aan Tsjechische immigrantenkinderen. Momenteel woont ze afwisselend in Tsjechië en Brazilië en werkt ze als freelance journaliste. De vertaling van haar debuutroman Mijn ogen leiden je naar huis verscheen in 2011 bij De Geus, een liefdesgeschiedenis die destijds in de pers lovend werd ontvangen. Mijn lievelingsboek is haar tweede roman.

     

  • Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

    Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

     

    Hoe komt een Congolees terecht in Praag? In de jaren zestig vertrok de vader van de Tsjechische auteur Tomáš Zmeškal vanuit Afrika naar Oost-Europa. In opdracht van de leider van de Congolese onafhankelijkheidsbeweging, Patrice Lumumba, moest hij daar steun vinden voor de revolutie in zijn geboorteland. Door een verschil van mening tussen de Tsjechoslowaakse communisten en de Congolese revolutionairen kon Zmeškals vader Tsjecho-Slowakije niet meer verlaten. In Praag ontmoette hij vervolgens de dochter van een keurige accountant waarmee hij een zoon kreeg, Tomáš. En uiteindelijk wordt deze Congolese Tsjech een van de beste auteurs van zijn generatie. Het leven van Tomáš Zmeškal is in vergelijking tot dat van zijn vader minder turbulent. Hij groeit op zonder die vader, die eind jaren zestig toch de mogelijkheid krijgt om terug te keren naar Congo. Tomáš krijgt de kans om naar Engeland te vertrekken en studeert Engelse taal- en letterkunde in Londen, maar keert na de val van het communisme terug naar Praag. Uiteindelijk debuteert hij als veertiger met Een liefdesbrief in spijkerschrift.

    In Een liefdesbrief in spijkerschrift vertelt Tomáš Zmeškal het verhaal van een Praagse familie en de vernietigende invloed van het Stalinisme op hun leven. Josef en Kvĕta zijn verliefd en trouwen met elkaar. Niets lijkt hun geluk in de weg te staan als Kvĕta zwanger wordt. Kort voordat hun dochtertje Alice wordt geboren belandt Josef echter als politiek gevangene in een werkkamp. Als Alice tien is en de Praagse Lente is losgebarsten, wordt Josef vrijgelaten. Hij komt erachter dat Kvĕta een verhouding heeft gehad met Hynek, zijn vriend en verrader. Josef is niet in staat haar te vergeven. Pas na de val van het IJzeren Gordijn lijkt hij in staat tot een toenaderingspoging.

    Het verhaal van Josef en Kvĕta wordt afgewisseld met het levensverhaal van Alice, hun dochter, en verscheidene andere figuren. Het is een rijk palet aan personages, die tezamen de moderne geschiedenis van Tsjechië in beeld brengen. Zmeškal neemt makkelijk afscheid van zijn personages. Sommigen sterven, anderen verdwijnen uit beeld om later toch weer even voorbij te komen. Allemaal worden ze door Zmeškal tot leven gewekt, menselijk gemaakt, inclusief hun donkere kanten. De auteur zelf komt voorbij als psychiatrisch patiënt in een inrichting en meerdere inbrekers spelen een rol in de roman. Maar één van de meest interessante figuren is de gekke banketbakker. Hij komt terecht in een gesticht omdat hij zijn vrouw heeft nagemaakt van marsepein. Aan zijn behandelend arts vertelt hij fantastische verhalen, uiteenlopend van science fiction tot verhalen die doen denken aan de Sprookjes van 1001 nacht. Het zijn deze verhalen die het eerste deel van het boek zo goed maken. Vooral de twee verhalen die de banketbakker vertelt over onsterfelijkheid zijn onvergetelijk. Later in het boek blijkt de banketbakker overigens niet zo gek als iedereen dacht.
    Ook de man waarmee Alice trouwt, Maxmilián is intrigerend. De manier waarop zijn karakter zich ontwikkelt is bijna schokkend om te lezen. Duidelijk een bewijs van het meesterschap van Zmeškal, en ongelofelijk goed voor een debutant.

    Zmeškal hanteert niet alleen vele personages, maar ook verscheidene stijlvormen. Naast science fiction en sprookjesachtige verhalen gebruikt hij bijvoorbeeld ook brieven en officiële documenten om zijn verhaal te vertellen. De sfeer in het boek is, afgezien van de afwijkende stijlvormen, in het algemeen goedmoedig en licht absurd en een tikkeltje filosofisch. Hier komt ook de vergelijking met schrijvers als Bohumil Hrabal en Jáchym Topol om de hoek kijken. Vermoedelijk is het hun manier geweest om de, bij tijd en wijle zeer zware, Tsjechische censuur bij de neus te nemen. Zmeškal heeft zich duidelijk door hun milde humor en absurdisme laten inspireren. Zijn verhaal over de inbreker en meneer Verner is hiervan een goed voorbeeld. Meneer Verner wordt midden in de nacht wakkergeschud door een man in een overal. Het blijkt een inbreker die het niet aandurft om Verners huis weer uit te sluipen, omdat die nacht de Russische tanks door de straten van Praag rollen om een einde te maken aan de Praagse Lente. ‘Nadat de tanks voorbij waren, liep hij met hem mee naar het kruispunt waar ze hielpen om geïmproviseerde barricades op te werpen.’ Sinds die nacht ontmoeten Verner en de inbreker elkaar jaarlijks op de datum van de Russische inval, zodat de inbreker het geld kan terugbetalen dat meneer Verner hem heeft gegeven.

    Zmeškal heeft een ongelofelijk goed debuut geschreven. Het boek is dan ook volkomen terecht genomineerd voor de Magnesia Litera Prijs en werd bekroond met de prestigieuze Josef Škvorecký Prijs en de European Union Prize for Literature 2011. De personages lijken levensecht en zijn opvallend goed ontwikkeld. Zmeškal heeft vermoedelijk lang geschaafd aan zijn roman. Alleen mis je in het tweede deel de kleurrijke verhalen van de banketbakker, een kleine min in een verder prachtig boek. De verscheidenheid aan mooie verhalen doet vermoeden dat hij ze jarenlang heeft opgespaard om zijn beste verhalen te publiceren in het raamwerk van een roman. De vraag is of hij dit kan herhalen in zijn tweede boek dat begin dit jaar in Tsjechië is verschenen. Laten we hopen dat het snel vertaald wordt en dat Zmeškal wederom de briljante verhalenverteller zal zijn waarmee we in Een liefdesbrief in spijkerschrift hebben kennisgemaakt.