• De afschrikwekkende vrouw

    De afschrikwekkende vrouw

    Baba Jaga is volgens de Slavische mythologie een boosaardige oude vrouw die in een hutje op kippenpoten woont. Haar hangende borsten kan ze op de kachel leggen of over een stok hangen, haar puntige neus komt tot aan het plafond en ze rooft kleine kinderen. Haar vervoermiddel is een vijzel waarbij de stamper de roeispaan is. Ze beschouwt zichzelf als een wezen met één been van meestal alleen bot, hoewel het ook van hout, ijzer, goud of ander materiaal kan zijn. 

    Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić gaat over vrouwen, oude vrouwen wel te verstaan. ‘Baba Jaga is, voor alles wat ze ook is,’ schrijft Niña Weijers in haar voorwoord, ‘een schrikbeeld. Dubravka Ugrešić houdt dat schrikbeeld niet alleen in ere, ze eist Baba Jaga’s recht op om een schrikbeeld te zijn.’ 

    Veelomvattende mythologie

    Het boek bestaat uit drie delen: in het eerste bezoekt de schrijfster haar moeder in Zagreb, het tweede is een novelle over Pupa, Beba en Kukla, drie eveneens oude vrouwen die in een duur hotel in een Tsjechische badplaats verblijven, en deel drie handelt over wie en wat Baba Jaga is of kan zijn. In dit deel openbaart de auteur bij monde van folklorespecialiste Dr. Aba Bagay dat de mythische figuur naar veel meer kan verwijzen dan alleen de heks uit het hutje op kippenpoten. Ze treedt in mythes ook op als moeder van draken, als spinster of een lief omaatje, als hulpverleenster of strijdster. De Slavische mythologie blijkt veelomvattend. Alle Slavische talen herbergen talloze uitdrukkingen met ‘baba’ erin. De auteur stipt ook paralellen met de Griekse mythologie aan en zelfs met Boeddhistische en Islamitische vertelsels. 

    Aba Bagay verschijnt voor het eerst in deel een waarin Ugrešić bij haar nog zelfstandige, eigenzinnige moeder in Zagreb op bezoek gaat. Ze is oud, gaat achteruit en haar geheugen hapert. De dochter, zelf ook niet meer de jongste, voert geduldig gesprekken met haar. De jonge Aba heeft contact met Ugrešić gezocht omdat ze graag met haar wil discussiëren over taal- en politieke kwesties. Ugrešić woont niet in Zagreb, ze laat Aba bij haar moeder langsgaan. De auteur ziet bij Aba dezelfde hunkering naar aandacht en liefde als die ze bij haar moeder ervaart, maar wijst haar niet af.  

    In deel twee zit Pupa in een rolstoel, de benen in een bontlaars, heeft Beba heel grote borsten en is Kukla heel lang en dun, vooruitwijzend naar kenmerken van Baba Jaga. De vrouwen kunnen gezien worden als drie-eenheid of als afzonderlijke godinnen. Pupa is ook de oudste vriendin van Ugrešić’ moeder. In het hotel ontmoeten de vrouwen allerlei mensen en ondertussen vertelt Ugrešić in bondige taal hun levens die voorafgingen aan het hotelverblijf. 

    In deel drie komen allerlei parallellen met Baba Jaga terug, bijvoorbeeld: ‘Pupa’s als een grote bontlaars uitgevoerde elektrische voetenwarmer is in wezen een moderne tegenhanger van Baba Jaga’s vijzel’ en haar rolstoel is de tegenhanger van Baba Jaga’s ene been, net als de rollator van Ugrešić’ moeder. Pupa overlijdt tot haar eigen voldoening en wordt in een peperdure doodkist in de vorm van een ei gelegd. Het ei speelt een rol in veel sprookjes. Kukla en Beba beschikken door het lot over een niet onaanzienlijke hoeveelheid geld en ontfermen zich over een onverwacht opgedoken kleinkind. In die zin is het wel een beetje een banaal happy end.

    Ugrešić zelf is tussen de fragmenten door als auteur nadrukkelijk aanwezig met tussenzinnetjes als: ‘En wij? Wij moeten door…’, ‘En wij? Wij gaan verder…’, ‘En wij? Wij gaan hen snel achterna…’, ‘Hier dient te worden aangetekend…’, ‘En wij? Tja, het leven is…’ Met deze overbodige en nogal storende toevoegingen wil Ugrešić de lezer er wellicht van doordringen dat hij niet slechts met een eenvoudig verhaal van doen heeft maar met een weldoordachte tekst. 

    Het wemelt van de Baba’s

    Aba stelt in deel drie de tekst Baba Jaga voor beginners samen, waarin ze ‘begrippen, thema’s, motieven en mythen’ uit de Slavische mythologie bespreekt. In honderd pagina’s geeft Ugrešić een uitputtend overzicht van wie en wat Baba Jaga is: ‘in de Slavische wereld wemelt het letterlijk van de Baba’s!’, waarbij ze ook andere onderzoekers en schrijvers aanhaalt die zich over het fenomeen hebben gebogen. Ze legt knappe kruisverbanden tussen de mythologische figuur en haar personages. In deel een wordt de schrijfster nauwelijks ‘toegang tot haar moeders territorium gegund. Haar moeder vereenzelvigt zich met haar huis, (…)’ In deel twee hebben Pupa en Beba ‘met hun kinderen een traumatische relatie die zonder problemen als symbolisch kannibalisme zou kunnen worden opgevat.’ Alle hoofdpersonen in het boek staan model voor Baba Jaga of haar toegedichte eigenschappen.

    Deel drie is doorspekt met antropologische wetenswaardigheden over diverse volken. In aparte tekstblokken behandelt Ugrešić onderwerpen als moeder, vrouw, voeten, benen, de neus, het badhuis, klauwen, poppen, jongens, de kam, vogels, vuilnis, het ei. Aba Bagay merkt op dat de titel van Ugrešić’ boek kan terugverwijzen naar een archetypisch folkloristisch beeld, ‘maar er is ook de verklaring mogelijk dat het ei grofgezegd een symbool voor “vrouwelijke” creativiteit is.’ Dat Ugrešić ook zichzelf met Baba Jaga identificeert blijkt uit de passage: ‘Baba Jaga staat bekend als een “dissidente” een verworpene, een verstotene, een “oude vrijster”, een karikatuur en een verliezer. Maar desondanks is zij eenzaam noch alleen.’

    Joegonostalgie

    Dubravka Ugrešić (1949-2023) werd geboren in Kutina (Kroatië) in Joegoslavië. Vanaf 1996 woonde ze in Amsterdam, een stad die jeugdherinneringen bij haar opriep. Ze noemde zich een Joegoslavische schrijver. Aan de Universiteit van Zagreb studeerde ze vergelijkende literatuurwetenschap en Russische taal- en letterkunde en bleef er na haar studie werken. In 1991 viel Joegoslavië uiteen en brak de burgeroorlog uit met hevige etnische conflicten. Ugrešić keerde zich daar in felle bewoordingen publiekelijk tegen en bekritiseerde zowel het Servische als het Kroatische nationalisme. Daardoor werd ze gezien als een verrader, een vijand van het volk, door collega-schrijvers, politici en journalisten. Ze werd voor heks uitgemaakt en bedreigd. In 1993 verliet ze Kroatië. Ze publiceerde in Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften en doceerde aan Europese en Amerikaanse universiteiten. Haar boeken, waarmee ze prestigieuze prijzen won, zijn vertaald in 27 talen. 

    Veel essays en autobiografische teksten van Ugrešić gaan over Europa, voormalig Joegoslavië, nationalisme en hedendaagse verschijnselen zoals mode. In Het tijdperk van de huid bespreekt ze onder meer tatoeages, de toestand in de academische wereld en in de media, de verstrengeling tussen criminaliteit en politiek en het statusverschil tussen man en vrouw. Ugrešić ziet, duidt en vertelt vanuit eigen waarnemingen en gevoelens. Altijd origineel en kritisch, met scherpe blik, mededogen en humor. Ze heeft een nostalgische kijk op Joegoslavië. In Europa in Sepia (2015) schrijft ze: ‘Maar pas toen Joegoslavië definitief ten onder ging, kreeg mijn neurose een officiële naam: joegonostalgie, met als nadere omschrijving: politieke sabotage van de nieuwe Kroatische staat. Zelf kreeg ik het etiket opgeplakt van “joegonostalgica”, lees: “verraadster”.’ De collectieve geschiedenis en daarmee haar persoonlijke herinneringen werden uitgewist. 

    Het leed van vrouwen

    Op de laatste pagina’s van Baba Jaga legde een ei benoemt Ugrešić het leed van vrouwen in de wereld, de ongelijkheid, de onderdrukking door mannen. ‘Want stelt u zich eens voor dat de vrouwen (…) de Baba Jaga’s van deze wereld, naar het zwaard grijpen dat onder hun hoofd ligt, en erop uit trekken om alle openstaande rekeningen te vereffenen? Voor elke keer dat ze in hun gezicht werden geslagen, dat ze werden verkracht, beledigd, gekwetst en geschoffeerd, voor elke keer dat ze in het gelaat werden gespuwd?’ Mythes of niet, de werkelijkheid is bij Ugrešić nooit ver weg. 

     

     

  • Oogst week 14 – 2024

    Baba Jaga legde een ei

    ‘In het begin vallen ze u niet op…’ Zo begint Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić (1949-2023). Daarna heeft ze het over afgezakte kousen, muizenpasjes, opgedroogde appeltjes, een gerimpelde huid, een nek als van een kalkoen en meer van die genadeloze typeringen van ‘kleine lieve oude vrouwtjes’.
    Baba Jaga is in de Slavische mythologie een heks, een wilde vrouw met magische krachten, een bosgeest. Haar hut staat op kippenpoten en ze kidnapt kinderen.

    Baba Jaga legde een ei bestaat uit drie delen. In het eerste bezoekt de ‘ik’ haar moeder in Bulgarije die last heeft van toenemende ouderdomsgebreken. In het tweede veroorzaken drie oude vrouwen in een Tsjechisch kuuroord magische gebeurtenissen en in het derde deel laat Ugrešić een deskundige op het gebied van Slavische folklore de twee eerste delen analyseren vanuit wetenschappelijk-folkloristisch perspectief, doorspekt met talloze weetjes over Baba Jaga. Zo verbindt Ugrešić de verschillende verhaallijnen, eigenzinnig, humorvol en soms ontroerend.

    Dubravka Ugrešić werd ooit zelf voor Baba Jaga uitgemaakt. Geboren in Joegoslavië vluchtte ze voor de oorlog in Kroatië die uitbrak nadat Joegoslavië uiteen was gevallen. Ze had een kritisch essay over het nationalisme in Kroatië geschreven, aanleiding voor collega’s om haar te beschimpen als landverraadster en Baba Jaga.

    Ugrešić woonde sinds 1996 in Amsterdam. Ze was literatuurwetenschapper en schrijfster van romans, verhalen, essays, columns en artikelen in Nederlandse en internationale kranten en tijdschriften. Ze doceerde aan Amerikaanse en Europese universiteiten. Haar werk is in meer dan dertig talen vertaald.

     

    Baba Jaga legde een ei
    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)

    Van Allegaartje tot Zeebenen – Een niet zo gebruikelijk woordenboek

    Veel mensen hechten aan oude, mooie woorden, blijkt uit het zaterdagochtendprogamma De Taalstaat op Radio 1. Daarin kunnen luisteraars een ‘vergeetwoord’ indienen. Nelleke Noordervliet, beschermvrouwe van het Gezelschap van Geadopteerde Vergeetwoorden, opgericht door Frits Spits, keurt het woord al of niet goed. Duizenden in onbruik geraakte of ‘ouderwetse’ woorden zijn inmiddels geadopteerd.

    Dat de taal verandert weet ook journalist en scenarioschrijver Rogier Proper (1943). Zeker vandaag de dag gaat het snel. De verengelsing heeft al lang toegeslagen en op internetfora en -platforms doet het er vaak niet meer toe of iemand zich duidelijk uitdrukt. Punten, komma’s en hoofdletters spelen nauwelijks een rol, een lidwoord is niet belangrijk. Op mobiele telefoons vieren simpelheid en snelheid hoogtij. Jongeren en ouderen verstaan elkaar niet altijd, merkte Proper. Al heel lang bestaande woorden worden niet begrepen door jonge mensen en al helemaal niet gebruikt. Vice versa overigens. Weten jongeren wat bombarie betekent, of allegaartje? Of wat een telefooncel is? Of dat ze hunkeren naar aandacht?

    Proper heeft veel van deze woorden opgetekend in zijn Van Allegaartje tot ZeebenenEen niet zo gebruikelijk woordenboek. Hij verzamelde bijzondere, mooi klinkende en inspirerende woorden en geeft er een toelichting bij. Het boekje is een verhelderend naslagwerk.

    Proper publiceerde eerder het Jaap Knasterhuis Groot Filmwoordenboek (voor jeugdigen) en een handboek voor scenarioschrijvers: Kill Your Darlings. Hij was ook radiomaker, schreef kinderboeken en ontwikkelde honderden scenario’s. Nog steeds houdt hij zich met tv-series bezig.

    Van Allegaartje tot Zeebenen - Een niet zo gebruikelijk woordenboek
    Auteur: Rogier Proper
    Uitgeverij: Balans (2023)

    Schuilhuisje

    De in Nederland wonende en werkende Lena Kurzen (1982) komt oorspronkelijk uit Duitsland. Die kwam naar Nederland om logica te studeren en ook promoveerde die er als logicus. Op de website Papieren helden schrijft die korte verhalen en op Shortreads kleine verhaaltjes naar aanleiding van een nieuwsbericht. Schuilhuisje is diens debuutroman.

    Een man van in de vijftig en zijn jongere vrouw lijken gelukkig samen. De coronapandemie heerst, waardoor ze allebei thuis werken en hele dagen bij elkaar zijn. Echt contact hebben ze echter niet, hun gedachten en gevoelens houden ze voor zichzelf. Dat kan niet anders dan tot misverstanden en onbegrip leiden. De vrouw wil graag een kind, de man is vaag over wat hij wil, de liefde voor zijn bonsaiboompje lijkt groter. Hij mist zijn zoon die hij niet meer ziet. Samen heeft het stel cavia’s, welke beestjes de dupe worden van hun onuitgesproken strijd.

    In het ik-perspectief vertelt de vrouw het verhaal, met soms zulke overdrijvingen dat het hilarisch wordt. Ze komt erachter dat haar man een dubbelleven leidt. Ontkenning en nieuwsgierigheid volgen, ontmaskering kan niet uitblijven.

    Schuilhuisje
    Auteur: Lena Kurzen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)
  • Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    Miniaturen uit ballingschap, voor langzaam lezen

    ‘Er zijn twee soorten vluchtelingen, met en zonder foto’s,’ citeert Dubravka Ugrešić een Bosnische vluchteling op een van de eerste pagina’s van Het museum van onvoorwaardelijke overgave. In het oorspronkelijk in 1997 verschenen boek verweeft Ugrešić essay met fictie, het verleden met het heden. De boventoon voeren haar ervaringen van ballingschap en herinneringen aan Joegoslavië, haar land van herkomst dat er niet meer is. De heruitgave is nu ongewild actueel door de oorlog in Oekraïne, maar Ugrešićs verhalen bezitten een tijdloze kwaliteit die de bundel uittilt boven de tijd en de context waarin ze geschreven zijn. Mensen die op een of andere manier losraken van het leven dat ze gewend zijn en gedwongen zijn zich te heroriënteren in een minder vertrouwde wereld zijn van overal en altijd.

    Fragmenten en flarden

    Net zoals in haar andere essays, romans en verhalen, richt Ugrešić zich op het persoonlijke, op fragmenten en flarden uit het verleden, dat wat blijft en beklijft. Op bezoek bij haar bejaarde moeder in Zagreb bladert ze door oude fotoalbums en herinnert zich weer details die buiten haar weten om ergens in haar geheugen zijn genesteld. Zo is er de ‘Singervorstin’, een naaister, die vanuit het perspectief van de kleine Dubravka één was met haar mechanische naaimachine. Er zijn schoolboeken uit de tijd, toen alle volkeren van Joegoslavië broeders met elkaar waren – een opgelegde nationale eenheid, die ze eind jaren tachtig wreed uit elkaar zag spatten. Het kleine en particuliere werpt licht op de wereld erachter. Ze geeft een stem aan het verleden van haar moeder, die als jonge twintiger de grens overstak vanuit Bulgarije, trouwde en bleef. Als kind kreeg Ugrešić te horen dat ze als half-Bulgaars ‘anders’ was en daarom er niet helemaal bij hoorde. Iedereen was toch niet helemaal gelijk.

    Dat ‘anders’ is prominent aanwezig in Het museum van onvoorwaardelijke overgave. Voor Ugrešić is ballingschap een gegeven: ze schrijft in het Kroatisch, maar ze is gevormd door het voormalig Joegoslavië, niet door een land dat Kroatië heet. In het nawoord bij de heruitgave constateert ze dat ze zich tegenwoordig meer een Nederlandse dan een Kroatische schrijver voelt: ze woont straks dertig jaar in Amsterdam. Dat ze internationaal bekender is dan in Nederland, zegt uiteraard meer over het Nederlandse literaire klimaat dan over de schrijfster en haar werk dat in tientallen talen is vertaald. Voor haar romans en essays heeft ze meerdere internationale prijzen gewonnen, waaronder de ‘Amerikaanse literatuur-Nobel’, de Neustadt International Prize for Literature in 2016.

    Een blijvende tijdelijkheid

    Of ze nu in Berlijn is of in de Verenigde Staten waar ze aan een universiteit lesgeeft, ze ziet om zich heen mensen die zo zijn zoals zij zelf: gegrepen door een blijvende tijdelijkheid, zonder een vaste verblijfplaats, of, zoals ze in een interview zegt, ‘transnationaal’ of ‘post-nationaal’, mensen wiens identiteit niet bepaald wordt door hun plaats van herkomst. ‘Het enige wat ik tegenwoordig bezit, is een koffer,’ schrijft ze. Die laconieke uitspraak staat in een scherp contrast met haar herinneringen aan haar volwassen leven in Zagreb, waar ze lesgaf aan de universiteit. Als ze haar hechte groep vriendinnen van toen beschrijft, laat ze bovennatuurlijke dingen gebeuren, alsof het gewone, vrolijke leven van toen waarlijk op een ander planeet en in een ander tijdperk plaatsvond.

    Haar heden is de Chinese buurman in Berlijn die lukraak nieuwe bestemmingen zoekt op de kaart, alsof de wereld een groot pingpongspel was. Veel landen vindt hij gewoon ‘shit’. Het is ook de vriend die haar een kaart van Joegoslavië geeft, waarop ze haar oude wereld in het klein terugvindt. ‘Ik ben een schipbreukeling, ik kom uit Atlantis,’ zegt ze tegen haar vriend. Als ze klaagt dat ze eenzaam is, zegt een andere vriend: ‘In Berlijn is iedereen eenzaam. Om een of andere reden heeft nooit iemand tijd.’ Een enkele keer ventileert Ugrešić haar eigen cultureel onbehagen, zoals wanneer ze verslag doet van haar Indiase huisgenoten op een Amerikaanse campus. De drie jonge vrouwen nemen zich alle tijd in de badkamer en maken lawaai in de keuken, die ze bezetten met hun Indiase gerechten. Gelaten en verongelijkt volgt ze hun doen en laten: dat ze een huis met hen deelt vindt ze hoe dan ook een administratieve fout, want zij is docent en de drie vrouwen zijn ‘pas’ studenten.

    Maar meestal schetst ze rake portretten van mensen die vaak gedwongen en soms vrijwillig niet binnen de nauwgezette grenzen van één identiteit of herkomst passen. De schitterendste parels zijn zeer compact. Neem het anekdotische verhaal van vijftien regels, waarin Ugrešić in een Italiaans restaurant in Berlijn in het Kroatisch aangesproken wordt door een Iraanse ober met een Bosnisch accent. Om in het restaurant te kunnen werken doet hij alsof hij Italiaans is. Zulke miniaturen zijn er om langzaam gelezen te worden en op je te laten inwerken. De strekking ervan echoot nog lang na.

     

  • Het totemdier van de schrijvers

    Het totemdier van de schrijvers

    Wie het boek achteloos openslaat en begint te lezen zal snel de indruk kunnen krijgen met De vos een nieuwe bundel persoonlijke beschouwingen in handen te hebben van Dubravka Ugrešić, de in Amsterdam woonachtige Kroatische auteur van de verzameling opstellen Europa in sepia uit 2015. Toch staat op het voorplat duidelijk vermeld dat het om een roman gaat. De vos is beiden: een knap in elkaar gestoken verzameling overdenkingen, gebed in fictie, die uiteindelijk componenten zijn van één verhaal over hoe verhalen ontstaan, hoe ze tot ons komen, hoe ze worden opgebouwd en uiteindelijk hoe we er zelf deel van zijn.

    Qua compositie dringt zich de vergelijking op met een zesdelige symfonie. Het thema, ‘Verhaal over hoe verhalen ontstaan’ wordt breed uitgemeten in het eerste deel om daarna in allerlei variaties terug te keren in de volgende vijf. Als verbindende figuur loopt daar in wisselende gedaantes de vos doorheen, waarvan Boris Pilnjak (over wie hierna) schreef: De vos is de belichaming van sluwheid en verraad. Als de geest van de vos zicht vestigt in een mens, is het geslacht van die mens vervloekt. De vos is het totemdier van de schrijvers.

    Maar de delen grijpen in meerdere lagen op elkaar terug. Zoals Deel 4 over de Russische schrijver Dovjber Levin een heel nieuwe lading geeft aan Deel 2, waarin hij nog een mysterieuze achtergrondfiguur is in heel een andere stemming. En zoals Deel 5 weer een contrapunt op dat tweede deel vormt.

    Sproeier
    Dubravka Ugrešić werd in 1949 geboren in Kroatië (toen deel uitmakend van Joegoslavië), maar ontvluchtte het land tijdens de Balkanoorlogen van 1991 tot 1995. Ze ging wonen in Amsterdam, maar bleef in het Kroatisch schrijven. Ze ontwikkelde zich tot een breed gewaardeerde essayist en romancier, die door veel Kroatiërs echter wordt ‘uitgespuugd’.

    In De vos keren twee thema’s uit deze levensloop voortdurend terug, de moeite van de emigrant om zich ergens thuis te voelen en de verhouding tot de gebeurtenissen in de jaren 90 van de vorige eeuw. Ze bepalen voor een belangrijk deel de kleur van De vos en de keuzes die Ugrešić maakt.

    De al genoemde Russische schrijver Boris Pilnjak (1894 – 1938) duikt op verschillende plaatsen in de roman op, maar is in De vos het meest prominent aanwezig in Deel 1. Dat opent al met een prachtig motto: Het echte literaire genoegen begint wanneer het verhaal aan de controle van de verteller ontsnapt, als het zich gaat gedragen als een ronddraaiende sproeier in een gazon en zijn druppels alle kanten op stuurt; en als het gras niet gaat groeien om het water, maar uit verlangen naar een nabije bron van vocht.

    Ugrešić schreef ooit een dissertatie over Pilnjak en voert hem nu op als auteur van Verhaal over hoe verhalen ontstaan uit 1926. Het is een complexe raamvertelling over een fictieve Japanse schrijver Tagaki die de Russische Sofija trouwt en meeneemt naar Japan. Daar schrijft hij zonder dat ze dat weet een succesvolle roman over haar, waarvan ze de inhoud niet kent omdat ze het Japans niet machtig is. Als ze later van een Rus de inhoud hoort laat ze zich scheiden en keert ze terug naar haar geboorteland.

    Wij als lezers krijgen deze geschiedenis te lezen in de bewoordingen van Ugrešić, die haar versie geeft van wat Pilnjak vertelt, die zich op zijn beurt baseert op Sofija’s autobiografie én een vermoeden van de inhoud van Tagaki’s roman. Het verhaal van Pilnjak is terug te vinden in de bundel Moderne Russische verhalen, (2009, Uitgeverij Atlas) en beslaat daarin amper 11 pagina’s.

    Voetnoot
    Volgens Pilnjak deed Sofija met haar terugkeer naar Rusland ‘afstand van de rang van vrouw van een beroemd schrijver’ en dat contrasteert met het tweede deel van De vos. Daarin ontmoet Ugrešić (die we in deze roman, met zijn weliswaar hoge autobiografische gehalte, liever de ‘ik’-figuur noemen) op een congres in Napels over het Europese migratieprobleem de Weduwe (met hoofdletter!) van de Russische avant-gardistische schrijver Dobvjer Levin. Weinig lezers zullen van hem gehoord hebben, maar de Weduwe die nauwelijks een verdienste voor zijn werk lijkt te hebben gehad en niet meer dan een voetnoot was in het leven van de Rus (1904 – 1941 of 1942), blaast zich tot gigantische proporties op. Ze vindt zichzelf een literaire celebrity, die zegt ‘haar plaats te kennen’: Ik diende en bediende gehoorzaam het literaire talent van een man, ik diende een mannelijke geest. Maar in werkelijkheid houdt ze een uit stereotypen opgebouwd imago in stand. Ze zou zichzelf buiten spel zetten als ze dat opgaf. En dan duikt in dit deel weer de vos op als symbool voor illusie en bedrog. De Weduwe creëert haar verhaal en blijft er tegelijk in gevangen zitten: De Weduwe schiep Levin, en niet andersom, hij was haar aanvankelijk verwaarloosbaar kleine kapitaal, dat ze door verstandig te investeren in de loop der jaren wist te vergroten. Ondertussen stemt ze de ‘ik’ tot nadenken over haar eigen plek in de wereld als schrijfster.

    In Deel 5 treffen we weer een andere voetnoot uit de schrijverswereld. Ugrešić haalt daarin Dorothy Leuthold voor het voetlicht. Ze was in het leven van Nabokov niet meer dan een toevallige ontmoeting met de auteur van Lolita en Bleek vuur (dat eveneens is opgebouwd uit voetnoten). Ze chauffeerde Nabokov en zijn vrouw en kind naar de Grand Canyon, maar maakte op die trip een grote indruk op hem. In een passage die tintelt van de sensualiteit beschrijft Ugrešić hoe Nabokov een onbekende vlinder vangt die op haar lichaam is geland. Hij gaf hem de naam waardoor die van Dorothy vereeuwigd werd: Neonympha dorothea.

    Landmijnen
    Wie de Dobvjer Levin uit het leven van de Weduwe was is onderwerp van Deel 4. Ook deze vertegenwoordiger van de Russische avant-garde is in de literatuurgeschiedenis slechts een voetnoot, stelt de ik-figuur (maar: ‘We zijn allemaal voetnoten’, merkt Ugrešić later op). Ze is opnieuw op een congres, deze keer van slavisten, waar ze Irina Ferris (een naam ‘die klonk als een goed bedachte schuilnaam’) ontmoet met wie ze schrijvers uit de avant-garde in Rusland bespreekt. Ook nu duikt de vos weer op als Ferris vertelt hoe hij af en toe haar Londense tuintje aandoet. ‘Vossen zijn erg op zichzelf’, zegt ze.

    Het middendeel van de roman wordt gevormd door Deel 3, waarin een onbekende liefhebber van het werk van de ik-figuur haar een huisje in Kroatië nalaat. Ze besluit er te gaan kijken en vindt het bewoond door de kraker Bojan. Hij voert de vos die de tuin regelmatig bezoekt kippen; ‘Ik probeer hem tam te maken’.

    Bojan was ten tijde van de Balkanoorlogen rechter, maar ruimt nu landmijnen op. Er ontspinnen zich indrukwekkende dialogen tussen haar en hem over hoe iedereen uit de oorlog is gekomen. Duidelijk wordt dat de schoften van toen nu in vredestijd als helden rondlopen terwijl de onschuldigen zijn gestraft. De oorlog is nooit opgehouden. Dat wordt nog eens schrijnend verbeeld op de monumenten, die ooit werden opgericht ter herdenking van de Joegoslaven die vielen tussen 1941 en 1945, maar nu zijn vervangen door patriottische herinneringen aan de Balkanoorlogen van 1991 tot 1945. Op de sokkels zijn de cijfers 4 vervangen door de 9.

    Het zesde en laatste deel zet in met een kinderliedje over de vos die weduwe werd. Het gaat grotendeels over de vraag hoe de ‘ik’ het verhaal van haar door de oorlog getekende leven vertelt aan haar nichtje van zeven jaar. Maar ook over de vraag hoe je oude verhalen vertelt aan een kind dat opgroeit met de moderne vluchtige media. Het eindigt met een mooie gedachte dat de grote verhalen pas ontstaan als de verteller een risico voelt. Zoals Sheherazade wel moest vertellen omdat ze anders de volgende dag niet meer zou leven.

    Ugrešić is in De vos aanwezig als vanouds. Met haar herhaalde gemopper, zoals over lastposten in een vliegtuig: ‘Mopperen is een vorm van mentale fitness’, schrijft ze ter verdediging.

    En Ugrešić is er ook weer met haar ironie, haar scherpte, haar vileine analyses en haar prachtige uitgebalanceerde zinnen. De verleiding is groot om er een aantal te citeren, maar laten we het houden bij één. Hij staat waarschijnlijk niet toevallig op de helft van de roman en vat samen wat we over mensen als voetnoten, over de gedaantes van de vos en onze in verhalen verpakte ervaringen in deze prachtroman te lezen krijgen: Sommige mensen zijn zo teruggetrokken dat ze zelfs hun schaduw in hun graf meenemen, terwijl anderen van hun leven een museum maken waarin zelfs de naald waarmee ze de knopen aan hun kleren zetten, een ereplaats krijgt.

     

  • Noten leren lezen

    Noten leren lezen

    Het was alsof de duvel er deze zomer mee speelde. In het ene na het andere boek werd ik door de auteur naar een notenapparaat verwezen. De meeste schrijvers dwongen mij tot bladeren. Tot het verlaten van de tekst om ergens achterin op zoek te gaan naar de verantwoording van wat ik net gelezen had. Slechts een enkeling was zo vriendelijk een voetnoot te plaatsen, zodat ik in een oogopslag kon beoordelen of ik die noot wel het lezen waard vond. Sommige schrijvers maken het namelijk heel bont. Soms staat er achter bijna elke zin zo’n naar een noot verwijzend cijfertje gesuperscript.

    Mijn frustratie over al dat vergeefse geblader ebde weg naarmate ik weer meer romans ging lezen. De kans dat je daarin een noot tegenkomt, is relatief klein. Gebruikt een schrijver er toch één, dan maakt het bijna altijd onderdeel uit van het spel dat hij speelt. Dat ik op de tweede pagina van De vos van Dubravka Ugresic een voetnoot aantrof, stoorde me dan ook allerminst. Ook aan de noten die daarna nog volgden, ergerde ik me niet. Het scheelt natuurlijk dat het allemaal voetnoten zijn. Bovendien bevestigen ze mijn gelijk: De vos is eigenlijk helemaal geen roman. Het is een fascinerend, en goed, boek, met een hoog verhalend gehalte, maar geen roman. Althans niet in de traditionele zin van het woord.

    Inmiddels ben ik weer in een boek bezig waarin ik flink heen en weer moet bladeren, maar dit keer wil ik geen noot missen. Nu ik weet dat de eerste versie van zijn toch al veelbesproken Wolkers-biografie door de promotiecommissie niet wetenschappelijk genoeg bevonden werd en Onno Blom zich gedwongen zag het nodige te herschrijven en in zijn proloog nog eens extra benadrukt dat alles wat hij schrijft terug te voeren is op bronnen, ben ik meer dan gemiddeld nieuwsgierig naar de manier waarop hij zich in Het litteken van de dood verantwoordt.

    Ik maak er een sport van om te raden welke bron er schuilgaat achter een noot. Neem nou de zin waarmee het eerste hoofdstuk opent: ‘Op 26 augustus 1944 bloeiden zwanenbloemen in de sloten en kleurden paardenbloemen de weilanden om Oegstgeest felgeel.(1)’ Of deze, dertig bladzijden verder: ‘Als een van de kinderen sigaretten voor vader moest kopen bij een winkel aan de overkant, moest hij of zij goed uitkijken tot de tram voorbij was.(108)’ Ik zat er in beide gevallen naast.
    Nadat mijn opwinding over de oorsprong van deze zinnen gezakt was, vroeg ik me a) af of dergelijke zinnen een bronvermelding nodig hebben, en b) of Onno Blom zichzelf een wetenschappelijk dienst bewijst met deze verantwoording van de feiten.
    De vraag stellen is hem beantwoorden. a) Bloeiden die bloemen dat jaar alleen op 26 augustus? Moeten kinderen niet altijd uitkijken als ze een straat oversteken? b) Weet Onno Blom zeker dat Jan Wolkers dit 35 jaar na dato zeker wist? Hoe relevant is een bron die iets alleen van horen zeggen heeft?

    Noten moet je leren lezen, en noten schrijven is ook een vak apart.

     

    1 Dagboek, 30-8-1979. Archief Wolkers, Texel.
    108 Gesprek Karina Wolkers, 17-3-2014.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Oogst week 43

    Het litteken van de dood

    ‘Niemand is dichter bij de waarheid gebleven dan ik,’ deelde Jan Wolkers Onno Blom al heel snel nadat Blom de uitdaging aangenomen had zijn biograaf te worden mee: ‘Mijn leven en werk zijn één.’ Nu het werk van de biograaf er na tien jaar op zit, kan Blom niet anders dan concluderen dat Jan Wolkers veel meer dan hij vooraf vermoedde aan de werkelijkheid ontleend heeft.
    Een vraag die na alle aandacht rondom het verschijnen van Het litteken van de dood: de biografie van Jan Wolkers nog niet beantwoord is: vindt Onno Blom dat de wijze waarop Wolkers van zijn leven zijn werk maakte aanleiding geeft om de academische ideeën over feit en fictie te herzien?

    Misschien staat het antwoord in het ruim 1100 pagina’s tellende boek waarop Onno Blom op de tiende sterfdag van Jan Wolkers promoveerde, waarin de jonge doctor eerder beschrijvend dan beschouwend een door driften gedreven kunstenaarsleven reconstrueert.

    Het litteken van de dood
    Auteur: Onno Blom
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De vos

    Er mag dan vrij prominent ‘roman’ op de cover staan, het eerste deel van De vos van Dubravka Ugresic heeft weinig weg van een verzonnen verhaal. Het is een essay waarin het scheppen dan wel produceren van verhalen centraal staat. Dubravka Ugresic ontleedt niet alleen Verhaal over hoe verhalen ontstaan van Boris Pilnjak – dat zich uitermate goed leent om het te hebben over de scheidslijn tussen beleefd en verzonnen, schrijven in de eerste persoon enkelvoud, het ongenoegen van een persoon die personage werd en rol van lezer en literatuurwetenschapper als ‘afmaker’ van een verhaal – maar vlecht ook zichzelf als onderzoekende lezer in het essay.

    De overige vijf delen ogen minder theoretisch, maar net als De sleutelroman ontsloten en Museum van onvoorwaardelijke overgave is De vos een hybride boek. Een boek waarin Dubravka Ugresic vertelt en beweert en de vos slim en sluw mag zijn en er met de buit vandoor mag gaan. Een roman die bewijst dat ze zelf een vos is: een schrijver die in staat is verschillende ideeën en ervaringen te combineren.

    De vos
    Auteur: Dubravka Ugresic
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken

    Alles van waarde in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken verwijst naar de werkelijkheid waarin Arjen van Veelen een vriend verloor. Niet zomaar een vriend: Thomas Blondeau voltrok als bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk tussen Arjen van Veelen en Rosanne Hertzberger. Thomas Blondeau was net als Van Veelen schrijver, al beoefenden ze verschillende genres. Blondeau overleed vier jaar geleden, hij was pas 35.

    Van Veelen ‘is’ de jonge schrijver die in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken afreist naar Alexandrië om er te zoeken naar de tombe van Alexander de Grote, over wie die schrijver voornemens is een biografie te schrijven. Blondeau ‘is’ de schrijver van de boeken die de jonge schrijver zonder dat iemand het ziet achter wil laten in de herbouwde bibliotheek van Alexandrië.
    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken gaat over verliezen en rouwen in dit specifieke geval. Over de weg kwijt zijn en de draad weer oppakken. En daarmee net zo goed over het leven als over de dood.

    Van Veelen laat zien dat hij een roman aan kan, maar verloochent zijn journalistieke en essayistische stiel niet.

    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken
    Auteur: Arjen van Veelen
    Uitgeverij: Bezige Bij, De

    Nachtvlucht

    Toen Antoine de Saint-Exupéry in 1931 Nachtvlucht schreef, stond de luchtvaart nog in de kinderschoenen. Het was een hele verantwoordelijkheid om piloten veilig weer aan de grond te krijgen, maar de belangen waren ook toen al groot. Vandaar dat postvlieger Fabien ondanks de invallende duisternis en het slechte weer dat op komst is door Rivière gedwongen wordt op te stijgen en de post uit Patagonië te bezorgen.

    De Saint-Exupéy – die zelf beroepsvlieger was – laat zien wat het enerzijds betekent om het voor het zeggen te hebben en anderzijds hoe dwingend plichtsbesef kan zijn. Hij ontleedt de psyche van de man aan de grond die zich realiseert dat de kans op een behouden vlucht steeds kleiner wordt. Hij was degene die met een nachtvlucht tijd hoopte te winnen en de zo de voordelen van vliegen boven vervoer per trein of boot aan te tonen en daar nu een hoge morele prijs voor moet betalen. Ondertussen doet de piloot er alles aan om de weersomstandigheden, zijn kist en zijn emoties de baas te blijven.

    Nachtvlucht van Antoine de Saint-Exupéry is de vierde klassieker waarvan Uitgeverij Bint vindt dat hij niet van de radar mag verdwijnen. De uitgever herzag de vertaling, waardoor deze  realistische en nog steeds actuele De Saint-Exupéry weer jaren mee kan.

    Nachtvlucht
    Auteur: Antoine de Saint-Exupery
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint
  • De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    In 1992 viel Joegoslavië uit elkaar in een landschap van onafhankelijke landen, die de jaren erna voortdurend bezig waren grenzen te trekken ten opzichte van elkaar en vooral te bewijzen dat ze een eigen staat waren met een eigen bestaansgrond. Het nationalisme vierde daarbij hoogtij. Eén van de staten was Kroatië, het land van de schrijfster Dubravka Ugrešić. Ook daar richtte het nationalisme zich op uitsluiting van anderen, ontkenning van het verleden in Joegoslavisch verband en verheerlijking van de nieuwe ‘eigenheid’. In tegenstelling tot het gros van de politici en intellectuelen wenste Ugrešić daar niet aan mee te doen. In haar ogen was het nieuwe Kroatië vergeven van de hypocrisie en geschiedvervalsing. Ze zei en schreef dat ook met als gevolg dat ze door haar landgenoten werd uitgekotst. Op de Universiteit van Zagreb, waar ze onderzoekster was, werd ze door collega’s genegeerd en in de pers werd ze (met enkele andere kritische vrouwen) uitgemaakt voor heks en ‘joegonostalgica’. Ugrešić verliet het land en vestigde zich eerst in Berlijn en later in Amsterdam.

    Vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was Ugrešić een schrijfster en onderzoekster die nauwelijks aandacht had voor politiek. Na 1992 is die echter prominent aanwezig in haar boeken. Zo ook in het onlangs verschenen Europa in sepia, een verzameling essays die ze schreef in de periode 2010 tot 2013. De bundel bestaat uit tal van kortere stukken die samenhangend zijn gegroepeerd in vier delen. Vooral in het laatste daarvan, ‘Een bedreigde soort’, meet Ugrešić haar verhouding tot de gebeurtenissen in het begin van de jaren 90 breed uit. Het is het meest persoonlijke en felle deel. Persoonlijk is Ugrešić overigens in alles wat ze schrijft omdat het voortdurend waarnemingen in haar eigen kleine kring zijn die aanzetten tot diepere beschouwingen over ontwikkelingen in de maatschappij; Een ontmoeting met iemand in een winkel, een krantenberichtje, een opmerking van haar dochter, een bezoek aan een winkel, een YouTubefilmpje: alles kan aanleiding vormen tot een scherpe analyse van onze tijd.

    In dat laatste stuk, ‘Een bedreigde soort’, komt bij die persoonlijke ervaring ook nog eens een flinke dosis gif, die degenen die haar al langer volgen ook kennen uit eerdere boeken als Nationaliteit: geen en Cultuur van leugens. Ze herhaalt zich dan ook nogal eens, maar ze doet dat niet omdat de emmer nog altijd niet leeggegoten is. Nee, ze scherpt voortdurend aan en probeert nog dieper tot de kern door te dringen. Ze beschrijft bijvoorbeeld hoe ze in 2012 door krantenknipsels uit de jaren 90 bladert alsof het een onverschillige verzameling papier is die niets meer met haar te maken heeft, maar ‘dan valt mijn oog op de datering van die stukken, ja vooral op de datering, en wat ik destijds aanzag voor een spontane uitbarsting van krantenroddels over mijn persoon, wordt nu steeds meer een samenhangend verhaal. Het is alsof ik mijn hoofd tegen een muur stoot als ik me bewust word van een keiharde paradox: hoe meer samenhang het verhaal krijgt, hoe moeilijker het wordt om er iets tegenin te brengen.’ Die nieuwe schok vormt de aanleiding om te analyseren hoe geraffineerd campagnes om iemand buitenspel te zetten eigenlijk in elkaar zaten en hoe zinloos het is te proberen daartegen ten strijde te trekken.

    De status van Ugrešić in Kroatische ogen druppelt ook in de andere essays door. Dat begint al in het eerste deel dat dezelfde titel draagt als de bundel, ‘Europa in sepia’. Daarin legt ze uit wat precies met ‘joegonostalgia’ wordt bedoeld en hoe het mede haar kijk op de westerse wereld heeft gekleurd, zoals je naar oude foto’s in sepia kijkt. Als het over integratie gaat bijvoorbeeld of over de omgang van Nederland met Polen die hier komen werken, krijgt haar blik die kleur van de geschiedenis. Treffend beeld van hoe het met ons is gesteld, is een ervaring die ze opdoet in de hortus botanicus in Dublin waar 17.000 plantensoorten uit de wereld bijeen zijn gebracht. Bij sommige van die planten staan bordjes met de vraag ‘Why is it a problem in Ireland?’ Ze staan bij planten die een bedreiging vormen voor de inheemse Ierse vegetatie en die beter uit het land verbannen zouden kunnen worden. Met een schok lees je vervolgens de parallel die ze trekt met de omgang van West-Europese landen met immigranten: ‘Ja, Europa is net zo ingericht als de hortus botanicus van Dublin, iedereen draagt om zijn hals een bordje waarop al zijn gegevens staan: waar hij vandaan komt, hoe invasief hij is en in hoeverre hij voor de inheemse soorten een bedreiging vormt’.

    Terloops bewijst Ugrešić in dit essay overigens de Nederlandse literatuur eer als ze schrijft: ‘Nostalgie is als een onvoorspelbaar dier dat ons belaagt wanneer het wil, dat ons zonder onaangekondigd en zonder duidelijke reden besluipt en op een verkeerd moment en op een verkeerde plek vanuit een hinderlaag toeslaat’. Zou ze hier bewust Cees Nootebooms Rituelen (‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’) parafraseren? Hoogstwaarschijnlijk wel. Ze las hem in elk geval, want in Ministerie van pijn uit 2005 gaf ze enkele stukken al motto’s van Nooteboom mee.

    Het omvangrijkste deel van de bundel, het derde, is getiteld ‘De karaokecultuur’. Het is eigenlijk één essay in tien paragrafen, waarin de auteur een belangrijke ontwikkeling in de westerse cultuur van het laatste decennium signaleert. De meesten zullen bij karaoke denken aan de uit Japan overgekomen leukigheid om met een orkestband op de achtergrond en met de tekst op een autocue, een eigenwijze versie ten gehore te brengen van het origineel. Maar dat verschijnsel is voor Ugrešić veel breder: ‘Karaoke vertegenwoordigt niet alleen de democratische gedachte dat iedereen kan wat hij wil, maar is ook, en vooral, een bewijs van de democratische realiteit dat iedereen wil wat hij al kan.’ We apen alleen nog na en creativiteit buiten gebaande paden krijgt nauwelijks nog een kans, bedoelt zij. We leven in een ‘cultuur van het narcisme’ en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen, waarmee in feite wordt gezegd dat we met de zoveelste epigoon te maken hebben. En: ‘De media – kranten, televisie, de uitgeversindustrie en internet – bestaan bij de gratie van volkse en populaire popsterren en de populaire popsterren bestaan bij de gratie van de media, en zo scheppen ze samen een populaire cultuur die ze ook gezamenlijk beheersen.’
    Het is heel herkenbaar, maar tegelijk kun je je afvragen of het boekenaanbod inderdaad zo rampzalig is. Er duiken steeds weer schrijvers op die juist wel nieuwe vergezichten weten te openen. Ugrešić’ conclusie is er dan wel weer één om over na te denken: ‘Wat alle vormen van karaokecultuur met elkaar gemeen hebben is de narcistische, exhibitionistische en neurotische behoefte die eruit spreekt om als hulpeloos individu een teken van jezelf op deze onverschillige aarde achter te laten, en het maakt niet uit waarmee of hoe: in de schors van een boom, op je eigen lichaam, op internet, met een foto, met een daad van vandalisme, een moord of een kunstwerk. Aan deze cultuur ligt echter een serieus motief ten grondslag: de angst voor de dood.’

    Laat trouwens door het bovenstaande niet de indruk ontstaan dat Ugrešić louter sombert. Haar stukken zijn hier en daar juist erg humoristisch, bijvoorbeeld als ze schrijft over haar bezoek aan IKEA of over haar opstand tegen de minibar op hotelkamers.

    Europa in sepia

    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Vertaald door: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 376
    Prijs: € 24,95

  • Oogst week 22

    Door Ingrid van der Graaf

    De Kroatische (experimentele) schrijfster, essayiste en letterkundige Dubravka Ugrešić woont al jaren in Amsterdam. Ze schrijft in het Kroatisch maar haar werk, waarvoor ze verschillende literaire prijzen ontving, is in vele talen vertaald.
    In de essaybundel Europa in sepia dwaalt Ugrešic van de Amerikaanse Midwest tot Zuccotti Park, en van de Ierse Aran-eilanden tot Jeruzalems Mea Shearim, van de tristesse van de Nederlandse Vinex-wijken tot de rellen in Zuid-Londen. Ondertussen stipt ze tal van kwesties aan, van de lusteloosheid in Centraal-Europa tot de verveling in de Lage Landen. Met een vinger aan de pols van een uitgeput Europa en een andere aan die van postindustrieel Amerika, onderzoekt Ugrešic de fall-out van politiek falen en de vuilnisbelt van de populaire cultuur. Ugrešic’ schrijft met een lichte toon en dat, samen met haar gevoel voor het absurde, maakt Europa is sepia tot een bundel betoverende wanhoop. Uitgegeven bij Singeluitgevers, 376 blz, € 24,95.

    9789048824076Schrijver en vertaler Thomas Willmann (1969 München) studeerde muziekwetenschap en was cultureel verslaggever en gastpresentator bij een klassieke radiozender voor hij in 2014 debuteerde met Het duistere dal.
    Een roman waarin wraak een hoofdrol speelt. In een afgelegen dal hoog in de bergen, ingeklemd tussen machtige bergtoppen, ligt een dorp. Op een dag arriveert een vreemdeling om er de winter  te verblijven. Om te schilderen. Zeer onwillig wordt hem onderdak toegewezen in het huis van weduwe Gader. Het dorp raakt ingesneeuwd en het leven komt tot stilstand. Dan verongelukt de jongste zoon van een familie uit het dorp. Een tweede zoon wordt teruggevonden in een beek. In Het duistere dal wordt het verleden tot het heden gebracht. Uitgegeven bij Meridiaan, 304 blz, € 19,99.

    21614987-Economie-is-geen-wetenschap-Bernard-MarisBernard Maris is een van de omgebrachte redacteuren van Charlie Hebdo. Economie is geen wetenschap is zijn laatste boek. Net als Thomas Piketty beweerde Maris dat hij meer geleerd heeft van grote literaire auteurs dan van bekende economen. Hij stond altijd vooraan wanneer het ging om het bekritiseren van economen en het bestaande economische systeem.  In dit boek leest hij de huidige tijd aan de hand van het werk van Michel Houellebecq en in het licht van veel geciteerde economen als Marx, Friedman en Keynes. Economie is geen wetenschap is scherp geschreven, ook bedoeld voor mensen die Houellebecq niet lezen. Uitgegeven bij De Geus, € 14,95.

     

    huijser-buddingh-2015-188x300De biografie, waar velen naar uitkeken, is nu verschenen. Vanaf 2003 is Wim Huijser de biograaf van de Dordtse schrijver, dichter, vertaler, essayist C. Buddingh’ (1918-1985). Sinds die tijd verschenen van hem meerdere publicaties over Buddingh’, waaronder in 2010 Buddingh’s verzamelde gedichten onder de titel Buddingh’ Gebundeld.
    C. (Kees) Buddingh’ (1918-1985) mag gerekend worden tot de populairste schrijvers van zijn generatie. Met zijn Gorgelrijmen verwierf hij al in de jaren veertig en vijftig zijn eerste bekendheid: ‘De blauwbilgorgel’ is zelfs klassiek geworden. Dankzij zijn droge humor en karakteristieke stemgeluid was hij een opvallende verschijning tijdens Nederlands eerste grote dichtersmanifestatie Poëzie in Carré (1966). Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar, 410 blz, € 34,99.