• Wereldgeschiedenis van een leven

    Wereldgeschiedenis van een leven

    De uit 1987 oorspronkelijke Britse roman Moon tiger van Penelope Lively wordt door The Guardian ‘Een van de beste Booker Prize-winnaars aller tijden’ genoemd. Lively schreef naast vele romans ook werk voor kinderen en sleepte daarvoor de prestigieuze Carnegie Medal voor de kinderliteratuur in de wacht. Destijds keken veel recensenten besmuikt neer op Moon tiger en noemden het een ‘huisvrouwenroman’. In 2021 is de roman in het Nederlands vertaald door Dorien Veldhuizen. We volgen in Moon tiger het verhaal van Claudia Hampton, (omstreden) historicus, auteur en oorlogscorrespondent.

    Moon tiger

    Hoofdpersonage Claudia Hampton ligt op hoge leeftijd in een ziekenhuisbed in Londen en besluit een geschiedenis van de wereld te schrijven aan de hand van haar eigen leven. Het resultaat van deze niet erg bescheiden missie houden we, vermoedelijk, in onze handen. De vorm waarin ze haar wereldgeschiedenis giet, wordt door haar vergeleken met de lagen van gesteente: een verhaallaag als een gesteentelaag. Dit vormt een belangrijk verhaalmotief: ‘waarin ik u allereerst de grote sluimerende rotsen van het cambrium zal laten zien, en vervolgens een overgang maak naar de bergen van Wales, de Long Mynd, de Wrekin, van het ordovicium naar het devoon, rode en corbonide zandsteen’. Toch hebben de verschillende lagen waarin ze haar geschiedenis wil vastleggen meer de vorm van een maalstroom: ‘Mijn lagen zijn minder makkelijk waarneembaar dan die in het gesteente van Warwickshire en in mijn hoofd liggen ze niet eens in volgorde, maar vormen ze een draaikolk van woorden en beelden. Draken en moon tigers en Crusaders en Honeys’. Moon tiger wordt in het verhaal een wierookspiraal genoemd die ’s nachts langzaam opbrandt en uiteenvalt. Het eindigende leven van Claudia kan dus ook gerust vergeleken worden met een moon tiger. De wat onbekende term die de titel van de roman uitdrukt, staat dus symbool voor de structuur (en deels de inhoud) van de roman. Het is jammer dat dit er door Lively zo dik bovenop wordt gelegd; het verband tussen de titel en de roman kunnen we gemakkelijk zelf ontdekken.

    Wirwar aan verhaallijnen

    De opbouw van het verhaal is niet chronologisch; periodes in het ziekenhuis wisselen periodes in het oorlogsgebied in Egypte af, en stukken waarin Claudia nog kind is wisselen stukken af waarin ze een kind heeft. De verschillende verhaallijnen zijn desondanks goed te volgen. De verteller in het verhaal is vaak Claudia zelf, maar die vertelstem wordt afgewisseld door andere stemmen, waaronder die van haar broer Gordon, haar dochter Lisa en haar (ex)vriend Jasper. Al deze andere stemmen draaien alsnog om Claudia, en geven je daarmee een completer beeld van haar persoonlijkheid. Alhoewel dat op zichzelf een interessante constructie is, voegt het in deze roman niet zoveel toe. Al die verschillende stemmen bevestigen namelijk het beeld dat Claudia al duidelijk van zichzelf laat zien: ze is zelfingenomen, hard en beeldschoon. Ook als er een verteller optreedt die zich buiten het verhaal bevindt, heeft dit eigenlijk geen interessant effect omdat het geen nieuwe informatie of een boeiende invalshoek oplevert, waardoor het een holle constructie blijft.

    Geen sympathie

    Claudia Hampton wordt niet bepaald neergezet als een prettig mens. Natuurlijk hoeft de hoofdpersoon in een boek ook helemaal niet sympathiek te zijn, maar het is dan wel de kunst om de lezer ertoe te bewegen toch met het hoofdpersonage mee te leven. Sommige schrijvers lukt dit, maar Lively niet. De roman is scherp van toon, net als Claudia zelf. Ze toont Lisa nauwelijks liefde, en laat maar al te goed merken dat ze de vrouw van Gordon niet kan uitstaan door haar stelselmatig te negeren. De korte verhaallijn waarin Claudia zich bekommert om Laszlo, een buitenlandse jongen die tijdelijk in Londen verblijft en niet meer terug kan gaan naar Hongarije vanwege de onrustige situatie daar, laat eindelijk een prettige kant van haar zien. Ze neemt Laszlo in huis, zorgt voor hem, en ze ontwikkelen een hechte band. Blijkbaar heeft Claudia wel een zachte kant. Dit roept dan wel de vraag op waarom ze zich zo weinig bekommert om haar eigen dochter, en de lezer blijft met die vraag zitten omdat deze personages niet voldoende worden uitgediept, evenals andere personages in de roman. Ook al kan dat begrepen worden in de context van de roman als flarden levensgeschiedenis, de personages blijven zo te oppervlakkig om ze echt te begrijpen.

    Voorspelbaar gehalte

    Eén verhaallijn in Moon tiger gaat over de relatie tussen Claudia en haar broer Gordon. Ze lijken altijd met elkaar te concurreren, voeren non-stop discussies maar zijn tegelijkertijd met niemand zo hecht verbonden als met elkaar. Het is boeiend om over deze band tussen broer en zus te lezen. Het is echter onnodig en ongeloofwaardig in de romancontext dat deze twee zich tijdens de pubertijd ook seksueel tot elkaar aangetrokken voelen, en daarnaar handelen. Onnodig, omdat het de vermakelijke verhaallijn tussen broer en zus verpest en het ook geen rol in het verdere verhaal speelt. Daarnaast wordt deze plotwending ook niet goed uitgewerkt: al na enkele passages in het begin van de roman over Claudia en Gordon, voel je deze incestueuze romance aankomen. Toch moeten we tot bijna het einde van het boek wachten tot dit onthuld wordt. Zo’n lange ‘spanningsboog’ werkt niet als het voorspelbaar is, en daarnaast voegt de kortstondige relatie tussen volbloed broer en zus niets aan het verhaal toe.

    Geschiedschrijving

    Interessant aan het verhaal is dat er voldoende ruimte wordt geboden aan reflectiemomenten. Zo wordt er gereflecteerd op het schrijven van geschiedenis (‘Argumenteren is nu juist het wezen van de geschiedschrijving’), op de taal (‘onze taal is de taal van alles wat we niet gelezen hebben’) en op het vermogen te herinneren (‘Wat daar gebeurde, gebeurt nu alleen nog in mijn hoofd’). Vooral dat laatste krijgt een boeiende invulling als Claudia beweert zonder kleerscheuren of trauma’s uit de oorlog te zijn gekomen. Toch lezen we iets heel anders: het verlies van haar geliefde Tom Southern tijdens de oorlog heeft voor een diepgeworteld verdriet gezorgd bij Claudia. De manier waarop ze dus achteraf over de oorlog vertelt, vanuit de door haar gevormde en bewerkte herinnering, komt niet overeen met de manier waarop ze de oorlog echt ervaren heeft. Ook al doet ze alsof ze onfeilbaar is, ook zij is door de oorlog geschaad. De verhaalscènes die gaan over de oorlog zijn in dat opzicht belangwekkend voor de manier waarop herinneren ‘werkt’, ook al ontbreekt een duidelijke contextualisering van de oorlogscènes.

    Moon tiger laat veel te wensen over. Wel is het een toegankelijke ontsnapping uit de realiteit: als je niet te hoge verwachtingen hebt is het een geschikt boek voor op de bank, met je benen over elkaar en je voeten op tafel.

     

  • Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    In het midden van een terrein, twee voetbalvelden groot, is een boksring geplaatst, verlicht door schijnwerpers van de luchtafweerinstallatie. Ertegenover acht rijen stoelen waarop tweehonderd SS-ers van allerlei rang uit Auschwitz en kampen in de buurt. Aan de andere kant van de ring honderd tot honderdvijftig kapo’s (de toezichthouders die de SS aanwees uit de kampbevolking zelf). Ze gaan kijken naar een bokswedstrijd van een soldaat van de Wehrmacht tegen ‘Young’ Perez, een Tunesische bokser die in 1931 en 1932 wereldkampioen vlieggewicht was en nu in Auschwitz verplicht wordt om de nazi’s regelmatig te amuseren: ze willen een portie bloed en geweld zien.
    In Bij ons in Auschwitz heeft Arnon Grunberg een kort stuk opgenomen uit De bokswedstrijd. Overleven in Auschwitz van Paul Steinberg, die tijdens het gevecht verzorger was van Perez. In dat stuk wordt het gevecht beschreven, maar veelzeggend is hoe Steinberg zijn verslag karakteriseert: ‘Als er ooit een surrealistische happening heeft plaatsgehad die de verbeeldingswereld van een Breton, Dalí of Magritte zou hebben getart, dan was het die avond wel’. Hij vraagt zich af ‘of die voor het geestesoog van een menselijk wezen met een gezond bewustzijn wel tot leven is te roepen’.

    Die inleidende opmerking raakt aan de onmacht om de werkelijkheid van Auschwitz aan anderen duidelijk te kunnen maken. Arnon Grunberg nam in de door hem ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz – 75 jaar geleden – samengestelde bundel Bij ons in Auschwitz 78 fragmenten op die allemaal in meerdere of mindere mate dat onvermogen illustreren. Grunberg zegt er in zijn inleiding behartenswaardige dingen over. Hij haalt Sem Dresden aan: ‘Als het waar is – het is ongelukkig genoeg waar – dat geen kampbeleving en geen getto-ervaring zich indertijd of naderhand in woorden laat vangen, dan zal elke uitdrukking ervan een vorm van behelpen en van onvermogen moeten zijn. Dan blijft alleen over wat ik niet beter weet te benoemen dan indirectheid’. Steinberg moest daarom wel surrealistische schilders te hulp roepen – en wist dat dat behelpen was.

    Dantesk

    De fragmenten zijn geschreven door dertien schrijvers die allemaal in Auschwitz hebben gezeten. Het merendeel van hen overleefde het kamp en deed later een poging om terug te blikken. Er zijn ook fragmenten opgenomen die in het kamp zelf zijn geschreven. Het zijn niet alleen getuigenissen van Joden, maar ook van bijvoorbeeld een verzetsstrijder. Er zijn beschouwende teksten naast herinneringen. Maar in die verscheidenheid is er één constante: alles heeft zich afgespeeld in één kamp, Auschwitz-Birkenau. Dat betekent dat er soms paralellen zijn. De Hongaar Miklós Nyiszli vermeldt een voetbalwedstrijd in het kamp die aan de bokswedstrijd van Steinberg doet denken. En de Pool Wieslaw Kielar spreekt over ‘danteske scènes’, zoals Steinberg het surrealisme nodig had om beelden op te roepen. Diverse auteurs verwijzen naar elkaar waardoor de stukken elkaar versterken.

    Meerdere schrijvers vragen zich af – in de bewoordingen van Grunberg – ‘of de taal Auschwitz aankan, of niet ook de taal van de mensen vernietigd is in de gaskamers en de crematoria’. Die ontoereikendheid van de taal en tegelijk de noodzaak wél taal te vinden, is het centrale thema van Grunbergs inleidende essay. Schrijven over het vernietigingskamp is volgens hem een literaire onderneming omdat die uitgaat van de verwachting dat de schrijver de lezer iets laat meemaken dat hij niet kent. Bij fictie is dat iets dat de schrijver zelf niet eens heeft ervaren, maar in dit geval is er niets bedacht; de voor de lezer onvoorstelbare realiteit moet worden verwoord. Als je genoegen neemt met de onzegbaarheid wordt Auschwitz iets dat in stilte beleden wordt, ‘zoals je met een god doet: het betekent dat je bijdraagt aan de verheerlijking ervan’. Je moet er dus over spreken, maar hoe? En wie mag spreken?

    Sonderkommando’s

    Grunberg heeft gekozen voor teksten van schrijvers die Auschwitz meemaakten en daarover non-fictie hebben geschreven (wat niet wil zeggen dat zij geen romans op hun naam hebben staan, zoals in het geval van Imre Kertész en Primo Levi). Ook gaat het niet alleen om teksten van overlevenden, maar ook om getuigenissen van omgekomenen. Daaronder de leden van de Sonderkommando’s.

    Deze Sonderkommando’s behoorden tot wat Primo Levi in zijn De verdronkenen en de geredden de ‘grijze laag’ noemt. ‘Een extreem geval van collaboratie’ noemt hij deze Kommando’s. Ze waren samengesteld uit kampbewoners, grotendeels Joden (gevangen Duitsers en Polen kregen de ‘respectabeler’ functie van kapo), die in ruil voor bepaalde voorrechten dienst deden in de crematoria. Die dienst hield onder andere in: orde handhaven, lijken uit de gaskamers halen, gouden tanden uit de monden breken, de ovens stoken, de as eruit halen en die begraven. Hun privilege was dat ze een paar maanden wat meer te eten kregen (en hoopten te overleven). Maar de SS zorgde ervoor dat er om de paar maanden nieuwe Sonderkommando’s kwamen die hun voorgangers alsnog de ovens injoegen. Eén van de gedachten die er volgens Levi achter zat was ‘een paroxisme van doortraptheid en haat; de Joden moesten de Joden in de ovens stoppen, het bewijs moest geleverd worden dat de Joden, Unterrasse, Untermenschen, zich tot elke laagheid lenen, zelfs tot het vernietigen van zichzelf’.

    Beschrijvingen

    Dat de SS de Sonderkommando’s om de paar maanden verving was mede om te voorkomen dat iemand het zou kunnen navertellen. Daarin is de SS niet geslaagd. Grunberg heeft fragmenten opgenomen van twee overlevende Sonderkommando’s, de al genoemde Nyiszli (die zich vrijwillig had gemeld) en Filip Müller. De meest macabere beschrijvingen van het werk die zijn opgenomen zijn van de hand van de hiervoor eveneens al genoemden Kielar – geen lid van de Sonderkammando’s, maar Blockältester – Müller en Nyiszli. Met hen waad je als lezer door de stank en verminkingen van de lijken die moesten worden opgeruimd; cynisch soms, zoals wanneer Nyiszli een recept geeft voor diarree.

    Er zijn zelfs verslagen opgenomen van Sonderkommandoleden die het kamp niet overleefden, Zalmen Gradowski en Zalmen Lewental. Ze begroeven hun handgeschreven getuigenissen in de as bij de crematoria. Daar werden ze na de oorlog gevonden. De sporen zijn zelfs nog tastbaar in de gedrukte versies in de bundel van Grunberg waar streepjes en puntjes aangeven wat niet meer leesbaar is (mogelijk gewist door inwerking van vocht, as en aarde).

    Mogelijkheid

    Grunberg velt geen moreel oordeel over de Sonderkommandoleden, dit in navolging van Levi die vraagt ‘om de geschiedenis van de “aasvogels van het crematorium” met piëteit en een onvertroebelde blik te overdenken, maar het oordeel over hen op te schorten’. Hij schrijft dit na een gedachtenexperiment rond de vraag wat ieder van ons in zo’n barre situatie zou hebben kunnen doen.
    De fragmenten in Bij ons in Auschwitz zijn gerangschikt in vier thematische delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. In het derde deel vliegt de weerzin je als lezer soms aan, zozeer dat je niet méér binnen kunt laten. Grunberg realiseerde zich dat: ‘Wie het zich gemakkelijk wil maken heeft hier niets te zoeken’, waarschuwt hij. In die zin vraagt het lezen van de bundel doorzettingsvermogen. Je realiseert je dat je niet weg mag lopen als Grunberg toevoegt: ‘Auschwitz is een mogelijkheid, die weer bestaat uit talloze mogelijkheden, men leze wederom de getuigenissen, maar het is wel een mogelijkheid die geen onmogelijkheid is geworden, Auschwitz hangt nog altijd in de lucht’.