• Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    In de markante verhalenbundel uit 1926 De rijke jongen van F. Scott Fitzgerald passeren tijdloze thema’s de revue in een taalkundig gezien, soms wat verouderd jasje. Ook is het taalgebruik hier en daar wat koloniaal van toon. Dat is terug te zien in woorden als ‘negers’, ‘roetzwarte potige neger’, ‘miniatuurmulat’.
    Fitzgerald schrijft over thema’s als volwassen worden, het bereiken van ‘The American Dream’ en het aangaan van relaties. Maar ook de schaduwzijde van het bestaan komt aan bod in de verschillende verhalen. Zoals het verbreken van relaties, eenzaamheid, verlies en alcoholisme. Dit alles wordt met humor en op een enigszins luchtige en soms spottende manier beschreven.

    In ‘Winterdromen’ droomt Dexter over rijkdom en het hoogst bereikbare. Als 14-jarige caddie ontmoet hij het meisje Miss Jones op de golfbaan samen met haar kindermeisje. Jaren later wanneer hij inmiddels een redelijk succesvol zakenman is met een eigen wasserij, ontmoet hij Miss Jones weer. Ze geniet van het goede leven op Sherry Island een golfresort.
    Positief benadrukt wordt de tegenstelling tussen de selfmade-man Dexter, die zich op eigen kracht opwerkt en de rijkeluisjongens die onverantwoordelijk omgaan met hun erfenissen en aandelen. ‘Om hem heen leurden rijkeluiszonen op een riskante manier met obligaties of investeerden ze op een riskante manier erfenissen of ploeterden ze door de 24 delen van de George Washington Commercial Course, maar Dexter leende duizend dollar op basis van zijn universitaire graad en zijn zelfverzekerde praat en kocht zich in in een wasserij.’

    Ook in ‘Kapers op de kust’ staat de rijkere klasse centraal in de vorm van de verwende en arrogante Ardita. Dit meisje brengt haar dag lui, zonnend door op het dek van de boot van haar oom. Ze wil weglopen met een verkeerde man. Haar familie wil graag dat ze Toby Moreland ontmoet, een jongen uit een gegoede familie. Dan wordt de boot gekaapt door een ‘blanke’ jongen die samen met een groepje donkere, zingende mannen, aan komt roeien. De ironie van dit verhaal is dat het doel van Ardita, namelijk ontsnappen aan het eigen leefmilieu, totaal mislukt.  Dit omdat ze uiteindelijk toch blijft hangen in haar eigen milieu.

    Tegenover deze ‘jeugdige’, redelijk lichtvoetige verhalen, staan de zwaardere verhalen als ‘De rijke jongen’ en ‘Terug naar Babylon’. In ‘De rijke jongen’ staat de gegoede, superieure Anson centraal. ‘Anson accepteerde zonder reserve de wereld van de top van het geldwezen en de extravagantie, van scheiding en verkwisting, van snobisme en privilege. Voor de meesten van ons eindigt het leven als een compromis – zijn leven begón als een compromis.’
    Anson houdt sterk vast aan de normen en waarden uit zijn milieu. Dan wordt hij verliefd op Paula Legrende, en gaat een relatie aan op haar voorwaarden. In het begin minacht hij haar ‘emotionele simplisme’. Maar als de verliefdheid liefde wordt en diepgang brengt, besluiten ze te trouwen.
    Het verhaal kent grote tegenstellingen. Enerzijds heeft Anson een vaderlijke en begripvolle houding ten opzichte van anderen, anderzijds is er zijn grofheid en grillige en ongevoelige gedrag. Maar voor plezier is altijd ruimte. Ansons alcoholmisbruik doet de relatie tussen hem en Paula de das om.

    In ‘Terugkeer naar Babylon’ hoopt Charlie op de hereniging met zijn 9-jarige dochter Honoria in Parijs. Echter zijn schoonzus en zwager zien hier geen heil in. In het verhaal van Fitzgerald kunnen de personages geen begrip meer voor elkaar opbrengen door wederzijdse boosheid en teleurstelling.

    Scott Fitzgerald beschrijft met een scherpe blik voor de menselijke verhoudingen de lotgevallen van zijn personages. Dit alles met enige ironie en een flinke knipoog naar de leefwereld van de rijke klasse in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het levert een boeiende en veelzijdige verhalenbundel op.
    De rijke jongen

    F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Jan Donkers en Jan Fastenau
    Samengesteld door: Ernest van der Kwast
    Uitgeverij Podium
    Pagina’s: 256
    Prijs: € 18,50

     

  • Oma was de sterkste van allemaal

    Oma was de sterkste van allemaal

    In Couscous op zondag vertelt Khadija Arib bevlogen en betrokken over haar jeugd in Marokko, haar komst naar Nederland, de confrontatie met de Nederlandse cultuur en wat dit voor haar persoonlijk en beroepsmatig betekent.

    Deze familiegeschiedenis begint met Khadija’s jeugd bij haar moeder en oma in een volkswijk in Casablanca, Marokko waar de gemeenschap erg betrokken is met elkaars wel en wee.
    Khadija’s vriendelijke vader komt oorspronkelijk uit een rijke familie maar verbrast zijn geld. Hij ziet zich, mede vanuit zijn eergevoel, genoodzaakt te gaan werken in Nederland. Na een aantal jaren voegen Khadija en haar moeder zich bij hem, in een veelal door Marokkanen van Berberse afkomst bevolkte Rotterdamse wijk.

    In het koudere Nederland is het leven héél anders dan in Marokko. In het warme Marokko speelt het maatschappelijke leven zich veelal buiten, temidden van familie en buren af, waar in Nederland het privéleven achter gesloten deuren plaatsvindt.

    Khadija’s vader verandert door de tijd heen van een vriendelijke en losse man, die weinig op heeft met de behoudende waarden uit de Marokkaanse cultuur en de Islam, in een achterdochtige, strenge man die zijn vrouw en dochter wil controleren. Op latere leeftijd tobt hij steeds meer met allerlei vage gezondheidsklachten.
    Khadija’s moeder wil echter graag haar vrijheid behouden en gaat buitenshuis werken. Daarmee is ze een van de weinige vrouwen in de buurt die haar eigen kost verdient.

    Dit verhaal gaat voor mij echt leven wanneer Khadija eerst vanuit haar werkzaamheden als maatschappelijk werkster en als partijlid van de PVDA, over haar ervaringen met Marokkaanse gezinnen in Rotterdam gaat schrijven.

    Arib laat twee kanten van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland zien. Het is boeiend om te lezen over de maatschappelijke situatie van de Marokkaanse gezinnen in Nederland: over vrouwen die vrijwel binnenshuis opgesloten zitten en niet buiten mogen komen van hun mannen, jonge Marokkaanse meisjes die stiekem een verhouding aangaan met een man, kinderen die moeten tolken voor hun ouders bij de arts. Maar aan de andere kant ook over het minder belichte onbegrip van de Nederlandse overheid ten aanzien van deze groep mensen en het naïeve idee dat het wel vanzelf goed komt met de Marokkanen in Nederland.
    Dit boek is een aaneenrijging van verhalen. Verhalen die herkenning oproepen maar ook verwondering en op bepaalde momenten onbegrip dat het er in Nederland zo aan toe kon gaan en soms nog gaat.

    Ook belicht ze de situatie in het thuisland waar de dictatoriale koning Hassan II aan de macht is. Op een gegeven moment gaat Khadija weer naar Marokko om haar familie te bezoeken. Doordat ze zich in Nederland kritisch uitlaat over het Marokkaanse regime wordt ze in 1989 samen met haar kinderen door de geheime dienst opgepakt en bij het politiebureau ondervraagd.
    “Zij gingen steeds gerichtere vragen stellen. Ze wilden weten wie actief waren binnen het KMAN, waar ik tenslotte regelmatig kwam waarvoor ik werkte. Opnieuw zei ik dat ik alleen maar voornamen kende […]. De mannen werden steeds intimiderender. Ik moest meewerken, zeiden ze, anders werd ik naar beneden gebracht. Daar was ook een martelcentrum, begreep ik nu.”

    Indrukwekkend zijn de passages waarin ze schrijft over haar ondervragingen door deze mannen maar ook de onvoorwaardelijke steun van de vrouwen uit haar buurt en haar oma.
    “De vrouwen uit de buurt waren in deze periode een grote steun voor mij. Ze waren allemaal analfabeet, maar zeer sterk. Mijn oma was de sterkste van allemaal. Ze heeft geen moment aan me getwijfeld. Ze heeft me ook nooit gevraagd waarom ik bepaalde dingen deed. Voor haar was dat vanzelfsprekend: ik moest doen wat ik geloofde dat goed was. Alleen zo kan een mens gelukkig zijn. Zij leefde mee en stond pal achter mij.”

    Khadija Arib beschrijft de voor- en nadelen van de Marokkaanse en Nederlandse cultuur en is kritisch naar beiden. Naarmate het verhaal vordert gaat het steeds meer van het persoonlijke naar het politiek maatschappelijke. Zijdelings vertelt de schrijfster nog iets over haar privéleven. Ik vind het jammer dat het persoonlijke steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.

    Couscous op zondag is een onderhoudend, kritisch en nuancerend portret over de interactie tussen de Marokkaanse en Nederlandse cultuur. Het heeft mij meer inzicht hierin gegeven. Maar ook in geschiedenis van Marokko en haar dictatuur onder koning Hassan II. Dit is een verhaal van herkenning, soms onbegrip oproepend maar bovenal roept het bewondering op voor de rol die Khadija Arib inneemt ten aanzien van de integratie van de Marokkaanse gemeenschap in de Nederlandse maatschappij.