• Hoe ze het doen

    Hoe ze het doen

    Ik begon te  lezen in de dagboeken van Doeschka Meijsing. Nee wacht, eerder was ik al begonnen in Truman Capote’s In koelen bloede. Dat boek lag in de badkamer op de rand van het bad. Is het raar boeken op de rand van het bad? We gebruiken het niet meer sinds we zuinig met water moeten zijn, enkel nog als de tweeling kleindochters hier logeren. G stelde al voor een grote plank over de badkuip te leggen voor alle boeken die in de badkamer verblijven uit een bepaalde noodzaak. Maar we hadden geen grote plank. Dus blijven de boeken op de rand van het bad liggen, de dagboeken van Meijsing, Truman Capote en Meisjesherinneringen van Annie Ernaux, die schrijft, ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen, door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken.’ In gedachten vul ik aan met hoe ze kijken, hun boodschappen op de lopende band leggen, of een gevallen kind in een beweging overeind helpen, het toespreken.

    Er is veel dat me in stille verwondering, met een gevoel van gemis, achterlaat. Laatst nog, toen ik een jurk kocht van een duurder soort dan ik me doorgaans veroorloven kan. Ik beloofde mezelf op dat moment dat ik jarenlang enkel die jurk zou dragen. Ik keek hoe de verkoopster de jurk door haar handen liet gaan, de stof aanprees, me feliciteerde met mijn keuze. Ze legde de gevouwen jurk op een vloeipapiertje met goudkleurige krabbeltjes, vouwde het om de jurk heen. Ze vouwde en streek glad met mooi gemanicuurde handen. Ik wenste voor even die verkoopster te zijn.

    Als het lezen van alle belangrijke boeken een missie was, zou ik die willen vervullen. De wereld in kaart brengen door middel van literatuur, mezelf begrijpen aan de hand van personages, schrijvers. Hoe ze het doen. Na de eerste tachtig bladzijden van In koelen bloede, ben ik vol bewondering. Enthousiast vertel ik G hoe Capote zes jaar onderzoek heeft gedaan voor dit boek. Zes jaar! Zijn hele leven draaide van 1959 tot 1965 om de brute moord op een boerengezin, de familie Clutter. Hij sprak met de mensen uit het stadje Holcomb in Kansas, met familie van de slachtoffers, bezocht de daders in de gevangenis, ploos hun levens uit. En het is zo goed geschreven, riep ik.

    In de jaren vijftig sloot op het platteland niemand zijn huis af, je kon overal gewoon binnenlopen. Na de gruwelijke moord, die heel Amerika schokte, begonnen mensen sloten op deuren te zetten, de angst had toegeslagen. Zo ontstaan gewoonten.
    Uit zijn diepgaande onderzoek schiep Capote de persoon Mr. Clutter, vader van twee dochters en twee zoons waarvan er twee niet meer thuis woonden, en eigenaar van een welvarend boerenbedrijf. Iemand zal Capote verteld hebben dat Mr. Clutter van appels hield. Capote beschrijft hem als hij ’s ochtends vroeg in de keuken is. ‘Na het glas melk gedronken te hebben en een met schapewol gevoerde pet te hebben opgezet, nam Mr. Clutter zijn appel mee naar buiten om de ochtend te inspecteren.’ Even later, ‘voegde een hond, half Schotse herder, half straathondenras, zich bij hem, en samen kuierden ze weg in de richting van de veekraal, die zich naast een van de drie op het erf staande schuren bevond.’ 

    En liefde in mindere mate, dagboeken 1961-1987 van Doeschka Meijsing telt 742 pagina’s, meer dan de helft is voor het notenapparaat, twaalfhonderdzesendertig noten. Het maakt het boek weerbarstig, het valt steeds uit mijn handen als ik het goed wil openen. Het formaat is te klein, je zou het moeten breken. Ik wil enkel haar gedachten lezen, van haar wisselende stemmingen en verliefdheden weten, haar vroege wens schrijver te willen worden. ‘Misschien moet ik eerst veel verdriet hebben gehad om te kunnen schrijven. Ik ben achttien, ik wil weten hoe liefhebben is. Het enige verdriet dat ik nu nog maar ken, is de ineenkrimping onder boze woorden.’ De ‘ineenkrimping onder boze woorden’, daar begint alles mee. En dan weer opkomen, en door.

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.

     

     

  • Kerstinterview met Doeschka Meijsing door Luc Sala uit 1997

     

    Luc Sala interviewde van 1997 tot 2001 bekende en onbekende Nederlanders voor Kleurnet Televisie Amsterdam. Met Doeschka Meijsing (1947- 2012) praat hij over schrijven. Hoe creëer je je personages, een verhaal? En dat schrijven meer is dan een verhaal in elkaar te knutselen.

  • In memoriam Dirk Ayelt Kooiman (1946 – 2018)

    Dirk Ayelt Kooiman, een interessant schrijver die ondanks enkele successen en een boeiend oeuvre geen blijvende grote bekendheid genoot, overleed op 2 oktober op 72 jarige leeftijd. Kooiman schreef romans, verhalen, essays en filmscenario’s. In 1974 richtte Kooiman samen met dichter, vertaler en schrijver Thomas Graftdijk (1949-1992) het literaire tijdschrift De Revisor op, waarmee zij beoogden het beste podium voor proza, poëzie en het persoonlijk literaire essay te zijn. De literaire aspiraties van beiden waren groot, in 1969 al, richtten zij het tijdschrift Soma op, dat slechts vier jaar bestond waarna zij, een jaar later De Revisor begonnen.

    Kooiman schreef zeventien romans en verhalenbundels. Hij debuteerde in 1971 met de verhalenbundel Manipulaties waarna in 1973 zijn romandebuut, Een romance verscheen . Over een vriendengroep – twee mannen, twee vrouwen – die elkaar na jaren van geen enkel contact weer terugzien. In het verleden speelt een uit de hand gelopen déjeuner sur l’herbe dat ontspoorde in ongewenste vrijages, een traumatische ervaring voor alle vier de betrokkenen. De roman werd een klassieker. Met zijn roman De grote stilte (1975) won hij in 1977 de C.W. van der Hoogtprijs. Zijn bekendste boek is de biografie Montyn (1982), die nog steeds op de leeslijst voor scholieren voorkomt. Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen vijf jaar geleden, in 2013.

    Kooiman begon met publiceren in een tijd dat literatuur veelvuldig bekritiseerd werd door collega-schrijvers. Jeroen Brouwers had geen goed woord over voor Een romance, terwijl Gerrit Komrij het de hemel in prees. Als schrijver trad Kooiman nooit op de voorgrond. Hij werd gezien als een zogenaamde academist, een term bedacht door criticus Aad Nuis in 1977. Met name de schrijvers rond De Revisor – de zogenaamde Revisor-groep – waaronder Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Nicolaas Matsier behoorden daartoe. Zij zetten zich af tegen realistische, anekdotische literatuur zoals dat door schrijvers als Maarten ’t Hart, J.M.A. Biesheuvel en Bob den Uyl bedreven werd. Vorm, verbeelding en reflectie waren voor Kooiman van belang.

    Veel van Kooimans hoofdpersonages zijn mannen die faalangstig zijn en een onzekere kijk op zichzelf en de werkelijkheid hebben. In zijn boeken spelen verbeelding, vervreemding en identiteitsproblemen een grote rol. Ook speelt hij met heden en verleden dat haast onmerkbaar wisselt in het beleven van het personage.

    De titels van Kooimans boeken zijn veelzeggend en volgen soms de lijn van zijn eigen biografie. Na zijn doorbraak in  1982 met Montyn – het levensverhaal van de schilder, tekenaar, graficus en dichter Jan Montyn, die in de Tweede Wereldoorlog de kant van de Duitsers koos – belandde Kooiman  in een schrijverscrisis. In 1990 verschijnt dan de roman De afwezige en dan pas weer in 1996 komt hij met de roman De terugkeer waarin hij getuigt van deze crisis. In 1998 verschijnt de novelle, De verdwenen weg en in 2001 de roman Victorie, waarover Marja Pruis in een bespreking in De Groene (9 februari 2002) schrijft dat Kooiman het academische heeft ingeruild voor ‘een wrang soort’ Hollands naturalisme. In 2007 verschijnt de verhalenbundel Oefenen in ontsnappen.

    Kooiman schreef een aantal filmscenario’s, onder andere voor Prettig weekend, meneer Meijer van Orlow Seunke en De Dream van Pieter Verhoeff.

    Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen in 2013, en was naar alle waarschijnlijkheid niet bedoeld als zijn laatste: ‘Is er nog tijd om mijn boek te voltooien?’, stond er maandag 8 oktober boven de overlijdensadvertentie van Dirk Ayelt Kooiman.

     

    foto: © Roeland Fossen

     

  • Oogst week 40 (2018)

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie

    Er mag rivaliteit geweest zijn tussen de schrijvende broer en zus – Geerten en Doeschka – Meijsing, maar uit Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie spreekt vooral verwantschap en vertrouwdheid. Dat zal voor een deel zijn – zoals Geerten Meijsing in Spätlese, het nawoord bij de brieven schrijft, waaruit ook blijkt hoe hard de klap van de plotselinge dood van zijn zus bij hem aangekomen is – omdat zij elkaar op papier ontzagen en vooral complimenteus waren waar het hun werk betrof, maar dat is niet de voornaamste reden.
    Belangrijker is dat zij elkaar als mens verstonden en hun vak op dezelfde manier benaderden:

    ‘het schrijverschap was en is voor ons een allesomvattende levenshouding waaraan alle andere bezigheden en beslommeringen van het dagelijkse leven ondergeschikt zijn, de nevenwerkzaamheden die mijn zuster voorzichtigheidshalve bijna tot op het einde verricht heeft ten spijt.’

    In de brieven, die de periode 1979 tot 2009 beslaan, gaat het over het werk en de litteratuur, maar minstens even prominent aanwezig zijn de beslommeringen – privé en zakelijk – die in de praktijk behoorlijk veel energie en tijd vragen. Doeschka en Geerten Meijsing nemen geen blad voor de mond en sparen elkaar ondanks hun verwantschap niet. Hun jalousie de métier laait op als de één van de ander vindt dat hij/zij zich teveel op het territorium van de ander begeeft.

    De brieven zijn door Nop Maas zo gedetailleerd geannoteerd dat er niet veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten, maar zijn werkwijze stimuleert het

     

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie
    Auteur: Geerten Meijsing & Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Istanbul, Istanbul

    Burhan Sönmez leefde tien jaar in ballingschap in Londen. Inmiddels woont en werkt hij weer in Istanbul, maar bij terugkeer trof hij een andere stad aan dan hij verliet, waardoor hij in zekere zin opnieuw in ballingschap verblijft. Vertelde hij vorige maand in De Balie, waar hij te gast was tijdens PEN Spreekt.
    Istanbul, Istanbul volgt de vorm van de Decamerone van Boccaccio. Tien dagen lang vertellen vier politieke  gevangenen – een dokter, een student, een barbier en ‘oom Küheylan’ – elkaar verhalen om de moed erin te houden. Zij zitten in een ondergrondse cel in Istanbul waar zij op elk willekeurig moment opnieuw verhoord kunnen worden.

    In die verhalen is Istanbul alom tegenwoordig. De bovengrondse stad, de stad die in herinneringen voortleeft en het mythische Istanbul. De vier die behalve hun gevangenschap weinig met elkaar gemeen hebben, bieden via hun verbeelding weerstand tegen de martelingen die zijn ondergaan.
    Istanbul, Istanbul verscheen in 2015, voordat de situatie in Turkije door de mislukte coup dramatisch verslechterde, maar de roman kan gelezen worden als een aanklacht tegen de meedogenloze manier waarop tegenstanders van het regime sindsdien onschadelijk gemaakt worden.

    Maar Istanbul, Istanbul laat zich los van een specifieke historische context ook lezen als een pleidooi voor het vertellen van verhalen. Burhan Sünmez geeft zijn personages de nodige overwegingen mee die ontleend zijn aan de (wereld)literatuur.

    Istanbul, Istanbul
    Auteur: Burhan Sönmez
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Alle verhalen

    Haar schilderijen tonen verwantschap met het werk van Jheronimus / Jeroen Bosch. Ze worden bevolkt door wezens die eerder aan de fantasie ontsproten lijken te zijn dan dat zij hun oorsprong in de werkelijke wereld hebben. Leonora Carrington (1917-2011) schilderde niet alleen, ze schreef ook, zij het niet heel veel en vooral korte verhalen. Die verhalen – vorig jaar ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag gebundeld en nu onder de titel Alle verhalen verschenen in het Nederlands – zijn net zo surrealistisch als haar schilderijen. Macabere sprookjes lijken het, waarin de grens tussen leven en dood vloeibaar is. Zwarte verhalen, waarin de natuur en de vergankelijkheid zich opdringen. Maar tegelijk getuigen ze van een scherpe kijk op de conventies waarmee het leven gepaard gaat. Veel van haar vrouwelijke personages onttrekken zich aan hun voorbestemde leven, zonder dat Leonora Carrington nadrukkelijk een feministisch statement maakt.

    Haar vroegste verhalen dateren uit de jaren 1937/’38. Naarmate de tijd verstrijkt, sluipt er meer herkenbare werkelijkheid en idem dito maatschappijkritiek in de verhalen die Leonora Carrington in het Engels, Frans en Spaans schreef.

    Eerder dit jaar verscheen al het autobiografische Beneden, waarin Leonora Carrington verslag doet van de waanzin die haar trof na de arrestatie van kunstenaar Max Ernst en haar gedwongen opname in een inrichting.

     

    Alle verhalen
    Auteur: Leonora Carrington
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Kellendonk

    ‘Een schrijversbiografie heeft pas iets in te brengen wanneer de schrijver zich niet volledig heeft kunnen waarmaken, wanneer toevallige omstandigheden hun bulten en blauwe plekken op het oeuvre hebben achtergelaten en de schepper interessanter is dan het werk, dat in zoverre dus mislukt mag heten.’

    Tot zover Frans Kellendonk. Zijn oeuvre – verre van mislukt – is relatief klein gebleven, want toen Frans Kellendonk in 1990 stierf, was hij pas 39. In zekere zin geldt voor hem dus dat hij zich als schrijver niet volledig heeft kunnen waarmaken en is het gerechtvaardigd dat er een biografie verschijnt van een schrijver die al wel veel beloftes inloste, maar nog niet uitgedacht en uitgeschreven was.
    Jaap Goedegebuure was niet de eerst aangewezen biograaf, maar uiteindelijk wel degene die de opdracht tot een (goed) einde bracht. Afgaande op zijn inleiding en het eerste hoofdstuk gaat Jaap Goedegebuure op zoek naar ‘continuïteit’ in het werk van de auteur in wiens leven juist (culturele) breuklijnen bepalend waren. Kellendonk trad niet in de voetsporen van zijn vader – zoals veel zonen van zijn generatie dat niet meer deden – en gaf gehoor aan de roep van het dichterschap én hij nam afstand van de traditionele wijze van het belijden van het rooms-katholieke geloof zonder de rituelen vaarwel te zeggen. Wat Jaap Goedegebuure voor ogen stond, was het traceren van de ‘spiegeling van de familiegeschiedenis in de grote geschiedenis.’ Hij zocht naar de invloed van Kellendonks afkomst op zijn maatschappijvisie en wereldbeschouwing, zoals die in zijn werk – romans, verhalen en essays – vorm kreeg. Volgens degenen die Kellendonk: een biografie al uit hebben met wisselend succes.

    Kellendonk
    Auteur: Jaap Goedegebuure
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)
  • Op naar de boekhandel

    Hoewel ik de jaren van goede voornemens al ver voorbij ben, legde ik me voor dit jaar toch een beperking op (want daar komen voornemens meestal op neer). In plaats van online boeken bestellen moest ik erop uit. Niet meer de eenvoudige klik met de muis en hup, daar ligt het boek ‘in winkelwagen’. Als ik nu verzeild raak op een online boekwinkel trek ik mezelf aan de mouw en turf ik het aantal keren op een notitieblaadje. Bij een volle turf moet ik erop uit. Na drie dagen was het zover. Met een flinke slag in het achterwiel, fietste ik de straat uit. Het zwiepende wiel maakte mijn gang behoorlijk onzeker. Ik vroeg me opeens af of het wiel het zou kunnen begeven bij onverwachte manoeuvres. Dat het zou dubbelklappen en ik ter aarde zou storten waarbij een gewelddadig bonken van staal op steen te horen zou zijn en het rinkelen der spaken. Hmm, ik kon nog terug en via die muisklik een boek bemachtigen.

    Doorfietsend  mijmerde ik verder over hoe het moest, als het wiel het dus begaf. Kilometers naar huis lopen met een lekke band was wel te doen. Met een fiets waarvan het achterwiel onbruikbaar is, zou ik niets kunnen beginnen. Ik herpakte mezelf – kijk aan, ik fiets nog – en zag in de verte de brug over de IJssel liggen. In de stad bezocht ik de tweedehands boekenzaak die zich tegenover de breed uitgebouwde  Broederenkerk bevond. In de krappe kelder van de winkel onderzocht ik rij na rij de auteursnamen plus titels. Opeens bleef mijn blik hangen – als bleef ik met mijn mouw achter een spijker haken – bij een dun boekje met een lichtblauw stoffen kaft waarop in gouddruk stond; Hermine de Graaf – Een dag in december.

    Ik nam het boekje uit de kast en zei: ‘Hermine de Graaf. Waar was je al die tijd.’ Ik was haar nooit meer ergens tegengekomen en had haar, hoewel ergens op de achtergrond van het literaire landschap wetende, nooit meer gezocht. Ik dacht aan haar debuut uit 1984. De verhalenbundel  Een kaart, niet het gebied, fascineerde me toentertijd mateloos al had ik het nooit helemaal kunnen doorgronden. De vrouwen in haar boeken waren stugge zich immer verongelijkt voelende personages in hun verhouding tot de man; vader, echtgenoot of broer. Haar proza was net zo strak en mokkend als die vrouwen waren. Maar wat was het mooi proza. Ze schroomde niet om tussen het vertellen van een verhaal zich terug te trekken om een scene daaraan voorafgaand en die van belang leek, in een zin van pakweg 110 woorden op de lezer los te laten. Haar weer lezen is  thuiskomen in een sfeer die ook het werk van Doeschka Meijsing kenmerkt. Ik nam alle drie de boeken; Een dag in december, Stella Klein en Alleen de heldere uren. Mijn voornemen voor dit jaar was nu al geslaagd.


    Op de site van de Koninklijke Bibliotheek staat een necrologie van Hermine de Graaf.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Heimwee naar de kaartcatalogus

    Heimwee naar de kaartcatalogus

    ‘Dat dat zomaar kan, alle dagen in de weer met die kaartjes.’ Om die zin zal ik vast ook gelachen hebben, toen ik Utopia of De geschiedenissen van Thomas van Doeschka Meijsing voor het eerst las. Dat was in 1984 en ik werkte toen als jongste bediende op de catalogusafdeling van wat ik voor het gemak maar een bibliotheek noem. Het was mijn taak om elke week de cataloguskaartjes van de nieuwe aanwinsten overdwars in de houten bakken te steken (zodat mijn werk gecontroleerd kon worden door het afdelingshoofd) en de kaartjes van afgeschreven boeken te verwijderen. Ik vond het werk verschrikkelijk én geestdodend, en de afdeling waar ik was beland wonderlijk.
    Mijn collega’s leken het werk dat ze deden volkomen vanzelfsprekend te vinden. Elke morgen namen ze zonder morren plaats aan het hun toegewezen bureau dat samen met het mijne een van de eilanden in onze kantoortuin vormde. Ik, net afgestudeerd en nog behoorlijk ambitieus, deed wat gedaan moest worden, maar keerde elke dag ontdaan huiswaarts.

    Tijdens een van die ritten las ik Utopia of De geschiedenissen van Thomas van Doeschka Meijsing, waarin Thomas en zijn lange tijd naamloze collega werken aan het Woordenboek der Nederlandsche taal . Ze zitten tegenover elkaar, schrijven betekenissen, vindplaatsen en toepassingen van woorden op fiches die aan het eind van de week ter goedkeuring aan een hogere instantie moeten worden voorgelegd.
    Ik putte troost uit de belevenissen van die twee die ik als lotgenoten beschouwde. Ik benijdde Thomas en Doesjka niet. Ik kende het Woordenboek der Nederlandsche taal uit de lessen ‘Handboeken & Nasla(g)werken’. Voor een tentamen moest ik weten dat er al vanaf 1864 aan werd gewerkt. Aan de inspanningen van Thomas en Doesjka kwam net zo min een einde als aan mijn sisyfusarbeid: ‘Dit jaar houden we ons bezig met de letter u. Dat deden we vijf jaar geleden ook al. Het verschil tussen toen en nu zit hem in de wispelturigheid van het lemma Utopia.’

    Het inmiddels herlezen Utopia of De geschiedenissen van Thomas gaat helemaal niet over mensen die ingespannen aan het werk zijn en zich tijdens de koffie kritisch uitlaten over collega’s en de gang van zaken op kantoor. Dat boek gaat over een man die al dood is op het moment dat het verhaal begint. Een leven lang gepreoccupeerd door de dood, overvalt die dood hem ver van huis. Waarna zijn woordenboek-collega zijn ideeën (en de hare) in de vorm van verhalen vastlegt. Nu pas lees ik de roman die Doeschka Meijsing geschreven heeft, en realiseer ik me hoe goed dat boek is. Het werken aan het woordenboek blijkt een perfect alibi. Gevangen in een tijd en een ruimte hebben herinneringen en verbeelding vrij spel.

    Aan de acht maanden die ik doorbracht op de afdeling Collectievorming & Catalogi denk ik niet graag terug. Maar heimwee naar de kaartcatalogus heb ik wel. Terwijl mijn vingers steeds routinematiger leerden bladerden, bleven mijn ogen alert op titels die het lezen waard leken. Ik dank veel boeken aan dat browsen in de baas zijn tijd.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Een leven lang lezen en schrijven

    Een leven lang lezen en schrijven

    Hoe verliefd is de lezer? luidt de titel van een reeks recensies, voordrachten, beschouwingen en andere losse stukken uit de nalatenschap van Doeschka Meijsing, vijf jaar na haar overlijden samengebracht door een van haar voormalige levensgezellinnen, Xandra Schutte. Op het omslag een foto van Sophia Loren, een van Meijsings idolen. Toepasselijk, Loren ligt op de bank een boek te lezen. ‘Het toppunt van vrouwelijk schoon’, aldus Meijsing in een beschouwing over de filmster. Die schoonheid was aan het begin van Lorens loopbaan nog niet vanzelfsprekend. ‘Ze had een te grote mond, een te dikke kont, iets teveel boezem om voor fatsoenlijk door te kunnen gaan (…) Ze straalde overspel uit en hartstocht en dat ze lak had aan alles en iedereen’, zegt Meijsing. De schrijfster wedt dat er maar één actrice bestaat die het heeft aangedurfd om op het witte doek pikzwarte voetzolen te laten zien. ‘Je weet dat je te maken hebt met een handelsmerk’, zegt Meijsing, ‘Sophia Loren met de vieze voeten’.

    In Meijsings werk wemelt het van verwijzingen naar films. Je vindt er ook een beschouwing over een van Lorens beroemdste tegenspelers: Marcello Mastroianni, de enige man die Meijsing ooit ten huwelijk heeft willen vragen. Zo bijzonder als Loren is, zo gewoontjes is Mastroianni: ‘niet zo mooi als Rudolph Valentino, niet zo veelbelovend als James Dean… hij was Mastroianni en wij waren allemaal Mastrioanni’. De fascinatie met film–maar ook toneel en opera–is terug te brengen op de kinderjaren van Meijsing. In haar momenten van slapeloosheid, een ‘godsgeschenk’, beleefde ze voor haar geestesoog geschiedenissen en avonturen, ‘met uitstekend beeldmateriaal’. Dat hebben veel kinderen, maar Meijsing heeft het haar hele leven vastgehouden. Bij dat beeldmateriaal altijd één terugkerend fenomeen: een jongen die eigenlijk een meisje was, of andersom. Is het mogelijk om iemand anders te worden? Niet echt, natuurlijk, maar als lezer en toeschouwer kun je je wel degelijk in iemand anders verplaatsen, betoogt Meijsing. Je weet dat wat je ziet niet echt is, maar tegelijkertijd wil je dat niet weten. Zoals in het geval van travestie. Ook dit is een terugkerend thema bij de schrijfster, ze herhaalt het in diverse artikelen, vaak in identieke bewoordingen.

    Maar Meijsing is niet alleen toeschouwer, haar fantasie vindt een schriftelijke uitweg. Van jongs af aan heeft ze schijfster willen worden, ze hield niet alleen dagboeken bij, maar schreef complete romans (met veel taalfouten). ‘Op vijfjarige leeftijd schreef ik de eerste indrukwekkende zinnen van mijn loopbaan’, zegt ze, ‘een aap, Jan, een aap. Kees een aap. Piet een aap. Jan, Piet, Kees, een aap, een aap, een aap in de bus’. Zo jong als ze was begreep ze dat ‘lettertekens dingen in werkelijkheid kunnen maken, veroorzaken’. Schrijven is haar wereld, haar bestaan, ‘even noodzakelijk als eten en drinken en ademhalen en liefhebben’, ‘essentiëler dat al het andere’. En schrijven is een ritueel, zoals Schutte beschrijft in het voorwoord: ‘Voor haar romans en verhalen zat ze aan haar brede witte bureau, met uitzicht op de tuin. Ze schreef dan met de hand, met vulpen, in zorgvuldig uitgekozen schriften’. Dat was het ‘echte schrijven’. Stukken als die waarmee Hoe verliefd is de lezer? zijn samengesteld, schreef ze op de computer, ‘in een kleine nis, op een spartaanse designstoel’. Dat soort stukken waren onderdeel van de ‘bijbaan’: haar werk als boekenredacteur bij Vrij Nederland of Elsevier, lezingen, bijdragen aan De Gids of  andere literaire tijdschriften.

    Meijsings wereld bestaat uit boeken, ze praat literatuur, ze denkt literatuur. Op het gymnasium verslond ze de schrijvers die haar de rest van haar leven hebben voorzien van een omvattend referentiekader: Nabokov, Waugh, Borges, Kafka, Shakespeare, Salinger. Misschien vooral Vestdijk, aan wie een fraai stuk in de bundel is gewijd. ‘Ik kan zeker zeggen dat ik vanaf mijn vijftiende voor een groot deel ben opgevoed door Vestdijk’, zegt Meijsing. Ze maakt zich boos over het feit dat haar favoriete schrijver inmiddels ‘niemandsland geworden is, waar geen jongere de weg meer weet’. Schuldige is volgens haar de Mammoetwet van de rooms-katholieke minister Cals, waarin geschiedenis in het middelbaar onderwijs werd gedegradeerd tot keuzevak, het literatuuronderwijs en de literatuur met zich meesleurend. Misschien, maar ook de literatuur kent beperkingen. Ondanks aardige invalshoeken en grappige vergelijkingen, lijkt Meijsings wereld soms hermetisch afgesloten. Ze mag alles van Vestdijk weten, maar wat heeft Vestdijk eigenlijk te melden over de maatschappelijke ontwikkelingen tijdens zijn leven? Worden we daar iets wijzer van? Daarover geen woord. In een korte passage over de verbeelding komen Mahler, Hamlet, Augustinus, Borges en Van het Reve ook even langs en verwijst Meijsing in één adem door naar zowel wetten, de tijd als de vrijheid. Aan Meijsings eruditie hoeft niet te worden getwijfeld, maar literatuur is méér dan alleen literatuur. Wat is, in het algemeen, de betrekking tussen literatuur en de sociale werkelijkheid? In Meijsings wereld heerst een scherpe hiërarchie: eerst heb je de literatuur en de fantasie, daarna komt pas het échte leven. Dat lijkt er niet veel toe te doen.

    Waren de vieze voeten van Sophia Loren werkelijk haar handelsmerk, of verzint Meijsing dat maar? De Italiaanse actrice heeft in vele tientallen films gespeeld. In opvallend veel films zie je de voeten van Loren. Mooie voeten, altijd schoon, net als die op het omslag van Meijsings bundel. Maar zelfs als ze vies waren geweest: wat maakt het eigenlijk uit?

     

     

  • Oogst week 5

    Steencirkels

    Altijd interessant, wanneer een (poëzie)recensent zelf weer met een bundel komt. Na Vlinderslag (2013), waarin Gerbrandy proza en poëzie elkaar al liet afwisselen, beloven in dit nieuwe lange gedicht werkelijk alle registers los te gaan: ‘van tastende vertelling tot lyrische uitbarsting, van bittere satire tot nuchter commentaar,’ aldus de begeleidende tekst op de website van uitgeverij Atlas Contact, die vervolgt met: ‘Misschien wordt hier de poëzie opgeblazen. Dat moet dan maar.’

    De bezwerende toon wordt al in het openingshoofdstuk, Open, gezet:

    Het gaat om een man.
    Wij noemen hem O voorlopig.
    Om wat?
    Omdat hij open staat naar elementen. Omdat zijn oog de spil is van orkanen. Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween. 

    Onderaan de pagina, in een ander lettertype, staat: Het geldt als beleefd eerst goden de woorden te laten. Een dergelijke werkwijze doet denken aan Coetzees Dagboek van een slecht jaar en maakt gelijk nieuwsgierig naar meer.

    Steencirkels
    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Illes Balears

    Waren er al diverse naslagwerken over Literaire Steden en Literaire Wandelingen samengesteld, nu komt uitgeverij Lubberhuizen met een nieuwe variant op het literaire reizen: Literaire Eilanden. Wat nu precies te verwachten van Illes Baleares wordt niet helemaal duidelijk – en maakt, grappig genoeg, erg nieuwsgierig. De begeleidende tekst op de website verhaalt vooral over de vele schrijvers en kunstenaars voor wie de Balearen een toevluchtsoord vormden in tijden van, bijvoorbeeld, de dreigende opkomst van de nazi’s. Later verbleef volgens de uitgever ‘het halve Leidseplein’ op de eilanden, gevolgd door de hippies: ‘Internationaal vermaarde schrijvers als Albert Vigoleis Thelen en Robert Graves en Nederlandse schrijvers als Cees Nooteboom, Jan Cremer en Theo Kars gaven de eilanden een prominente plek in hun werk. En nog steeds zijn de eilanden van ‘zon, zee en zonde’ populair onder kunstenaars en schrijvers.’ Hier zou ik nog aan toe willen voegen: schrijfster Esther Ending, opgegroeid op Ibiza en aan wie in Illes Baleares een heel stuk wordt gewijd. Kind van Ibiza (Lebowski) van Endings, biedt een prachtig inkijkje in hoe het was, op te groeien op het bekende eiland eind jaren tachtig – leestip voor wie na Illes Baleares nog niet genoeg geproefd heeft!

     

    Illes Balears
    Auteur: Hans van der Klis ; Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Bas Lubberhuizen

    Hoe verliefd is de lezer?

    En weer een boek om ons op te verheugen! Alleen de titel is al mooi. Doeschka Meijsing las niet alleen veel, maar ging vanaf haar jeugd ook al met grote regelmaat naar film, musea en theater. Hiervan deed ze aanvankelijk verslag in haar decennialang bijgehouden dagboeken, later publiceerde ze erover in Vrij Nederland, Elsevier, De Revisor en De Groene Amsterdammer. Xandra Schutte, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en Meijsings partner, selecteerde Meijsings beste beschouwingen en leidde ze in. Verwacht mooie stukken over Rudy Kousbroek, Sophia Loren, Kuifje, Shakespeare en meer.

    Hoe verliefd is de lezer?
    Auteur: Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Anna Karenina

    Een goede manier om een tijdloze roman zo tijdloos mogelijk te houden, is van tijd tot tijd de vertaling te herzien. Hans Boland waagt zich hieraan en weet met zijn nieuwe vertaling terecht de aandacht weer te vestigingen op Tolstois meesterwerk. Volgens Vladimir Nabokov is Anna Karenina de beste roman ooit, een oordeel waarop lezers gerust kunnen vertrouwen. De uitgeverij stelt zich nog altijd de vraag: ‘schreef Tolstoi een aanklacht tegen een vrouwonvriendelijke samenleving of vertolkte hij het orthodox-christelijke standpunt dat de vrouw op de wereld is om man en kinderen te dienen?’
    Lees en bedenk het zelf.

    Anna Karenina
    Auteur: Lev Tolstoi
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • In memoriam Doeschka Meijsing (1947-2012)

    ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’

    Maandag 30 januari overleed de schrijfster Doeschka Meijsing op 64 jarige leeftijd. Mijn boekenkast als stille getuige dat ik haar kende; De hanen en andere verhalen, Robinson, Tijger, tijger!, De beproeving, Vuur en zijde, 100 % chemie en Over de liefde, stonden met hun ruggen, opeens lichtelijk verschrokken naar me toe. Alsof ze te lang vergeten stonden. Doeschka Meijsing, haar naam alleen al steeg uit boven andere schrijvers, die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig debuteerden. Robinson was het eerste boek dat ik van haar las en het was prachtig, terughoudend en bedacht maar tegelijkertijd vrij rebellerend.

    Doeschka Meijsing werd geboren onder de naam Maria Johanna Meijsing in Eindhoven op 21 oktober 1947 als tweede kind in een gezin van vier kinderen. Begin jaren vijftig verhuisde het gezin naar Haarlem. Ze vertrok naar Amsterdam toen ze Nederlands en literatuurwetenschap ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd schreef ze verhalen en gedichten en op 22 jarige leeftijd debuteerde ze in het literaire tijdschrift Podium. Na haar studie gaf ze van 1971 tot 1976 les aan het St. Ignatiusgymnasium en tot 1978 was ze wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978, ze had toen al drie boeken gepubliceerd, trad ze toe tot de redactie van de boekenbijlage van Vrij Nederland en in 1989 werd ze literatuurredacteur van opinieblad Elsevier.

    Ze schreef zo’n 20 boeken waaronder verhalen, romans, gedichten en essays. Met  haar jongere broer, Geerten Meijsing schreef ze in 2005 Moord & doodslag. Voor haar werk  ontving ze verschillende prijzen waaronder de Annie Romeinprijs in 1997 voor haar gehele oeuvre en in 2008 werd Over de liefde met meerdere prijzen bekroond: AKO Literatuurprijs, F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs.
    Doeschka Meijsing schreef een aanzienlijk en respectabel oeuvre bij elkaar. Deze maand zou haar nieuwe verhalenbundel Het kauwgomkind uitkomen maar volgens uitgeverij Querido heeft ze het boek niet kunnen voltooien.

    In haar laatste boek, Over de liefde (2008), waarmee ze volgens sommigen pas echt doorbrak, (wee degene, die haar daarvoor niet kende), roept Meijsing dezelfde onherroepelijkheid op als in haar eerste roman Robinson. In Over de liefde begint Meijsing de derde alinea met: ‘Iemand had, buiten mijn weten, mijn leven overhoop geschopt en mijn toekomst aan diggelen.’ In die sfeer opende ze ook haar eerste roman (Robinson): ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’ De onomkeerbaarheid van het lot, al doe je nog zo je best, het neemt je altijd onverwacht te grazen. Haar personages zijn immer zoekende en worstelen met de werkelijkheid maar gingen er nooit aan onderdoor. Op 30 januari bepaalde het lot anders en overleed Doeschka Meijsing na een zware operatie. Een belangrijk schrijfster is heengegaan. Haar boeken blijven, fier rechtop in de boekenkast en hopelijk zullen veel van haar titels een herdruk beleven.

     

     

  • Leven in de luwte

    Na enige tijd in de luwte komt er een moment om je op de vleugels van de wind mee te laten voeren naar een ander bestaan. Dat overkomt Robert Martin in De tweede man (2003) van Doeschka Meijsing. Na de dood van zijn broer Alexander, die hij nauwelijks gekend en op wie hij altijd gewacht heeft, ziet hij geen heil meer in zijn routinematige leven als dichter en leraar klassieke talen in zijn veilige thuishaven Amsterdam. Hij grijpt de gelegenheid aan om in de voetsporen van zijn avontuurlijke broer te treden en raakt verzeild op Cyprus, in Rome, Oxford, Tanger, Dakar en Jeruzalem.

    De mysterieuze steen die deel uitmaakt van zijn erfenis voert hem niet alleen de globe over maar ook terug in de tijd naar Alexander de Grote. Het is niet de wereldveroveraar zelf die hem intrigeert, maar veeleer de verhouding tot diens minnaar en intiemste vertrouweling Hefaiston, “zo’n man die het genie van een ander had gediend in de hoop op een stukje van de eeuwige roem”. Evenzo had het leven van de beeldschone bedoeïen Chaïm in dienst van zijn broer gestaan.

    Maar ook Robert is voorbestemd om altijd pas op de plaats te maken, “[…] omdat men zich nooit met een geliefde voorganger moest meten, maar zijn eigen spoor moest trekken”. De donderpreek die Robert afsteekt tegen de bende mislukkelingen die Alexander op Cyprus onder zijn hoede had genomen, onthult waartoe hij juist zelf niet in staat is. Ondanks zijn gewijzigde koers blijft ook hij de tweede man, overschaduwd door de broer wiens plaats hij nooit in zal kunnen nemen. Zelfs zijn vriend Isaac, die in eerste instantie in zijn schaduw staat, draait de rollen om door niet alleen met zijn geliefde Anna maar ook met zijn grootse roman op de loop te gaan.

    De tweede man is geenszins het meesterwerk van Isaac geworden: “Het was geen roman en geen wetenschappelijk werk, het lag ergens tussenin, het was een nieuw genre waarin een oud verhaal tegen het licht werd gehouden met de juiste bronnen in de hand. Het leidde tot geheel nieuwe inzichten en deed dat met het gemak van de thriller, tot en met de moord op de hoofdpersoon en een in de as gelegde stad.” Hoewel Meijsing zich een erudiet auteur betoont in het doen voortleven van het verleden in het heden, doet de roman hier en daar wat al te geconstrueerd aan en zijn sommige passages zelfs ronduit slaapverwekkend. De zoektocht naar zelfverwezenlijking levert helaas niet altijd zelfbevestiging op.

     

     

  • Doeschka Meijsing

    Doeschka Meijsing

    Doeschka (Maria Johanna) Meijsing (1947 – 2012) was romanschrijfster. Haar werk wordt gerekend tot de Revisor-stijl, waarin een helder en goed gestructureerd verhaal centraal staat.

    Meijsing werd in 1947 in Eindhoven geboren, ze is de oudere zus van schrijver Geerten Meijsing en filosofe Monica Meijsing. Ze groeide op in Haarlem en ging daar naar het gymnasium. Na het gymnasium studeerde ze Nederlands en algemene literatuurwetenschap in Amsterdam. Hierna werkte ze achtereenvolgens als leraar op een middelbare school, docent aan de Universiteit van Amsterdam en als criticus en schrijver voor verschillende weekbladen.
    Haar eerste verhaal verscheen in het literaire tijdschrift Podium en in 1974 debuteerde ze met de verhalenbundel De hanen en andere verhalen. Haar eerste kleine roman Robinson verscheen in 1976.

    In 1980 volgde een tweede roman: Tijger, Tijger! die bekroond werd met de Multatuli-prijs. Ze bleef verhalen publiceren in onder meer Podium en De Revisor. Haar proza werd in die tijd samen met dat van tijdgenoten als Dirk Ayelt Kooiman, Frans Kellendonk en Nicolaas Matsier geschaard onder het kopje ‘Revisor- of Academisch proza’, kortweg samen te vatten als proza van en voor (literatuur)wetenschappers. Hoewel deze term intussen allang weer achterhaald is, klopt het wel dat Meijsing veel speelde met het werk van haar grote voorbeelden Flaubert, Joyce, Borges, Nabokov en Gombrowicz. In haar werk valt een zeker intellectualisme te bespeuren, wat haar romans en verhalen tot voer voor professoren en studenten maakte.

    Na Tijger, Tijger! volgden in de jaren tachtig de romans Utopia of De geschiedenissen van Thomas en Beer en Jager. Meijsing schreef in een zeer bedachtzame stijl, geen woord lijkt willekeurig gekozen. Haar verhalen laten zich op meer dan alleen verhaalniveau lezen, ze doen geconstrueerd aan, echter zonder dat ze onleesbaar worden. Haar personages hebben, met name in haar vroege werk, meestal een wat vage identiteit, en zijn soms zelfs naamloos. Vanaf De beproeving (1990) krijgen de hoofdfiguren wat meer reliëf en psychologische diepgang.

    Links:
    www.dbnl.nl
    In memoriam van Doeschka Meijsing.

    Bibliografie:

    • De hanen en andere verhalen (1974)
    • Robinson (1976)
    • De kat achterna (1977)
    • Tijger, tijger! (1980)
    • Utopia of De geschiedenissen van Thomas (1982)
    • Zwaluwen en Augustein (1982)
    • Ik ben niet in Haarlem geboren (1985)
    • Paard Heer Mantel (1986)
    • Beer en jager (1987)
    • Hoe verliefd is de toeschouwer? (1988)
    • De beproeving (1990)
    • Vuur en zijde (1992)
    • Beste vriend (1994)
    • De angstige waakhond (1996)
    • De weg naar Caviano (1996)
    • De tweede man (2000)
    • 100% chemie (2002)
    • Moord en doodslag (2005) (samen met Geerten Meijsing)
    • De eerste jaren (2007)
    • Over de liefde (2008)

    Prijzen

    • 1981 Multatuli-prijs voor Tijger, tijger!
    • 1997 Annie Romein-prijs voor gehele oeuvre
    • 2003 Tzumprijs voor de beste literaire zin. De bekroonde zin komt uit de roman 100% chemie: ‘Wij mochten op vrije zaterdagmiddagen bij louche verkopers minachtend tegen de banden schoppen, terwijl mijn vader onder de motorkap keek of de problemen die zich zouden kunnen voordoen met touw waren op te lossen.’