• Oogst week 17 – 2023

    Moeder, na vader

    In zijn nieuwste boek beschrijft Gerbrand Bakker in Moeder, na vader een jaar uit het leven van zijn 86-jarige moeder nadat zijn 90-jarige vader is overleden. Hij begint met het verhalen van de laatste maanden van zijn vader. Die is overleden aan spit, schrijft hij, ‘iets anders kan ik er niet van maken.’

    Met de details die we van Bakker in zijn andere autobiografische boeken als Jasper en zijn knecht en Knecht, alleen gewend zijn, beschrijft hij de laatste maanden van zijn vader, waarin de dokter, thuiszorgsters, fysiotherapeut, bed, sta-opstoel, rollator en pijnstillers het huis van zijn ouders in komen, terwijl langzaam maar zeker ook verwardheid zich van zijn vader meester maakt. Zij moeder, zelf ook niet meer gezond, ziet ‘met lichte wanhoop’ de achteruitgang. ‘(…) ze zei: “Het loopt allemaal zo anders, we hadden zo graag samen oud willen worden.” Toen zei iemand, ik zal het geweest kunnen zijn, dat dat al zover was, dat die tijd nú was. Dat ze nú samen oud waren, hij 90, zij 86. Alsof oud en gebrekkig zijn steeds maar weer vooruitgeschoven werd; ach, oud en gebrekkig en uiteindelijk dood, dat is iets voor in de toekomst.’

    Na vierenzestig jaar huwelijk blijft zijn moeder alleen achter, met haar verdriet. Alle kinderen hebben steeds de helpende hand geboden, aan vader en moeder en aan moeder alleen voor wie het nu allemaal niet meer zo hoeft. Toch is ze gehecht aan het leven, meer dan ze erg in heeft. Bakker beschrijft de hele tijdspanne op zijn bekende directe, feitelijke en daarmee ontroerende wijze en laat onderwerpen als zijn eigen leven, zijn vrienden en geliefden, de natuur en de literatuur niet buiten beschouwing.

     

    Moeder, na vader
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2023

    een klein detail

    De Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) publiceert in literaire en culturele tijdschriften in Europa en het Midden-Oosten. Ze schrijft romans, toneelstukken, korte verhalen en verhalende essays, waarbij haar thema’s alledaagse dingen in familieleven en liefde zijn, tegen de gewelddadige achtergrond van het Israël-Palestinaconflict.

    In een klein detail is haar uitgangspunt het waargebeurde verhaal van een Palestijns bedoeïenenmeisje dat in de nasleep van de Arabisch-Israëlische oorlog in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten is verkracht en vermoord. Deze oorlog wordt door Israël als de Onafhankelijkheidsoorlog gevierd maar staat onder Palestijnen bekend als de Nakba, de Catastrofe.

    Het eerste deel van de novelle wordt verteld door een Israëlische commandant met psychopathische trekjes die met zijn mannen in de woestijn op zoek is naar Arabieren. In het tweede deel leest een naamloze, jonge Palestijnse vrouw uit Ramallah een artikel over het bedoeïenenmeisje. Het verhaal obsedeert haar en ze besluit de verkrachting en moord, ongeveer vijftig jaar na dato, te onderzoeken. Bang rijdt ze door Israël naar de plaats van de gebeurtenis. ‘Zodra ik achter het stuur van de kleine witte auto heb plaatsgenomen en het sleuteltje omdraai, lijkt het alsof een spin zijn web om me heen weeft, zo strak dat het een ondoordringbare barrière wordt, ook al zijn de draden nog zo breekbaar en dun. Dat is mijn angst die me de weg verspert, ontstaan uit mijn angst voor wegversperringen.’ In musea en archieven doorzoekt ze gegevens voordat ze uiteindelijk arriveert op de zandvlakte waar de misdaad heeft plaatsgevonden. Een verontrustende, meesterlijke ontknoping volgt.

    In een interview zegt Shibli: ‘Mijn werk (…) ontstaat uit en komt voort uit Palestina als een conditie van onrecht; uit het normaliseren van pijn en degradatie.’

    een klein detail
    Auteur: Adania Shibli
    Uitgeverij: Koppernik 2023

    Spektakel in Tokio Japanse foto's 1975-1981

    Journalist en publicist Ian Buruma is een Nederlandse sinoloog en japanoloog. Voordat hij New York als woonplaats koos, woonde hij onder meer in Hong Kong en in Tokio. Hij schrijft artikelen in binnen- en buitenlandse kranten en tijdschriften, en boeken in het Engels en Nederlands, vooral over Azië en met name Japan. Ook publiceert hij over een breed aantal onderwerpen op politiek en cultureel gebied in vooraanstaande kranten. De Tweede Wereldoorlog is een centraal thema in zijn werk. Zo publiceerde hij in 2013 1945, biografie van een jaar waarin hij een beeld geeft van de directe gevolgen van de oorlog in Europa, Amerika, Azië en de Sovjet-Unie.

    Minder bekend is dat Buruma ook fotografeert. In Spektakel in Tokio – Japanse foto’s 1975-1981 publiceert hij een ruime selectie van de foto’s die hij maakte in zijn tijd in Tokio. Hij zag er naast conformisme, rangen en standen en ingewikkelde etiquetteregels veel theatraliteit en excentriciteit die hij op foto’s vastlegde. Zelf maakte hij als acteur en danser in Tokio een tijdje deel uit van die wereld. Naast foto’s maakte hij er ook documentaires. In 2018 verscheen zijn boek Tokio mon amour over die periode. Deze verhalen worden met Spektakel in Tokio aangevuld met beelden van een onbekende kant van de wereldstad, waaronder die van achterbuurten, kermiswerkers, traditionele tatoeage-meesters, de theaterwereld.

    Spektakel in Tokio Japanse foto's 1975-1981
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact 2023
  • Dichter bij de dichter

    Dichter bij de dichter

    De tweede bundel van Lamia Makaddam heet Vrijetijdsgedichten omdat de gedichten erin geschreven zijn in haar vrije momenten, ‘[…] de schaarse minuten en uren die ik op het toilet en in bad doorbreng, of als ik eet, loop en slaap.’ De bundel is opgedragen aan haar zonen, die zeiden dat ze haar nooit zagen schrijven en zich afvroegen wanneer ze dat dan wel had gedaan. Het combineren van huishouden, moederschap en schrijverschap is een opgave, zoals Annie M.G. Schmidt al aangaf in haar ironische gedicht Moeder dicht. Veel vrouwelijke auteurs schreven alleen als ze de kans kregen, tussen de soep en de aardappelen door. Geen wonder dat Agatha Christie zei dat ze om te schrijven alleen een tafel nodig had, en het maakte niet uit waar die stond.

    Lamia Makaddam schrijft haar versregels tussen het schoonmaken van de koelkast en het boodschappen doen door. (‘Uiteindelijk is het schoonmaken gestopt uit woede en het schrijven doorgegaan uit liefde.’) Daarom misschien zijn haar zinnen zo onopgesmukt geschreven in korte en langere prozagedichten als bladzijden in een dagboek, tekstblokken waarin haar observaties verbonden worden met haar gedachten. Die gedachten dwalen noodgedwongen vaak af van dichten, omdat de alledaagse werkelijkheid zich weer opdringt, waarmee de dichter zich moet zien te verzoenen: de tuin moet verzorgd, er moet gewerkt worden als tolk voor politie en vreemdelingendienst.

    Chaos van het dagelijks leven

    De gedichten zijn fragmentarisch en bieden een inkijkje in de chaos van het dagelijkse leven, dat immers ook niet rechtlijnig en ononderbroken verloopt. Zo waaieren de onderwerpen van de gedichten eveneens alle kanten uit: herinneringen aan het verleden, bespiegelingen over taal, over zintuigen, waarbij vooral de ogen een grote rol spelen:

    ‘Ik wilde de bode van de rechtbank naar haar ogen vragen terwijl ze mijn
    naam opschreef. Ik wilde haar vragen of ze net als ik leed aan glaucoom.
    Blauw water. Of wit. Water krijgt pas kleur, smaak en geur als het zich
    in je ogen nestelt. Ik zie met de ogen van een ziende, en ik denk met
    de mentaliteit van een blinde en met zijn verlangen om de mensheid te
    ontlopen.
    […]
    De bode zit achter een van de hoge bureaus in de rechtbank van Den
    Haag. Ze schrijft mijn naam op en zegt dat ik hem niet hoef te spellen.
    Wij zijn de club van de uitgedoofde ogen, wij onthouden namen.’

    Menselijk leed

    Er is in de gedichten vaak sprake van kijken, blind zijn, ogen verliezen en ogen sluiten. Dat is niet verwonderlijk bij een dichter die misschien in haar persoonlijk leven, maar zeker door haar werk als tolk zo veel gezien heeft op het gebied van menselijk leed. Soms is het motief ‘zicht’ metaforisch bedoeld als een beeld van iets dat niet gezien werd of niet gezien mocht worden, maar Makaddam brengt dat beeld heel direct terug tot de naakte werkelijkheid door het voor te stellen alsof de gebeurtenis letterlijk heeft plaatsgevonden: dat je een oog kwijtraakt en het moet zoeken in de menigte van mensen. Ze verstaat de kunst om heen en weer te schakelen tussen verbeelding en waarneming. Het onderscheid daartussen is heel klein in deze gedichten. Wat de ogen hebben waargenomen, wordt door de dichter omgezet in taal. Taal, woorden en boeken zijn middelen die haar troosten en verzoenen met de alledaagsheid en de eenzaamheid.

    ‘[…]
    Dit boek is geschreven in afwachting van de terugkeer van onze
    dierbaren. Het kan niet anders dan dat hiervóór veel boeken zijn
    geschreven met dezelfde reden. Loopt wachten uiteindelijk altijd uit
    op een boek? Verhoogt dat het belang van boeken, of vermindert het
    de waarde juist? Worden boeken geschreven om de tijd te doden, zoals
    iemand die besluit een kleed te weven in afwachting van de terugkeer
    van haar man uit de diaspora, of iemand die tarwe zaait in afwachting
    van de terugkeer van zijn zoon uit de oorlog?
    Schrijven zal nooit tot het niveau van het leven stijgen en de tijd die het
    kost om een zin te schrijven duurt jaren langer dan de zin zelf.
    Als we de tijd van de woorden, de letters en de punten in dit boek
    zouden verzamelen, dan zouden we zien dat dit een vreemd boek is,
    ontstaan in twee maanden, terwijl het schrijven ervan duizenden jaren
    heeft geduurd.’

    Hoewel Makaddam, geboren in Tunesië, de Nederlandse taal zo goed beheerst dat ze zowel Jij zegt het van Connie Palmen als Malva van Hagar Peeters in het Arabisch vertaald heeft, schrijft ze haar gedichten in het Arabisch, haar moedertaal; voor het schrijven van hoogstpersoonlijke gedichten is dit een voor de hand liggende keuze. Haar eerste bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf, werd vertaald door Abdelkader Benali. De bundel Vrijetijdsgedichten, is vertaald door Djûke Poppinga. Beide vertalers zijn er wonderwel in geslaagd om de overgang van gedachten en herinneringen zo soepel te laten overgaan in de realiteit van iedere dag, zoals de dichter zelf ook doet.

    Weerspiegeling van een gedachtestroom

    De gedichten hebben geen titel, zijn niet onderverdeeld in afdelingen. Ze wekken de indruk dat ze inderdaad zó in één keer opgeschreven zijn, als weerspiegeling van een gedachtestroom, zonder doorhalingen of verbeteringen. Het zijn boeiende gedichten, omdat ze zo direct aanspreken en een andere, nieuwe kijk bieden op alledaagse dingen. De verrassende beelden die Makaddam gebruikt, laten een indruk achter die niet gemakkelijk vergeten wordt. Ze verdiepen wat op het eerste gezicht oppervlakkig lijkt en verbinden de dichter met de lezer: wat strikt persoonlijk leek, wordt toegankelijk gemaakt. Het zijn ontroerende gedichten, waarin grote woorden niet nodig zijn om over te brengen wat de gedachten en de gevoelens zijn die erachter schuilgaan. Makaddam weet de meest ingewikkelde zaken in een paar zinnen terug te brengen tot de kern, tot dat waar het voor haar allemaal om draait: ogen en kijken, taal en gedichten, dood en leven.

    ‘”[…] Waarom verwart u de boeken met elkaar, de werkelijkheid
    met poëzie?”
    “Omdat ik mijn hand heb uitgestoken naar de leegte en de leegte haar
    heeft vastgepakt.Ik heb mijn voet neergezet op het begin van de weg
    en die heeft me in zijn armen gesloten. ik heb op de schappen naar een
    boek gezocht en heb er duizenden gevonden.
    Ik zal niet blind worden, hoe blind ik ook zal worden.’”

     

     

  • Marquis d’Assad

    Marquis d’Assad

    Een gevangenisbewaker vertrapt een veldmuis tot roze drab, waarna een willekeurige gedetineerde het kadaver moet doorslikken. Weigert deze, dan krijgt hij elektroshocks en duizend zweepslagen. Zo wordt het verzet van een onschuldig mens gebroken. Mustafa Khalifa, schrijver van de autobiografische roman De schelp, brengt de lezer aan het kokhalzen met de waarheid. De wreedheid van het Syrische gevangenispersoneel is zo grenzeloos, dat taal eigenlijk tekortschiet om haar te benaderen. Uit de ondertitel – Memoires van een gevangene – blijkt dat Khalifa niettemin de ware aard van de Syrische dictatuur probeert te tonen. Van 1982 tot 1994 heeft hij zonder eerlijk proces vastgezeten in o.a. het beruchtste huis van bewaring: de Woestijngevangenis.

    De verteller, net als Khalifa filmmaker, gebruikt zijn beroep om de gruwelen te doorstaan: ‘Mijn professionele en artistieke intuïtie had zich verstopt in een verre hoek en keek toe, zonder zich ergens mee te bemoeien. Die (…) bleef altijd alert en neutraal, observerend en registrerend, hoe groot mijn psychische en lichamelijke nood ook was.’

    Dit even geweldige als onverteerbare debuut is de vrucht van diezelfde artistieke intuïtie. Fijnzinnig en accuraat beschrijft Khalifa wat de inperking van meningsvrijheid wérkelijk betekent. Het personage Nasiem, de vertellers boezemvriend in de gevangenis, verleent De schelp zelfs kenmerken van een 21ste-eeuws passieverhaal. Het is een eerbetoon aan wie geleden hébben en nog altijd lijden. Niet onder Pontius Pilatus, maar onder Bashar al-Assad. Zo anoniem als de verteller blijft – nérgens valt expliciet zijn naam – zo kleurrijk karakteriseert hij zijn medegevangenen. Hun levens zijn niet weggevaagd, zoals de tiran wilde, maar vereeuwigd.

    Gekneveld, gegeseld en begraven

    Lang blijft onduidelijk waarom de verteller bij het vliegveld van Damascus wordt opgepakt. Hij is geen terrorist en geen Moslimbroeder (gezworen vijand van de president). De lange arm van Assad, die evenmin bij naam wordt genoemd, reikt echter tot in Parijs, woonplaats van de ik-figuur. Drie jaar voor zijn hechtenis maakt hij een grapje op een studentenfeest. Hij vergelijkt de president met een bok en een muilezel. Voor de informant is dit voldoende om de filmmaker aan te geven, zodat hij bij thuiskomst ingerekend wordt. Twaalf jaar later vraagt een politiecommissaris om opheldering over deze ‘misdaad’. De verteller, inmiddels door de wol geverfd, bewaart zijn kalmte en snoert de commissaris de mond:
    ‘”U weet dat er honderden van dat soort grappen bestaan.”
    – “Dat kan wel wezen, maar op dergelijke grapjes staat een straf van één tot drie jaar.”
    “… ik heb al twaalf jaar in de gevangenis gezeten.”‘

    Herman Finkers zei eens: ‘Als politici en geloof niet tegen een grapje kunnen, open je niet de poorten naar de hemel, maar de hel.’ De schelp bewijst zijn gelijk. Onschuldige burgers worden meedogenloos afgeranseld, vaak tot de dood erop volgt; ze moeten met open mond onder een rioolafvoer hangen en er meerdere forse slokken van nemen; de opperhuid wordt hun van de voeten af gegeseld, waarna ze over kokendheet asfalt moeten lopen; één Moslimbroeder verliest zijn drie zoons, ondanks talloze smeekbedes tot Allah. De hoofdpersoon, die vanuit een gat in de muur alle executies op Plein 1 begluurt, ziet zijn atheïsme bevestigd: ‘Waar is God dan? Plein 1 is wel het beste bewijs dat er geen wezen bestaat dat zich God kan noemen.’ Op wie zijn atheïsten dan aangewezen? Op zichzelf.

    De Mustafa-Passion van een afvallige

    Vanwege zijn atheïsme mijdt de rest van de barak de verteller als de pest. Iedereen beschouwt hem als onrein, omdat hij zich niet wil bekeren. Hij staat er alleen voor en kruipt steeds verder in zijn schulp. Deze schelp wordt daarmee zijn toevluchtsoord. Vanuit dit veilige huis ‘heb ik geprobeerd alles wat er voor mijn ogen in deze menselijke gemeenschap gebeurde te observeren.’ In zijn isolement ontwikkelt hij een diepe haat richting het regime en trawanten. Hij besluit hier echter niet naar te handelen: ‘Kus de hand die je niet kunt bijten, in de hoop dat die breekt.’ Hij keert zijn agressor de andere wang toe en neemt revanche door zijn confronterende getuigenis: het lijdensverhaal van het Syrische volk.

    Met de komst van Nasiem verdwijnt zijn eenzaamheid. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen hem en deze eveneens in Frankrijk wonende kunstenaar. Ze praten zelfs Frans en raken elkaar liefdevol aan, wat de medegevangenen argwanend bekijken. Aanvankelijk lijkt Nasiem zich geen zorgen te maken over de afloop van hun gevangenschap, maar dan wordt de verteller onverwachts vrijgelaten uit de barak. Nasiems ogen spreken pure wanhoop, ziet de vertrekker: ‘‘‘Waarom heb je me in de steek gelaten?’’ (…) alsof ik de Messias op het moment van zijn sterven vol verwijt, protest, verwarring en vooral liefde hoorde roepen: ‘‘Eli, Eli, lama sabachtani?’’’

    Held of helder?

    De bevrijding voelt bitterzoet. Assads regime probeert de verteller een bekentenis te ontfutselen, voordat hij vrijkomt. Is hij nu wel of geen lid van een staatsvijandige organisatie? Hij moet voor de staat werken als informant in Parijs, om landgenoten te schaduwen; hij moet een danktelegram aan Assad schrijven vanwege diens ‘menslievende clementie’; hij wordt gedurende drie dagen voor een laatste keer ongans geslagen… maar de verteller weigert medewerking. Toch vindt hij zichzelf geen held: ‘Want mijn gedrag is geen eigen keuze geweest en een held kan geen held zijn als hij door anderen wordt gedwongen zich op een bepaalde manier te gedragen.’

    Valse bescheidenheid? In elk geval vereert hij zijn lotgenoten wél, hoe koppig de meesten hem ook negeren. Waar het schrikbewind alle gevangenen tot (mond)dode schimmen wilde maken, geeft De schelp hun een levensecht gelaat. Of het nu gaat om de lieve opzichter Hoessein, de seculiere, goedmoedige dokter Zahi of zielsverwant Nasiem, Syriërs krijgen een gezicht waarbij de boeventronie van hun dictator verbleekt. Deze bijfiguren schitteren in hun kracht en menselijkheid. Al zijn ze ook doodsbang voor wat er ná de vrijlating dreigt.

    P(TS)S

    Op bezoek bij zijn lievelingsnichtje Lina herkent de verteller zichzelf niet terug: ‘Waarom was ik bezig mezelf levend te begraven? Waarom dronk ik elke dag die enorme hoeveelheden arak en rookte ik al die sigaretten, alsof ik dood wilde? (…) Zal ik de gevangenis meenemen in mijn graf?’
    Khalifa verandert met deze getuigenis een ver-van-mijn-bed-show in een martelgang op minimale afstand. Soms is zulk zwaar geschut nodig om de verdorvenheid van een kwaadaardig bewind te onthullen. Het regime van de president heeft de tanden stukgebeten op het pantser van Mustafa Khalifa. Hij zet Assad in zijn hemd met het machtigste wapen van de weerloze mens: Show, don’t tell.

  • Tweelingzussen

    Tweelingzussen

    De in 1966 geboren Syrisch-Koerdische schrijfster Maha Hassan verbleef in 2007 een jaar als writer in residence in Amsterdam. In het huis van de familie Frank aan het Merwedeplein. Dan weer beschrijft ze de hoofdstad als een stad met ‘een sympathieke uitstraling’, dan weer ‘als een saaie, bezadigde oma die je liefdevol omarmt’, maar ook als ‘mysterieus, geheimzinnig en verontrustend’.

    Je bent geneigd te denken: hoe kan dát nou? Het is toch het een of het ander? Maar dan doe je geen recht aan de kijk van Hassan. Temeer daar ze op een gegeven moment zelf opmerkt, wanneer ze hardop tegen zichzelf praat, dat ze zich ‘gedraagt alsof ze uit twee of meer personen bestaat’. Niet dat ze schizofreen is, maar ze is ‘als een geopende kast, vol uiteenlopende personages’. Het lijkt wel een kwaal: ‘Het gevoel dat je iemand met je meedraagt en door zijn ogen naar het leven kijkt en omgekeerd.’

    De geest van Anne Frank

    Zo is het ook in deze in twee delen uiteenvallende roman. In het eerste, dat zich afspeelt in 2007 in Nederland, draagt Maha Anne met zich mee. Maha is, schrijft ze, ‘een metafysisch wezen’ dat gelooft in geesten die in het huis aan het Merwedeplein rondwaren. Zoals die van Anne. ‘Ja,’ legt ze uit, ‘ik ben iemand die bestaat uit sprookjes en bijgeloof, iemand die op de rand van de realiteit leeft.’ En van de rationaliteit. Een mythisch wezen, schrijft ze elders. Dit valt niet alleen te herleiden uit Hassans culturele achtergrond, maar ook uit haar psyche: ze is ‘bang voor alles’. Om het even of het nu een muis of een jood is, ‘taboe in de Arabische cultuur’. 

    Voor het gemak vermengt ze in het eerste deel het jodendom met Israël, de vijand van Syrië. Ze vraagt zich af of ze recht kan doen ‘aan de Joden in de geschiedenis, bijvoorbeeld aan Anne Frank, die me als gast in haar huis ontvangt.’ Ze zit in een stil huis dat bedoeld lijkt ‘om na te denken en te schrijven’ en ze verlangt naar de drukte van Parijs, waar ze woont. Ze is bang. Voor Anne. Ze droomt over haar, ziet haar schim, haar geest waart rond. Waarbij de auteur in dit verband het woord ‘geest’ gebruikt en niet, zoals een keer aan het begin van het boek (en later in een ander verband) ‘djinn’, een bovennatuurlijk, onzichtbaar wezen dat bezit van je kan nemen. Mooi dat Djûke Poppinga dit verschil in de vertaling laat staan. Want Maha snapt wel dat de geest van Anne niet terugkomt om wraak te nemen, want ze heeft haar niets misdaan en is niet verantwoordelijk voor haar dood. Wat wil die geest dan? Dat ze schrijft. Anne terughaalt uit die dood. Met haar bevriend raakt. Dat ze in elkaars hoofd kruipen, terwijl Anne nog nooit iemand uit een moslimland had ontmoet en Maha nog nooit een joodse.

    Ze schrijven elkaar in de vorm van een dagboek. Als een gemeenschappelijk verhaal, een groeidiamant. Anne is bang, Maha ook. Maar mag en kun je hun angst wel vergelijken? Angst om opgepakt te worden en – in het geval van Maha – omdat ze zich gedeisd moet houden, ‘om de bewoners niet te storen’? Dat wil zeggen de geesten van de bewoners. Al raakt ze die angst gaandeweg kwijt: ‘Er is veel met me gebeurd (…). Ik kan gaan schrijven zonder te hoeven denken dat ik misschien iemand stoor.’ En toch: het voelt als verspilling van het leven, dat schrijven. Liever bezoekt ze het Achterhuis, omdat ze ‘meer te weten [wil] komen over die tijd’. Hetgeen ‘samenvalt met de wens om ermee te versmelten’. Een mystieke wens die (wat te?) ver gaat. Of is het een manier van inleven in de wereld van een meisje dat wij gewoon te heilig hebben gemaakt? 

    De prijs voor het schrijven

    Het is niet gezegd dat dit gemakkelijk is. Hassan betaalt ‘dagelijks de prijs voor de woorden’ die ze schrijft ‘om elke dag de pagina van de veiligheid te kunnen sluiten’. Ze kan niet anders, want ze wil de wereld al schrijvend veranderen. De nieuwe wereld die Maha Hassan leert kennen, maakt haar minder eenzaam en het gevoel over het onrecht dat haar is aangedaan wordt erdoor verzacht; in 2000 werd haar een schrijfverbod opgelegd vanwege haar ‘moreel verwerpelijke ideeën’. Vier jaar later week ze uit naar Parijs.  

    Het tweede deel van de roman speelt zich twaalf jaar later af, in 2019 in Frankrijk, Egypte en Palestina. ‘Ik weet dat Palestina bezet is en dat er een permanente dreiging heerst die Israël heet.’ Ondertussen is haar vader gestorven, zijn er een opstand en een oorlog in Syrië uitgebroken en heeft Maha Hassan lichamelijke klachten gekregen zoals hoge bloeddruk, vooral – schrijft ze – omdat Anne in haar was komen wonen. Ze kan er zich van bevrijden door te schrijven, maar merkt dat er nog iets ontbreekt aan het eerste deel van het boek: de joden uit Koerdistan in Haifa en de Arabische joden. Ook Anne wijst haar daarop. Maha herpakt zich en maakt het boek af.

    Marc Chagall en Mohammed Al-Hawajri

    De verschillen tussen de twee vrouwen lijken onoverbrugbaar, tot Maha een zin uit 1944 uit het Dagboek van Anne leest: ‘En toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat alles zich weer ten goede zal wenden.’
    Een opmerking die, net als de intentie en de sfeer van het boek van Hassan, doet denken aan de fotocollage Above the City van de Palestijnse kunstenaar Mohammed Al-Hawajri (1976) die momenteel op de documenta 15 in Kassel valt te zien en stof doet opwaaien. Hij nam de vliegende man en vrouw, de schilder en diens vrouw Bella, over van Chagalls beroemde schilderij Over the Town (1913). Het Vitebsk van Chagall is bij Al-Hawajri vervangen door diens geboortestad Gaza, het rode huis op de achtergrond bij Chagall door een in vlammen staande woning. Je ziet dat de schuttingen uit Vitebsk de beruchte muur langs de Gazastrook werden, maar je ziet ook de hoop van de twee verstrengelde mensen die er in een droom overheen vliegen, alle fysieke barrières overstijgend. Zoals Anne en Maha in Hassans fantasie verstrengeld raken en in elkaars dromen verschijnen.

     

  • Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    De fluistering van de sterren (vertaald door Djûke Poppinga) is een postuum verschenen verzameling van achttien korte verhalen van de Egyptische auteur Nagieb Mahfoez (1911-2006). In 1988 kreeg Mahfoez de Nobelprijs voor Literatuur, als eerste Arabische schrijver. De verhalen doken op uit zijn nalatenschap en waren bedoeld voor publicatie in 1994. Wat Mahfoez ervan heeft weerhouden om ze toen daadwerkelijk te publiceren, is niet bekend. Misschien was het de moordaanslag die er in dat jaar door moslimextremisten op hem werd gepleegd. Zij beschouwden hem een afvallige vanwege een boek uit 1959, dat in 1999 in het Nederlands verscheen als Kinderen van Gabalawi.

    Jeugd

    De sfeervolle verhalen in De fluistering van de sterren zijn een soort schetsen of impressies, vol wonderlijke gebeurtenissen, van meestal maar een paar bladzijden lang. De verhalen kennen vaak een abrupt begin en een open einde. Ze spelen zich allemaal af in een oude, arme volkswijk van Caïro, in de tijd dat Mahfoez zelf in zo’n wijk opgroeide. Mahfoez heeft bij het schrijven dus kunnen putten uit ervaringen in zijn eigen jeugd. Alle buurtbewoners kampen met ‘alledaagse’ ellende als diefstal, gokverslaving, armoede, moord en zelfverbranding.

    In de verhalen kom je tal van kleurrijke figuren tegen, zoals de alleenstaande moeder Zakiyya die de vader van haar baby blijft confronteren met hun kind. Of de ongelukkige Hasan die telkens hertrouwt met een meisje uit de buurt nadat zijn vorige vrouw is overleden. En de beeldschone Tauhieda die in de levendige verbeelding van veel buurtbewoners maar niet ouder wordt. In veel verhalen komt ook een ‘buurtsjeik’ voor, die als een soort vaderfiguur probeert het gepeupel en gedoe in de wijk in toom te houden.

    Wat de korte verhalen van Mahfoez zo bijzonder maakt, is vooral de voortdurende vermenging van werkelijkheid en bijgeloof waarin de personages leven. Voor hen is de wereld van geesten en magie even werkelijk als hun volksbuurt vol bedelaars en dieven. In bijna alle verhalen is sprake van voorspellingen, geheimen, duivels, djinns (geesten), voorgevoelens, wonderen, ceremoniën, dromen, mysteries en waarzeggers die gespecialiseerd zijn in het ‘ontsluieren van het onzichtbare’.

    De titel van het boek is dezelfde als die van het eerste verhaal. Je kunt ‘de fluistering van de sterren’ zien als een metafoor voor het web van geruchten, sprookjes, verzinsels en bijgeloof dat de bewoners van de volkswijk in zijn greep houdt. Voor elke onverwachte, vreemde of kwade gebeurtenis in hun buurt zoeken zij een verklaring in het bovennatuurlijke. De geraadpleegde waarzeggers draaien overuren.

    Besef

    De vermenging van de werkelijkheid (het alledaagse leven in stegen, koffiehuizen en illegale bordelen) en fictie (de wereld van geesten en geheimen) krijgt in een paar verhalen een bijzondere vorm. Dat is het geval op de schaarse momenten dat de buurtbewoners lijken te beseffen dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen feiten en fictie. In bijvoorbeeld het verhaal ‘Jouw lot in het leven’, waarin verschillende buurtbewoners zonder duidelijke aanleiding in tranen uitbarsten, constateert een opgetrommelde gezondheidsinspecteur: ‘Het probleem is dat jullie het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid niet kennen’. In ‘De storm’, waarin onheilspellende kreten in de buurt een plotseling opstekende storm lijken te ontketenen, roept een buurtbewoner: ‘Behoed ons voor dromen. De werkelijkheid is al erg genoeg!’ En ‘Het einde van meester Sakr’ begint met: ‘Die nacht sloeg de werkelijkheid toe als een droom.’

    Nawoord

    Het informatieve nawoord van Mahfoez-kenner Richard van Leeuwen vormt een kwart van het boek. Daarin is te lezen dat Mahfoez, in al zijn bescheidenheid en eenvoud, in zijn land werd gezien als een groot schrijver, die zijn landgenoten met zijn werk ‘een spiegel voor de ziel’ voorhield. Hij was een grondlegger van de Egyptische romankunst en had in zijn werk altijd veel aandacht voor de ‘menselijke tragiek’. Van Leeuwen schrijft over Mahfoez’ romans: ‘Er is ook meestal een spanningsveld tussen schijn en werkelijkheid, tussen smetteloze uiterlijkheid en het verderf dat erachter schuilgaat, tussen een hoogstaand menselijk ideaal en onbedwingbare ‘lagere driften’, en tussen het streven naar integriteit en onverbloemd opportunisme.’ Hij kenschetst de nagelaten verhalen in De fluistering van de sterren dan ook als ‘onmiskenbaar mahfoeziaans’. Ze vormen dus een mooie inleiding tot de rest van het oeuvre van Mahfoez, dat slechts voor een deel in het Nederlands is vertaald.

     

  • Literatuur als eerste levensbehoefte

    Literatuur als eerste levensbehoefte

    Allah kent in de Koran vele aanprijzingen. Om in de hemel te komen moeten moslims al Zijn negenennegentig kwaliteiten op kunnen dreunen. Dit lijkt zwaar, maar is in feite een peulenschil: orthodoxe moslims geloven dat ze de Koran van kop tot staart uit het hoofd moeten leren én reciteren. Het prachtige Allah 99, geschreven door Hassan Blasim, verdient eveneens negenennegentig loftuitingen. In dit werk spreekt de in Finland wonende Irakees Hassan met talloze vluchtelingen die in Europa verblijven. Het is niet overal ‘Wir schaffen das!’ wat de klok slaat: ‘We doen onderzoek in de ruimte en op de bodem van oceanen, maar zijn niet bereid te zoeken naar een medicijn tegen de haat die tussen onze oren zit.’

    Het is een ongekend boek, dat – door meerdere critici al beweerd – de westerse literatuurconventies doorbreekt. Maar hoe doet Blasim dat? Ten eerste laat hij personages aan het woord die het beschavingsideaal van de westerse Verlichting verpulveren. Ten tweede experimenteert de schrijver met de dialectiek uit het oude Griekenland, die tot op heden in kerken wordt onderwezen, om vervolgens tot een nieuwe religie te komen. Ten derde frustreert hij elke genrebepaling zodanig, dat de lezer wel mee moet in de versplinterde literatuur, die door oorlog en geweld verscheurde personen nu eenmaal produceren. Literatuur is voor hem bittere noodzaak en het enige geloof dat de mens nog rest.

    Bemoeienis is nog geen verbondenheid

    ‘Ladies and gentlemen, we got ‘em!’ Deze iconische woorden van republikein Paul Bremer brachten het Amerikaans chauvinisme tot uitbarsting. Ze betekenden een glansrijke overwinning van het wederom superieure Westen op de terreur: Saddam Hoessein was overmeesterd. Alleen even een democratie instellen in Irak, en je krijgt een verlicht land. Toch? Schrijfster Alia, grand dame uit de Iraakse literatuur, met wie Hassan in elk hoofdstuk vriendschappelijk correspondeert, sombert: ‘Ik raak er van overtuigd dat Irak een doodlopende weg is ingeslagen. De arrogantie van de Amerikaanse supermacht …[maakt]… het aantal messen in het land steeds groter.’ Een socialist die zijn zoon aan een autobomaanval verloor, zegt over de westerse inmenging in het Midden-Oosten: ‘Ze zaaiden chaos, waardoor ze, onder hun supervisie, een voedingsbodem voor het islamitisch terrorisme in ons land creëerden. (…) Ooit zal het Westen de prijs moeten betalen voor de ravages die het op meerdere continenten heeft aangericht.’ 

    In het ‘beschaafde’ Noord-Europa verloopt ondertussen de acceptatie van asielzoekers uiterst moeizaam: ‘Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat ik in Finland iemand zou tegenkomen die filosofie doceert en tegelijk een racist is.’ Een van Hassans kennissen in Helsinki, Heidi, werkt voor vluchtelingenwerk en blijft de simplificatie ‘islamitische wereld’ gebruiken. Mikko, een mislukte acteur, stelt de onnozelste vragen, ondanks hun jarenlange contact. Zo ook in het café met de ironische naam De Smeltkroes: ‘Luisteren jullie naar dit soort muziek in jullie land?’ Op echte hulp en bijstand van Europeanen hoeven vluchtelingen niet te rekenen; ze zijn tijdelijke ballast en moeten snel maar weer terug naar hun land van herkomst.

    Apostel Palomar

    ‘Wat is uw enige troost in leven en sterven?’ is de eerste vraag die de Heidelbergse Catechismus stelt aan christelijke leerlingen. Door 129 vragen en antwoorden ontdekken zij de rode draad in de multi-interpretabele Bijbel en in Gods geboden. Hassan Blasim heeft zijn eigen Bijbel: Palomar van Italo Calvino. Deze dikke, besnorde goedzak vergezelt hem tijdens zijn vlucht van Bagdad naar Helsinki en fungeert als vraagbaak bij Hassans literaire project: ‘Wat vind je ervan als we de personages, zonder onze tussenkomst, laten praten?’ 

    En zo krijgt Allah 99 dus vorm. Wanneer Hassan in een impasse geraakt, zijn writer’s block opspeelt of zijn emoties hem de baas zijn, sleept Palomar hem erdoorheen. 

    Er ontspint zich een dialectisch vraag- en antwoordgesprek tussen de Irakees en zijn imaginaire vriend Palomar. Zij komen tot een meesterlijk besef: ‘Palomar hoopt altijd dat stilte meer inhoudt dan taal kan uitdrukken. Maar wat als woorden het doel zijn waar alles in het bestaan naar streeft?’ Oftewel: het woord is niet God. Het woord is tot Alles in staat. Hoe anders konden islamitische, communistische, nazistische, kapitalistische en katholieke regimes zo veel volgelingen met taal betoveren en hen overhalen tot gruweldaden? Of het nu gaat om ‘Allah is groot’, ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’, ‘Deutschland über alles!’, ‘The sky is the limit’ of ‘Ik ben het Licht, de Waarheid en het Leven’, woorden kunnen uitsluiten, met alle gevolgen van dien. Wellicht kan taal de mens nu eens een keer tot eer strekken. Die hoop is Hassans enige troost in leven en sterven. Literatuur is zijn geloof, de taal zijn Kerk. Iedereen is er welkom.

    Splinterliteratuur: eensgezind in ontbinding

    Hassans taalgebruik doet de mens recht door de gevolgen van diepgewortelde overtuigingen te tonen: aan stukken gereten levens. Niet alleen de personages zijn verscheurd door hun gewelddadige verleden én hun ballingschap in Europa, het boek zelf hangt bovendien van talige gruzelementen aan elkaar. Allah 99 wijst elke vernauwing tot een bepaald genre af om zo de versplintering van vluchtelingen invoelbaar te maken: eenheid ontbreekt. 

    Wanneer vriendin Alia het manuscript van Allah 99 voor het eerst leest, citeert ze de Poolse schrijver Gombrowicz om Hassan in zijn onderneming te stimuleren: ‘Schrijf twintig pagina’s zonder pauze, zet alles op papier wat er uit je pen komt, ook al is het gebazel. Laat het daarna een tijdje liggen, zodat het geheel zijn logica kan hervinden.’ En zo wordt het gebrek aan eenheid de enige logica. 

    Het werk heeft iets weg van een reportage, interview, dichtbundel, autobiografie, briefwisseling en roman. Ook wisselt Blasim geregeld van vertelperspectief én is hij vaag over de plaats van handeling, waardoor vaak onduidelijk is wie er spreekt en waar ‘we’ ons überhaupt bevinden. Met deze stilistische keuzes verbeeldt Blasim de identiteitsworsteling en desoriëntatie van dolende aardbewoners sterker dan welk ander woord ook maar had kunnen doen. De lezer krijgt geen kans het verhaal te begrijpen: hij kan slechts volgen aan de hand van verhalensmokkelaar Hassan Blasim, de profeet van de splinterliteratuur. 

    Afrekening

    ‘Zet mij maar neer in een jungle, dan red ik me prima.’ Je hoort het vaak genoeg als bevoorrechte mensen mijmeren over een nomadisch bestaan. Na het lezen van Hassan Blasims boek piepen ze wel anders. Een luidruchtige Australiër in een Finse bar debiteert soortgelijke quasi filosofische praatjes over de mens als zoekend, zwervend wezen. Blasim countert: ‘Zou een Nigeriaan, een Pakistaan of Irakees zich die luxe ook kunnen permitteren? Je vrouw bedriegt of verlaat je en dan besluit je in Finland te gaan wonen. De Nigeriaan zou oceanen moeten oversteken, en als hij al door de haaien werd gespaard en uiteindelijk heelhuids op zijn bestemming aankwam, zou hij alsnog een smakelijk hapje voor de haaien van het racisme worden.’ Was de wereld maar écht van iedereen.

     

  • Tegenstemmige poëzie als een oorlogswond

    Tegenstemmige poëzie als een oorlogswond

    Van Harry Mulisch is de uitspraak: ‘Ik heb de oorlog niet zozeer ‘meegemaakt’, ik bén de Tweede Wereldoorlog.’ Het is meer dan zeventig jaar geleden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en het aantal mensen dat zich achter deze uitspraak kan scharen, wordt steeds kleiner. Met een beetje geluk wordt de generatie babyboomers de eerste die geen oorlog heeft gekend. Dat is te zeggen: niet aan den lijve. Maar via de media wordt dagelijks verslag gedaan van de oorlogen die elders in de wereld woeden en zo komt het oorlogsgeweld ons toch wel heel nader. Of dat voldoende is om ons te kunnen identificeren met de slachtoffers daarvan is de vraag die opgeworpen wordt in de bundel ik hier jij daar van Ghayath Almadhoun en Anne Vegter.

    Verontschuldiging oorlogsbeelden

    Het eerste gedeelte bevat gedichten van Ghayath Almadhoun (1979), geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus, vader Palestijns, moeder Syrisch. Hij studeerde Arabische literatuur en was werkzaam als cultureel journalist. Sinds 2008 woont hij in Stockholm. In 2014 verscheen zijn eerste bundel in Nederland: Weg van Damascus, die net als de gedichten in, ik hier hij daar werd vertaald door Djûke Poppinga.

    De bundel opent met het prozagedicht Wij, een sarcastische verontschuldiging voor het feit dat het leed van oorlogsslachtoffers dagelijks door de media aan nietsvermoedende burgers wordt voorgeschoteld:
    Wij bieden onze excuses aan, omdat we onze afgerukte lichaamsdelen in hun sneeuwwitte geheugen hebben geprent, […] omdat we zo schaamteloos waren om plotseling op te duiken in het journaal […] naakt, met alleen ons bloed en onze verkoolde resten.’ Zonder alinea’s of witregels worden in dit gedicht – in crescendo – de gruwelen opgesomd die door een oorlog wordt veroorzaakt. Alsof de dichter met bijtend plezier de lezer deze feiten in het gezicht wil slingeren. Om vervolgens na alle excuses in een losse alinea te concluderen:

    Wij zijn de dingen die jullie op jullie schermen en in jullie kranten hebben gezien. Als jullie de moeite nemen om de stukjes bij elkaar te leggen, als een puzzel, dan zullen jullie een duidelijk beeld van ons krijgen. Zo duidelijk, dat je niet in staat zult zijn om nog iets te doen.’

    Vergelijkende beelden

    In het gedicht Schizofrenie vertelt Almadhoun over zijn bezoek aan de stad Ieper in België, die in de Eerste Wereldoorlog geheel verwoest werd en later het middelpunt van de herdenking is geworden. Hij vergelijkt Ieper met Damascus, vanwaar hij vluchtte en met Stockholm, waar hij nu woont. Het gedicht wordt doorbroken door voetnoten, waarin Almadhoun op  ironische wijze een encyclopedische uitleg geeft over feiten en personen die in het gedicht genoemd worden. Oorlog is het onderwerp van alle gedichten en transformeert geleidelijk aan zelfs de liefde:

    Mijn God.
    Zie waar de oorlog ons heeft gebracht.
    Zelfs in mijn gruwelijkste nachtmerries zou het niet in me zijn opgekomen
    dat ik op een dag
    in een gedicht zou zeggen:
    Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.’

    De oorlog laat de liefde verdwijnen en ‘de dichter kan in een wolf veranderen’: in Stockholm verlaat hij de vrouw die hij bemint, omdat hij zijn verlangen naar Damascus niet meer kan onderdrukken: ‘Hoe kan ik in jouw huis wonen, als God heeft beschikt dat ik “in elke vallei smacht naar mijn geliefde”?’ Opnieuw neemt hij de vlucht, want: ‘Je beschuldigt me van een gebrek aan objectiviteit in mijn gedichten.’ De vrouw is niet in staat de dichter te begrijpen of zich in hem te verplaatsen: zij heeft de oorlog niet meegemaakt en hij ís de oorlog, zoals Mulisch zei. Dat heeft een wig tussen hen geslagen die hen splijt en die zelfs niet door liefde ongedaan kan worden gemaakt. De laatste versregels van de gedichten laten dat zien: ‘Mijn hart dat je zo goed kent. Steeds wanneer ik het ’s nachts uit zijn hol haal zodat het de maan kan zien, jankt het je naam, maar ik ben harder dan steen en mijn hart dat je zo goed kent, wordt niet milder.’

    Identificatie en achterdocht

    Hanny Michaelis zei: ‘Zolang er mensen zijn, blijft er oorlog. Daar zijn we het over eens bij de warme kachel, behaaglijk nippend van onze cognac.’ Vanuit het gevoel dat dit citaat verwoordt schrijft Anne Vegter de gedichten die het tweede deel van deze bundel vormen: ‘De wereld brandt en ik weiger de andere kant op te kijken. Lekker makkelijk met een dak boven mijn hoofd. Vanuit mijn eigen ongemakkelijke gemak schrijf ik gedichten over oorlog.

    In het eerste gedicht is er geen sprake van identificatie, maar eerder van achterdocht en onwil tegenover vreemdelingen: ‘we bewaken intussen de pilaren’, schrijft Vegter en ze noemt ‘noord europa sluwe nachtwacht’. Het eigen erfgoed dient bewaakt te worden. In de daaropvolgende gedichten scherpt ze de tegenstelling aan tussen ‘hier’: ‘iemand noemde vrede een periode / waarin het bij anderen oorlog is.’ en ‘daar’: iemand noemde het eerste uur / de dag waarop het bij anderen vrede is’. Niet alleen in plaats, maar ook in tijd is de titel van de bundel te duiden.

    Maar in de drie opeenvolgende gedichten – die alle drie de titel Ondertussen in Nederland dragen met respectievelijk een Romeinse nummering I, II en III – begint het alledaagse leven scheuren te vertonen, tot er oorlog uitbreekt. In het laatste gedicht laat Vegter met indringende beelden zien hoe snel ‘zij’ ‘wij’ kunnen worden: ‘het rijksmuseum is grotendeels ingestort hoeveel overlevenden er zijn weet niemand’. Net als Almadhoun leidt Vegter haar gedicht tot een helse climax door steeds sneller en wanhopiger oorzaken en gevolgen op te noemen (‘delen van dijken zijn weggeslagen’,  ‘er zouden tientallen boten klaarliggen’, ‘waar is de overkant / er is geen overkant’) om te eindigen met de trieste constatering:

    ‘we drijven verder
    we spoelen over de hele wereld aan
    niemand zit op vluchtelingen te wachten
    gelukszoekers
    zo worden we genoemd’

    Onoverbrugbare kloof

    Vegters gedicht Intussen I, verbeeldt de chaos door de opsomming van aanvankelijk doodgewone voorwerpen, wat escaleert in een steeds grotere verschrikking. Vegter probeert met alle middelen die tot haar beschikking staan zich te realiseren wat oorlog betekent. Niet alleen door zich de uitbraak van een imaginaire oorlog voor te stellen, maar ook door de overgeleverde verhalen en herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Bijzonder is dat zij ervoor kiest om die oorlog te beleven door de ogen van een jonge Duitser die verlangt naar zijn moeder, die met de rest van het gezin in Rotterdam woont. Hij begint zijn reis dwars door Duitsland en het bezette Nederland om haar te kunnen zien en ondergaat daarbij de verschrikkingen van de oorlog, niet alleen door zijn landgenoten aangericht. Op 10 mei 1940 wordt hij gevangen genomen door Nederlanders. Vier dagen later vindt het bombardement op Rotterdam plaats.

    Almadhoun en Vegter tonen wat een oorlog betekent en hoe groot de gevolgen daarvan zijn. Gedichten die zich in het hart van de lezer kerven door hun treffende beelden en het tempo van de strofen. Maar waar Almadhoun door zijn afweer alleen blijft staan, probeert Vegter de kloof van onbegrip en onwetendheid te overbruggen die gaapt tussen oorlogsslachtoffers en hen die er nooit een meemaakten. Almadhoun gelooft niet dat die kloof ooit gedicht kan worden. Waar Vegter de oorlog in haar gedichten zeer aannemelijk maakt, probeert Almadhoun met zijn wanhopige gedichten – tevergeefs – een oorlog te vergeten. Beiden hebben met hun poëzie een heel bijzondere bundel gemaakt, waarbij juist het verschil tussen deze twee dichters de vinger op de zere plek is, als een oorlogswond.

     

     

  • De schoonheid van oorlogsgruwelen

    De schoonheid van oorlogsgruwelen

    In deze bundel met twaalf korte verhalen tekent de Fins-Iraakse Hassan Blasim fictieve getuigenverslagen op van psychisch getraumatiseerde Iraakse mannen. Het zijn gewone mannen in ongewone tijden, die allen genoodzaakt zijn (of zijn geweest) om onmenselijke keuzes te maken in oorlogstijden. Hun overlevingsdrift is sterker dan hun rechtvaardigheid, hun moraliteit en hun medemenselijkheid, maar het oorlogsgebeuren dwingt hen tot een dog eat dog-mentaliteit. Overleven tegen elke prijs, met een blijvende identiteitsschade tot gevolg.

    Blasim laat twaalf verschillende ik-vertellers aan het woord met incoherente, fragmentarische gedachtestromen, waarin ze proberen vat te krijgen op hun getroebleerde geestesgesteldheid. Anekdotes verglijden met mythes en fantasieën, terwijl de rauwe oorlogswerkelijkheid vreemder blijkt dan elke fictie.

    Soms sijpelt het oorlogsgeweld sluipenderwijs binnen in de alledaagse realiteit van de personages. Zoals in Het konijn van de Groene zone, waarin een man zich in een afgesloten villacomplex voorbereidt op de instructies voor een eerwraakliquidatie, terwijl zijn voornaamste zorg het mysterie is rond een kippenei dat opeens in zijn konijnenhok is verschenen. Verveling, landerigheid en morele twijfel gaan gepaard met een drukkende, psychische spanning over de onduidelijke situatie waarin hij terecht is gekomen.
    Nog minder rust is de politieagent in ‘Het Dossier en de Werkelijkheid’ vergund, als hij betrokken raakt bij de vondst van zes afgehakte hoofden van belangrijke religieuze leiders. Hij wordt de inzet van een getouwtrek tussen allerlei verschillende facties – met als enige overeenkomst de bloeddorstigheid waarmee ze hem martelen en hem zijn basisbehoeftes ontzeggen.

    De ik-vertellers in de bundel hebben aan den lijve de verscheurdheid in Irak meegemaakt na twee golfoorlogen en een machtsvacuüm na Saddam Hoessein, waardoor het islamitisch fundamentalisme aan kracht won. Hierdoor komen de personages terecht in een hels labyrint van verschillende strijdende facties en een botsende strijd der ideologieën. De oorlogslogica ontneemt hen echter de mogelijkheid om existentiële, morele vraagstukken te beantwoorden over wie of wat ze zelf nog zijn, of waar ze goed aan doen in de gegeven omstandigheden. Ze volgen alleen nog hun primitieve instinct, een impuls die uiteindelijk de grootste twijfels en angsten oproept bij de Irakezen die wél wisten te ontsnappen aan de oorlog.

    Ook de overlevenden, die soms zelfs hun weg hebben gevonden naar het Europese vasteland, hebben het zwaar te verduren. In De Wolf duikt er plotseling een wolf op in de flat van een Iraakse asielzoeker in Finland. Het is een gewelddadige fantoomverschijning – bijna een sprookjesfiguur- die voor de doodsbange man echter is dan de banale gebeurtenissen in zijn troosteloze bestaan. Alleen zijn seksuele verlangen naar twee aantrekkelijke tienermeisjes (jehova’s getuigen) houdt hem op de been als hij zich angstvallig verstopt in z’n badkamer.
    In De Mestkever heeft een ik-verteller innerlijke monologen met een (al dan niet ingebeelde) dokter. Deze figuur wil gered worden van de pijn die ‘als een reusachtige, goedaardige mestkever’ hem voortsleept alsof hij gevangen zit in een mestbal.

    De overlevenden lijden het meest onder psychische machteloosheid. Ze zijn niet in staat om te reageren op de spookverschijningen die hun trauma’s levend houden. Alleen al omdat zij, in tegenstelling tot zoveel mede-Irakezen, het geweld hebben overleefd en de kans hebben gekregen om hun leven in het buitenland op te bouwen. Het is de onmogelijke, schuldbewuste positie van Hassan Blasim zelf, die ook moest vluchten voor het oorlogsgeweld, die resoneert in de zoektocht van deze ik-vertellers. Aan de ene kant voelen deze overblijvers ergens een morele verantwoordelijkheid en een noodzaak om hun gestorven landgenoten waardig te eren, maar aan de andere kant is juist hun beeld vertroebeld omdat zij erop terugkijken als migranten. Ze moesten hun identiteit opnieuw vormgeven om verder te kunnen. Het gevolg is een extra gevoel van controleverlies en innerlijke pijn, omdat ze niet alleen hun oorlogstrauma moeten verwerken maar ook te maken krijgen met vervreemding als ze zich aanpassen in een nieuwe leefomgeving.

    Misschien is het titelverhaal ‘Lijkententoonstelling’ het meest exemplarisch voor de schrijfstijl van Hassan Blasim. Zoals veel van de andere verhalen is het opgezet als een schuldbekentenis van een onbetrouwbare ik-verteller. Een ondergeschikte luistert naar de instructies die een hogergeplaatste geeft over een zogenaamde lijkententoonstelling, waarbij de overblijfselen van ontzielde mensenlichamen worden omgebouwd tot macabere kunstobjecten. De gruwel wordt kunst en de kunst wordt een propagandamiddel om angst en verwarring te zaaien. Blasim geeft vooral het woord aan de geperverteerde lijkenkunstenaar, terwijl de ik-figuur niks anders kan doen dan meegaan in het retorische overwicht van iemand die hem kan (en zal) vermoorden bij enige tegenspraak.

    Hassan Blasim schrijft stilistisch knap proza. Zoals bijvoorbeeld in het eerder genoemde  titelverhaal, waarin hij met minimale middelen – namelijk een simpele dialoog tussen een ik en een tweede spreker- de onmachtige positie van zijn antihelden uiteenzet. Het kale taalgebruik in ‘Lijkententoonstelling’ spreekt tot de verbeelding, omdat het in haar gepresenteerde soberheid evenzoveel vragen oproept als beantwoordt. In de beste verhalen gaat de auteur onverbiddelijk naar de kern toe, zonder een mooie zin of een dromerige sfeerbeschrijving te veel. En toch weet Blasim ook een lyrische, poëtische schoonheid te vinden in de wanstaltige lelijkheid die hij schetst. Het vertelritme is namelijk onverminderd opzwepend en hallucinant, als een absurdistische koortsdroom die een vervreemdende afstand schetst tot het afgrijselijke menselijke leed dat wordt beschreven.

    De kracht van Hassan Blasim schuilt in zijn vermogen om de identiteiten van zijn personages te laten verglijden met de oorlogsmachinaties waar ze in terecht zijn gekomen. Hun egocentrische motieven worden niet verklaard, gepsychologiseerd of met sentimentele clichés onschadelijk gemaakt. Blasim oordeelt namelijk niet over de schuldvraag van zijn personages, die laat hij voor de lezer open. De huurmoordenaar en de politieagent handelen omdat de oorlog hen daartoe aanzet, hun eigen wil is daarbij uitgevlakt. Voor de migranten die het overleefd hebben, is de schuldvraag irrelevant omdat zij niks terug kunnen draaien en alleen nog hun spookverschijningen hebben. En Blasim is daarin zelf als de morbide ‘lijkenkunstenaar’: een wreedaard die in gelijke mate parasiteert op het leed van anderen en daaruit schoonheid schept, terwijl hij tegelijkertijd de lezer impliceert om voorbij eenduidige hokjes te denken als dader en slachtoffer.

     

     

  • Zeggingskracht van poëzie

    Zeggingskracht van poëzie

    In 2014 verscheen de poëziebundel Weg van Damascus, van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun. Op het omslag van deze bundel is het schilderij ‘De kus’ van Gustav Klimt te herkennen – maar liefelijk of ongeschonden is het niet, integendeel. Kennelijk is het schilderij veel meer dan levensgroot aangebracht op de muur van een gebouw of huizencomplex. Het zit vol beschadigingen, inslagen van kogelgaten, hele stukken muur ontbreken. Het symboliseert een aangrijpende werkelijkheid, die een wrede combinatie laat zien van enerzijds tederheid, overgave, artistieke inspiratie en aan de andere kant de bittere, actuele realiteit van oorlog en verwoesting. De titel van de bundel is Weg van Damascus, waarmee – voor zover dat nog nodig was – die bittere actualiteit in drie woorden ook nog eens is samengevat. Het gaat over het Midden-Oosten en over ‘weg’ zijn. Het hele oorlogs- en vluchtelingenvraagstuk is aan de orde, nog vóór de lezer de bundel zelfs maar heeft opengeslagen.

    Klinische observaties
    De gedichten van Almadhoun bestaan uit poëtisch proza of prozaïsche poëzie. De bundel bevat volgens de inhoudsopgave elf gedichten, die bijna alle uit meerdere delen bestaan.  De tekst van ‘De stad’ bijvoorbeeld, kennelijk over Damascus,  valt in acht stukken van zeer ongelijke omvang uiteen. Overkoepelend is het markante contrast tussen lieflijke beelden en de schrille realiteit.

    […] Deze stad heeft de navelstreng die haar verbindt met de dood niet doorgesneden. Elke nacht slijpt ze haar mes, in afwachting van de volgende slachting. Had ik maar de warmte van de motor van een auto in jouw trieste winter, of de kou van een graf in jouw bittere zomer, o woestijn van cement, o stad die thee drinkt op de melodie van de strijd, die de dans van de nederlaag danst op de lijken van haar verdoolde zonen. Amen.

    De cyclus ‘Details’, bestaande uit 19 fragmenten, is in klinische observaties evenzeer schrijnend – en juist door de poëtische vorm veelzeggend en aangrijpend.

    Een aantal mensen probeerde me weg te trekken, maar de sluipschutter protesteerde met zijn geweer, waarna ze zich bedachten. Hij was een gewetensvolle sluitpschutter, die eerlijk zijn werk deed en tijd noch mensen verkwistte.

    Afzichtelijke werkelijkheid
    Of wat te denken van de verbluffende speelsheid waarmee Almadhoun de begrippen ‘verdriet’ en ‘leed’ te lijf gaat in het gedicht ‘Hoe ik een dichter werd’:

    Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te kopen. We vonden een verdriet dat in goed staat verkeerde, het was alleen een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. […]

    Overtuigend slaagt de dichter erin een uitzichtloze en afzichtelijke werkelijkheid die wij alleen kennen uit de krant en van de actualiteitenrubriek, op een indringende en ‘andere’  manier onder de aandacht te brengen. Voorwaar geen geringe verdienste van de dichter – en de bevestiging van de overweldigende en onuitputtelijk zeggingskracht van de poëzie. Van Almadhouns poëzie, maar ook van poëzie in het algemeen. Zoals het ook iets zegt over dichters, die uit omstandigheden die daar beslist geen aanleiding toe geven, inspiratie weten te putten voor gedichten die confronteren, amuseren, afleiden en troosten. Dit dwingt in het geval van Almadhoun niet alleen bewondering af, maar ook diep, diep respect.

     

     

  • Marokkaanse portretten

    Marokkaanse portretten

    Is dit een roman? Dat staat weliswaar nadrukkelijk op de omslag vermeld, maar het boek laat zich moeiteloos lezen als een reeks losse schetsen. De inhoudsopgave oogt als de opsomming van een reeks verhalen.
    Wat hen bindt is in de eerste plaats de wereld waarin ze zich afspelen: Tanger, en dan meestal de zelfkant van die Marokkaanse stad pal tegenover Gibraltar, en in de tweede plaats de verteller, de ‘ik’ (in op één na alle hoofdstukken), en dat is Mohamed Choukri zelf. Of is dat laatste te kort door de bocht? Literatuurtheoretici willen niet dat we de auteur en de verteller gelijkstellen, ook al komen alle gegevens die de laatste over zichzelf presenteert, en dat zijn er in dit geval nogal wat (zelfs titels van gepubliceerd werk), overeen met wat we weten van de eerste.

    Gezichten is het laatste deel van een trilogie. Eerder verschenen al Hongerjaren (o.a. in 2007, Rainbow-pockets) en Jaren van dwaling. In april 2016 zal in de Berberbibliotheek een heruitgave verschijnen van Hongerjaren, Choukri’s debuut, dat in 1973 in het Engels en pas later in het Arabisch verscheen. In Marokko, het land van herkomst van Choukri, werd het verboden. Internationaal werd het een bestseller. Gezichten is het laatste boek dat Choukri publiceerde. Het verscheen in 1996.

    Verloren paradijs
    Ongetwijfeld is Gezichten voor hen die de andere delen van de trilogie kennen een ander boek dan voor iemand die onvoorbereid begint te lezen. De laatste treft in dit boek veertien verhalen aan vol drank en armoede, vol levensmoed en berusting. Verwacht geen Carmiggelt. Daar is de verteltrant te meedogenloos voor. We ontmoeten overlevingskunstenaars, verslagenen, hoeren, junkies, thuislozen en criminelen. In hun midden de verteller, tegelijk één van hen en buitenstaander. Het is ál desillusie en uitzichtloosheid wat de klok slaat.
    Alleen het laatste hoofdstuk, ‘Mijn gezicht in de jaargetijden’, wijkt af. Daarin geeft de verteller een soort apologie van zijn bestaan, of laten we zeggen: een uiteenzetting van zijn levenshouding. Of is het een samenvatting van een door schade en schande verworven levenswijsheid? De moed der wanhoop; de weigering om het verleden te betreuren; de vervulling van het schrijverschap; het leven van een poète maudit. Nogal wat gemeenplaatsen, maar wel doorleefd.

    Wat alle verhalen, dus ook dat laatste, gemeen hebben, is het grimmige levensgevoel van mensen die weten dat ze weinig te verliezen hebben en dat dat weinige toch nog veel is – vergeleken bij wat hun te wachten staat indien ze zelfs dat weinige kwijt zouden raken. De blik waarmee de verteller de geportretteerden én zichzelf beschouwt, doet soms denken aan de tegelijk genadeloze en empathische blik van de verteller van Céline’s Reis naar het einde van de nacht. De burgerman huivert.

    Misschien moeten we Tanger als hoofdpersoon van dit boek beschouwen. ‘Tussen haar verleden en haar heden ligt een verloren paradijs’, zegt de verteller en die gedachte verklaart misschien de melancholie die hier en daar uit de verhalen spreekt en die de hardheid van de verhalen verzacht.

    Literatuur
    Choukri’s biografie wordt getekend, aldus alweer het voorwoord, door zelfdestructie, verblijf in psychiatrische inrichtingen, een arme, ongeletterde jeugd en de vriendschap met Paul Bowles. Uit de verhalen en de door de auteur zelf toegevoegde voetnoten blijkt ook zijn grote liefde voor de literatuur. De toewijding van de autodidact.

    Bijna elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een gedicht. Of is het een notitie in de trant van het slothoofdstuk? De vorm is vrij, dus dat valt niet goed uit te maken. Deze inleidende opmerkingen zijn moeilijk te doorgronden. Een kleintje als voorbeeld: ‘Ik gok / om te winnen, al is het niet veel. / Dat is mijn verdienste. / De zee. Wat een zee! / zijn we er niet uit geboren en keren we er niet naar / terug? / De zee is onze moeder, niet onze vader.’ Dit is de proloog tot ‘Hammadi de gokker’, waarin een compulsieve gokker aan een droevig einde komt. De zee speelt daar geen rol in.
    Zijn deze gedichten soms ’typisch Arabisch’? Ontoegankelijk voor een West-Europese lezer? Geen beter hulpmiddel om de verwarringen van de multiculturele samenleving de baas te worden dan de literatuur. In dit boek ervaren we dat de condition humaine voor deze Marokkaanse schrijver niet anders is dan voor wie dan ook.

  • Arabische verhaaltraditie met westerse invloed

    Arabische verhaaltraditie met westerse invloed

    Nagieb Mahfoez (1911-2006) kreeg in 1988 de Nobelprijs voor Literatuur, als eerste Arabische auteur wel te verstaan. Hij heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan met juweeltjes als De Dwaaltocht, Tussen twee paleizen, Begin en eind en De Midaksteeg. Stuk voor stuk verhalen gecomponeerd vanuit de Arabische verhaaltraditie, maar met een westerse invloed.

    Mahfoez gooide in Duitsland op de Buchmesse in 2004 hoge ogen door de westerse invloed op de Arabische literatuur te belichten. Dit na een uitglijder van de toenmalige bondskanselier Schmidt, die vond dat de Arabische literatuur ingegeven werd door extremisme. De Syrisch-Duitse auteur Rafik Schami stelde dat hij door de Sheherezade was geïnspireerd en hij zei: ‘Vertellen betekent leven.’
    En daarom is Mahfoez een verteller uit de traditie van Duizend-en-één-nacht. Van sterrenluchten boven oude steden, waar kruiden geuren, liefdes worden geboren en een wereld schittert; een wereld die nu in beweging  is, na de Arabische lente, maar waarin de tradities onuitroeibaar aanwezig blijven. En waarin de familiebanden zo sterk zijn, dat we ons dat in het Westen nauwelijks nog kunnen voorstellen. Maar Mahfoez licht ons bij.

    We worden teruggeleid naar het Egypte van 1981. De president van Egypte is op dat moment Anwar al-Sadat. Alles in deze natie is op dat moment in beweging en Egypte staat op het punt een moderner land te worden. Mahfoez schetst ons de verhoudingen binnen een middenklassenfamilie door de gedachten en woorden van de hoofdrolspelers. Met ijzeren precisie komen ze aan het woord. De grootvader Moehtasjemi Zajid komt wijs en bijna contemplatief aan het woord. Hij vertegenwoordigt echter een wereld die eigenlijk al niet meer bestaat. Hij is soefi, een beweging die binnen het Islamitische spectrum wordt gezien als een mystieke tak, zonder veel invloed in het huidige tijdsgewricht. Zijn kleinzoon Alwaan heeft weinig tijd voor zijn grootvader omdat hij geld bijeen moet brengen voor een huwelijk met  zijn grote liefde, Randa. Randa’s  familie vindt Alwaan te eenvoudig van afkomst en na een ellenlange verloving wordt de verbintenis verbroken. Dat drijft Alwaan uiteindelijk tot een wanhoopsdaad. Randa heeft een verhouding gekregen met een rijke man uit een voorname familie, maar zij houdt niet van deze man. De geestkracht, die in de familie van Alwaan nog een rol speelt via de grootvader is verdwenen bij de familie van Randa, waar alles beheerst lijkt te worden door geld.
    Dat maakt dit boek tot een universele novelle. De grondgedachte materie, tegenover spirituele principes is een maxime waar veel filosofen al eeuwen hun hersens over hebben gepijnigd.

    Jammer, eeuwig zonde dat Mahfoez het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Maar wat blijft zijn zijn adembenemende vertellingen.

     

     

  • Oogst van de Week, week 7

    Deze week kwamen o.a. drie historische romans binnen op de burelen van Literair Nederland:

    Etalage

    Moord op de noordelijke bergweg, Anila Wilms (1971)
    Laat u niet van de wijs brengen door de titel van dit boek van de Albanese schrijfster Anila Wilms. Het mag dan misschien spannend zijn, het is vooral een roman over een turbulente periode uit de Europese geschiedenis, net na de Eerste Wereldoorlog, die gekenmerkt werd door politieke intriges en veranderende internationale machtsverhoudingen.

    Het verhaalt begint in Tirana in 1923. De Amerikaanse ambassadeur Julius Grant is met grote verwachtingen naar de hoofdstad van het jonge en roerige staatje Albanië gekomen. Men zegt dat er olie te vinden is. Van de ene op de andere dag staat het land in de belangstelling van alle belangrijke westerse regeringen en oliemaatschappijen. Maar dan worden er in april 1924 in het onherbergzame noorden twee jonge Amerikanen vermoord. Wie heeft de moord gepleegd? Wat deden de twee Amerikanen daar? De moord brengt de nieuwe ambassadeur in verlegenheid. De politieke spanningen tussen de verschillende partijen in het land lopen zo hoog op dat een burgeroorlog dreigt. Het voortbestaan van het land staat op het spel.
    Met rake zinnen typeert Wilms de klank en de sfeer van de Balkan in dit waargebeurde verhaal.
    Moord op de noordelijke bergweg, Uitgeverij Van Gennep, vertaald door Dineke Bijlsma, 224 pagina’s, € 18,90.

     

    9200000022091590Een veiliger oord. Vrijheid, Hilary Mantel
    Bij uitgeverij Signatuur is de vertaling verschenen van A Place of Greater Safety van Hilary Mantel uit 1992 dat handelt over de Franse Revolutie. Een veiliger oord wordt in Nederland in drie delen uitgebracht. Deel 1, Vrijheid is nu verschenen en gaat over de explosieve tijd waarin Desmoulins, Danton en Robespierre elkaar leren kennen. Mantel schetst hun jonge jaren, waar ze vandaan komen en hoe ze hun mening vormen in deze tumultueuze tijd, en laat zien hoe ze worden tot de personen zoals wij die nu kennen.
    Mantel: ‘Als project heeft het er zijn tijd over gedaan om van de grond te komen. De eerste versie had ik voor mijn zevenentwintigste af, zo’n beetje op de leeftijd van de mensen over wie ik schreef. Toen het eindelijk werd gepubliceerd was ik veertig, ouder dan mijn personages zelf zijn geworden. Nu is er nog eens twintig jaar verstreken, en ik zou het niet meer kunnen schrijven. Ik zou niet meer kunnen beschrijven, niet meer in mezelf kunnen voelen, wat die jonge mensen voelden: de opwinding bij het vooruitzicht van een nieuwe wereldorde, van een frissere, eerlijkere wereld. Ik zou de noodzaak voelen om ironischer te zijn, en selectiever; om mijn blikveld te vernauwen. En tegelijkertijd zou ik me zorgen maken om wat er daardoor buiten dat blikveld valt.’ 

    Hedendaags toneel
    Het berust ongetwijfeld op toeval, maar op dit moment speelt Toneelgroep Amsterdam het stuk Dantons dood van Georg Büchner waarin Danton (Hans Kesting) en Robespierre (Gijs Scholten van Aschat), inmiddels vele jaren ouder, lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan.
    Een veiliger oord. Vrijheid, Uitgeverij Signatuur, vertaald door Ine Willems, 272 pagina’s, € 19,95 (Delen 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap verschijnen respectievelijk in juni en oktober 2014)

     

    de dag dat de leider werd vermoordDe dag dat de leider werd vermoord, Naghib Mahfouz (1911 – 2006)
    De Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur uit 1988, Naghib Mahfouz was in eigen land een man die de gemoederen flink kon bezighouden. Hij maakte zich niet populair toen hij stevige kritiek op Nasser (president van 1954 tot 1970) uitte. Ook zijn houding ten opzichte van het vredesverdrag tussen Israël en Egypte, eind jaren ’70 werd hem naar verluid niet door iedereen in dank afgenomen.

    De dag dat de leider werd vermoord speelt in Egypte, 1981. Anwar al-Sadat is president en Egypte staat op het punt om tot de moderne wereld toe te treden. Tegen deze achtergrond wordt het verhaal verteld van een Caïreense familie uit de middenklasse. Drie kleurrijke karakters staan centraal: de vrome familiepatriarch Moehtasjemi Zajid, zijn kleinkind Alwaan en Alwaans grote liefde, Randa. Randa’s vader acht de eenvoudige arbeider Alwaan te min voor zijn dochter, waarmee hij de jongeman tot een wanhopige en fatale daad drijft.
    Mahfoez’ vertelling wordt sprankelend en ironisch genoemd. De Nobelprijsjury sprak over ‘een vertelstijl die lezers over de gehele wereld aanspreekt’.
    De dag dat de leider werd vermoord, Uitgeverij De Geus, vertaald door Djûke Poppinga, 128 pagina’s, € 16,95

     

    Ook de verhalenbundel Ambulance van de Noorse schrijver en grafisch ontwerper Johan Harstad (uitgeverij Podium), en de roman van de Italiaanse Caterina Bonvicini, De man die flirtte met domheid (wat een intrigerende titel!) (uitgeverij De Geus) zullen binnenkort op Literair Nederland besproken worden.

    AmbulanceDe man die flirtte met domheid

     

     

     

     

     

    selectie door Carolien Lohmeijer