• Verhulstiaanse sociologie

    Verhulstiaanse sociologie

    De vijfentwintigste roman van Dimitri Verhulst baadt een beetje in de sfeer van de Franse film Les Bronzés uit 1979, het filmdebuut van de Parijse cafétheater-groep Le Splendid. Dat verhaal is een sketch-achtige collage in een Club Med-achtig resort, lang voor Temptation Island. Het kaart het massatoerisme en de consumptiemaatschappij al aan.
    Bechamel Mucho is actueler en dichterbij. De vliegtuigritten zijn goedkoper: ‘Voor de prijs van vier dweilen vlieg je naar Mallorca.’ De Mediterranée vormt het decor.

    Het verhaal draait rond Alex die over de kop ging met zijn winkeltje met kaas van ‘moedermelk’ gemaakt. Huis, handeltje en vrouw zijn foetsie. Hij zoekt zijn oude stamkroeg op en constateert dat alles hetzelfde is gebleven, tot en met de klanten. Hij ziet dezelfde zieligheid als waarvan hij zich ooit wilde losmaken. Grootse toogideeën waarvan niks kwam. ‘De onverwachte en sedert jaren onverlangde terugkeer van Alex bevestigde voor velen het belang van de lamlendigheid. Wat je in werkelijkheid ondernam door de ondernemingszin, was het graven van je eigen put.’ Alex wordt er gezien als een ijdeltuit die het had geprobeerd en hen dan had verraden maar haha, daar stond hij weer, terug naar af. ‘Hij was een dommekloot geweest te denken dat hij zijn bestaan in eigen handen kon nemen.’ Dit is een staaltje Verhulstiaanse sociologie van de armoede. Verhulst getuigt dat wie probeert te ontsnappen uit de miserie argwanend wordt bekeken door de achterblijvers. Houden zij de miserie zelf in stand? Tegelijkertijd relativeert Verhulst ook het liberale middenstandsidee dat je alles zelf in handen hebt. Op zo’n moment wordt het filosofisch.

    Rommelbaantjes bestaan

    Even kan Alex terecht bij Peggy Pils, het meisje dat vergelijkende cultuurwetenschappen had gestudeerd en nog poseerde voor het blaadje van Lidl. Haar appartement straalt haar rommelbaantjes bestaan uit. Elk personage in het boek heeft een schaduwkant en meestal winnen miserie en de afgrond. De cultuur lijkt steeds in verval. Alex probeert te ontsnappen uit zijn eigen verval. ‘Neuken naast een kattenbak vond hij het lastigste.’ Er is werk in het onderwijs, in de zorg. Verhulst maakt van zulke gelegenheden gebruik om de mentaliteitswijziging in het onderwijs aan te kaarten: procederende ouders, ontlezing… Met grappige hyperbolen laat hij zien hoe de zorgsector verwaarloosd wordt. Uiteindelijk solliciteert de protagonist naar een baantje als animator, omwille van de gratis kost en inwoon.

    In een louche kroeg vindt het sollicitatiegesprek plaats. Er hangen een poster van een schlagerfestival en de geur van wc-verfrisser, en de personeelsverantwoordelijke heeft pupillen in de kleur van Pisang Ambon. Verhulst weet armzaligheid rijk en poëtisch te beschrijven.

    Met een trucker reist Alex richting Spanje. Het verhaal volgt ook enkele toeristen, zoals de weduwe Elma, die zich lijkt te verantwoorden voor haar keuze van een banaal resort en bij de animator in bed beland. Er is de recent door haar echtgenoot bedrogen Gerda. Ze zoekt troostvoer en wordt dik als een walvis. ‘Vroeger was ze slank.’ Er is Ilona de stewardess die ‘de dagelijkse drek aan dagcrème in haar poriën diende te pompen’.
    Sommigen zullen dit boek niet bepaald vrouwvriendelijk vinden door de denigrerende taal en vrouwen die als kluchtige typetjes worden opgevoerd. Maar kaart Verhulst niet net het vrouwonvriendelijke van het kapitalisme aan? Vrouwen die slaaf zijn van strenge standaardnormen, producten gecreëerd in een patriarchale maatschappij? ‘Stewardessen zijn courtisanes, ze horen de vrouwelijkheid te belichamen zoals die leeft in de fantasieën van mannelijke oprichters van vliegtuigmaatschappijen.’ En: ‘Eigenlijk was ze de kassierster van een vliegende superette.’

    Elke zin een kunstwerkje

    Dit verhaal gaat over de mens die alles consumeert. Consumeren de mensen ook elkaar? Het verhaal wemelt van halftalenten die wel willen maar niet kunnen en berusten in het middelmatige en platvloerse. Het resort verschilt niet eens zoveel van de groezelige stamkroeg.

    Er is ook een vergeten Ierse zangeres die het optreden mag verzorgen. Het levert een hilarische maar evengoed droevige scène op over het animatieaanbod van de clubhotels. Afkooksels van Paco de Lucia, te mollige barbiepoppen, een travestieshow. Ook hier zijn de beschrijvingen van miserie rijk, hier en daar ook overmatig. Elke zin is een kunstwerkje, Verhulst studeert al schrijvend en beschrijft vaak elk detail. De verbeeldingskracht is ijzersterk, maar soms snak je ook naar soberheid en rust. In een paar pennenstreken lijkt de zangeres op Sinead O’Connor, met haar rotjeugd, jongenskopje en kritiek op de kerk. Even later wordt ze dood teruggevonden tussen lege flessen en pillendozen.

    Er is nog een zieltogend echtpaar. Mireille, wier man meer van voetbal houdt, schrijft zich in voor elke banale activiteit onder begeleiding van Alex. In de hotelboetiek koopt ze een corrigerend badpak. Ook een Oekraïense vluchtelinge met een man aan het front, kon niet ontbreken. ‘Iedereen lijkt hier op de vlucht van een bepaald soort oorlog,’ lees je op het einde, wat ook het einde van het hoogseizoen is, misschien het einde van een beschaving. Maar dan staat Alex ex-vrouw er plots…
    Verhulst maakte ook in deze roman een operette van de falende mens.

     

     

  • Oogst week 27 – 2024

    Bechamel mucho

    Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!

    We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.

    Bechamel mucho
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme

    Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.

    Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.

    Na de komma - Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
    Auteur: Shantie Singh
    Uitgeverij: De Geus

    Friezen in Rome

    Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.

    Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?

    Friezen in Rome
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 20 – 2022

    De doden houden we bij ons – Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen

    Aan de prestigieuze en conventionele Harvard Universiteit studeert in 1969 Jane Britton, een jonge vrouw die geheel volgens de dan heersende cultuuromslag een ongebonden leven leidt. Aan de universiteit wordt ze met haar studie archeologie nauwelijks serieus genomen – net zo min als andere vrouwelijke studenten. Op een dag wordt ze vermoord aangetroffen.

    De omstandigheden zijn duister, onderzoek faalt en een dader wordt nooit aangehouden. Maar de geruchten en roddels zijn veertig jaar later nog niet verdwenen. Jane zou vermoord zijn door haar hoogleraar antropologie, tevens haar minnaar, tijdens een mysterieus ritueel.

    Als Becky Cooper aan Harvard gaat studeren raakt ze geïntrigeerd door het verhaal. De hoogleraar loopt vrij rond. Na haar studie werkt Cooper onder meer als redacteur bij The New Yorker. Ze houdt zich ook bezig met onderzoeksjournalistiek en omdat de dood van Jane Britton haar niet loslaat keert ze terug naar Harvard om de onopgeloste moord te onderzoeken.

    Tien jaar lang speurt ze naar wat er is gebeurd en legt haar bevindingen vast in De doden houden we bij ons. Het resultaat is een verbijsterende inkijk in de al eeuwenlang vastliggende machtsverhoudingen binnen een elite-instituut. Jane Britton leren we kennen als een vrouw die droomde van gelijkwaardig functioneren in een mannenbolwerk.

     

    De doden houden we bij ons - Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen
    Auteur: Becky Cooper
    Uitgeverij: De Geus

    De jacht op het snoekje

    De Finse journalist Juhani Karila (1985) won met zijn debuutroman De jacht op het snoekje meteen twee prijzen en was voor een derde genomineerd. Het boek kwam in 2019 in Finland uit en is inmiddels in dertien andere landen verschenen, waaronder nu Nederland.

    De jacht op het snoekje is een noodlottig liefdesverhaal gecombineerd met magische natuur en een zonderling avontuur. In het oosten van Lapland, waar haar geboortehuis zich bevindt, gaat Elina Ylijaako in drie dagen tijd proberen om volgens de jaarlijkse traditie een snoek te vangen. ‘Een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen had ertoe geleid dat Elina de snoek ieder jaar vóór 18 juni uit het ven moest halen. Haar leven hing ervan af.’
    Uit het meertje waarin de snoek verblijft, verrijst een watergeest die van wat een eenvoudige opdracht leek een ijzingwekkend avontuur maakt. Elina raakt betrokken bij een magische wereld en mysterieuze wezens die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zelf wordt Elina gezocht voor moord. Een vloek uit haar verleden moet worden verbroken om haar te redden van een strijd op leven en dood.

    Finse en buitenlandse recensenten reppen van grote fantasie en humor, van originaliteit en virtuositeit, van een verbluffend detectiveverhaal.
    Voor De jacht op het snoekje publiceerde Juhani Karila twee verhalenbundels.

    De jacht op het snoekje
    Auteur: Juhani Karila
    Uitgeverij: Koppernik

    Hebben en zijn

    Malodot is dood. Maar toch niet helemaal. Na een auto-ongeluk waarbij hij overlijdt verhuist hij niet meteen naar het land der doden. In Hebben en zijn van Dimitri Verhulst blijkt hij te zijn beland in een ontwenningskliniek om af te kicken van het leven. Pas als dat is gelukt zal Malodot volledig dood zijn.

    Hij deelt een kamer met drie andere bijna-dode mannen. De ene heeft een lamme linkerarm en ‘een tong die ietwat lusteloos uit zijn mond hangt, als wasgoed uit het raam om te drogen.’ De volgende heeft brandwonden, de meeste in zijn gezicht en meldt: ‘Terpentine op de barbecue is nooit een goed idee.’ En de derde heeft een oog dat met een 9 mm Luger is doorboord door een echtgenoot van wie hij de vrouw op de wasmachine nam. En hoe is Malodot aan zijn eind gekomen, willen ze weten. ‘Daar moet hij nog even over nadenken, eigenlijk, hetgeen normaal schijnt te zijn, iedereen heeft in het begin last van een beetje geheugenverlies.’ Er zijn groepstherapieën en individuele gesprekken met een counselor, allemaal bedoeld om van de verslaving aan het leven af te komen. Als de overledenen dat niet voor elkaar krijgen, moeten ze hun totale leven overdoen, op precies dezelfde wijze.

    Dimitri Verhulst biedt een onvervalste, filosofische blik op de eindigheid, op leven en dood. Hij liet zich voor dit boek inspireren door het Franse existentialisme. Hebben en zijn doet dan ook denken aan Met gesloten deuren – ‘De hel, dat zijn de anderen’ – van Jean Paul Sartre. Daarin discussiëren drie overleden personages in een kamer voortdurend met elkaar om te proberen aan hun situatie te ontsnappen.

    Hebben en zijn
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    In weerwil van de woorden van Dimitri Verhulst (1972) zou men – zoals wel meer verhalen en gedichten – hardop moeten voorlezen. Met een smeuïg Vlaams accent. Om zo de bandbreedte van de Nederlandse taal weer eens vol in beeld te krijgen, en ons opnieuw te verwonderen over de rijkdom en de veelkleurigheid ervan. Of het nu gaat om de klanken van een oud Polygoon-journaal, onberijmde psalmen of de liedjes van Annie M.G. Schmidt, veelkleurig is het Nederlands. Ook het Nederlands zoals Verhulst het bezigt in dit boekje.

    Verhulst vertelt het verhaal van Pol Verholst die in een lange monoloog vol flashbacks zijn leven beziet op een moment dat hij er niet langer greep op heeft. Een teloorgang die zich kort en bondig laat omschrijven: man vervuilt in dichtgeslibd huis nadat hij jarenlang zijn post niet meer heeft opengemaakt. Het heeft zo weinig om het lijf heeft dat het een format van een RTL-programma had kunnen zijn.

    Eenvoudig grondmotief

    Onder de woest boetserende hand van Verhulst, die de overdrijving niet schuwt, is het een tragikomisch verhaal geworden dat bij vlagen zo hilarisch en absurdistisch is dat het aan Monty Python doet denken. Het grondmotief is even eenvoudig als doeltreffend: het begon met iets onbenulligs, en toen liep het gruwelijk uit de hand. En hoe verder het uit de hand loopt, hoe absurder het wordt.

    De wijze waarop Verhulst de ik-figuur laat vertellen is kleurrijk en gekruid met de nodige zelfspot. En zodanig levendig dat je het gevoel krijgt de man echt te leren kennen en zijn probleem gaat begrijpen. Met vaart sleurt Verhulst de lezer door het verhaal alsof het een omvangrijk epos is. Hij laat de hoofdpersoon uitvoerig vertellen over zijn leven, zijn jeugd, zijn familie zodat men achterblijft met het gevoel een vuistdikke roman te hebben gelezen. En met verwondering. Zoveel, en zulke gedetailleerde informatie in zo’n klein boekje. Zo kan het blijkbaar dus ook.

    Teloorgang van cafeetjes 

    Zowel door de absurditeit van het onderwerp – die ongeopende post die zich maar opstapelt – als de vaart waarmee het is geschreven dreigt het verhaal meermaals uit de bocht te vliegen en moeten de serieuze thema’s steeds opnieuw uit de brij van stijlfiguren en verbale uitspattingen naar boven worden gevist. Onder al die hilariteit wordt namelijk wel degelijk een verhaal verteld. Van een tijdperk dat niet meer bestaat maar dat door velen herkend zal worden als het decor van eigen jeugdherinneringen, de jaren zestig en zeventig.

    Van vrouwen die met krulspelden de straat op gingen, of in te dunne jurkjes de melkboer en de postbode ontvingen; van cafeetjes waar het blauw zag van de rook, met kaartende en pimpelende mannen, met een biljart, en een jukebox vol hijgende Françaises.

    Een tijd waarvan Verhulst alleen maar het staartje kan hebben meegemaakt, maar die hij treffend en met een beeldrijke zintuiglijkheid laat beschrijven door zijn hoofdpersoon die een jaar of tien ouder moet zijn dan de schrijver zelf. Zodat het levensverhaal van die Pol Verholst meer in de pas loopt met de teloorgang van dat tijdperk en de opkomst van het tijdperk waarin die cafeetjes niet meer mochten bestaan.  Op kritische, vaak zelfs cynische toon vertelt de hoofdpersoon hoe dat ging in die tijd. Hoe die cafeetjes, en daarmee heel die gemoedelijke, ongeordende manier van leven aan banden werd gelegd en uiteindelijk braaf gestroomlijnd door regelgevers die vonden dat het wel mooi was geweest met dat gelanterfant op klaarlichte dag.

    Wind uit een ander hoek

    Door de automatisering en digitalisering van de jaren tachtig kregen overheden gaandeweg steeds meer greep op al die rommeligheid en kon er effectief korte metten mee worden gemaakt. Daarmee ging voor een bepaalde groep een langgekoesterde wens in vervulling: meer controle op het doen en laten van burgers, minder ruimte om te leven zoals men zelf verkiest. Wat vanaf dan in toenemende mate het conflict wordt tussen de hoofdpersoon en een maatschappij waar hij steeds meer moeite mee heeft.

    Dat is het leitmotiv van dit verhaal. Met welhaast liefkozende finesse beschrijft Verhulst hoe in de jaren tachtig de wind uit een andere hoek begon te waaien en hoe dat voor velen het leven ingrijpend en voorgoed veranderde. Pol Verholst – die in die periode aan zijn volwassen leven begint – zegt erover met wrange berusting: het werd pas geweten en gevoeld toen het te laat was.

    Meer op persoonlijk niveau vertelt de ik-figuur hoe hij daar stond, midden in de grote jeugdwerkloosheid, met zijn tandartsendiploma, samen met talloze andere jongeren die net zo hard als hij probeerden een plek te veroveren op die zieltogende arbeidsmarkt, en zich toen al afvroeg wat de zogenaamde vooruitgang – het feit alleen al dat de zoon van een postbode naar de universiteit had kunnen gaan – van de decennia ervoor hen had gebracht. Alsof hij toen al de zakelijkheid en de anonimiteit van het digitale tijdperk voelde aankomen. En de bijbehorende ontmenselijking die hem uiteindelijk zal vermalen. Ook dat is een van de thema’s in dit verhaal. De strijd van de eenling tegen het systeem. De vraag in hoeverre een overheid zich mag bemoeien met de autonomie en zelfbeschikking; in hoeverre de mens vrij is zijn eigen leven in te richten. Is een mens verplicht zijn post open te maken? Mag een mens vervuilen in zijn eigen huis zolang de ratten maar niet bij de buren door de keuken rennen? Waar ligt de grens, en wie bepaalt waar de grens ligt?

    Sterke maag

    Icoontjes op de ruggen van bibliotheekboeken geven het genre aan van wat de  lezer verder kan verwachten van een boek. Welk label er op dit boekje past, valt nog te bezien. Het zou de lezer in ieder geval kunnen waarschuwen voor de plastische wijze waarop Verhulst allerlei lichamelijke processen beschrijft.

    Van de te onderzoeken mondholtes van doden – want dat is wat de onfortuinlijke tandarts te doen krijgt als hij eindelijk werk heeft gevonden: onbekende doden identificeren – tot de tandheelkundige behandelingen bij levende patiënten, Verhulst is ongeremd expliciet. Verder komen er nog flinke hoeveelheden poep, pies en kots voorbij. Meestal hilarisch beschreven, maar je moet er tegen kunnen.

    Wat behalve het verhaal en de virtuoze taal ook beklijft, is de verwondering dat dit blijkbaar kan in slechts vijftienduizend woorden. Zelfs voor een novelle is dat aan de magere kant is, maar wellicht daardoor juist een aanbeveling om het te lezen. Hoe het ook valt, als lezer heb je er niet meer dan een paar uur voor nodig. In het beste geval wordt er genoten van een verhaal dat smaakt als een Belgisch biertje, en blijft de taal als een rijpe Passendale kaas aan het gehemelte plakken.

     

  • Oogst week 10 – 2020

    Onze verslaggever in de leegte

    Hoe terecht of onterecht de verontwaarding rond een boek ook mag zijn, het is in elk geval een trefzekere manier om er de aandacht op te vestigen. Zoals vorige week Onze verslaggever in de leegte van Dimitri Verhulst. De schrijver was zo kwaad over wat hij over zich heen kreeg na een interview in Humo dat hij niets meer moet hebben van een promotietour. Hij wil geen interviews meer. ‘Ik ben naar de kloten gegaan door iets wat ik niet heb gedaan. Door iets waartoe ik niet eens in staat zou zijn om te doen’, schrijft hij in zijn nieuweling, een soort dagboek zonder data, dat teruggaat tot 2015. Daarin gaat het over zijn zelfvernietiging door drank, drugs en seks na een beschuldiging van aanranding door een ex-vriendin, een Zweeds-Bulgaarse. De aanklacht werd geseponeerd. Eén van de motto’s is van Joseph Conrad: ‘Een raar iets is het leven toch. Het beste wat je ervan kunt verwachten is een beetje kennis van jezelf. En die komt toch te laat. Voor de rest is het allemaal zinloos’.

    Onze verslaggever in de leegte
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Het eiland

    ‘Voor een kind zijn alle stranden oneindig en bossen mysterieus, is het leven eeuwig en zijn volwassen mensen die weten wat ze doen. Mijn eiland was mijn leven. Geen ontsnappen aan. Ik heb mijn jeugd overleefd, vraag me niet hoe. Het eiland heeft me gevormd en gered.
    En daarover ga ik vertellen’.
    Zo eindigt het eerste hoofdstuk van Het eiland van Koos Terpstra. Het eiland is Texel, waar Terpstra in 1955 werd geboren. In dit boek haalt hij meanderend door de tijd herinneringen op aan zijn jeugd. Terpstra is toneelregisseur, maar ook schrijver van onder andere de fameuze Troje trilogie, een marathonstuk dat gespeeld werd door het toenmalige gezelschap ‘De Appel’ en werd bekroond in 1995. Lezers zouden Terpstra ook kunnen kennen van Brieven aan Koos van filosoof-cabaretier Tim Fransen uit 2018, waarin Terpstra de geadresseerde is.

    Het eiland
    Auteur: Koos Terpstra
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Apeirogon

    De Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan zijn bestaande mensen die elk een dochter verloren in de conflicten in het Midden-Oosten. De Ierse schrijver Colum MacCann (geboren in 1965 en wonend in New York) ontmoette hen toen hij voor zijn organisatie Narrative 4 het Midden-Oosten bezocht. Narrative 4 probeert mensen die uit tegengestelde werelden komen te bewegen elkaar hun verhaal te vertellen. Daardoor onstaat wederzijds begrip. Het leverde zijn nieuwe roman Apeirogon op: een bonte verzameling fragmenten over waarnemingen en ervaringen, waarin de verhalen van Aramin en Elhanan centraal staan. De titel (een apeirogon is een veelhoek met een onbeperkt aantal zijden) verwijst naar de ontelbare aspecten van de dood van de dochters van Aramin en Elhanan. Die veelheid wordt ook weerspiegeld in het aantal hoofdstukken en -stukjes, 1001, een verwijzing naar de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

    Apeirogon
    Auteur: Colum McCann
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Tussenman

    Tussenman

    Dimitri Verhulst schreef over de verhouding van een eenzame man met een jonge weduwe. Het speelt aan een groot meer. Dat het in Zweden is, hoorde ik in een interview met de schrijver, die ooit voor de liefde daarheen verhuisde. De liefde ging, de schrijver bleef, tot hij  weer naar België verhuisde, naar Gent om precies te zijn. De schrijver wisselt, net als de Mattis in zijn roman even vaak van geliefde als van woonstee. De schrijver en Mattis kruisen elkaars paden in De pruimenpluk, een roman over je terugtrekken uit de wereld. En waarin eenzaamheid het denken over vergankelijkheid aanspoort.

    Jeroen Brouwers is niet ver weg in deze roman. Het allenig leven in het blauwe huis aan het meer, roept de sfeer op van huize Krekelbos te Rijmenan, waar Brouwers in de jaren zeventig zijn schrijverscarrière grondde. De hang naar zelfvernietiging. De lege drankflessen – door Brouwers aan de takken van een boom in het Krekelbos gehangen zodat de wind er klingelende geluiden mee voort zou brengen – verwacht je elk moment rond het huis aan het meer te zullen aantreffen. Maar Mattis drinkt wijn uit kartonnen pakken, leeft van diepvriesmaaltijden en wordt ‘tussenman’ van weduwe Elma.

    Een bijvrouw is een soort bijzaak voor een man, vaak omwille van de voortplanting. Er is het Bijbelverhaal waarin Sara haar man, Abraham de slavin Hagar schenkt als bijvrouw. Omdat Sara onvruchtbaar is en zij haar man een erfgenaam wil bezorgen. Een bijman bestaat niet; onvruchtbaarheid werd toegedicht aan het vrouwelijk falen. Een man die een liefdesrelatie aangaat met een weduwe – die de nagedachtenis van haar overleden man koestert en het graf met deze enige echte zal delen – is een tussenman.
    ‘De eeuwigheid was voor twee gereserveerd. Op een dag zou zij dus bovenop Erik komen te liggen. (…) Wat Elma met mij doorbracht was wachten. Ik was haar tussenman. Haar verstrooiing in de antichambre.’

    Ik zoek naar verbanden. In de liefde is het verlangen de ‘enige’ te willen zijn, dodend. Gelukkig voor ‘altijd’ en ‘eeuwig’. Eeuwig als van nooit meer anders. Wie houdt dat vol. Het liefst zou Mattis op de vlucht slaan voor elke menselijke hang naar gezelligheid. ‘(…) het geluk zat mij nog wat ongemakkelijk. Het vooruitzicht stilletjes weg te teren had me zeker niet over de hele lijn onprettig geleken. Ik zag er best iets in om nog eventjes, niet te lang, schimmig over de aardbol te struinen. Als een hotelgast die niemand nader hoeft te kennen.’

    Het zou de loop van het verhaal goed passen wanneer Mattis opnieuw alleen achterbleef, (hij haalt nogal wat onverkwikkelijke strapatsen uit om zijn nieuwe lief te ontweduwen). Dat Verhulst hem laat kiezen voor een leven waar constant water bij de wijn (uit kartonnen pakken) wordt gedaan, ligt niet in die lijn, en dat prikkelt. Een verdraaid mooi werkje.

     

    De pruimenpluk / 151 p. / Uitgegeven bij Pluim.


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover.

     

     

  • 35ste Nacht van de Poëzie als immer zonder wanklank

    Dichtbundels verkopen moeizaam, maar bijna tweeduizend bezoekers laten zich tot diep in de nacht met graagte inpakken. Ademloos luisterend naar wat er geboden wordt. Deze 35ste Nacht van de Poëzie begint met de vraag: ‘Wat is het geheim van de Nacht van de Poëzie?’, gesteld door Nacht-presentator Piet Piryns. Waarop hij met een antwoord komt van Guus Middag: namelijk dat de oorzaak bijvoorbeeld gezocht zou kunnen worden in de ontkerkelijking. Mensen gaan niet meer wekelijks, maar eenmaal per jaar naar de kerk en dat is tijdens de Nacht van de Poëzie, dan wordt de hoogmis van het woord gevierd. De bezoekers zijn de gelovigen. Trouw en toegewijd zijn ze voor hun bedevaart naar Utrecht gestroomd en ook ditmaal kregen ze waarvoor ze gekomen waren.

    Vragen horen bij poëzie, zoals de dag bij de nacht. Op de vraag wat poëzie nu eigenlijk is antwoordde Gerrit Komrij ooit: “alle goeie gedichten bij elkaar”. Dat is zo’n goed antwoord, omdat je er alle kanten mee uit kunt, precies zoals de bij voorkeur ongrijpbare Komrij het ’t liefste had. Maar het is ook daarom een goed antwoord, omdat het onderdak biedt aan alle varianten. “Kost en inwoning”, zoals een andere definitie luidt. En zo was ook deze Nacht van de Poëzie in Vredenburg/Tivoli te Utrecht: onderdak voor alle varianten, een huis met vele kamers, om in Bijbelse termen te blijven.

    De bezoekers zagen en hoorden een lyrische maatschappijcriticus die in zijn gedichten het vermalen van haantjes verwierp, een onwillige diva die alles deed om het publiek niet te behagen en desondanks uitbundig werd toegejuicht, een dichteres van wie de krachtige performance omgekeerd evenredig was aan de begrijpelijkheid van haar poëzie en die tóch als eerste open doekjes oogstte: meerdere zelfs. Geen dichter die op de andere leek – en het past allemaal. Naadloos.

    Is dat misschien een kritische opmerking waard? Dat het te blij, opgewekt, lievig en welwillend is allemaal? Niemand die werd uitgejouwd, geen performer die verontwaardigd staakte. Het zegt ook iets over verontwaardiging als zodanig, wellicht. Een avondje zónder is een verademing. Dus genoot het publiek – ook in dit opzicht – met volle teugen. Dichteres Antjie Krog leek in haar optreden zelf verontwaardigd, bijna giftig. De frêle Zuid-Afrikaanse maakte een verpletterende indruk.

     

    De entre acts, vanouds befaamd om de onweerstaanbare mix van kwaliteit en variatie, hadden ook ditmaal hun heilzame en opschuddende effect. Brigitte Kaandorp haalde meteen aan het begin van de avond de geest uit de fles en zette op haar onnavolgbare wijze de zaal op stelten. Lucas en Arthur Jussen namen het publiek tot grote hoogten mee op hun vleugels. Karsu, Amsterdamse pianiste van Turkse afkomst, bespeelde in meerdere opzichten een verbluffend gevarieerd register, van breekbaar tot verwoestend. De Amerikaanse zanger Glen Hansard getuigde van zijn muzikale schatplichtigheid aan Woody Guthrie die 50 jaar geleden overleed, maar in het betreffende lied was het de Trump anno nu die het moest ontgelden. De zaal klapte en juichte.

    Het motto van de avond was ‘drijf een wig in de nacht en luister’ maar dat kan geen thema heten. Voor wie een beetje oplette was het thema er wel: familiebanden, al dan niet knellend. Poëtisch passeerden moeders, vaders, broers, zussen, zonen, dochters. Alsof het afgesproken werk was, bijna geen dichter die eraan voorbij ging. In ruimere context bezien was dat ook wat de avond weer uniek en onvergetelijk maakte: de verbinding tussen performer en publiek met woorden en muziek. Er ontstaat een geheel dat meer is dan de som der delen. Magisch, ontastbaar, wezenlijk en reëel.

    Ingmar Heytze behoorde ditmaal niet tot de optredende dichters, maar een gedicht van hem in de hal van het theater verwoordt het aldus:

    […] vier zalen komen tot leven rond de as,
    achthoekig, pluche en hout. Luister,

    kijk, drink alles in. Wat krijgt de wereld
    beter aan het draaien dan muziek?   

    Kom verder, nergens ben je dichterbij.
    Vanavond spelen we alleen voor jou.

    Gelovig of niet, daaraan kan geen bedevaartganger weerstand bieden.

     

    Foto boven: Dimitri Verhulst
    Foto midden:Karsu
    Foto onder: Lucas en Arthur Jussen

    Foto’s: Marieke van Delft

     

     

  • Bomaanslag? We nemen nog een glas

    Bomaanslag? We nemen nog een glas

    Doorzakken, is dat het ultieme gevoel van vrijheid? Voor de hoofdpersoon in Spoo Pee Doo van Dimitri Verhulst (1972) lijkt dat er wel op. Van kroeg naar kroeg, je vol laten lopen met drank en hier een daar een snuif cocaïne. Vooral niet denken aan de dag van morgen. Vrijheid als een roes die geen einde kent.

    In de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver trekt de hoofdpersoon op vrijdagmiddag de deur van zijn huis achter zich dicht. Hij maakt het niet laat, zo belooft hij zijn lief. Een pintje met wat vrienden en op tijd weer naar huis. Terwijl hij naar de kroeg stapt, is hij de enige die daar nog in gelooft: dat hij op tijd thuis zal zijn. Zijn vriendin niet en de lezer evenmin.

    Wat Vannolle die avond en nacht in verschillende lokaliteiten, en met steeds weer andere drinkebroers aan zijn zijde, inneemt, verdient een buiging. Van trappist tot gin tonic en alles in grote hoeveelheden, in een voortdurende walm van sigarettenrook, van ‘travestietsafffies’ van Davidoff.  Met alle teer uit zijn longen kan de hele Shakespeare geschreven worden, schrijft Verhulst: ‘…er zijn zeker honderd ouderwetse inktpotten mee te vullen.’ Je mag het gerust een wonder noemen dat Vannolle aan het eind van het bacchanaal nog in een bed belandt en niet in het kanaal. Dat het niet het bed is van zijn vriendin, daar sta je dan als lezer ook niet meer van te kijken.

    Drankmaatje
    De taal van Verhulst is ook nu weer van grote klasse. Vond Vannolle de vrijheid in de cafés, dan vond Verhulst de vrijheid in de taal. De woorden zijn de woorden die horen bij een zuippartij, de woordenstroom hoort bij een roes in de nacht. Zie de taal als het onzichtbare drankmaatje van Vannolle. Zo hij zich al alleen voelt, dan is hij het toch niet. ‘Als een beek kabbelt het gekwebbel door de kroeg, de sterrenstoffigen raken elkaar aan, soms toevallig maar nimmer ongewenst, ze klinken de glazen, ze knikkeren met hun blikken en versieren elkaar, zomaar voor de vorm.’

    Ogenschijnlijk is Verhulsts roman de beschrijving van een uitgebreide stappartij van Vannolle. Maar natuurlijk biedt Verhulst ons meer. De regels van dat liedje van Archie Shepp, Spoo Pee Doo, klinken door: I’m free at last, my spirit is free. Tegenover de vermeende vrijheid van de losbol die zich niet hechten kan, plaatst Verhulst een keihard contrast: een nieuwsbericht waarvan de impact met het uur toeneemt. Er is een terroristische aanslag op Schiphol gepleegd en gedurende de nacht stijgt, met elk glas dat Vannolle achteroverslaat, het aantal slachtoffers met tientallen tegelijk. Dóórgaan met ongebreideld leven, in het geval van zijn protagonist: doordrinken, dat is de enige remedie, zo lijkt Verhulst ons te willen voorhouden. Het enig juiste antwoord tegen moslimextremisten die angst zaaien: het leven leven in de breedst mogelijke zin.

    Klinkt goed. Maar zelfs de losbol die zijn vrijheid vindt in alcohol en coke, weet diep van binnen dat vrijheid zijn beperkingen heeft. De volgende ochtend tonen de boeien zich onbarmhartig. Daar staat hij dan, Vannolle, gekreukt en moe gebeukt in de deuropening van zijn huis. En als zijn vriendin vraagt hoe het was geweest, weet hij niet meer uit te brengen dan: ‘Ça va’. Het ging wel.

     

  • Boeken benefiet voor vluchtelingenkinderen

    Boeken benefiet voor vluchtelingenkinderen

    Onder de titel Een nieuw hoofdstuk wordt een grote literaire benefietavond gehouden voor vluchtelingenkinderen. Vele auteurs hebben zich hierbij aangesloten en treden die avond belangeloos op in een uniek programma dat in en samen met de Stadsschouwburg Amsterdam wordt georganiseerd. Naast initiatiefnemer Dimitri Verhulst geven onder anderen Tommy Wieringa, Connie Palmen, Jelle Brandt Corstius, Christine Otten, Anne Vegter, Kader Abdolah, Renate Dorrestein, Maartje Wortel en Esther Gerritsen acte de présence. Presentatie van de avond is in handen van onder meer Ruben Nicolai en er is muziek van Wende Snijders.

    De opbrengsten van de avond gaan naar My Book Buddy. Dit project voorziet alle kinderen in AZC’s van een eigen prentenwoordenboek Nederlands en zorgt ervoor dat AZC-scholen boekenkasten met geschikte leesboeken krijgen. In dit project wordt niet ingegaan op de oorzaken en gevolgen van het vluchtelingenvraagstuk, dat vele nuances kent. Het richt zich op een groep kwetsbare kinderen die de huidige crisis niet heeft veroorzaakt, maar er wel door wordt geraakt.

    2016 Jaar van het Boek
    Het benefiet wordt georganiseerd door de Leescoalitie* in het kader van 2016 Jaar van het Boek. Doel van dit jaar is om boeken dichter bij iedereen te brengen: bij jong en oud, rijk en arm, laaggeletterd en boekenwurm, bij hen die al generaties lang hier wonen en bij nieuwkomers. Taal en lezen als basisvaardigheden kunnen gevluchte kinderen op weg helpen in een nieuwe samenleving. Beschikbare en aantrekkelijke boeken helpen bij de taalontwikkeling, bieden inspiratie en (voor)leesplezier.

    De line up wordt nog steeds aangevuld, zie voor een actueel overzicht 2016jaarvanhetboek.nl. Tickets voor het benefiet zijn verkrijgbaar via de ticketshop van Stadsschouwburg Amsterdam. De opbrengsten uit de kaartverkoop gaan volledig naar My Book Buddy.

    De benefiet wordt mede mogelijk gemaakt door het Nationale Toneel.

     

  • Ik steek de Styx over en ik neem mee

    Ik steek de Styx over en ik neem mee

    Soms is fictioneel bedrog zo ongelofelijk, en daarmee zo overtuigend, dat het niet de verbeelding maar de werkelijkheid tart. De dunne scheidslijn tussen fictie en feiten wordt dan weggeblazen, om de lezer of kijker met een permanent gevoel van onbehagen achter te laten. Zoals bij de politieke filmkomedie Wag de dog (1997), waarin de briljante spin doctor Conrad Brean (Robert de Niro) een niet bestaande oorlog spint, om de aandacht af te wenden van het seksschandaal waarin een Amerikaanse president verwikkeld is. Na het zien van deze film bekijk je elk journaal vol wantrouwen en vraag je je altijd weer af of die oorlog in Albanië of Pakistan wel echt gevoerd wordt. Het nieuwste boek van Dimitri Verhulst, De laatkomer, brengt iets soortgelijks teweeg. Hier ontvlucht de gepensioneerde bibliothecaris Désiré Cordier zijn vastgeroeste leven door dementie voor te wenden. Verhulst beschrijft dit met zoveel overtuiging dat hij zijn lezer aan het einde van het boek met meer verwarring achterlaat dan hij Désiré heeft getooid. Want als je De laatkomer uit hebt zul je je steeds weer afvragen of die demente bejaarde die je op de bank bij vrienden tegenkomt, of die je schuifelend door de straat ziet gaan, wel echt dement is. Het is of ‘de ongemakkelijke blik van dementerenden die woest hun hele geheugen omwoelen’ van Désiré Cordier op jou is overgegaan en je zelf niet langer kunt vinden wat er ook eigenlijk niet meer is.

    Verhulst levert hiermee in zo’n honderddertig pagina’s een grootse prestatie op kleinnood formaat. Hij beschrijft eerst hoe Désiré onder de grillen van zijn echtgenote Moniek langzaam mentaal wordt uitgekleed, totdat hem niets anders meer rest dan een ‘pantser van onverschilligheid’. Om hem vervolgens zijn eigenheid te laten hervinden in de beschutting van huize Winterlicht en in een zeldzaam grappige wraakexpeditie jegens zijn vrouw. Hij kent haar zogenaamd niet meer, ontneemt haar zo haar identiteit, gaat alles doen waar zij een hekel aan heeft, of ontkennen waar zij voor staat, en breekt haar zo stukje bij beetje af. Totdat ze doodser is dan hijzelf ziek. ‘Moniek de Petter. Mooie naam, voor op een grafsteen.’

    Naarmate de pagina’s van De laatkomer vorderen stijgt de stapel vereffende rekeningen. Daarbij slaagt Verhulst er steeds weer in herinneringen uit Désiré’s saaie ‘gezonde’ leven en burgermansbestaan in zijn ‘zieke’ leven weer een nieuwe plek te geven. Hij vindt een oude jeugdliefde terug, Rosa Rozendaal, symbool voor alle gemiste kansen in het leven van Désiré. Een schoonheid die hij als zestienjarige versmaadde, maar die nu te dement is voor een tweede poging. Alhoewel hij het wel probeert.

    De herinneringen bezorgen Désiré zowel pijn als plezier. De triestheid spat van de pagina’s af als hij zich realiseert dat zijn vrienden hem, alhoewel hij nog leeft, wellicht nog wel herinneren, maar zich niet om hem bekommeren. Maar tegelijkertijd is op vele andere pagina’s een schaterlach onvermijdelijk, als Désiré voor de zoveelste keer op onnavolgbare wijze wraak neemt op de frustraties uit zijn verleden. Bijvoorbeeld bij zijn vertrek naar huize Winterlicht. Désiré herinnert zich dan dat hij eens op weg naar een vakantie-adres in het Zuiden vergeten was de caravan achter de auto te hangen. Niemand had wat gezien of gezegd, maar toen ze pas voorbij de Franse grens ontdekten dat de caravan ontbrak kreeg hij van Moniek alle schuld en de wind van voren. Terwijl zijn familie zich gereedmaakte om Désiré naar huize Winterlicht te verhuizen herleefde deze het gevoel van onheuse bejegening van toen en nam hilarisch wraak door te vertikken in de auto te stappen zonder dat de caravan was aangekoppeld. Ze gingen immers op vakantie! Dat de vreemde stoet die de straat verliet op deze wijze alleen maar meer bekijks trok, iets waar de trotse Moniek een broertje dood aan had, maakte de wraak voor Désiré nog zoeter dan zoet. In de onvoorstelbaarheid en perfecte schoonheid van dit soort belevenissen toont Verhulst zich een ware humorist, van grootse klasse, voor wie een goede grap een noodzakelijk ingrediënt is voor een serieus verhaal. Want bij alle grappen en grollen is een serieuze ondertoon nooit ver weg. Tussen de regels door uit Verhulst de nodige kritiek op de moderne gezondheids’zorg’, waarbij de menselijke maat snel uit het oog verdwijnt en de diagnose van dementie gebaseerd is op een simpele test van een half uur.

    Als Désiré door krijgt dat hij voor zijn vrouw en kinderen eigenlijk is opgehouden te bestaan, zijn vrienden hem niet meer bezoeken, en ook Rosa hem geen nieuwe start kan bieden, beseft hij dat een fictieve dementie de herinneringen aan zijn saaie leven nog onvoldoende uitgommen. Dit luidt het eindspel in. De oversteek van de Styx is onvermijdelijk. Maar dit kan voor de lezer geen echte verrassing zijn. De prachtige omslag van Femke Tomberg had die onvermijdelijkheid al voorspeld. Het toont een ganzenbord met daarop de mooiste herinneringen uit het leven van Désiré, in slechte en in goede tijden. Een ganzenbord ook waarbij de overwinnaar de doodskist wacht.

     

     

     

  • Over tien dagen start het Nijmeegs Boekenfeest

    Agenda

    Het Nijmeegs Boekenfeest is inmiddels een begrip in de regio. Op 16 maart a.s. zijn onder meer Kees van Kooten, Dimitri Verhulst, Oek de Jong en Joost Conijn te gast.

    Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen stelt zich voor de zevende keer open voor lezers, schrijvers, dichters, muzikanten, dj’s en wetenschappers. Rondom het thema van de Boekenweek, Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden is een afwisselend programma samengesteld.

    Schrijver van het Boekenweekgeschenk Kees van Kooten is eregast en staat garant voor een knallende performance. Dimitri Verhulst (De helaasheid der dingen) en Oek de Jong (Pier en oceaan) worden geïnterviewd over hun nieuwste werk. Marijke Hanegraaf, de nieuwe Stadsdichter van Nijmegen, opent de avond. Kunstenaar en avonturier Joost Conijn leidt ons de nacht in met zijn bewust onbevangen werkwijze. Dichters Jaap Robben en Anneke Claus treden op met een groots harmonieorkest. De meermaals bekroonde dichteres  Hagar Peeters draagt voor, singer-songwriter Awkward i brengt een muzikale bewerking van een gedicht, journalist en schrijver Marcel Rözer presenteert zijn nieuwe boek over de donkere kant van zijn familiegeschiedenis en het Soeterbeeck Programma gaat over een stem geven aan het verleden.

    Literair tijdschrift Op Ruwe Planken presenteert een nieuw verbond van schrijvers uit Amsterdam, Tilburg en Nijmegen. De winnaars van de belangrijkste schrijfwedstrijden in de regio Aan het woord! & De Nijmeegse Nieuwe laten van zich horen. Het heerlijke foute tijdverdrijf Karaoke mag niet ontbreken bij dit thema. De Potpourri Quiz onderwerpt u aan een luchtige literatuurtest. En met een goed foute disco zetten dj’s Lenkens en Alain Fènèr de muzikale geschiedenis op swingende wijze naar hun hand, tot diep in de nacht.

     

    Zaterdag 16 maart 2013
    Concertgebouw De Vereeniging, Keizer Karelplein 2d, Nijmegen
    Deuren open: 19.30 uur
    Aanvang: 20.00 uur
    Toegang: € 17,50 / € 15 (bibliotheekleden) / € 10 (student/CJP)
    Voorverkoop online: www.obgz.nl/activiteiten
    Voorverkoop kassa: Bibliotheek De Mariënburg, selexyz dekker vd vegt en de Stadsschouwburg
    Voor meer info kijk op: www.nijmeegsboekenfeest.nl

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij 

    Recensie door: Albert Hogeweij 

    Na De zeven laatste zinnen levert Dimitri Verhulst met De intrede van Christus in Brussel (in het jaar 2000 en oneffen ongeveer) een tweede titel in korte tijd die niet enkel iets met het christendom heeft uitstaan, maar ook met Ensor. Want zat bij eerstgenoemde titel niet een cd van het Ensorkwartet dat het gelijknamige muziekstuk van Joseph Haydn uitvoerde? En dit nieuwe boek verwijst natuurlijk naar het beroemde schilderij van de Belgische schilder James Ensor ‘De intrede van Christus in Brussel in 1889’. Op dit monumentale doek is een bonte stoet van veelal groteske en hier en daar gemaskerde figuren uit alle gelederen van de samenleving uitgelopen om Christus’ intrede in Brussel bij te wonen. En die Christus lijkt zowaar in 1889 echt in de Belgische hoofdstad te zijn verschenen, want staat afgebeeld op een ezeltje. Zou Verhulst de Zoon van God ook zover krijgen op papier?

    Niet dus! Want Verhulst heeft het gegeven uitgezet in een vrij dun verhaaltje dat opgedeeld is in 14 staties, precies evenveel als de kruisweg van Christus rijk was. Het behelst de voorbereidingen die zo’n intrede vergen, nadat deze hoogst bijzondere gebeurtenis quasi onopvallend op het computerscherm van een kantoorklerk werd aangekondigd voor de 21ste juli, de Nationale Feestdag der Belgen. Er wordt allerwegen verschillend op gereageerd. De kerkelijke autoriteiten vrezen gekapitteld te worden voor hun wandaden, maar de gewone man is vol aangename verwachting. Brussel lijkt ondergedompeld in een sfeer van vriendelijkheid en wellevendheid. ‘De metro ruikt niet langer naar pis, de hoop is onder het volk.’ Bij een verkeerscontrole wordt de automobilist die zijn vereiste papieren niet kan tonen, zeer ruimhartig het voordeel van de twijfel gegund: ‘De agent, geplaagd door een monstrueuze wijnvlek in zijn gezicht (..) had het humeur van een verliefde en leek nergens een drama van te kunnen maken. “Er is geen reden om u niet te geloven. Natuurlijk zijn uw papieren in orde”, zei hij, en zijn adem rook naar vieze tabak waardoor ik op slag minder medelijden voelde met zijn vlek.’

    Niet alle verhaalde gebeurtenissen lijken intussen even geloofwaardig en nemen hier en daar de vorm van een groteske aan. De ongelovige ik-verteller raakt ook bevangen door de positieve spirit in zijn stad, ofschoon zijn moeder in de aanloop van de intrede overlijdt. Zijn in het slop geraakte verhouding met zijn vriendin lijkt pardoes weer wat krediet te krijgen. Niettemin neemt de naamloze ik-verteller vooralsnog zijn stad en volk duchtig de maat en toont zich daarmee een maatschappij-kritisch baasje dat geen kans onbenut laat om zijn kritiek te spuien. Dat Jezus aan het eind toch niet opkomt, zal weinigen verrassen en is dus iets dat de recensent met goed geweten mag weggeven. Dat de verhouding van de ik-verteller aan het eind alsnog lijkt uit te doven, is evenmin iets dat de boekbespreker voor zich hoeft te houden. Dit boek dient immers niet het verhaal dat het ternauwernood vertelt, maar wil een podium zijn waarop op Belgische toestanden kan worden gemopperd. Het hele boek door regent het toespelingen op het heden en verleden van onze zuiderburen, van Manneke Pis tot Marc Dutroux. Maar wie zijn volk zo kastijdt, lijkt het des te meer lief te hebben. De soep wordt dan ook minder heet gegeten dan die wordt opgediend. Alles geserveerd met die plastische, Vlaams-gevooisde woordenbrij, waar ook Godverdomse dagen op een godverdomse bol van doortrokken was. Het moralisme wordt intussen niet geschuwd, maar een ernstiger minpunt is dat de stijl niet overal even geïnspireerd is en hier en daar soms ronduit flauw: ‘Wat baatte het een koe dag in dag uit te laten snuiven aan onze diesellucht? Aan haar melk hield men ongetwijfeld een loodvergiftiging over!’ Verwissel de schrijver liever niet met de cabaretier. De achterflap meldt natuurlijk niets minder dan dat Verhulst ‘op weergaloze wijze’ de hedendaagse samenleving becommentarieert. Natuurlijk, voor minder lezen we het niet. Afgezien van dergelijke aanprijzingen lijkt de stijl het in dit boek ook te moeten hebben van het uitroepteken! Op bladzijde 65 volgen maar liefst vier met uitroeptekens besloten zinnen achter elkaar: ‘Illegaal: je zal het maar te horen krijgen over jezelf! Dat je bestaan ongewettigd is! Dat je geboorte buiten het wetboek viel! Dat je ‘r eigenlijk niet zijn mocht!’

    Omdat het verhaal aan de magere kant is en een diepere bedding ontbeert, is identificatie met de slechtweggekomenen vrijwel uitgesloten. Zo wil het verhaal over het jonge, illegale meisje Ohanna, dat, omdat ze de Armeense taal machtig is, uitgekozen wordt om Jezus rond te leiden, maar  vervolgens doodleuk het land wordt uitgeknikkerd, wanneer de Verlosser toch niet op komt dagen, niet echt schrijnen omdat het blijft steken in de schets. Het boek, dat overigens nergens als roman wordt geafficheerd, had het moralisme beter achter zich gelaten om zich des te meer uit te kunnen leven in een veelstemmig koor van stijlen, waaronder bovenal de groteske. Wellicht had het dan meer de geest van Ensors beroemde doek benaderd.

    De recensent doet het boek echter te kort als hij voor zich houdt dat het boek ook rake passages kent, zoals deze over het langs elkaar heen leven van twee buren: ‘Jaren kon je in deze stad, als in vele steden, onder hetzelfde dak, om en rond dezelfde liftkoker wonen en toch elkaar niet kennen. Bij een gasexplosie zouden Antoine en ik samen zijn te beschreien in hetzelfde rouwregister, de tijdingen van ons overlijden zouden worden afgedrukt op hetzelfde gazettenvel en groot was de kans dat wij tot aan het eind van onze grafconcessie buren zouden  blijven op het kerkhof van de stad. Maar dat lot was ons te mager om er ons verbonden door te voelen.’ Prachtig! Een glimlach speelde rond mijn mond bij lezing van de volgende zin over een de schrijver antipathiek figuur ‘die ik het niet gun hier nader beschreven te worden, ook al was hij lelijk genoeg om het mij op dat punt makkelijk te maken’. Punt voor Verhulst!

    Wie De Godverdomse dagen sterk vond, zal in De intrede vermoedelijk genoeg van zijn gading kunnen vinden, maar wie de kleine juweeltjes van De zeven laatste zinnen liever zijn, zal hopen dat de schrijver in een volgend boek de plasticiteit van zijn stijl dienstbaar weet te maken aan de deernis van het verhaalde, opdat het tenminste de kans krijgt te ontkiemen in goed getroffen details die er gewoonweg toe doen.

     

    De intrede van Christus in Brussel

    Dimitri Verhulst
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 173 pagina’s
    Prijs: € 18,95