• Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Liefde en standsverschillen in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling

    Dido Michielsen had veel succes (na een aantal biografische werken) met haar eerste roman Lichter dan ik, het verhaal van een Indonesische oermoeder (de ‘njai’) die haar kinderen, die zij had met een Hollandse man, moest laten opvoeden door anderen. Onlangs verscheen het vervolg, Engel en Kinnari, dat zich overigens ook separaat laat lezen. Misschien is dat zelfs beter, want wie haar eerste roman las, weet het antwoord op de vraag die de hoofdpersoon in deze tweede roman bezighoudt.
    Die hoofdpersoon, Louisa, en haar zus Pauline, zijn Indische meisjes van wie de Hollandse vader naar Nederland is vertrokken en hen heeft achtergelaten als pleegkinderen bij een hem bekend echtpaar. Hun Javaanse moeder kennen ze niet. Ze zijn schoolgegaan bij strenge nonnen en op hun dertiende en vijftiende jaar uitgehuwelijkt. 

    Verlangen naar de oermoeder

    Het verhaal begint in 1900 als Louisa met haar man J.A. (ze noemt hem naar zijn voorletters omdat haar dat doet denken aan het geluid van ezels) verhuisd is van Batavia naar Buitenzorg, de standplaats van de Gouverneur-Generaal. J.A. is Controleur 2e klas bij het Binnenlands bestuur en in die functie veel op pad. Louisa vindt het een saaie stad, vol statusbewuste ambtenarengezinnen. Zij is inmiddels moeder van drie tieners met wie het contact moeizaam is. Ze haat haar twintig jaar oudere Indische echtgenoot en verlangt naar haar Javaanse moeder die zij nooit gekend heeft.  Dat laatste begrijpt niemand in haar omgeving: Indische mensen willen hun oermoeder, meestal een inheemse ‘njai’, altijd zo snel mogelijk vergeten. Louisa heeft meermalen aan haar pleegouders, oom Arnold en tante Lot, gevraagd wie haar moeder was, maar die hebben dat nooit willen zeggen. Oom Arnold zelfs niet op zijn sterfbed, daar waakte tante Lot voor.
    Zus Pauline woont op Sumatra met haar man en kinderen en heeft geen problemen met haar bestaan als Indische vrouw. Aan haar kan Louisa haar onvrede wel per brief kwijt. En die onvrede is groot en knaagt aan haar. 

    Ontsnappen middels boeken

    In Buitenzorg treft Louisa Cato, een Indische vriendin uit de tijd dat ze op de nonnenkostschool zaten. Toen was Cato een brandal, een rakker, maar nu ze getrouwd is met een totok (blanke Hollander) die een hoge post in het gouvernement bekleedt, is ze een heel ander mens geworden, zeer klassenbewust en pijnlijk ondergeschikt aan haar horkerige man. Soms ziet Louisa tijdens gesprekken nog een glimp van haar oude vriendin terug, maar steeds vaker krijgt ze de indruk dat Cato zich boven haar verheven voelt door haar huwelijk met een totok.
    Om de Buitenzorgse verveling te verdrijven neemt Louisa een leestrommel en probeert met enkele Indische vrouwen uit de buurt een leesclub te beginnen. Om vervolgens te ontdekken dat die vrouwen niet geïnteresseerd zijn in literatuur. De één wijdt zich liever aan haar gezin, de ander ziet het lezen alleen als een middel om status te verwerven, de derde houdt zich overal buiten.

    Louisa komt pas tot leven als de al wat oudere en rijke Chinese vrouw Yoe Leng naast haar komt wonen, vergezeld door een knappe Javaanse secretaris die zij ‘Pang’ noemt (afkorting van Pangeran, een adellijke titel die hij mag dragen). Ondanks de waarschuwing van haar man dat zij niet moet omgaan met zo’n Chinese, want die hebben een lage status, bezoekt Louisa haar buurvrouw vaak. Als deze haar vraagt mee te gaan voor een bezoek aan Pekalongan op Midden-Java waar zij een batikbedrijf heeft, doet zij dat maar al te graag (J.A. is dan op reis en kan het niet verbieden). 

    Een affaire

    Hier verandert het verhaal van een opeenstapeling van ergernissen en onderdrukte woede van toon. Louisa wordt tijdens die reis van het ene moment op het andere verliefd op de mooie Javaanse secretaris die haar bekent liever niet bij zijn bijnaam Pang genoemd te willen worden en eigenlijk Dimas heet. Hij gedraagt zich als een echte heer, maar laat haar wel weten waar zijn slaapkamer is. En de betoverde Louisa gaat daar op een avond naar binnen en leert er de echte liefde kennen.
    ‘Dimas is man en vrouw tegelijk, hij streelt en masseert haar overal, maar schroomt niet om zijn eigen verlangens na te jagen en te tonen. Hij daagt haar uit hetzelfde te doen. Ze ontdekt dat haar plezier niet alleen in haar borsten en tepels te vinden is, maar evengoed in haar tenen en vingers. Haar nek, haar rug, billen en knieholten zijn onontdekte gebieden, elke centimeter tussen haar benen is vatbaar voor ongekende sensaties.’

    Na terugkeer in Buitenzorg bezoekt Louisa Dimas vaak clandestien in het buurhuis. Dat geluk duurt enige tijd, maar dan volgt de harde werkelijkheid: Dimas kondigt aan te vertrekken om lid te worden van een groep Indonesische intellectuelen die een betere behandeling van de inheemsen willen eisen bij de overheid. En Louisa wordt op het matje geroepen door Cato en haar man omdat bekend is geworden dat zij zich afgeeft met de Chinese Yoe Leng. 

    Als Yoe Leng en Dimas uit haar leven vertrokken zijn en Louisa weer moet wennen aan haar leven met haar man J.A. kantelt er iets in haar gevoelens voor hem. Uit het gesprek met Cato en haar man heeft ze begrepen dat die vanuit grote hoogte neerkijken op haar Indischman J.A., die wel goed is in zijn vak maar het toch nooit verder zal brengen dan Controleur 2e klas. Ze kijkt nu met  andere ogen naar hem, ziet hem als een ook in het leven teleurgestelde halfbloed. Als hij overlijdt, na als hartpatiënt enkele jaren door haar verzorgd te zijn, vertelt  een Javaan bij zijn overlijden dat J.A. één van de weinige ambtenaren was tegenover wie de inheemsen zich durfden te uiten. Dan krijgt zij spijt dat zij hem zo gehaat heeft: hij was meer een lotgenoot dan ze dacht.

    Haar bestemming

    De kennismaking met het boek Door Duisternis tot Licht van Raden Adjeng Kartini brengt nieuw leven in haar. Ze opent een kostgangersbedrijf in Batavia. Het contact met Yoe Leng en Dimas wordt hersteld. En ten slotte brengt het overlijden van tante Lot, haar pleegmoeder, het antwoord op de vraag die haar leven al zo lang beheerst: wie was mijn Javaanse moeder? Dat antwoord kan hier niet onthuld worden maar bepaalt wel de rest van Louisa’s leven. Het verhaal eindigt in 1942 als Japan de kolonie bezet heeft en iedereen met gemengd bloed min of meer zelf kan bepalen (want het is niet te controleren) of hij méér dan vijftig procent Nederlands bloed heeft, en dus als Nederlander de interneringskampen in moet, dan wel meer dan vijftig procent Indonesisch bloed en daar buiten mag blijven. Welke keuze Louisa maakt laat zich raden.

    Dido Michielsen heeft zich goed verdiept in de bijzonderheden van het leven in Nederlands-Indië rond de vorige eeuwwisseling tot diep in de jaren dertig. Geen detail van kleding, gedrag of gewoonten in het Nederlands-Indië van die tijd blijft onvermeld en dat gaat wel eens ten koste van de vlotheid van het –  overigens goed geschreven – verhaal. Maar voor wie precies wil weten hoe het was in ‘Tempo Doeloe’ is dit natuurlijk eerder een voordeel dan een nadeel.

     

     

  • Boekhandelsprijs voor ‘Lichter dan ik’ van Dido Michielsen

    Dido Michielsen heeft met haar roman Lichter dan ik de Nederlandse Boekhandelsprijs gewonnen. Michielsen schreef eerder non-fictie werk dat werd uit gegeven door De Bezige Bij. Vorig jaar debuteerde ze bij Holland Diep met een roman die gebaseerd is op het leven van haar betovergrootmoeder in Indonesië. Het verhaal gaat over Isah, een jonge vrouw die eind negentiende eeuw opgroeit in de kraton, het vorstenverblijf in Djokja. Ze wordt huishoudster van een Hollandse officier, met wie ze een verhouding krijgt waaruit twee dochters voortkomen. Als de officier alsnog met een Nederlandse vrouw trouwt laat hij haar en de kinderen simpelweg achter en moet Isah grote offers brengen om haar kinderen te onderhouden.

    De Boekhandelsprijs bestaat sinds 2015 en wordt jaarlijks toegekend aan een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, een boek dat volgens de boekhandelaren om zijn inhoud en thematiek meer aandacht verdient. De prijs is gelijk aan boekhandelsprijzen die in andere landen al langer bestaan, zoals in Duitsland de Deutscher Buchpreis en in Amerika de National Book Award. De winnaar wordt gekozen door, zoals de naam doet vermoeden, boekverkopers uit het hele land. De prijs bestaat uit een publiciteitscampagne en een geldprijs van 7.500 euro.

    Hoewel er oorspronkelijk bij de Boekhandelsprijs geen genomineerden zijn, ontstond er dit jaar een lijst van vijf titels die voor de prijs in aanmerking kwamen: Ish Ait Hamou, Het moois dat we delen, Dido Michielsen, Lichter dan ik, Marijke Schermer, Liefde, als dat het is, Machteld Siegmann, De kaalvreter en Manon Uphoff, Vallen is als vliegen.

    De prijs werd op 20 februari in boekhandel Scheltema te Amsterdam aan Dido Michielsen uitgereikt. Van Lichter dan ik wordt een speciale luxe boekhandelsprijs-editie gemaakt, waarna een landelijke advertentiecampagne volgt.

    Eerdere winnaars van De Nederlandse Boekhandelsprijs waren Onder de paramariboom van Johan Fretz (2019), Wees onzichtbaar van Murak Işık (2018), Het smelt van Lize Spit (2017), Alleen met de goden van Alex Boogers (2016) en Birk van Jaap Robben (2015).

     

    Lees de recensie van Lichter dan ik die op 16 oktober 2019 op Literair Nederland verscheen.

     

  • Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Lege plek in de stamboom van Indische mensen

    Dido Michielsen is schrijfster van enkele biografische werken, waaronder het verhaal van Derk Sauer en zijn vrouw in Moskou en (samen met haar man Auke Kok) het leven van de Joodse familie Van Cleeff voor, tijdens en na de oorlog. De zeer goede documentatie en voorbereiding viel recensenten bij deze non-fictie-boeken op. Ook in haar eerste roman Lichter dan ik is op elke pagina te merken dat Michielsen een zeer grondige studie heeft gemaakt van haar onderwerp. Wat het verhaal, de geschiedenis van een njai, zeer overtuigend maakt.

    Huishoudster en bedgenoot

    Nederlanders die in de tropen verbleven als militair, koopman of ambtenaar, lieten in de 19e eeuw zelden een vrouw overkomen uit het moederland om hun leven mee te delen. Meestal kozen zij voor een njai, een concubine, een vrouw van het land. Zij werd zijn huishoudster en bedgenoot en niet zelden baarde zij zijn kinderen. In de stamboom van Indische mensen is altijd de oermoeder een njai, vaak een lege plek omdat zij naamloos in de geschiedenis is verdwenen. Het kon ook anders gaan. Dat de blanke trouwde met zijn njai kwam heel weinig voor, maar een langdurige relatie tot de dood was mogelijk. Zeker als de blanke zelf sterk verindischt was. Meestal eindigde de relatie als de man terugkeerde naar Nederland. De njai ging dan weer naar de kampong, al dan niet met haar kinderen. In de kampong werd ze geminacht omdat ze zich verkocht had aan een blanke. Haar kinderen hadden vanwege hun lichtere huidskleur geen leven. Soms erkende de man de kinderen als de zijne en nam ze mee naar Nederland, daar had de njai niets over te zeggen. Over deze wereld gaat Lichter dan ik.

    Zij mogen meer

    Michielsen heeft het verhaal de vorm van een gesproken autobiografie gegeven. De inmiddels zestigjarige Isah vertelt over haar leven als njai aan Tjanting Wiggers, een njai van een latere generatie. De man van Tjanting Wiggers behoort tot de uitzonderingen die met hun njai getrouwd zijn en heeft haar leren lezen en schrijven. Als zij Isah ontmoet, moedigt haar man haar aan om Isah’s verhaal op te schrijven. Isah wil graag haar verhaal vertellen om toch iets na te laten aan haar verre kinderen en kleinkinderen. Isah, geboren in 1850, groeit op in de kraton van de sultan van Jogya, waar haar moeder kleermaakster is. Als kind maakt zij kennis met de standsverschillen en strikte gedragscodes aan dat hof. Als haar speelkameraadje Karsinah haar lievelingsaapje Soeko, dat ze van haar oom heeft gekregen, wil hebben, haalt een hofbediende het op en kan zij daar niets tegen doen: Karsinah is een prinsesje, want directe en erkende dochter van één van de zonen van de sultan, en zij niet. Haar moeder legt het haar uit: ‘Zij mogen meer dan anderen. Ze mogen meer dan jij, omdat jij geen prinses bent. Karsinah mag zeggen dat ze Soeko wil hebben, omdat ze boven jou staat. Er is nog veel meer dat zij kan besluiten, zul je ontdekken. Daar kun jij niets tegen doen.’

    Uiteindelijk afgedankt

    Iedereen aan het hof had zijn eigen plek: ‘Een dun, onzichtbaar web van rangen en standen liep door alles heen, en naarmate je ouder werd, openbaarde dit zich aan je. En dan besefte je als volwassene dat je gevangen zat tussen de verstarde lijnen en niets meer kon bewegen, tenzij je jezelf er met geweld van bevrijdde.’ Als Isah zestien is en haar moeder haar wil uithuwen, neemt zij het besluit zich te bevrijden uit de starre wereld van de kraton. Ze maakt kennis met een Nederlandse militair en wordt zijn njai. Ze is zijn geliefde en leert ook het huishouden te bestieren. Alhoewel zij zich moet gedragen als een bediende zodra haar man gasten heeft, vindt zij dit leven toch veruit te verkiezen boven een gedwongen huwelijk in de kraton. Zij beseft steeds meer dat het bestaan van een njai eigenlijk geheel afhangt van de luimen van haar meester. Als ze hem twee dochters baart, verdwijnt die vrees. Ten onrechte, blijkt later. Haar militair trouwt alsnog met een Nederlands meisje en dankt haar en de kinderen af.

    Hiërarchie in huidskleur

    Méér over Isah’s bittere leven onthullen zou zonde zijn, want Isah is een geboren verteller die met grote precisie het beschermde, maar aan strikte regels gebonden leven in de kraton schildert, en de lokkende koloniale wereld daar buiten. De blanke barbaren waar men in de kraton op neer kijkt zijn daar de baas. Dat ook deze wereld aan strikte regels gebonden is zal Isah door schade en schande leren. Dat haar huidskleur haar in de onderlaag van deze koloniale hiërarchie plaatst, merkt ze al snel. Dido Michielsen, zelf nazaat van een njai, heeft in Isah een geloofwaardig slachtoffer geportretteerd van zowel de koloniale als de autochtone Javaanse maatschappij. Daarmee vult zij knap de lege plek in die njai’s vaak in de stambomen van Indische families hebben. Haar fictie-debuut is een indrukwekkende en ontroerende roman.