• fijne motoriek,Koen Peeters

     
     

    Sinds 1988 werkt Koen Peeters gestaag aan een indrukwekkend en eigenzinnig oeuvre: Conversaties met K. (1988), Bezoek onze kelders (1991), De postbode (1993), Het is niet ernstig, mon amour (1996), Acacialaan (2001) en Mijnheer Sjamaan (2004). Onlangs verscheen fijne motoriek, zijn poëziedebuut. Al doet de bundel uitschijnen dat hij nooit een ander genre heeft beoefend: fijne motoriek is stemvast, eigenzinnig, en even indrukwekkend.

    Het universum in fijne motoriek lijkt zich spontaan aan te dienen. De dichter houdt oren en ogen wijdopen en observeert, interpreteert. Hij stelt zichzelf luidop vragen, tracht passende antwoorden te vinden of tenminste een nieuwe vraag die de voorgaande overstemt en een antwoord naderbij brengt.

        Hij luistert maar kijkt vooral, heel dicht om
        ach een druppel inkt te leggen in
        een putje verschijnend in een wang
                        is hij dan dichter?
     

     De twijfel, (aan) het dichterschap, vloeit voort uit wat zich aandient, rond en in de dichter zelf. Terwijl ‘de stad zich uitdost optut met musical / en operette en vrouwelijke in- en uitsnijding’, is er ‘de noodzaak het grijze te schrijven’. Is daarom of ‘vandaar’ het woord dat de verbinding tussen beide delen blootlegt? Of heerst er een andere verhouding? ‘[S]terft het gedicht / of wordt het juist geboren uit het / glurend stadslicht dat alles toont en hoort / onverdoofd, onverbloemd’. Want naast de stad is er de herkomst, naast het onderweg zijn is er de oorsprong. Naast het ‘altijd altijd vrolijk vrolijk / bezig bezig’ zijn, is er ‘het contempleren van de middenberm’: ‘niets verdwijnt: panta rhei’, niets gaat weg en alles verandert. En de dichter (en de mens) rakelt op, herinnert zich, ziet dat alles verandert en zoekt een houvast in het verleden, of beter in de levende herinnering aan het voorbije verleden. Dat dus niet verdwenen is, maar in sporen, overblijfselen gedeeltelijk en vervormd toch aanwezig is.

    Die restanten liggen niet voor het rapen maar worden opgespoord en dragen woorden aan, gedichten. In fijne motoriek lopen verscheidene lijnen uit een verleden naar het heden van de dichter. Een zachte, wondermooie melancholie maakt de herinnering los uit een eenvoudig beschrijven. De overleden moeder, het dorp dat naar snoepgoed geurt, het leven van de jongen die de dichter was… komen adembenemend uit de gedichten tevoorschijn. Koen Peeters schrijft met veel gevoel, met een eigenheid die – misschien paradoxaal – voor de lezer net zo herkenbaar is. Het persoonlijke dat zich vertaalt naar het algemene, menselijke. Dat ‘effect’ wordt niet in het minst bewerkstelligd door de openheid in de gedichten, de veelvuldige plaatsen waar de lezer wordt geconfronteerd met weerhaken, met gevoelens en gedachten die voor de dichter misschien evenzeer vervreemdend zijn.

        Te weten was vooraf dat dit de opdracht was:
        het schrijven van korte en lange zinnen, doorgaans titelloos,
        verstaanbaar en wat ouderwets, die over minstens twee dingen
        gaan en een air vertonen van onaf, nooit bang voor slordig
        binnenrijm en dubbelpunten en herhaling, grote gebaren
        en emotie (is poëzie dan ernst, pathos en moraal die zich
        onderuit laat halen met taal?) […]
     
    Over de ‘air van onaf’ schreef Huub Beurskens al in De Standaard (30-12-2005) uit vormelijk perspectief: ‘Want op menig moment besef je pas bij tweede of derde lezing hoe het gedicht haast vanzelfsprekend “technisch” in elkaar zit.’ Het schijnbaar ‘onaffe’ karakter lijkt ook op inhoudelijk vlak net datgene te zijn wat de lezer aanspreekt (in beide betekenissen). Het universele dat inhoudelijk voelbaar is: panta rhei, alles is voortdurend aan verandering onderhevig (en is in die zin zowel ‘af’ als ‘onaf’). Heden (weer) onvoltooid in sporen.

    De dichter beleeft en herbeleeft, treft overal taal aan, in velerlei vormen: letters die door het autoraampje binnenwaaien, ‘taal kort van stof en stoffig’, ‘vadsige woorden’, ‘drie of vier woorden die opspringen in morse’, een ‘theatrale zin’, ‘brute vingerletters’… en heeft net zoveel redenen om te schrijven. In ‘Ongeveer vijftig’ somt Koen Peeters op wat voor gronden er achter zijn poëzie schuilgaan. Net als de thema’s en personages in de gedichten blijken die redenen eens nobel en bescheiden te zijn, en dan weer ijdel en zelfverzekerd.

    Zowel de stad en ‘de forenzende mens’, de Kempen en lintbebouwing als Zorro, Elsschot, Van Ostaijen en M-kids treden aan in fijne motoriek. Uiteenlopende onderwerpen die steeds worden bedacht met verzen die ademen, subtiele schakeringen afwisselen met vervreemdende verbanden. Gedichten die tegelijk vuil en schoon zijn, open en af, vreemd en eigen. En die steeds getuigen van een verbluffende taalbeheersing, en van het feit dat ‘men altijd al wilde schilderen’. En dat ‘men’ daarin is geslaagd!

        Geen pamflet, geen legendes. Nooit te kort. Noodzakelijk.
     
    Koen Peeters, Fijne motoriek. Meulenhoff | Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2005. ISBN 90 8542 039 3.

    Over Koen Peeters schreef Patrick Bassant al: https://litned.hollands-spoor.com/web/author/viewAuthor2.aspx?id=222.

  • De blauwe schuit,Anne van Amstel (e.a)

    Trillende schepen en dichters als drilpudding

    In de zomer van 2005 voer een aantal dichters en kunstenaars per schip Groningen binnen. Geen narrenschepen, maar historische schepen die voor anker gingen in de Groninger diepenring. De dichters en kunstenaars hadden als taak om een gedicht en een kunstwerk af te leveren. Een mooie combinatie van het festival Groninger WelVaart en het inmiddels vermaarde poëziefestival Dichters in de Prinsentuin.
    In het najaar verscheen de prachtig uitgegeven bundel De blauwe schuit. Daarin staan naast bekende dichters als Diana Ozon, Tsead Bruinja, Jana Beranová en Albertina Soepboer ook onbekendere dichters in. Thomas Möhlmann opent het boek met een titelloos vers ‘Hier staat u // buiten en boven het gangboord de paalworm / die traag door het zachte lichaam trekt’.
    Het lichaam van de poëten (en als metafoor voor schepen) heeft veel te verduren blijkt uit diverse gedichten. Sieger M.G. (Geertsma) schrijft: ‘Dit schip is een lichaam en alles trilt, // touwen kraken, de haven brult!’ Ook collega Daniël Dee zat waarschijnlijk op een trillend schip:

    tot het slapengaan in het vooronder liggend als een smeltende drilpudding
    mijn narknar wagenwijd open als de sluizen harder kolkend dan het water

    ‘liefste als jij hier was dan zou ik van vreugde als een bezetene slingeren
    aan de kroonluchters maar jij bent er niet en kroonluchters evenmin.’

    Niet alle dichters nemen het schip zelf tot onderwerp. Albertina Soepboer kiest ervoor om juist het landschap te beschrijven en de invloed die dat heeft op de ik-figuur. Haar gedicht klinkt vooral als een bezwering ‘nu ik terugkeer / is dit de nacht, is dit mijn huis / en het immer platte van water draait.’ Ik weet niet of de dichteres of de vormgever ervoor heeft gekozen om haar gedicht gecentreerd op de pagina te zetten, maar dat oogt altijd zo beroerd. Helaas is dat vaker gebeurd.
    De enige bijdrage in de Groningse taal komt van Jan Glas, die niet alleen het mooie en idyllische benoemt, maar ook nog oog heeft voor de moderniteit:

    En de schipper dankt God veur zien
    blinde vlekken as oet de vinexwieken
    de polyesterpooiers ien heur widde mit-
    eders t kenoal vervetten.

    De bundel kent steeds hetzelfde stramien. Het kunstwerk staat links op de pagina, het gedicht rechts. Van sommige dichters houd je meer dan andere en dat geldt bij de kunstenaars ook. Positief springen eruit: Heerko Tieleman met een prachtig schilderij van twee matrozenkinderen in een vrij steriele badkamer, Laurine Brugman met een fotomontage en Alan D. Joseph die ook foto’s heeft bewerkt.
    Is er ook kritiek te leveren op deze bundel. Tja. De tekst van F. van Dixhoorn ‘3. over / de ene na / de andere / over’ en let wel, dit is de gehele tekst, is wat aan de magere kant en ook het beeldgedicht dat Max Niematz levert (95 keer het woord water en 1 keer het woord vis) is wat aan de gemakzuchtige kant.
    Daar staat echter genoeg tegenover dat wel de moeite van het bekijken en lezen waard is.

    De Blauwe schuit met poëzie van: Anne van Amstel, Jana Beranová, Tsead Bruinja, Anneke Claus, Daniel Dee, F van Dixhoorn, Sieger M. Geertsma, Jan Glas, Ruben van Gogh, Willem Groenewegen, Renée Luth, Thomas Möhlmann, Max Niematz, Diana Ozon, Albertina Soepboer, Albert Westerhoff, Arjan Witte, Guido van der Wolk
    Beeldende kunst van:Dineke Oosting, Dora Dolz, Corine Hörmann, Tommie van der Zee, Willem Kolvoort, Hein Verwer, Olaf Otto, Ton Broekhuis, Laurine Brugman, Harry Cock, Mowaffk Al-Sawad, Aimée Terburg, Lucius, Tineke Fischer, Joost Doornik, Heerko Tieleman, Alan Joseph, Arjen Boerstra.
    Passage, Groningen, 48 blz. €20,-

     

  • Met uitgeholde stem,Iris Van de Casteele

    Iris Van de Casteele werd geboren in Adegem, België. Na haar talenstudie in Brussel ontpopte zij zich als een talige duizendpoot. Ze vertaalde uit het Frans, Spaans, Russisch en Duits en trouwde met de Uruguayaanse musicus Cacho Aguirre. Sinds 1989 schrijft ze haar rubriek ‘Poëzie’tuin’ voor Vrij Maldegem.  Haar vriendschap met de dichter Paul Snoek was een blijvende inspiratiebron en zijn vroege, tragische dood betekende was voor haar een grote klap die zijn sporen zou blijven dragen. Zij publiceerde tot op heden 22 bundels poëzie en wij mogen ons verheugen in deze nieuwe, fraai vormgegeven boreling.
    De tekst van Michel Camus (1929-2003) op de achterkant van Met uitgeholde stem maakt ons direct duidelijk dat we met gedichten te maken hebben waarin de grote thema’s niet geschuwd worden, oftewel: ‘poëzie die zoekt naar de oorsprong van de poëzie zelf.’ Iris Van de Casteele gaat met open vizier aan het werk om ons op de hoogte te brengen van het falen en slagen van deze beproeving. Wie de indruk zou krijgen dat we hier met een soort verheven new-age geconfronteerd worden, komt – gelukkig – bedrogen uit. De thematiek is ingewikkeld en gelaagd maar de woorden die Van de Casteele inzet zijn van een verbluffende eenvoud en vooral van een aanstekelijke zeggingskracht. Zoals in het vers ‘Het papieren bootje’:

    Het papieren bootje

    Wat Guido Gezelle zou denken van
    datgene wat op papier wordt gezet
    terwijl het tonnen water regent
    druppels wegglijden langs de ruit
    geen mens die het weet

    dat het herfst is geworden
    vertelt de regen niet
    hij is er ook ’s zomers
    hij is er immers altijd
    hij zegt
    ik regen
    ik ben vruchtbaarheid

    de rest heet zwijgen binnenskamers
    of misschien binnensmonds 
    denken dat er altijd een bladtjen
    drijft op het water dat langzaam went
    aan zijn eigenheid

    wat Guido Gezelle zou zeggen van
    een reepje papier dat drijft als
    een bootje op het Minnewater van
    brug tot brug langs de blikken
    van de geliefden

    een reepje beschreven papier
    dat volgestouwd werd met poëzie
    wat hij daarvan zou zeggen
    geen mens die het weet

    Het is duidelijk, de woorden die geschreven worden op papier –  in dit geval de woorden van geliefden – zijn van alle tijden. Guido Gezelle (1830-1899) was bij uitstek de dichter van de tedere gevoelens. Het woord ‘Minnewater’ in de voorlaatste strofe verwijst naar Gezelle. Maar wat hij gezegd zou hebben over een reepje papier met een liefdesgedichtje, dat weten we niet… Of weten we het eigenlijk wel? De lezer denkt dat Guido Gezelle het prachtig gevonden zou hebben! Juist hij. Dat is de subtiele dubbele bodem in dit gedicht. Maar er is meer. Dat het herfst is geworden in de tweede strofe, onthult de regen ons niet, nee hij is er altijd en kan altijd zorgen voor plantengroei en vruchtbaarheid. Hij hoeft niet te wennen aan zijn eigenheid. Zoals wij dat, als mens, wel moeten en zoals het bladtjen (mooi Vlaams) papier dat zou moeten. En dat Guido Gezelle bij uitstek de dichter was van de verliefde poëzie staat als een paal boven water. Subtiel hoe Van de Casteele deze elementen zonder veel opsmuk samenvoegt.
    In haar titelgedicht ‘Met uitgeholde stem’ heeft Van de Casteele het over:

    Als er iets overblijft
    zal het datgene zijn
    wat poëzie doet glanzen(..)

    En dat Iris Van de Casteele de poëzie kan laten glanzen bewijst ze in het adembenemende ‘Liefdesgedicht’, waarin zichtbaar wordt mijn bestaan/ dat zich in jou aan het herhalen is(..) of in het vers ‘De meeuw’:

    Hoe dichters proberen te verklaren
    wat niet te verklaren is (..)  

    Het meest virtuoos is deze dichteres op de vierkante millimeter van de verbazing. Die beschrijft ze in gedichten als ‘Er was iets’, waarin een vrouw wordt gevolgd, die de lakens opschudt, maar uiteindelijk wordt gadegeslagen terwijl ze in stilte zit te eten tegenover een man, die op een zwerver lijkt, de stilte tussen hen  wordt niet doorbroken. Wat ‘er is’ onthult Van de Casteele niet, dat mag de lezer zelf verzinnen. Ditzelfde procédé van ‘weglating’ wordt nogmaals gehanteerd in het vers ‘De boottocht’ waarin twee mensen een boottocht maken en elkaar veel zeggen, bijna zonder woorden.
    Of Iris Van de Casteele het nu over dieren heeft, over planten, zoals de klaproos of de distel of over de mythische gestalte van een Keltische sirene, zij werpt een licht op al deze zaken, dat haast betoverend aandoet. Ze laat de objecten van haar poëzie met veel gevoel voor respect, maar ook in zijn volle glorie, aan ons zien. En zij heeft een verbluffend rijk palet aan taalvaardigheden tot haar beschikking. Haast zonder interpunctie, zonder veel bijvoeglijke naamwoorden, leidt ze ons rond en we komen tollend tot stilstand op de laatste bladzijde van de bundel. Want:

    (..) Ik ben de steen die cirkels 
    beschrijft in het water 

    die het onvatbare verklaart
    in raadselachtig geschrift

    In haar begingedicht ‘Het sacrale’ eindigt de dichteres met het leven, het ontstaan, samen te vatten en ze slaagt er ook nog in:

    (..)mijn ontstaan
    zit gekluisterd
    tussen leven en dood
    wie het ontraadselt

    ben ik openbaring 
    wie het ontlaadt
    ben ik vuur

    En daarmee heeft Iris Van de Casteele alles gezegd wat zij wilde zeggen. En dat is veel. Misschien zullen cynici opmerken dat ze geen ‘moderne poëzie’ schrijft – wat dat dan ook mag zijn – voor mij is het een verademing om mij aan de rijkdom van haar woorden te kunnen laven. Het is verwonderlijk dat een dichteres met zo’n heldere stem, niet vaker bewierookt en gelauwerd is, maar dat zal wel aan de tijdsgeest liggen. Niet aan Iris Van de Casteele in ieder geval. Lezen deze prachtbundel!
    Met uitgeholde stem, Iris Van de Casteele  De Distel, 40 p., iris.aguirre@tigo.com.py)

    Karel Wasch

  • Geef mij een wonder,Alexis De Roode

    Geef mij een wonder is de titel van het debuut van Alexis de Roode (1970). ‘Geef mij een wonder’ is een aanspreking – van de dingen, de ander – die zelden op een even heldere manier kan worden beantwoord. En wellicht even zelden leidt tot heuse wonderen. Het wonder speelt zich veelal af bij de waarnemer, die de ervaring wel kan delen maar het mysterie errond nooit helemaal zal kunnen wegnemen. Dat is ook het perspectief dat Alexis de Roode hanteert in zijn gedichten: het is het verlangen naar het eigen wonder, ‘mijn wonder’.
    Dat wonder speelt zich af op plaatsen die voor de buitenwereld niet altijd even kenbaar zijn. Ook omdat het verlangde zich niet noodzakelijk in die werkelijke wereld bevindt. Alexis de Roode betreedt in Geef mij een wonder regelmatig het domein van droom en fantasie, de schemerzone die zich niet met wezenlijke antwoorden bezighoudt, maar een codetaal spreekt; die zich evenzeer verbergt als het wonder zelf: ‘waar is het wonder? / Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend: / struikjes, koetjes, boerderijen, / er is geen speld tussen te krijgen’ (uit: ‘De lege landen’). En tegelijk kan dat kleine voldoende zijn om te getuigen van wonderlijkheid: ‘Al is het maar die haagbeuk / die op een mistige ochtend / een beetje is verschoven. / Dan weet ik genoeg.’ Of de boodschap die zich tussen de andere typische berichten in ‘Het schrift in de kapel’ heeft genesteld, ‘sinds 1998, om de vier, vijf pagina’s, / steeds in hetzelfde ronde handschrift: // Voor een leuke, lieve vriend’.

    Of het lichaam van de geliefde. Het uitblijven van het wonder wekt ongeduld, kwelt degene die ernaar verlangt. Hetzelfde soort ongeduld dat zich in het hilarische ‘Gedicht gevonden in een aardewerken pot’ bevindt.

    We zijn gekomen op voeten van leem
    en gestegen op vleugels van rook.
    Van oeroude eiken reiken de wortels
    inmiddels tot het middelpunt der aarde.

    Wat nu?
    Nu moet het snel gaan.
    Nu moet het gebeuren.

    Koninkrijken kwamen en gingen,
    de ijstijd is voorbij en ook het Krijt
    kunnen we zo langzamerhand
    als afgesloten beschouwen.

    Ikzelf ben nu al over de dertig
    en mijn zus is twee jaar ouder.
    Wie kan zich nog heugen
    dat vrouwen van ribben en mannen
    van modder werden gemaakt?

    Het begin is dus voorbij.
    Madagaskar ligt op zijn plek
    en de Alpen staan. We moeten door.
    We kunnen niet langer wachten,
    geen seconde.

    Het ene gevonden wonder of vervulde verlangen wakkert het nieuwe aan. En steeds gaat het om de persoonlijke vervulling, de aanwezigheid van het verlangde. Dat persoonlijke karakter heeft als gevolg dat het verlangde voor de een nooit een herhaling kan/mag zijn van wat een ander al heeft ontvangen. In het erg toepasselijk getitelde ‘Het mag niet, maar het moet’ is het het verleden van de geliefde dat zich als een irriterende huidziekte over de verlangende spant. De titel lijkt het gedicht zelf te rechtvaardigen: dit is niet zo fraai, maar een noodzakelijk moment. Of zoals Alexis de Roode zelf schrijft in ‘Openbaring’: ‘Wist je niet dat de essentie van perfectie / altijd een holle ruimte is, / waar het schimmelt en broeit?’ Gelukkig dat ‘Het mooie van de tijd is / dat hij doorgaat’ (uit ‘Dag liefje’).

    Geef mij een wonder is een intelligente, bedachtzame, fantasierijke bundel. De bedachtzaamheid in de constructie levert mooie keerpunten en perspectiefwisselingen op, maar zorgt af en toe voor een teveel aan plotse wendingen, een teveel aan pun. Alexis de Roode schrijft helder maar niet zonder zin voor het eigen grillige, zelfzeker maar met de nodige zelfrelativering. Met het besef dat het wonder vaak vergezeld wordt door de holle ruimte waar het schimmelt en broeit.

    Alexis de Roode, Geef mij een wonder .Uitgeverij Podium, 2005
    ISBN 90 5759 237 1
    46 p. | 12,90 euro

  • Het Liegend Konijn, Hiernamaals,Jozef Deleu (red.)

    Het liegend konijn is een bijzonder dier: vermomd als redacteur Jozef Deleu rooft het al drie jaar lang ijverig de nesten leeg van een groot aantal dichters, om de buit twee keer per jaar -steevast in april en oktober- met Vlaamse en Nederlandse lezers te delen. Naast een vaste tekst van Paul van Ostaijen op de achterflap en meestal een kort inleidend woord van de redacteur tot de lezer biedt het konijn werkelijk niets dan wat het bieden wil: nieuwe, nergens eerder gepubliceerde gedichten.

    Verreweg de meesten die Deleu vraagt aan Het Liegend Konijn bij te dragen, zijn vooraanstaande en bekende dichters, al laat hij bewust elk nummer ook de ruimte aan minstens één debutant. Een solide werkwijze die zijn waarde reeds bewezen heeft door te resulteren in een halfjaarlijkse traktatie voor poëzieliefhebbers. Maar na vijf halve jaren besloot het konijn het eens iets gerichter en grootscheepser aan te pakken: 57 Nederlandstalige dichters (34 Nederlanders en 23 Vlamingen) werd gevraagd om nieuw werk te schrijven over ‘het hiernamaals’. Dit leverde maar liefst 143 gedichten op, alfabetisch gerangschikt op naam van hun makers, een schatkamer waarin men moeiteloos maandenlang kan dwalen. Zelf ben ik nu al ruim twee maanden dwalend tussen de B van Jan Baeke en de Z van Ad Zuiderent, soms aan een paar pagina’s wat sneller voorbij stappend, dan weer langere tijd aan de grond genageld door een gedicht als ‘Daaag’ van K. Michel, dat wat weigerachtig aanvangt met:

    zolang ik er niet geweest ben
    voel ik me niet geroepen
    over het hiernamaals
    iets substantieels te beweren
     

    om zestien regels later, nog altijd het opgelegde thema wat bemokkend, te eindigen met een schitterende vondst:

    ten leste moet me van het hart
    dat het hele begrip me nog het meest
    doet denken aan een verkeersbord
    (op een kruising bij Han-sur-hesse)
    met twee forse bazige pijlen
    onder die naar links
    staat toutes directions
    onder die naar rechts wijst
    autres directions
     
     
    Doordat ik het konijn van voor naar achter las, was ik eerder al stil blijven staan op vele pagina’s, onder meer gevuld met werk van (ja: namen, onontkoombaar als het er zó veel bijeen zijn) H.H. ter Balkt, Anneke Brassinga, Paul Demets, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Holvoet-Hanssen, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Joke van Leeuwen, Peter van Lier en Erik Menkveld. En nog stond me het stuiten te wachten op gedichten van bijvoorbeeld Koen Peeters, Martin Reints, Alfred Schaffer, Toon Tellegen, Marjoleine de Vos, Henk van der Waal en Nachoem M. Wijnberg. Een andere lezer zou waarschijnlijk weer andere namen naar voren halen, maar zeker niet minder, en dat maakt precies de weelde uit van dit konijn: voor zeer veel verschillende smaken valt er zeer veel te genieten.
     
    Het is bij zo’n menigte van dichters boven alles de enorme veelstemmigheid, de uitbundig gevierde rijkdom die Deleus Hiernamaals kenmerkt. In een eerder konijn liet hij zijn lezers al weten: ‘bij de keuze van de dichters koester ik het contrast’ en ‘hoe fundamenteel poëzieopvattingen ook mogen zijn, voor Het Liegend Konijn zijn ze ondergeschikt aan de poëzie zelf. Om haar en om haar alleen gaat het in dit tijdschrift.’ Moge dit voor afzonderlijke afleveringen al op gaan, met Hiernamaals heeft Deleu iets buiten-categoriaals weten te creëren: een thematisch gestuurde staalkaart van de hedendaagse poëzie, geen bundel maar een bundeling, geen nummer maar een unicum.
     
    Thomas Möhlmann

    Het Liegend Konijn, Hiernamaals, oktober 2005, jaargang 3, nummer 2.

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu. Halewyck, Leuven & Meulenhoff, Amsterdam.

    www.hetliegendkonijn.nl & www.hetliegendkonijn.be

  • Proeven van moord,Elly de Waard

    Poëzie die zichzelf uitlegt

    De dood is alom aanwezig in de nieuwste bundel van Elly de Waard. Het titelgedicht ‘Proeven van moord’ in vijf delen beslaat zelfs een hele afdeling en is duidelijk gemaakt naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn.

    ‘Van de schedel, de tere schaal
    doorschoten
    met zwaar kaliber
    materiaal, zwaar metaal’

    Van dit soort poëzie houd ik niet zo. Het is poëzie die beschrijft, niets toevoegt aan wat er gebeurd is, behalve wat klankrijm dat tekortschiet bij de werkelijkheid. De dichteres is zich hiervan bewust: ‘Hoe kan ik een stof, die ik niet / heb aan kunnen raken beschrijven? / Hoe moet ik een moord, die nog zo / kort geleden gepleegd werd, in zijn // verre strekking begrijpen?’ Het antwoord op deze prozaïsche vraag volgt in de rest van het gedicht. De dichteres kijkt naar het nieuws en kijkt er van weg. De Waard laat het bij de beschrijving.
    Het is dan wonderlijk dat je in de volgende afdeling (‘In memoriam’) weer een gedicht aantreft van drie bladzijden over dezelfde figuur: ‘De ballade van de vermoorde politicus’. En weer erg beschrijvend.

    ‘Een man ligt op het plaveisel
    van het nieuwscentrum van het land
    uit zijn glanzend hoofd, teer en dooraderd
    komen zwarte bloedvlechten, lang’

    En dan volgt ook nog een gedicht over Theo van Gogh (‘De zwijgende slachter, die / Theo van Gogh vermoordde’) waarin De waard de tegenstelling tussen de roemruchte spreker en de zwijgende slachter als uitgangspunt heeft genomen. Deze gedichten hebben niet veel te zeggen. Ze constateren, de lezer begrijpt ze, maar de gedichten schokken niet (daarvoor zijn de gebeurtenissen zelf al schokkend genoeg), deze gedichten missen de poëtische kracht om zelfstandig verder te gaan. Maar misschien vergis ik me en krijgen de gedichten over vijftig jaar, als ze losgezongen zijn van hun context, een grotere zeggingskracht.
    Na Theo van Gogh volgen nog meer doden: Kees Ouwens, Amy Clampitt, een onbekende en natuurlijk Chris van Geel.
    Ook in de rest van de bundel, waarin de gedichten niet direct aan personen zijn opgehangen, heerst het thema van de dood, van de verglijdende tijd: in een ode aan de ruïnekerk van Bergen, in een herinnering aan haar jeugd, in natuurbeschrijvingen. Verrassend is De Waard bijna nooit. Behalve in het gedicht ‘In het ondiepe’.

    Op de bodem van de zee
    ligt het uitgebeende skelet
    van een plastic beker

    Wonderlijk dat zelfs een beker
    een skelet heeft, je zou zeggen
    dat het zelf een skelet is
    voor bijvoorbeeld water

    En ongelooflijk eigenlijk dat
    de zelf geraamteloze zee
    het achteloos verhief
    tot het kwadraat van een skelet
    en ook dat weer verwierp

    Ook hier storen me de prozaïsche zinnen, het gebruik van het woordje zelf, maar er is geprobeerd om met een opvallende observatie iets meer te doen. Wat mij hindert is de dichteres die zelf in het gedicht expliciteert wat wij als lezers moeten vinden (‘Wonderlijk dat zelfs’ ‘En ongelooflijk eigenlijk dat’). Ook in een ander gedicht, ‘Zien II’, doet ze dat. De dichteres denkt eerst een gewonde fladderende vogel te zien, maar na nog een keer goed kijken ziet ze dat het twee parende vogels zijn en dan volgt ‘en ik stond verrast, dat / de verrukking en de pijn // in uitdrukking zozeer / hetzelfde kunnen zijn’.
    Poëzie die zichzelf uitlegt: het is niet mijn soort poëzie.

    Coen Peppelenbos

    ELLY DE WAARD: Proeven van moord. De Harmonie, Amsterdam, 64 blz. €14,90

     

  • Windroosserie,Diverse auteurs

    Onder redactie van Henk van Zuiden en beschermheerschap van Simon Vinkenoog gaf uitgeverij Holland dit jaar in één keer vier debuten uit in de Windroosserie.

    De debutanten zijn Tom Zinger, Robin Block, Sander Koolwijk en Pom Wolff. Een korte introductie van deze  min of meer bekende en minder bekende namen: Zinger kennen we uit Tzum en Dichters in de Prinsentuin. Block publiceerde in Krakatou en Mens en gevoelens. Koolwijk werd dit jaar Nationaal Slamkampioen en Wolff is bestuurslid van De School der Poëzie te Amsterdam en adviseur van het Cornelis Vreeswijk Genootschap.

    Tom Zinger, tja. Zijn bundeltje heet Rauw boy blues en dat is grappig. Wel net zo grappig als het volgende gedicht:

    Rotterdam

    Been there,
    rot dat.
    Niks an,
    kutstad.
     
    De gedichten moeten blues zijn, maar zijn over het algemeen wat weeïg, of flauw. Het rammelt en rijmelt. Nee, dan Robin Block met zijn bundel Bestialen. Vele malen origineler, alhoewel de woorden net zo wild over het papier dansen als bij Van Ostaijen. Desalniettemin is het geen jatwerk; het heeft een unieke sfeer: mysterieus en twijfelachtig. En juist dat maakt de gedichten robuust. Lees maar:
     
    Lolita
     
    alsof ik jou ooit anders kende
    dan onwennig kinderstemmetjes

    Misschien als je vlechtjes groeit
    behaagziek laatste melktand hoont
    in blootgelachen rokje
    mij vermaakt met klunzige pasjes
    hou ik pink aan pink je liefde vast
     
    Het derde bundeltje draagt de titel Onder dak en is van Sander Koolwijk. In deze bundel gedichten overwint de taal, in soms rauwe, soms lieve gedichten, soms treffend, soms net niet.
     
    Angst
     
    Het mes, geslepen,
    schokkend over huid
    laat sporen achter
    die weer drogen,
    als de woede verder kruipt.
     
    Ik stel mij voor dat het bovenstaande gedicht ingrijpend moet zijn, maar het komt eerder wat blasé over terwijl de titel anders doet verwachten. En zo slaat Koolwijk naar mijn idee de plank vaker mis. Ik ontkom er niet aan zo nu en dan mijn schouders op te halen. Dan maar naar de bundel van Pom Wolff. Je bent erg mens heet zijn debuut. En ja, dit is veruit de beste uit deze Windroosserie. Originele weerbarstige, overtuigende indringende poëzie. Wolff is een soort prekende Komrij; geen illusies, alleen de harde werkelijkheid. Een uitstekend voorbeeld is het volgende gedicht:
     
    Kind
     
    likbaar koud verkild een liedje
    totdat het over is voorbij
    een houtje nog om op te bijten
    kun je daarmee leven
    je zal wel moeten
    ik heb het over unterwelt
    waar demonen schatten zijn
     
    waar zij regeert is zij vernederd
    het liefst ontkend
    een onbestaanbaar niets
    zo onbestaanbaar kan het liefste zijn
    de vrouw die je net een hand gaf
    dat was je moeder jongen

    De bundel die geen illusies kent, wint het wat mij betreft van de andere drie bundels die soms hoteldebotel zijn. Zo zie je dat poëzie alles met de werkelijkheid te maken heeft.

    Wouter de Vries

  • Formosa,Lloyd Haft

    Bloei op de leegte overbrengen

    Formosa is de oude naam voor Taiwan. De Portugese zeevaarders vonden het eiland zo mooi dat ze het ‘ilha formosa’ noemde, formosa: mooi, ‘zoals een vrouwengestalte mooi kan zijn’. Ook de VOC die er een kleine veertig jaar de dienst uitmaakte noemde het zo. De sinoloog Lloyd Haft, die in Leiden doceerde en wiens negende dichtbundel deze titel draagt trouwde er met een Taiwanese vrouw en vond er volgens de flap een derde vaderland.
    In zijn nawoord schrijft Haft dat hij Taoïstische teksten leest, ‘niet meer om de de meditatie-procedures van de ‘innerlijke alchemie’ die moesten uitmonden in het opkomen van een onsterfelijke ‘innerlijke foetus’. Ditmaal werd ik in ontroering gebracht door de eeuwenoude elementaire woorden zelf –water, vuur, aarde, licht. De taal die de mogelijkheden van mijn onsterfelijkheid moest aangeven, ervoer ik niet meer als een particuliere zaak, die op een binnenspel tussen mij en mijn eigen gedachten sloeg. De omhelzing van water en vuur, het warmen van de aarde door licht waren niet zomaar kloppingen van mijn geest, die ik zou moeten leren onderscheiden van een nog ‘innerlijker’ geest die ‘echter’ zou zijn en de waarnemingen overleven zou. Ik zag ze nu in de berglandschappen van Hunag Junbi, in de huizen en rivieren van Joseph Yen. In Formosa zag ik ze.
    Begon ik al te voelen, niet door meditatie maar door levend onder de levenden te zijn, wat de oude tekst noemde ‘lichaam buiten het eigen lichaam’?’
    Als illustratie van deze vraag, waarmee Haft zijn nawoord afsluit het gedicht:

    Tijdens je afwezigheid las ik een taoïstisch boek over ‘de alchemistische kunst van het door de schedel uitdrijven van de gerijpte Foetus’

    Mijn ‘nieuwe, onsterfelijke
    Zelf’ – moet ik zoiets
    van binnen bedenken, ‘de adem
    samenballen dan

    uitdrijven’ tot het geluk
    eindelijk in klein-eigen gestalte
    me boven het hoofd uit
    kruipt en blijft hangen?

    Nee, geluk
    drijft mij binnen,
    krijg ik in je adem
    over – warm,

    warm dat ik niet meer
    afdrijf, ik die nu
    hier blijf waar ik je
    adem en ontvang.

    Hier wordt bijna ironisch afstand gedaan van de alchemistische procedure, waarvan de omschrijvingen tussen aanhalingstekens worden gezet. Maar aan de andere kant lijkt het alsof er alleen afstand wordt genomen van de schoolse Tao, omdat een nieuwe fase is aangebroken. De woorden warmte, vuur, schaduw, bodem, water, alles wat maar verwand is aan de elemeneten die Haft noemt in zijn nawoord spelen een grote rol in deze bundel.
    De gedichten stralen een wonderlijk soort elementaire rust uit, een serene vreugde over een nieuw tijdperk. Dat is een omschrijving die mij anders misschien met een apert wantrouwen zou vervullen, maar niet hier. Waarom eigenlijk niet? Misschien omdat oosterse mystiek lichter verteerbaar is dan westerse mystiek. Misschien ook omdat het aandachtig kijken en het aandachtig beschrijven van wat gezien wordt teveel helderheid garandeert. Er is geen sprake van een zweverige bundel. Het is de zweverigheid voorbij.

    In de bundel staan vijf afdelingen waarvan de tweede en de vierde ‘Naar schilderijen’ zijn, van Huang Junbi en van Joseph Yen.

    Het laatste gedicht van de serie naar schilderijen van Junbi:

    Restant

    Licht is er over –
    iets blijvends
    boven een rots
    water en oever voorbij

    niet van een kleur
    maar alle kleur houdend
    hoog in de mist waar de regenboog
    de pauwstaart schitterend stijgt,

    iedere druppel een parel
    aan een van de vindende vingers
    die de dag als blinde tastend
    als een blinde spreidt.

    Ieder een spiegel
    met mij gekomen,
    een van de stromen,
    een van de wegen naar mij.

    De Weg blijft blijkbaar een belangrijk gegeven, getuige ook de aansluiting op de volgende afdeling die ‘Alle reis is naar zich toe’ heet.

    Deze bundel is op een ongebruikelijke manier tweetalig. Weliswaar links Engels en rechts Nederlands, maar van een eigenlijke vertaling is vaak geen sprake, het gaat meer om twee nauw verwante gedichten met in elke taal eigen nuances en eigen keuzes. De laatste twee strofen van het gedicht hierboven luiden in het Engels bijvoorbeeld:

    showing each drop
    as a round of the many,
    one of the manying reaches
    of light’s ever-widening hand.

    Each is a mirror,
    Each is a member of me,
    Showing a way that I came,
    Gleam of the river I am.

    Het maakt deze gedichten minder definitief, het feit dat je in de andere taal net een ander schikking aantreft, een andere balans in wat er staat; het beeld verschiet. Het sluit ook haarfijn aan op de intensitit van de waarneming die aan de meeste gedichten ten grondslag ligt; als je een stap naar rechts zet ziet alles aller er net anders uit. En kijk dan opnieuw. De bundel Formosa is een hecht kunstwerk dat zowel persoonlijk als onpersoonlijk is, zowel dogmatisch als vrijgevochten, zowel de weg bewandeld als erop stilstaat. Haft definieert een eigen alchemie die alleen door de weg die hij gegaan is tot stand kon komen. Deze alchemie heeft de tweetaligheid nodig, heeft een bewustzijn nodig van zowel oost als west. Er zijn gedichten in Formosa die een schilderij als van Huang Junbi in taal vatten, het beeld larderen met veel persoonliker elementen (wat Haft misschien noemt: levende onder de levenden zijn’.

    Kersenbloesem, pruimenbloesem
    Voor Fou Wei-sin

    Zoals de daken der mensenhuizen
    een vorm aan de hemel verlenen
    brengen de bomen plots
    bloei op de leegte over.

    Pruim uit het oosten,
    kers van over de zee –
    hoe weten zij bij ons
    uit te komen?

    Hoe in de winterse dag
    handvormig bloeien, licht
    vingervormig leggen?
    Je wijst, wil dat ik ook

    zie hoe zij groeien: kers
    recht pruim dwars, twee wijzen
    van reiken. Nee:
    reiken doen wij alleen. Zo

    meteen breng je me naar het
    station, reik ik je
    een hand en ben weg:
    weg als de kou uit de bomen.

    Dit gedicht dat evenals het openingsgedicht oktober lijkt te onderzoeken wat het kijken naar een boom het heden van de mens te bieden heeft, vertakt steeds verder naarmate je het vaker leest, het Engels ernaast leest, de vier gedichten achtereen leest.

    Alleen al deze gedichten hebben een lange weg in de Nederlandse poëzie te gaan.

    Menno Hartman

    Lloyd Haft Formosa Querido 200

  • Ironisch en toch aardig

    Ironisch en toch aardig

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Er zijn dichters die het moeten hebben van grote woorden en brede gebaren, regels vol klankassociaties en dreunende ritmes. Niets van dat al is terug te vinden bij Wim Brands, die met Ruimtevaart zijn eerste bundel heeft gemaakt bij zijn nieuwe uitgeverij, Nieuw Amsterdam. Brands is vooral bekend als radiomaker en sinds kort ook als de enige maker van een boekenprogramma op tv (na Buitenhof op de zondagmiddag). Als je Wim Brands als dichter zou moeten indelen dan zou je zeggen dat hij Barbarberachtige poëzie schrijft. Verzen zonder al teveel opsmuk, de zaken concreet benoemend, met gewone woorden de lezer toch in verwarring achterlatend.

    Giraffe

    ‘De giraffe komt van Neptunus.
    Hij daalde af op een lange,
    snelle roltrap.

    De giraffe kan goed dansen.
    Vraag alleen nooit

    naar de naam van een dans,
    dan wordt hij boos.

    De giraffe is overigens
    ook verantwoordelijk

    voor negentig procent van
    wat we in spiegels
    zien.’

    Het lijkt op een moderne variant van wat we bij Jacob van Maerlant lezen wanneer hij de afkomst en de bijzondere eigenschappen van dieren beschrijft. En alhoewel de woorden volkomen duidelijk zijn, is de betekenis vrij absurd. Het mooie is dat Brands daarbij geen ironie gebruikt; door stellige beweringen te doen werkt het gedicht wel ironisch. Door quasi gewichtig witregels te gebruiken wordt ook de versvorm geïroniseerd.

    Terugkerend thema in de bundel is de vergankelijkheid. Maar ook dit zware thema wordt licht beschreven: ‘Ze hangt als een boodschappentas / aan mijn arm en ik bedenk / wat er met haar // uit mijn leven verdwijnt: Buisman / een stoof, de theemuts.’ En zo vangt de dichter wel vaker anekdotes uit zijn dagelijkse leven in een gedicht die je ook weer door de eenvoud kunnen raken, zoals een moederfiguur die thuis al stickers zit te typen waarop staat de het goed met haar gaat en die ze op vakantie kan posten naar huis.

    Dat gedicht is licht humoristisch, maar heeft wel een melancholische ondertoon. De moeder wordt niet te kijk gezet met haar ietwat rare actie, maar wekt mededogen op omdat in de eerste strofes staat dat zij pas is gaan reizen sinds de dood van haar man. ‘Alles O.K. hier. Ma.’ Geschreven aan de keukentafel, maar gepost in het buitenland werkt dan haast als een bezwering. Er staan meer van dat soort gedichten die direct aansluiten bij de werkelijkheid en ondanks een grappige ondertoon toch gewoon een aardig portret geven van de beschreven mensen. In het titelgedicht komen de grootouders van de dichter aan het woord die niet geloofden in de landing op de maan, maar wel in de landing van een engel op aarde. De bundel Ruimtevaart is een welkome verademing in het poëtische landschap.

     

     

  • Hier is de tijd : gedichten

    De flarden van iets mateloos naar het heden zingen
    over Alles is nieuw van Esther Jansma (maar niet de titelkeuze, want Coen schreef er ook al over)

    Er is een gedicht van Leopold dat op middelbare scholen geldt als het voorbeeld van het symbolisme bij uitstek: ‘ Regen’ . Een regendruppel hangt aan het raam en de dichter ziet er de wereld in vergroot, de gehele schepping er in samengevat: ‘wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal.’ Het toont heel scherp hoe iets in zichzelf heel nauwkeurig een weergave geeft van iets wat zich erbuiten bevindt. De etymologie maakt het eenvoudiger: sym bolon (Gr) betekent samen-gooien, een steen of een bot werd gebroken en de breukranden pasten alleen op die ene andere helft. Een Klassieke variant van het romantisch doorgescheurde tientje dat in films dan na twintig jaar beduimeld uit een portemonee wordt gevist.

    Esther Jansma doet iets als Leopold deed in haar laatste bundel in het gedicht

    Het begin

    Opeens zag zij hoe groot de wereld was.
    Niets was zoals zij het verwacht had
    de dingen waren voller dan zij dacht

    en kleurrijker, al kijkend door het glas
    dat haar gevonden had zag zij de binnenkant
    van schelpen, wat daar doorheen bewoog

    was vorm en puur zichzelf en tegelijk
    een regenboog van mogelijkheden
    tot leven geblazen, verloren, hervonden

    nadat de eeuwen er hun parelmoer
    overeen penseelden, zo breekbaar als wat
    lag het daar, zomaar in haar hand.

    Die ‘regenboog van mogelijkheden tot leven geblazen, nadat de eeuwen er hun parelmoer overheen penseelden’ is een sensatie die vaak terugkeert in deze bundel. Esther Jansma, archeologe, combineert de professionele en dichterlijke fascinatie om het verleden te ‘lezen’ in deze bundel nog weer wat gestroomlijnder dan in de vorige twee bundels Hier is de tijd(1998) en Dakruiters(2000).

    ‘Alles is nieuw’ en de afleiding van deze bewering, ‘ Voortdurend nu’ , de naam van de eerste van de vijf afdelingen van de bundel, is het destillaat van de gedachte dat in de vondst van een snipper verleden door de goede intermediair, de dichter, de archeoloog, dat verleden levend, tegenwoordig te maken is. De archeoloog leest in de vondst, in het bodemonderzoek, hoe het geweest is, de dichter maakt aannemelijk dat het niet anders geworden is. Een huis is een huis, een muur is een muur. Een dak is een dak, een deur blijft een deur. Voor Jansma zijn dit levende symbolen die in hun tijdloosheid op zichzelf de afstand slechten tussen de mens die daar vandaag doorheen loopt, en de mens die hem in 100 na Christus dichtmetselt.
    Hoewel het gebruik van een ‘format’ op de loer ligt omzeilt Jansma dit meestal. De archeologe biedt een beeldenarsenaal waar je lang in mee wilt gaan. Wel is de bundel in zijn geheel wat minder verontrustend dan de laatste bundels, er is een zekere genoeglijkheid ingeslopen.

    (…)
    Iemand moest ernaar kijken en zeggen: wat is het
    dit is het, en waar was het, een huis met een haard-
    plaats mensen die daar zoals altijd en altijd
    voor het eerst in het nu zichzelf zijn

    (…)

    Een lichte ‘ verkoplanding’ zou je kunnen zeggen, is waarneembaar. In het bovenstaande fragment in het typische enjambement ‘ wat is het/dit is het’, een stijlvorm die heel direct de vraag afdekt met een toch geruststellend antwoord. De filosofie van het geluk. De weg naar de berusting. Iets wat je van een psychiater dan weer beter hebben kunt. Bij Kopland merkte je het even, in de laatste twee bundels wordt weer wat meer geproblematideerd, een zeker rustgevend ‘ niet antwoorden’. De vraag die gesteld werd, maar de vraag laten. Wat is het, dit is het. In de laatste afdeling van Alles is nieuw zie je dit scherp in een kleine cyclus met de naam:

    Wat het is

    Het is altijd vandaag, het is altijd het huis
    dat al oud is, het is altijd de man of de vrouw
    die op de klok kijkt, de deur sluit en weggaat
    de slaap in, de stad in, de trein neemt

    het is altijd dezelfde die blijft in het lichaam
    met spijt om de tijd die gemist wordt terwijl
    het einde er zachtjes in neerdaalt, altijd
    het besneeuw raken van het bekende (…)

    Je voelt bijna de appelboom opduiken. Dit is een betrekkelijk confortabele poezie die een licht melancholische toon heeft. Dat vind ik niet de sterkste kant van de bundel. Misschien is het juister te zeggen: dat is niet waarom je Jansma zou moeten lezen. Ik lees liever de wat hoekiger Jansma, je hoort verschil ook goed als je hardop gaat lezen. Nogal muzikale poezie blijkt dan. Dit is bijvoorbeeld veel sneller, vitaler:

    128 na Christus

    Ik kom uit de modder, ik heb met cohorten
    tot mijn nek in de drek van dit ondermaanse
    bossen geslecht, wegen verlegd en hersteld
    de rijksgrens herbouwd. Plekken gezien

    man, de grond daar, papzacht, men verrekt er
    van blubber, vreet smurrie, woont in gehuchten

    (…)

    Jansma heeft het beeldenmateriaal van de archeologie, het fenomeen van de vondst, het lezen van het verleden, uitgewerkt tot een kleine filosofie van de tijd. Zo kun je de bundel rustig lezen. Het werkt ook de andere kant op. In het gedicht ‘Te lezen bij sneeuw’ , kijk je naar kinderen die ooit speelden in de sneew, waarvan dan later beweerd wordt dat het nu is, vandaag. Dat is de stap van verleden naar heden. Maar dan volgt: ‘ De kinderen spelen zoals ze spelen, omringd door tijd waar jij niet bent. Jij kijkt naar hun herinneringen.’ Wat het tijdsbeeld nog weer verder uitrekt naar de toekomst, je bent waarnemer van een heden van kinderen, dat zij zich ooit zullen herinneren, zonder jouw aanwezigheid. En waarom ‘ Te lezen bij sneeuw’ ? Omdat de dimensie zich dan nog verdiept, weer een tijdlaag, weer spelende kinden en hun aanstaande herinneringen. (Het gedicht is overigens ook heel goed te lezen bij “Een sneeuw” van Leopold).

    Esther Jansma is een van de beste dichters van nu, de gedichten kan je om blijven keren en vervelen doen ze niet, haar taal heeft een eigen souplesse die niet snel tegen staat, ze heeft thema’s waar ze grip op heeft. Nu hopen dat ze uit de behaaglijke warmte van het haardvuur blijft.

    Esther Jansma Alles is nieuw Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

    Menno Hartman

  • Recitatief

    Toen dichters hun zinnen nog begonnen met O

    Nu Nederland meer dichters dan poëzielezers kent, is het wel eens prettig om het verleden in te duiken. Gewoon omdat je wel eens af wilt van de hijgerigheid van het actuele en omdat je nog veel bundels ongelezen in de kast hebt staan. Ab Visser is voor mij niet helemaal onbekend. In mijn voorliefde voor A. Marja kwam ik hem regelmatig tegen, meestal als slachtoffer van deze Groningse practical joker. Zo links en rechts had ik al eens een roman van Visser gekocht op een rommelmarkt en in mijn boekenkast staan twee bundels van deze auteur. Recitatief, een bundel uit 1956, verscheen in de prachtige reeks de Boekvink. Voordat het boekje vijftig jaar oud is, werd het eens tijd om het te lezen.
    Dat viel niet echt mee. Vissers verzen zijn zeer toegankelijk, maar dan ook zo toegankelijk dat je nergens langer dan drie minuten over hoeft na te denken. Hij is zo expliciet dat het niet mooi meer is. Zie bijvoorbeeld de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Ik was zo eindeloos…’

    'Ik was zo eindeloos
    droevig vandaag
    dat ik alleen door
    het regendorp liep
    en de boomkruinen
    zeven hemelen diep
    zag weerkaatst in
    pokdalige plassen.'

    Erg veel poëtische spanning zit daar niet in. De laatste strofe begint met ‘O de hoge bruine / lentebomen’. Daar houdt Visser van, dat lyrische O aan het begin van de zin. ‘O laat mij niet’ ‘O zie, mijn vingers tasten week’ ‘O geef mij opnieuw de bomen’ ‘O tijger pijn, ik ken je’ ‘o paard van Troje’ ‘Dan, o dood, zal doen verwaaien’ ‘O het kortzichtig / dwepend misverstaan’ ‘En o vergeet dan nooit de / snelle eindeloze nachten’ ‘O gun mij die zegenvierende, troostende lafhartigheid’. Ook het eindrijm dat Visser gebruikt laat soms te wensen over. Tussenpozen rijmt misschien op klaprozen, maar dan moet je wel met de klemtonen goochelen.
    De laatste rijmelarij komt uit het gedicht ‘Epitaaf’ waarin hij nogal duidelijk verwijst naar zijn eigen ziekte: Bechterew.

    ‘Ik was een distelveld vol pijn,
    een braakland, met bij tussenpozen
    de al te snel verwaaide bloei
    van koolzaadbloemen en klaprozen.’

    Op de een of andere manier ontroert die strofe me ook. Naast alle kritiek die je terecht kunt hebben op deze regels geven ze wel een volstrekt eerlijk beeld van de eigen toestand, met misschien ook een verwijzing naar zijn eigen literaire carrière.
    Voor het gedicht dat er op volgt geldt hetzelfde:

    Tijger pijn

    O tijger pijn, gevangen
    en gekooid voortaan
    in mijn ziek lichaam,
    tijger pijn,
    met ingehouden adem
    let ik op het scherpen
    van je nagels die met
    schrammen van venijn
    ’t mene tekel kerven
    aan de dunne wand
    van mijn bestaan.

    O tijger pijn, ik ken je
    grillen van je hees
    gegrom en zachte spinnen,
    tijger pijn,
    als een dompteur ben ik
    gedoemd om jou in toom
    te houden en te winnen.

    Tijger pijn,
    jij blijft gereed
    voor een onverhoedse
    aanval en een laatste
    dodelijke beet.

    Ab Visser heeft literair nooit veel succes gehad en dat is te begrijpen als je deze bundel leest. Het gaat veel over de dood, zonder dat je er ooit een interessante gedachte over leest. De gedichten zijn geschreven in een tijd waarin er volop geëxperimenteerd werd met de vorm en deze gedichten zijn anekdotisch van aard. En toch, en toch toont de dichter zich naakt aan zijn publiek: met zijn pijn, met zijn vertwijfeling en met een pijnlijk inzicht in het eigen onvermogen tot een groots en meeslepend leven, zoals blijkt uit het laatste gedicht uit de bundel.

    Avondliedje

    In de stilte van de kamer,
    die als gaslicht om ons suist
    groeit een ademloze teerheid,
    als jouw blik de mijne kruist.

    In de straten wordt het rustig;
    die nog langs gaan, weten niet,
    dat er hier geluk mocht bloeien
    aan de springbron van ’t verdriet.

    Kon het avond zijn en blijven,
    nu de dag voorgoed verglijdt.
    O gun mij die zegenende,
    troostende lafhartigheid!

    Dat is geen grote poëzie. De tweede strofe is zelfs hemeltergende kitsch, maar de twee laatste regels zijn dan weer ontwapenend eerlijk. O arme Ab Visser, wie leest je nog, wie heeft je ooit gelezen?

    Coen Peppelenbos

    Ab Visser: Recitatief. De Arbeiderspers 1956. 30 blz. (alleen antiquarisch verkrijgbaar)

  • Op de hoge

    Leer het zwijgen

    Om nou te zeggen dat het goed gaat met het christelijke thema in de Nederlandstalige literatuur, is wellicht wat overdreven. Maar getuige de laatst gelauwerde schrijvers en uitgegeven boeken, leeft het thema zondermeer.

    Vorig jaar nog won Willem Jan Otten de Libris Literatuurprijs met de roman Specht en zoon, waarin het paasverhaal op kunstige wijze is verweven. Een week geleden mocht Jan Siebelink de AKO Literatuurprijs in ontvangst nemen voor zijn indrukwekkende roman Knielen op een bed violen. In dit boek beschrijft hij het aangrijpende verhaal van een door godsdienst bevangen vader. Onlangs kwam het dagboek Barsten uit, van Désanne van Brederode. In dit boek behandelt ze niet alleen actuele thema’s zoals het integratiebeleid, maar ook haar beleving van het geloof.

    Hierboven zijn misschien maar drie voorbeelden genoemd (weliswaar in kort tijdsbestek uitgegeven), de discussies over deze boeken zijn in de media niet te omzeilen. Op televisie is Siebelink een graag geziene gast, Otten was wekenlang in discussie met sceptici als Kousbroek en zijn keuze voor het katholicisme is uit en te na besproken. Brederode zien we terug als controversiële gelovige in tekst en uitleg. In de kranten wordt breed uitgemeten over het christelijke thema in de literatuur.

    Siebelink beschreef het in het NCRV-programma Schepper & Co. als een vlucht uit de snelle en als maar op macht beluste maatschappij. Zijn boek is dreigend traag geschreven. Al het materiële wordt aan de kant gezet; de vader is alleen nog op zoek naar zichzelf. Deze tendens zien we ook terug in de poëzie van Willem Jan Otten. Zinnen als: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken’ stralen een rust uit die haaks staat op de competitieve samenleving.

    In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen lijkt het mij goed om op deze plek een bundel te bespreken waarin geloof een belangrijke factor is. In 2003 gaf Willem Jan Otten de zoekende bundel Op de hoge uit. Ik bespreek voornamelijk het eerste deel van de bundel en dan met name het titelgedicht. Wij lezen:

    OP DE HOGE 

    Liep augustus op zijn einde,
    sloot de badmeester de hokjes af,
    fietste neuriënd september in.

    Niemand was er dan ook bij
    dat ik de plank betrad. Ik was
    geblinddoekt als een deserteur.

    Dit zijn de stappen bang bang bang.
    In het Bosbad op de hoge
    zweet men het peentje bangverlang.

    De zon stond even laag als ik en stond
    op punt van zakken in de grond.
    Wie mij naar boven had gebracht?

    Ach mijn lief. En ik wist: morgen
    word ik wakker maar ontkomen
    kan ik niet. Uit de schoonspringdroom

    ontwaakt men met de schoonspringdroom.
    Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
    De aanstalten. Ik sta precies

    zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
    Dit is de toegedachte afstand tot
    het lussenwevend water doopselzacht.

    Het heeft me altijd opgewacht ?
    maar waarom vrees ik dan ineens het bad
    alsof het heel snel leeggelopen is?

    Dat zo ik sprong ? ik wil, ik wil ?
    ik vallen zou en niets mij ving?

    Uit: Willem Jan Otten, Op de hoge, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2003

    In dit gedicht staat de ik-figuur op de hoge duikplank. De badmeester heeft het zwembad verlaten en ‘fietste neuriënd september in’. Hij staat alleen, op zichzelf aangewezen, want ‘niemand was er dan ook bij / dat ik de plank betrad.’ Er is iets buiten hemzelf: het wordt hem onzichtbaar gemaakt en hij loopt weg van zijn eigen wil: 'Ik was / geblinddoekt als een deserteur.' De keuze om op de hoge te staan, heeft hij niet zelf gemaakt. Maar hij weet ook niet wie hem naar boven heeft gebracht. De ik-figuur is overgeleverd aan de ‘schoonspringdroom’ en kan alleen nog ontwaken mét de ‘schoonspringdroom’. Die sprong in het diepe krijgt hoegenaamd een religieus karakter in de zevende strofe, waar staat: ‘Dit is de toegedachte afstand tot / het lussenwevend water doopselzacht.’

    De twijfel, de overgave, de twijfel, de overgave; het is een herhaling van angst, wellicht van angst voor bevrijding: ‘waarom vrees ik dan ineens het bad / alsof het heel snel leeggelopen is?’ Toch heeft hij geen keuze om te springen; de ik-figuur móet wel. Iets heeft hem bevangen, aangegrepen en dat het zo ingrijpend is, bewijzen de volgende woorden: ‘Ach mijn lief. En ik wist: morgen / word ik wakker maar ontkomen / kan ik niet.'

    Op de hoge is niet het eerste gedicht waarin Otten zijn keuze voor het christelijke geloof verwoordt. Al eerder, in de bundel Eindaugustuswind (1998), is het ook het titelgedicht dat een bijna angstige overgave weergeeft en tegelijkertijd een ingrijpend bewustzijn, dat hem geen keuze laat. Echter, in Op de hoge zien we de oorzaak en het gevolg; de periode vóór en ná de bekering. Dat maakt het gedicht ‘Op de hoge’ tegelijkertijd tot een sleutelgedicht.

    In een interview met Vrij Nederland vertelde Otten een anekdote over het wegdoen van zijn boot. In het vooronder had hij, in een aartsdonker gedeelte, een opdracht gekrast. Deze opdracht was alleen te lezen als je met een zaklamp in de boeg dook. De gedachte dat ooit iemand deze opdracht zou lezen vond hij spannend; deze boot zou altijd iets van hem meedragen en alleen per toeval zou iemand daar achterkomen. In het gedicht ‘Bij de verkoop van mijn boot de vrijheid’ schrijft Otten: ‘Ik heb haar van de hand gedaan …’ en later:

    ‘…Ga scheep, mijn schip,
    ga scheep in mij, er is nog maar
    één meer om op te gaan, hier, hier,
    en heel dat meer gaat, integraal,
    nu met mij scheep op jou’

    Deze veelbetekenende woorden zijn een herinnering. In ‘Op de loopplank’ zet Otten een vooruitzicht in. En wel die van een bekeerde: ‘Eén leven moest en zou voldoende zijn voor het bestaan.’

    Otten schrijft persoonlijke gedichten. Hij gaat diep, onderzoekt zijn eigen denken; hij dúrft te denken. Iets wat we al van hem kennen uit de eerlijke betogen over pornografie. Hij is niet bang voor de confrontatie, dat merk je in zijn hele oeuvre. Het is een constante zoektocht naar zichzelf, naar het behoudende in hem en de bevrijding buiten hem. Maar er is meer, want we lezen ook beschouwende gedichten: over de vuurwerkramp in Enschede, het huwelijk van prins Willem Alexander met prinses Máxima of over de schietpartij in Gorinchem. Ondanks deze onderwerpen blijft de poëzie van Otten een vaak ingewikkelde constructie van aards en hemels denken, of beter: bidden. Het is een opeenstapeling van ordinaire beelden en zweverige metaforen, maar dat maakt de poëzie bijzonder:

    ‘Er bestonden neuriënde mensen. Ze waren niet te kennen
    anders dan van zwaaien fietsend naar de Albert Heijn.

    Ze weefden zwaaiende een kyrie dwars door de nieuwbouw
    heen. Alleen wanneer ik neurie, wist ik, weef ik mee.’

    Het tweede deel van de bundel handelt over Alexander de Grote, een onderwerp waarover we volgend jaar ook een toneelstuk van Ottens hand mogen verwachten. Gedichten over een veroveraar, die overwonnen wordt door ziekte: als het stil is. En ook hierin zien we weer de woorden uit het gedicht ‘Eindaugustuswind’, die ik in eerder al aanhaalde: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken&
    rsquo;. 'En,' voegt Otten daar in de inleiding op zijn toneelstuk Braambos aan toe: 'als je stil bent, hoor je alles.'

    Het lijkt een oproep aan allen, die in elke tekst met een christelijk thema doorklinkt: staakt het roepen, leer het zwijgen. En daar zal overwinning zijn.