• Deze deur is geen uitgang,S. Mehmedinovic

    Semezdin Mehmedinovic
    Deze deur is geen uitgang

    De gedichten verzameld in Deze deur is geen uitgang komen uit twee verschillende bundels van de Bosnische schrijver Semezdin Mehmedinovic: Sarajevo Blues (1992) en Negen Alexandria’s (2002), waarin ook de reeks ‘Deze deur is geen uitgang’ is opgenomen. Mehmedinovic (1960) maakte de Bosnische oorlog van dichtbij mee in Sarajevo en vertrok meteen na het einde van de belegering in 1996 naar Washington DC. Zijn poëzie, gaande van het nog tijdens de oorlog gepubliceerde Sarajevo Blues tot de in de Verenigde Staten geschreven bundel Negen Alexandria’s, wordt gekenmerkt door een eigenzinnige, soms chaotische, maar consistente beeldspraak en een ambigue gevoelswereld die echter nooit (ongeloofwaardige) pathetiek predikt.

    Al in ‘Verlies’, de opener van de bundel, legt Mehmedinovic de tweespalt bloot die hij ervaart, of misschien beter: die hij zelf construeert, om zijn eigen leed, verleden en heden de baas te kunnen. ‘Met een scherpe schaar snoeit vader op een warme aprilmiddag de dorre takken van de fruitbomen en zingt O, ik beet in een kleurige appel…’ In één beeld van zijn vader, in één zin verwoordt en verbeeldt hij de nood die hij voelt om ‘beelden van gewone vrolijkheid’ op te roepen. Uit angst voor een vernietigende melancholie, voor de herinnering (aan zijn overleden vader) die het heden kan overwoekeren, creëert de dichter een galerie aan beelden die in staat zijn een tegengif te bieden voor die altijd aanwezige ‘dreiging’. De dorheid van de oorlog wordt geconfronteerd met een blik in een verleden dat heuglijker was. Opvallend is dat de aprilmaand (de lente) niet uitnodigt tot een projectie in de toekomst maar eerder tot een terugblik: vanaf dat moment werd alles anders.

        ik was jong, wist toen nog niet
        dat de dood gewoner is dan hij schijnt
        zo gewoon
        dat woorden erover wel leugenachtig moeten klinken

    Dat die vlucht in beelden een vorm van zelfbedrog inhoudt, beseft Mehmedinovic. In het bovenstaande fragment uit het gedicht ‘De wereld van gisteren’ wordt de eerbied voor de dood, het uitschakelen van dat onderwerp in een dagdagelijks, bijna banaal verband op een zeker moment omgebogen tot het besef dat de dood net gewoon is, dagdagelijks en banaal. Zoals hij het in het gedicht ‘Het lijk’ verwoordt:

        en ik voelde een wild verlangen om te lachen
        om jou

        omdat je deze plek de hel noemt
        en hiervandaan vlucht, overtuigd
        dat de dood buiten Sarajevo niet bestaat

    Deze regels worden oorverdovend voorafgegaan door: ‘niets in mij is veranderd’. Een uitspraak die getuigt van het verlies van een heel referentiekader. Niets in mij is veranderd, alsof alles altijd al zo is geweest, alsof de herinnering zelf dood is. Ook een vorm van zelfbedrog, en niet steeds houdbaar. Of, opnieuw in de woorden van Mehmedinovic zelf: ‘ik een vreemdeling’.

    In ‘Negen Alexandria’s’, het titelgedicht uit de gelijknamige bundel, onderneemt de dichter een reis door Noord-Amerika.

        Volgens mijn schatting, die mogelijk niet volledig is,
        Zijn er in Amerika negen steden met de naam Alexandria.
     
        […]

        Mijn reis over het continent
        Is alleen zo voorstelbaar:
        Terwijl ik van het ene Alexandria naar het andere ga
        Kom ik voortdurend aan in dezelfde stad

    Steeds naar een andere stad, met steeds dezelfde aankomst. In die zin is alles bekend; ‘Dat wil zeggen: niets is nog onbekend.’ (uit ‘Mythe en tekst’) Die tweespalt tussen bekend en onbekend reflecteert de positie van Mehmedinovic zelf in zijn nieuwe land. Als een continentale nomade, een reiziger nergens en overal thuis, is hij een buitenstaander. Hij moet de geobserveerde verschillen (met zijn verleden) erkennen, zien dat hij ‘scheef op de wereld’ staat (uit ‘Voor het verdriet van het continent’) en tegelijk zichzelf thuis doen voelen, verhuizen.

    In de afdeling ‘Deze deur is geen uitgang’ speelt de herinnering aan het verleden op; die ligt hier meer aan de oppervlakte van de gedichten, maar komt daar niet minder problematisch uit. Af en toe vervalt de dichter in een algeheel pessimisme, zoals in Een desolate februari-ochtend, in de kamer:

        Ik ben de wereld in gegaan om
        Mijn lichaam, verward door de angst om te verdwijnen, tot rust te
                 brengen

        Maar de moed zonk me in de schoenen
                                                    bij het eerste donker –
        Nu ben ik in het midden of aan het einde
                                                                     dat maakt niet uit

        van een leven dat niet eens onmisbaar was

    Ook de ‘beelden van gewone vrolijkheid’ keren letterlijk terug, als tegengif voor de dreigende, alles verterende melancholie. Misschien zelfs eerder het vrolijke gewone in plaats van de gewone vrolijkheid, een soort grijsheid zonder bagage, een leven dat – op het eerste gezicht – gewoon is. Niet de natuurlijkheid die voor Mehmedinovic een synoniem is voor bekendheid en herinnering, maar het onaangeroerde, niet door de herinnering (verdrietig of vrolijk) belemmerde leven.

        […], ze was zo gewoon dat ze

        Op deze plek een wonder vertegenwoordigde
        Nooit zal ik vergeten: niet de vrouw

        Maar de manier waarop ze zich presenteerde

    Deze deur is geen uitgang is een bundel die de lezer soms overvalt: de stijl van Mehmedinovic is niet altijd even herkenbaar of even welwillend voor de lezer. Maar onder de eerste schijnbare chaos ligt een symboliek die door Mehmedinovic secuur wordt aangebracht. De bundel zit vol verwijzingen naar ruimtes en tijden. De dichter tracht zijn plaats (voor, achter, oost, west…) te bepalen, maar merkt dat de herinnering die letterlijke bepaling in de weg staat. Alsof hij zowel de kleine ruimte schuwt en de oneindigheid niet kan verteren. Alsof hij een wereld is in gegaan, maar de daar aanwezige deur geen uitgang biedt.

    Semezdin Mehmedinovic, Deze deur is geen uitgang. Vertaald door Reina Dokter; voorzien van een nawoord door Guido Snel. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2005. ISBN 90-450-1452-1.

  • Met de huid geschreven,Aleksander Wat

    Brengt Meulenhoff ons een Verzamelde Wat?

    Aleksander Wat was zo oud als de eeuw toen hij in 1967 een einde aan zijn leven maakte. En de eeuw moet zijn sporen in hem hebben achtergelaten. Gedebuteerd als 19-jarige werd hij in Polen vooral bekend al representant van de futuristen die in Warschau in het interbellum een belangrijke stroming uitmaakten. Na een vroege flirt met het communisme werd hij – al ziek – in 1950 door vrienden in het 1 mei defilé meegesleurd, daar kon je maar beter niet wegblijven. Erg geliefd was Wat toch al niet meer vanwege zijn kracht en moed om nog regelmatig heel onwelvoegelijke dingen te zeggen, naar de smaak van het communistisch bewind. Kort voor de oorlog vluchtte Wat met vrouw en zoon oostwaarts om aan de nazi’s te ontkomen, hij werd gevangen genomen en apart van vrouw en zoon gevangengezet, pas in de oorlogsjaren hervonden zij elkaar weer. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in Zuid Europa, een warm klimaat verlichtte de helse pijnen waaraan hij sinds een beroerte leed. Pijnen die hem in 1967 uiteindelijk tot zijn zelfgekozen dood aanzetten.

    De verzameling gedichten die Gerard Rasch in 2001 maakte hoeft geen weerslag te geven van dit leven. Wat gaf die zelf al in een voorbeeldige literaire autobiografie Mijn twintigste eeuw (ook Meulenhoff). Het boek werd in gesprek met Ceslaw Milosz op band opgenomen in de Verenigde Staten in 1965. In dat zelfde jaar schrijft Wat:

    Wat heb ik hier te zoeken in de spookstad San Francisco?
    Ik was een kleine leverancier van heilbot voor de soldatendis,
    maar mijn droom was landsknecht te zijn! Branden aan te wakkeren
    in veroverde steden!
                                                   Onderwijl zit ik hier
    naar de in het water weerspiegelende vlammen te kijken.
    Staat de stad in brand? Is het de zon, een tel voor het donker?
    Haar licht teruggekaatst door de rotsen. De rotsen zijn geel als het bot
    dat schaamteloos schijnt door de gesprongen huid van de rug
    van mijn hand, roemloos gevallen, op het essenhouten blad
    van het café in Fisherman’s Warf.

    De hand van de dichter die roemloos kan vallen als een soldaat, maar dan wel op een cafétafel. Wat heeft de dichtershand gedaan in het gewoel van zijn twintigste eeuw, dat vraagt Wat zich af. Hij is er de dichter naar, want in deze bundel is te zien dat Wat wars is van mooischrijverij, van de steriele kunst, en verstilde plaatjes. Zijn geschiedenis als dadaïstisch dichter blijft zichtbaar in deze poëzie, ook als hij zelf die begintijd al heeft afgedaan. Wat esthetiseert niet maar is zo’n dichter met een stem die je bijna hoort. 

    Ode 

    We hadden indië nodig omdat het kleed uit Madras de vlekken
    van onze vette gerechten en kruiden, van onze gebonden sauzen,
    van ons vlees nog dampend van het bloed, onzichtbaar moest
    maken, want we bezaten geen wasmaschine en waren te zwak om het
    in de teil te wassen, en chemisch reinigen was verdomde duur;
    We hadden indië nodig zodat we aan tafel hymnen uit de Rigveda
    konden zingen, we bezaten nog geen grammofoon en uit de
    Japanse transistor bulderde een woeste beat die onze tere cortex
    verwondde en de wankele spiralen van het na meunier pas terug-
    gewonnen evenwicht ontwrichtte;
    We hadden indië nodig: tegen een bedelares te zeggen ‘ta twam asi’ – ik
    ben jij, en niet: rot op mens, en om de zusters van onze broeders
    aan onze god Shiwa te offeren;
    we hadden indië nodig, opdat de pest, de pokken, de cholera, drie
    vrolijke zusters, en de melaatsheid, hun broeder, met hangende
    hoofden, de armen op de borst gekruist, eerbiedig op de drempel
    van onze heilige haardstee bleven staan, beschermd door het koper
    van de mezoeza’s – medaillons – van verschillende gezindte, ddt-
    poeder en gri-gri’s;
    We hadden indië nodig, om ons met smaak, met smaak, zeg ik, ik
    herhaal: met smaak, tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te
    kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien;
    zodat de goden-monsters, goden-maskers, goden-dieren
    onze mooie en beschaafde dromen niet verpestten.

    En wat kan dat indië nou geweest zijn voor Wat? Het is een gedicht geschreven aan het eind van zijn leven, in de verleden tijd. Iéts hadden ze nodig in het leven dat ze leidden. Indië staat misschien in zijn geheel wel voor het elders in het gedicht gebezigde ta twam asi, dat ben jij, ontleend aan de upanishaden, het mystieke deel van de veda, de hindoeistische geloofsleer, in Nederland effectief gebruikt en bekend gemaakt door Dèr Mouw. De gedachte dat het ‘ik’ drager is van alles, van de kosmos. Dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Het is een begrip dat vaker in Wat’s poezie voorkomt, en misschien in zekere zin ook wel de essentie van poëzie uitmaakt, de metafoor in beginsel: dat wat in het klein iets uitbeeldt en in zich draagt dat groter is, meer betekent. Dat zou Wat’s indië kunnen zijn, een beginselverklaring achteraf, een keuze voor de poezië zodat de goden-monsters, -maskers en -dieren zijn mooie beschaafde dromen niet zouden kunnen verpesten, en, dat is wel belangrijk, je  tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien. Het samengaan van de Apollo-zijde en de Marsyas-zijde van deze dichter: dromen en naaien.

    Deze bundel brengt een aantal gedichten uit drie bundels bijeen. Je verlangt al lezend naar het hele werk, een verzamelde Wat, zoals Rasch ons een verzamelde Zbigniew Herbert heeft kunnen bezorgen. Dat mag niet meer zijn helaas. Misschie
    n kan Meulenhof een andere goede vertaler uit het Pools zo ver krijgen. Het zou passen in het machtige vertaalfonds van Meulenhoff, en aan die klassieke erfenis een mooie nieuwe zwaai geven. 

    Menno Hartman

    Aleksander Wat Met de huid geschreven, Vertaling Gerard Rasch, Meulenhoff, 2001

  • Uit zoveel duisternis,Hans Tentije

    omdat er uit de plengoffers en het grondsop
    van angst en pijn nog volop schoonheid valt te puren

    en ochtendgloren uit zoveel duisternis

    Het zijn de laatste regels van het gedicht ‘Philomela’s vlucht’ dat het laatste gedicht is van de eerste afdeling van de nieuwe bundel van Hans Tentije Uit zoveel duisternis.
    De vruchtbare basis van al dit grondsop van angst en pijn is het boek Metamorphosen van Ovidius. De afdeling bestaat uit negen gedichten die gebaseerd zijn op een verhaal uit deze bijbel van de gedaanteverwisseling. Ik zou niet met een gerust hart tien goede Nederlandstalige dichters kunnen opnoemen die nooit een gedicht baseerden op deze bijna oneindige reeks mythologische figuren die in de Metamorphosen langsgevoerd worden. De mededeling dat er ‘nog volop schoonheid valt te puren’ lijkt dan ook te wijzen op het heldere bewustzijn van de dichter van die enorme berg poëzie die deze reeks bewerkingen vooraf ging. Een aantal van de negen betreffen wellicht om die reden wel minder bekende figuren. Over Erysichthon en Aesulapius had ik nog nooit eerder gedichten gelezen. Noch over Philomela, hoewel dat toch wel een zeer meeslepend verhaal is. Te verfilmen zou ik zeggen. Philomela wordt door Tereus bruut verkracht en haar tong wordt afgesneden zodat ze het niet zeggen kan. Ze weeft een witte draad in haar purperrode weefsel dat het verhaal vertelt en dat wordt naar haar zus Procne gebracht, de vrouw van Tereus. Procne zint dan alleen nog maar op wraak, ze dood haar en Tereus’ zoon Itys en dient de vader een fijn stoofpotje van Itys vlees op. Enthousiast over de maaltijd roept Tereus om zijn zoon, Philomela komt binnen en werpt hem het hooft van zijn zoon in het gezicht. Bij Tentije

    ‘wierp je hem het hoofdje naar zijn smoel

    als vanzelf zochten zijn vingers
    het vertrouwd aanvoelende haar, begroeven
    zich daarin en langzaamaan drong het
    tot hem door dat hij, de verwekker, nu het graf
    van zijn eigen kind geworden was –

    Bij Ovidius:

    …en slingert Itys’ bloedend hoofd
    recht in zijn vaders aangezicht. Wat had zij graag gesproken,
    nu meer dan ooit, en met verdiende vloek triomf gekraaid!
    De Thraciër stoot met luide kreet de tafel weg en
    roept om de Wraakgodinnen, slangenrijke zusters uit
    de Styxvallei; dan tracht hij eerst die monsterlijke maaltijd,
    dat halfverteerde vlees weer uit te spuwen door zijn keel,
    schreeuwt huilend dat hij zelf het droeve graf is van zijn zoon
    en gaat met getrokken zwaard de zusters achterna…

    Mooi in Tentije’s weergave is de onwaarachtige verstilling nadat Tereus het hoofdje in handen heeft gekregen. Hij dramatiseert het nog eens ernstig door de vader in herinnering te laten kroelen in het haar van zijn zoontje, waarna maar langzaam het besef doordringt dat aan dit kinderkopje lijf en lendenen ontbreekt. Een wel heel typerende vertraging, deze. Bij Tentije moet men in herinnering terug kunnen zien, hoe akelig ook, dat is nu juist nadrukkelijk dat grondsop van angst en pijn waaruit nog zoveel schoonheid is te puren. En Trentije werkt dan vaak met ooggetuigen. Dit gedicht spreekt Philomela aan, herinnert haar er eigenlijk aan. 

    In de volgende afdeling loopt de dichter mee met Joseph Sudek door Praag, vergezeld zo heel letterlijk, een -ook zeer letterlijk- ooggetuige van zijn tijd. Tentije loopt in de laatste afdeling nog 7 gedichten mee met Cesare Pavese. De duisternis van de geschiedenis wordt steeds opgeroepen door de verslaggevers van die tijd.
    Maar het mooist gebeurt dit misschien nog wel in ‘Schaduwmanoeuvres’ waarin in 207 regels het beeld wordt geschetst van een aardige jongen die SS-soldaat wordt, hoeren voor het front ronselt en zijn einde vindt in de intense koude van het oostfront. De dichter probeert zich gaande weg het gedicht een aantal keren los te maken van deze persoon, hij wil het niet meemaken.

    Tentije is in een reeks bundels die in een toenemende frequentie verschijnen bezeten zijn verhouding tot de verslaggevers van de voorbije tijd aan het uiteenzetten. Daarin is voor zorgvernieuwing niet zoveel plaats, en soms detoneert een gelegenheidgedicht dat toch wel achterwege had kunnen blijven. Daar staat tegenover dat Tentije de poëzie een importantie lijkt te kunnen geven, een lange adem van uitgesponnen gedachten ondersteund door niet aflatend beeldmateriaal die je scherp bezighoudt met zowel het gedicht als waarnaar het wil verwijzen.

    Achter op de verzamelde poëzie van J.C. Bloem staat een citaat van een beschouwer die zegt dat hij zeker naar Bloem zal grijpen in het uur van zijn sterven. Als je de film
    terugdraait, en je nog vol leven tussen het derde en vierde perron op de trein staat te wachten, je komt ergens vandaan, en je moet ergens naar toe, lees dan maar liever Tentije.

    Hans Tentije Uit zoveel duisternis De Harmonie, 2006

    menno hartman

    Meer over Tentije op Literair Nederland: klik hier

     

  • Inzinkingen,Jan-Willem Anker

    Zonder kinderziekten

    Uitgeverij De Bezige Bij is vooral een uitgeefhuis van oude mastodonten, maar zo af en toe verschijnt er een nieuw talent in het poëziefonds. Jan-Willem Anker (1978) is volgens mij de jongste poëet bij de Bij. Zijn debuut Inzinkingen verscheen vorig jaar.

    Ondanks zijn leeftijd heeft Anker zich gelukkig niet laten verleiden tot het schrijven van poëzie die typerend is voor zijn leeftijd. Geen grote woorden, geen idiote vergelijkingen, geen verbindingen godzijdank met hip-hop, rap of wat dan ook. Het modernste wat je tegenkomt is een televisie en die wordt ook nog gebruikt om zelfmoord mee te plegen (in het gedicht ‘Een brug af’). Als ze gezegd hadden dat Anker 53 was, dan had ik het ook geloofd. Dat bedoel ik als compliment, want Inzinkingen lijkt me een bundel zonder kinderziekten.

       Ars poetica (onvolledig)

       Ook wil ik een kinderlijk soort verwarring –
       eens stond ik voor mijn grootvaders landkaart
       louter oog aanraking zachter dan wolken parfum
       trachtte voorbij mijn blik zonder de schellen te zien
       maar ik herkende de continenten en schiereilanden niet
       omdat ik dacht vanuit de vorm van de omsluitende oceaan.

    In het bovenstaande gedicht geeft Anker een programmatisch en ironisch beeld van zijn dichterschap. De dichter zou graag terug willen komen bij die kinderlijke verwarring van twee keer ‘verkeerd’ zien. Hij wil zien ‘voorbij zijn blik’, wat ik interpreteer als meer dan het waarneembare, maar hij bemerkt dat hij geen houvast heeft omdat vanuit de verkeerde vorm denkt. Die verwarring wil hij blijkbaar oproepen, alhoewel het slechts een voorlopige, want onvolledige ars poetica is.

    In de afdeling ‘Wanen naar het wit’ waar Anker de verschillende varianten van de kleur wit onderzoekt en de afdeling ‘Het gat in de liefde heet grauw’ waarin een vertrokken (?) geliefde voorkomt is hij ook op zoek naar dat wat je niet precies benoemen kunt, naar datgene wat buiten de waarneming valt.

    Daartegenover staat een vrij concreet gedicht dat geheel voorstelbaar is en precies beschrijft wat je kunt meemaken op zo’n grijzige winternamiddag, half slapend, half wakend in je stoel.

       Feierabend

       Zijn hoofd schommelt
       in slaapstand

       een pauzehoofd
       vol denkbeeldige bries

       louter donkere omtrek.

       De stoel is een zuignap
       maar het lijf kleeft terug.

       Het been stuiptrekt
       om iets weg te schoppen

       iets koppigs op de voet
       een octopus misschien.

       De tv brandt het testbeeld
       de panopticumstille kamer in

       maar wat zwart is blijft
       ook beschenen zwart.

       Scheert autolicht vleermuizig
       over de wanden

       hij schrikt niet op, nee gaat
       in zichzelf ten onder.

    Een sinister gedicht met mooie taal (‘een pauzehoofd / vol denkbeeldige bries’) waarbij je de beklemming direct meevoelt. Hetzelfde gebeurt in de cyclus ‘Tumor’ waarin Anker het stervensproces van iemand met kanker beschrijft. Hij kiest daarin voor het perspectief van een ‘je’ en beschrijft, haast van binnenuit, hoe het ziekteproces verloopt. 

       De scheurkalenders dunnen uit
       je verfrommelt tal van spreuken

       in je trommelvliezen ritselt het
       dikt de bloemige vleespastei in
       veulenmilt vers uit de bek of zult

       komkommerverhalen stollen
       tot een reliëf van geroezemoes

    Inzinkingen is een ijzersterk debuut: leeftijd doet er niet toe voor wie mooie gedichten maakt.

    COEN PEPPELENBOS

    JAN-WILLEM ANKER – Inzinkingen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2005, 64 blz. €16,50.

    N.B. Inzinkingen is genomineerd voor de Jo Peters Poezieprijs. De prijs is vernoemd naar de in 2001 overleden uitgever van de kleine maar gezaghebbende uitgeverij Herik. Het is een tweejaarlijkse prijs voor dichters die niet meer dan twee bundels hebben gepubliceerd. Dit jaar zal hij voor de derde maal uitgereikt worden. 

    De andere genomineerden de Jo Peters Poëzieprijs van 2006 zijn Koenraad Goudeseune met Zen uit eigen werk (uitg. Atlas), Erik Jan Harmens met Underperformer (uitg. Nijgh & Van Ditmar) en Peggy Verzett met Prijken die buik (uitg. Van Oorschot)

    De jury bestaat uit Remco Ekkers, Erik Menkveld en Marjoleine de Vos. Deze maakte een keuze uit zo’n zeventig dichtbundels die in de afgelopen twee jaar verschenen.
    Aan de prijs is de opdracht tot het schrijven van een bibliofiel uit te geven nieuwe bundel van ongeveer vijftien gedichten verbonden, en een geldbedrag van € 4000,–. De winnaar zal 22 april aanstaande bekend gemaakt worden op de Avond van Nieuwe Poëzie te Landgraaf.

    Eerdere winnaars waren Alfred Schaffer (2002) voor zijn bundel Zijn opkomst in voorstad en Hagar Peeters (2004) voor haar bundel Koffers zeelucht.

     

     

  • Persoon / Onpersoon,Sybren Polet

    Vanwege het opruimen van dubbele exemplaren uit mijn poëziekast vandaag geen bespreking maar een cadeau:

    1 ex. Persoon / Onpersoon

    tweede druk van 1974

    (N.B. dit is niet de verzamelbundel met gelijke titel, maar de afzonderlijke, 96 pagina’s tellende, uitgave van de openingscyclus)

    inclusief watermerk (‘Ex Libris Thomas Möhlmann’)

    inclusief authentieke opdracht van eerdere eigenaar (’17 nov 84 / Voor Heiko / Beter hoofdbrekens / dan hartbrekens! / Lydi’)

    inclusief prijsopgave antiquaar (‘€ 2,-’)

    Dit onnavolgbare prachtboek van taal- en werkelijkheidstovenaar en eerste Herman Gorterprijswinnaar Sybren ‘X’ Polet wordt gratis opgestuurd naar degene die als eerste een mailtje met het juiste antwoord op onderstaande vraag stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden):

    Wat is een Yahoo & in welk beroemd boek is het te vinden?

    Sybren Polet, Persoon / Onpersoon

    De Bezige Bij, Amsterdam 1971

    Meer Sybren Polet: www.sybrenpolet.nl
  • Monument voor een verzonnen dichter,René Huigen

    (deze bespreking gaat over Steven! van René Huigen, maar de techniek weigert even de juiste titel in te voeren, waarvoor excuses)
    Een voetnoot bij Pessoa

    Een goede schrjver verhoudt zich tot veel van wat er al geschreven is. De bundel Steven! van René Huigen doet dat heel nadrukkelijk, in de titel al. Steven is de naam van een man die de sigarenwinkel uitloopt in de laatste strofe in een bekend gedicht van Alvaro de Campos, een van deheteroniemen van Fernando Pessoa :

    De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
    O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
    (De Sigarenhandelaar is in de deur gaan staan.)
    Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
    Hij zwaaide naar me en ik riep Dag Steven!, en het universum
    Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Sigarenhandelaar glimlachte.

    Huigen heeft deze Steven van een geschiedenis willen voorzien, althans op de dag dat hij uit de Sigarenhandel liep, hij heeft de Steven van Pessoa, die voor het heteroniem De Campos misschien een ideaal van gebrek-aan-metafysica inhield, een levenshouding die voor De Campos te verkiezen valt, voorzien van een voorgeschiedenis die zijn optreden in het gedicht de Sigarenwinkel logenstraft. Wat Steven die dag heeft meegemaakt maakt hem ongeschikt het toonbeeld te zijn van zomaar een man die tenminste weet wat hij met zijn leven moet: tabak kopen als hij daar zin in heeft.

    De bundel eindigt met Stevens weergave van de ontmoeting die er geen was:

    Bij het verlaten
    Stond hij even in de deuropening
    Van de tabacaria stil, en keek,
    Waarom wist hij niet, lachend naar boven.
    Daar stond hij dan, niet naakt ten overstaan
    Van zijn schepper, zoals hem was aangezegd,
    Maar tegenover een hem onbekende
    Man, hem groetende vanachter het raam
    Van diens woning. Voldaan zwaaide Steven
    Terug en maakte zich vervolgens uit
    De voeten. Waarheen, weet U alleen, o
    Muze. Zolang U zwijgt zal Steven dolen,
    En met hem ik, die hem tot hier mocht volgen.

    Wat heeft Steven zoal meegemaakt die dag en hoe verhoudt zich dat tot de persoon die hij wordt geacht te zijn in het gedicht van De Campos?

    In de Sigarenwinkel worstelt De Campos met het probleem van hoe zich de uiterlijke werkelijkheid zich verhoudt tot de metafysica. De Campos is zoekende:

    Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
    Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
    Aan de Sigarenwinkel aan de overkant. Als uiterlijke werkelijkheid,
    En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.

    Welnu, Steven heeft die morgen de hel gezien, de Leviathan, zich Odysseus gewaand, met heiligen gesproken, zich laten gidsen als Dante, gevlogen als Ikaros, hij heeft engelen gezien, gehinkeld ‘als de poeet Wiens werk ons zo’n handig vehicel is’. Hij reisde door het werk van Byron heen, door de Klassieken, Dante, Homerus, de bijbel, de middeleeuwse alchemisten, Blake, en een veelheid van werken die ik niet zondermeer herken maar die rondzweven in het belezen brein van de dichter van dit werk.

    En dat alles wordt de lezer verteld in vijfvoetige jamben, als om de afstand van de losse vorm van De Campos gedicht nadrukkelijk te vergroten. De eerste twintig pagina’s van de bundel wordt de Muze aangesproken, uitputtend. Ook een manier om het classisisme van de tekst voor de lezer meteen nadrukkelijk te etaleren: let op, dit is een tekst die zich wenst te voegen naar de retorische regels van weleer, meer dan naar de twintigste eeuwse poëzie waaraan het toch zijn hoofdpersonage ontleend.

    In die zin vormt dit gedicht een poeticaal weerwoord. Maar waarschijnlijk is Huigen de dichter van De Sigarenwinkel liever tot dienst, die zegt tenslotte

    In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
    Zitten op dit moment genieën-voo-zichzelf te dromen?
    Hoeveel verheven, nobele lucide aspiraties-
    Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide-,
    En wie weet realiseerbaar,
    Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien, noch oren om te horen vinden?

    En Huigen schiet De Campos te hulp met de mededeling dat De Campos meer gelijk heeft dan hij zelf dacht: zijn toonbeeld van aardsheid, van in-het-leven-staan, Steven zonde metafysica, krijgt door Huigen, als een voetnoot in De Sigarenwinkel, een volledige droom toebedeeld.
    Huigen kent Steven beter dan De Campos, dat wil hij in zijn klassieke poging tot ‘ aemulerende imitatio’ in de laatste regels ook tonen:

    Daar stond hij dan, niet naakt ten overstaan
    Van zijn schepper, zoals hem was aangezegd,
    Maar tegenover een hem onbekende
    Man

    Huigen heeft hiermee Steven van De Campos afgenomen, Waar De Campos nog zegt ‘ O, ik ken hem’ kent de Steven van Huigen zijn schepper niet, hij hoeft niet naakt tegenover zijn schepper te staan. Zijn nieuwe schepper heeft hem aangekleed.

    René Huigen Steven! Gedicht. DeBezige Bij, 2005

    Menno Hartman

  • Paragraaf 2.3 I Love You,Peerlings & Rigter Dijksterhuis

    Op vrijdag 24 februari presenteerden een dichter/performer, een schrijver/dichter en een dichter/beeldend kunstenaar de wonderlijke vrucht van hun samenwerking: PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU. Het sleutelwoord van hun project lijkt me ‘vermenging’: van het visuele en het tekstuele, van individuele woordvondsten, associaties en preoccupaties, van de inkt uit de pen in drie verschillende dichtershanden, en ook inhoudelijk: enkele verhalen vormen van begin tot eind een vermengde of vervlochten rode draad, van de persoonlijke dwaalgangen op het pad van de liefde, van de moeizame verhouding die aardbewoners met hun al dan niet bestaande god onderhouden, van binnen- en buitenwerelden, stadsleven en ingewanden, van de observerende eenling en de participerende mens, van een zelfdestructieve genetisch gemanipuleerde clown.

    De ruimte die de Eindhovense ideële uitgeverij Opwenteling –nadrukkelijk op niet-milieuvriendelijk, niet-chloorvrij gebleekt papier– aan Dijksterhuis, Peerlings & Rigter bood, hebben zij als een ware drie-eenheid ingericht. Weliswaar is de visuele representatie (vormgeving, omslag, tekeningen, schetsen, afbeeldingen) van het geheel het werk van Rigter alleen, maar tekstueel hebben de drie hun bijdragen dermate ineengevlochten, dat het resultaat niet door een ander, maar ook zeker niet door één van hen geschreven had kunnen worden. Achterin de bundel kan teruggevonden worden aan welke gedichten of fragmenten welke dichter het meest werk heeft gehad, maar duidelijk is dat er geen letter de pagina’s van PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU vult die niet in gezamenlijkheid neergezet, omgevormd of gehandhaafd is. Zo is niet een driestemmige beurtzang ontstaan, maar een polyfoon taalfestijn waarin de poëtische subgenres over elkaar heen buitelen en registers elkaar voortdurend afwisselen of vermengd raken.

    Dat het met de grote variatie aan stijlen geen zooitje wordt, maar integendeel een verfrissende avontuur oplevert, is waarschijnlijk aan zowel een vormtechnisch als een inhoudelijk aspect te danken. Enerzijds namelijk aan de zorg die aan de dag is gelegd voor de compositie: de variatie waaiert niet zo maar richtingloos uit, maar lijkt ingepast in een zorgvuldig opgetrokken totaalconstructie, die de lezer toch de nodige houvast verschaft. Anderzijds aan het feit dat er wel degelijk, over de bundel als geheel uitgespreid, verhalen met een kop en een start verteld worden. Er zit een ontwikkeling in de beschreven liefdesgeschiedenis, in de zoektocht naar een plek en een perspectief, en mede daardoor wordt de lezer op gang gehouden.

    Wie kwaad wil, kan erop wijzen dat niet élke associatie of regel even briljant of origineel te noemen is, of dat een redacteur een paar kleine oneffenheden nog even had moeten corrigeren (zo is er ergens onder meer sprake van een ‘voorhoofd / die’), maar zelfs hij zal moeten erkennen dat door elke bladzij een gerichte energie en een enthousiasme razen die het dwalen door de stad van deze bundel tot een plezier maken.

    Meer over het samenwerkingsproject en de drie makers op:

    Ronny Dijksterhuis, Onno Peerlings, Arnoud Rigter

    PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU

    Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven 2006

    € 12,-

    ISBN 90 6338 151 4
  • er hangt een hoge lucht boven ons,Els Moors

       zonder ons kan niets beginnen
       zonder ons is alles gedaan

    Het zijn de laatste woorden uit er hangt een hoge lucht boven ons, de eerste bundel van de Gentse dichteres Els Moors (1976). Ze behelzen niet zozeer een uitnodiging, maar een bevestiging van wat de lezer in de achtergelaten bladzijden zelf al heeft ervaren: de gedichten, die uitblinken in weerspannigheid, absurditeit en dreiging, openen een wereld die in vele gevallen voortvloeit en zich ook terugtrekt uit herkenbare taferelen, maar wel bijzonder tastbaar wordt gemaakt. Een bizarre planeet die de lezer deelt met Els Moors: de hoge lucht hangt boven ons.

    er hangt een hoge lucht boven ons is een vervreemdende bundel die een sober taalgebruik koppelt aan een overtuigend ritme en de inhoud geheel op losse schroeven zet. Dat proces van vervreemding is vooral een gevolg van het vermengen van observatie en schepping: beelden die eerst herkenbaar zijn, worden vervormd tot nuchter geobserveerde maar absurde, ongewone beelden, die dan weer tot iets nieuws, ongewoons maar overtuigends worden gemaakt. Terwijl bepaalde stukken (tot zelfs hele gedichten) een volkomen nuchtere weergave van de observatie zijn, gaan andere gedichten veel verder. Tot observatie eigenlijk niet meer neerkomt op het zien en waarnemen maar op het interpreteren en verbinden. Tot observatie zichzelf ondermijnt; met alleen nog het ijle, dat wat zich achter de ogen bevindt, dat wordt neergeschreven.

       er woont een oude hippie
       die kralen schelpen
       en panfluiten
       verkoopt

       hij lijkt op een man met een pet en een snor
       die een noot kraakt met een mes

    Een van de krachtigste taalkunstjes die Els Moors in haar gedichten aanwendt, is dat van de substitutie. Met het vervangen van twee woorden – ‘lijkt op’ – door één ander woord – ‘is’ – wordt het bovenstaande fragment uit ‘ik sympathiseer’ verstaanbaar, herkenbaar, krijgt het een zekere ‘taallogica’. Net daarom haken deze zinnen zich zo vast in iets anders, iets wat meer doet vermoeden dan wat er staat; en zoals het er staat: ‘hij lijkt’ alleen maar op zo’n man, maar is het dus, logischerwijze, niet. Krachtig is hierin dat er geen enkele aanwijsbare reden lijkt te zijn voor dat vervangen: wat is er dreigend aan een man die lijkt op ‘een man met een pet en een snor / die een noot kraakt met een mes’? Misschien het té gedetailleerde karakter van die voorstelling: voor iemand die niet bestaat, of enkel als algemene referentie dienstdoet (iets als ‘een janklaassen’; ‘een jankrent’ of ‘een janlul’) gaat de beschrijving te ver, is de verbeelding te concreet.

    De spinsels die Els Moors verwerkt zijn niet steeds meteen bevattelijk voor de lezer. Die zal veeleer een sfeer opsnuiven, een gevoel opgewekt krijgen, en zich onmiddellijk ook afvragen waar dat gevoel vandaan komt. Het eerste gedicht bijvoorbeeld, heeft op het eerste gezicht niets van een werkelijkheid – in de zin van iets herkenbaars – maar creëert een zorgvuldig georkestreerd spanningsveld tussen tekst en interpretatie.

       ik ben de tuinman met een alibi
       en een paars skipak
       ik onderhoud het terrein
       waarop de ballen worden geslagen
       en op het uiteinde
       waar het balletje valt
       ligt meestal het lijk

       in een glazen tickethuis verkoop ik ijs
       aan de bezoekers
       tot ik een boom ben
       die door de bliksem wordt getroffen
       en een veld rond zich verzameld heeft

       ’s ochtends ga ik met koude voeten de straat op
       aan mijn hand de oranje plastic mand
       waarmee de melk wordt binnengehaald
     
       ik ga niet over één nacht ijs

       als ik mijn benen spreid
       doe ik alsof het vleugels zijn

    Waarom komt ‘de tuinman’ nog voor er sprake is van een misdaad aanzetten met een alibi? Waarom die passiviteit in het gedicht – het is het balletje dat valt (en een lijk ‘schept’), de bliksem die treft, en de mand die, in deze bewoordingen, in vreemde handen lijkt te zijn gevallen? En waarom ‘doen alsof’, en niet gewoon ‘doen’? Het alibi schuilt schijnbaar in die willoosheid. Al doet de zin ‘ik ga niet over één nacht ijs’ vermoeden dat de spreker niet zo onschuldig is. In het gedicht ‘het kan niet de bedoeling zijn’ keert diezelfde toon van onschuld terug, bijna letterlijk: ‘ik zie ook de muren staan / toch moet ik weer de straat op / vinden zij / het liefst met koude voeten // ik ben een slet met vleugels / alleen zo blijf ik ons voor’. ‘Zij’ zijn dwingend, ‘zij’ zijn bepalend voor de gestelde daden. En wij horen een stapje achter de spreker te blijven.

       als jij vraagt of ik het licht wil uitdoen
       doe jij het licht niet uit
       ik doe het licht uit

    Dit fragment uit ‘het is de in beeld gebrachte zomer’ is zo volkomen gewoon dat het vreemd wordt om die regels in een gedicht te zien staan. Een heldere gedachte die toch als een bizarre kronkel binnendringt. De vraag toont zich dwingend. Els Moors expliciteert het verwachte en breekt daardoor iets, schept iets onheilspellends.

    er hangt een hoge lucht boven ons draagt voortdurend die twijfel in zich, met aan de ene kant de dwang en de willoosheid en aan de andere kant de eigenzinnigheid, het bewuste doen (alsof); zoals ‘de man // die niet beweegt / en ook niet stil wil staan’ in ‘de straat is een glimmende vlakte’. Het spanningsveld tussen observatie en interpretatie, tussen ontvangen en manipuleren.

    De eerder al in Yang gepubliceerde cyclus ‘de witte fuckende konijnen’ herbergt evenzeer die vervreemding, een effect dat zich opspant tussen werkelijkheid en verbeelding, tussen droom en ontwaken, en tussen de lieflijkheid van konijntjes en de blinde hardheid van genot (voor de ene…).

    Els Moors heeft een taaltechnisch hoogstaande bundel geschreven. Het taalspel blijft niet beperkt tot enkele rake effectjes, maar doordrenkt de hele bundel van een bijzondere atmosfeer. er hangt een hoge lucht boven ons bespeelt de lezer, zet vreemde situaties op, en brengt die ontwrichtende confrontatie met een veelzeggende subtiliteit. Alsnog eigenzinnig en dwingend, gelukkig maar.

    Els Moors, er hangt een hoge lucht boven ons. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2006.

  • Verzameld werk,C.O. Jellema

    Een verzameld werk als twee boeken om naast elkaar te lezen

    Er zijn schrijvers die beweren dat ze wel tegelijkertijd aan poëzie en aan essays kunnen werk en, maar niet gelijktijdig een gedicht en een roman onder handen kunnen hebben. Proza zou een ander tempo vergen, en meer een schrijfhouding die uitbreidend is, ruimte gevend. Poëzie en essay vragen om een zekere verdichting, het is schrijvend denken, meer dan vertellen, het juiste woord doet er meer toe en er schuilt ergens een kern die blootgelegd moet worden.
    Het Verzameld Werk van C.O. Jellema, bezorgd door Gerben Wynia, is in twee delen verschenen, een wat dikker deel voor zijn poëzie, en een dunner, met de essays. De cassette is naar mijn smaak prachtig vormgegeven, maar vreemd genoeg verschillen de meningen daarover. Iemand moest sterk denken aan gereformeerde kinderbijbels.
    Voor mij is de verzameling mooi genoeg om er uren doorheen te bladeren. Niet alleen omdat het bindwerk goed is. Een bundel gedichten en een bundel essays van dezelfde hand vragen er om met elkaar in conclaaf te gaan. Ik vraag me bijvoorbeeld af, wanneer Jellema een motto van Thomas Mann gebruikt, of hij een essay over Mann kan hebben geschreven, of dat Mann voorkomt in een van de essays. Het is daarom jammer dat de essaybundel geen fatsoenlijk register bezit, of zelfs maar een enigszins beschrijvende inhoudtabel. Dan moeten we het met titels doen.
    Bosvijver de laatste bundel van Jellema uit 2004 bestaat uit 12 gedichten, waarvan een dezelfde titel draagt als de bundel. In de essaybundel las ik dan maar het essay ‘De bron in het bos’ in de hoop op enige aansluiting, op voorhand. Een onnozele onderneming natuurlijk, dat mag gezegd. Hoewel zowel het essay als de bundel een motto van Hölderlin dragen.

    Bosvijver

    Een zwartgrondige vijver is het geheugen
    Die zich met verkleuring van
    gebeurtenissen vult, hun willekeur doorrimpelt

    – zoals, nog wat verwonderd van hun val, net onder
    het oppervlak herfstblaren drijvend, straks
    hun klontering tot blubber op de bodem –

    Zelf sta je aan de rand, je zou willen weg
    zeggen het mij, verder willen, het bos in
    (jezelf het bos in sturen), paden

    onbetreden, en die ene
    die enige, even alleene
    wandelaar ontmoeten, die

    zich na een ogenblik van sprakeloosheid
    omkeert, en geen voetspoor naast het zijne
    achterlatend in het zand.

    De onbezonnen vergelijking op basis van de titel levert wel een semantische mogelijkheid op. Het essay met de titel ‘ De bron in het bos’ handelt over de romans van Wilhelm Raabe, waarvan je na lezing van het essay inderdaad wel hoopt dat die laatste, die beste, die ‘Unvollendete’ namelijk Altershausen, nog eens in vertaling verschijnt. Een centraal thema bij Raabe, is de terugkeer, naar iets wat je ooit bezat of was. ‘ Een zwartgrondige vijver is het geheugen / die zich geduldig met met verkleuring van gebeurtenissen vult’ . De vijver in het bos moet voor Jellema de betekenis hebben gehad van een terugkeer naar de oorsprong. Bij een bron in het bos vindt een van de figuren in Raabes roman een belangrijke persoon uit zijn verleden terug.
    Het essay over Raabe blijkt -getuige de verantwoording- het enige te zijn dat niet naar opdracht is geschreven. Anderzijds moet het Jellema wel dierbaar zijn, want in het voorwoord, dat opgenomen is in de verantwoording schrijft Jellema weer iets meer dan de helft van de pagina die het beslaat over Raabe: ‘Goede wil of kwade zin, onveranderlijk verzinken alle rimpelingen in ons kleine leven, evenals de golfslag van de grote geschiedenis, in de eindeloos onverschillige deining van de vergetelheid. Dat is van Raabes laat-romantische , quasi-naïeve vertelkunst honderd jaar na dato de onontkoombare boodschap. Aanvaarding van die loop der dingen, ook dat is een oefening bij een beek. (Oefeningen bij een beek is de titel van een eerdere bundeling essays. (mh))

    Misschien bewandelt Jellema in het gedicht de weg van Raabes hoofdfiguur, heeft de roman zo’n diepe indruk gemaakt dat het beeld goed genoeg leek voor een plaats zijn bundel, voor de titel zelfs. Het essay – alhoewel op zich zelf niet een van de sterkste in de bundel – heeft wel meer licht op het gedicht geworpen.

    Ik moet mij met kracht afhouden van de meest voor de hand liggende interpretatie van de laatste twee verzen van dit gedicht. De evangelische topos (zie ook hier van de Heer die je droeg op momenten dat het moeilijk was, en dat je daarom terugkijkend op de weg die je ging in benarde tijden slechts één paar voetafdrukken ziet) lijkt te platgetreden. Toch laat lezing van de essaybundel wel de gedachte toe dat Jellema zich hier door Zijn Heer ziet weggedragen. Een beetje verbazingwekkend is het clichématige van dat beeld in mijn ogen – voor Jellema – wel.

    Het essay als de volmaakte context voor een gedicht

    Voortbladerend in de poging de essays iets te doen mededelen over de poëzie geraak ik tot het meesterlijke essay ‘Een wet tegen afbakening’ over Eckhart en het dichterlijk denken. In het essay neemt Jellema op zeker moment zijn gedicht 'Zeegezicht' ter hand om te illustreren waar het hem om gaat:

    Zeegezicht

    Op de palm van jouw hand, in dat landschap
    van gevormde levenslijnen, niet groter
    dan een flinke waterdruppel

    -terwijl zonsondergang de hele
    hemel boven de eindstreep van het eiland
    ginds in Turner-kleuren zet –

    die babykrab, voorzichtig
    van tussende basaltblokken geraapt,
    zijn onderkomen waar hij wachtte op de vloed.

    Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
    zijn grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
    krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
    een onbekende wereld, verontrust
    dat bodem warmte geeft.

    Dan, op de rand van het heelal, laat hij
    zich zonder aarzeling terugvallen in
    de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
    met achterlating van een beeld, van
    haast een naam.

    Nu is het of wij, samen onder aan de dijk,
    worden gezien, terwijl het water stijgt
    en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.

    Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.

    Nu komt het niet vaak voor dat je bij de lezing van een gedicht beschikt over de volmaakte context Het essay ‘Een wet tegen afbakeningen’ vormt de best denkbare achtergrond van dit gedicht, en naast een begerenswaardige con-text is het een erg goed essay. Over poëzie in het algemeen, en zeer bruikbaar voor de poëzie van Jellema.
    Het liefst zou ik het nu dus in zijn geheel citeren omdat elk samenvatten onrecht doet aan deze tekst. Het essay onthult fascinerende inzichten over poëzielezen. Ondermeer naar aanleiding van een preek van de mysticus Meister Eckhart en de Japanse filosoof Keiji Nishitani alsook gnostische geschriften die bij Nag Hammadi in Egypte zijn gevonden. En dan zijn we nog geen twee pagina’s opweg.
    En heel anders dan dit nu kan lijken is het geen vruchteloos namedroppen wat Jellema doet. Van hoe dichtbij hij bij het ‘ gewone’ poëzielezen wil blijven, getuigt wel het feit dat hij twee bladzijden later zijn eigen gedicht volledig afdrukt. ‘Probeer het hier eens mee’ betekent dat bijna. Over een formulering van Eckhart zegt Jellema: ‘Formuleringen die zo langs de buitengrens van het zegbare scheren, hebben een poëtische impact. Poëtisch omdat ze bij de lezer of toehoorder een beroep doen op een voorstellingsvermogen dat zich niet meer kan oriënteren aan realiteit, noch het verwoorde daaraan kan toetsen, zodat hij op die manier gedw
    ongen wordt, of liever ertoe verleid, de ‘real reality’ van het in die formuleringen uitgesprokene om zo te zeggen blindelings te vertrouwen.’
    Er is een aantal voorbeelden van dichters die zich in de keuken laten kijken, Koplands mooie essay over het schrijven en schrappen in een gedicht, Nijhoffs wonderlijke maar veelzeggende ‘De pen op papier’. Ook ‘Een wet tegen afbakeningen’ toont de keuken van een dichter en is daarmee een formidabel voorgerecht om dit mooie verzameld werk mee te beginnen.

    Menno Hartman

    Verzameld werk C.O. Jellema Em. Querido’s Uitgeverij, 2005

  • Verzamel de liefde,Bart Moeyaert

    Voor alle Valentijntjes

    De bundel is voor het eerst gepubliceerd in 2003, maar nu, vlak voor Valentijnsdag, is een herdruk gekomen van Verzamel de liefde van Bart Moeyaert. Moeyaert tourt op dit moment door Nederland met grote Saint Amour-schrijvers als Claus en Campert, dus je hebt ook alle gelegenheid om hem in het echt te zien.
    Vorig jaar trad Moeyaert op bij de Nacht van de Poëzie in Utrecht en mannen en vrouwen werden onmiddellijk verliefd op deze ietwat bedeesd voorlezende Vlaming. In het dichtersgeweld viel hij op door vrij eenvoudig te begrijpen gedichten, hier en daar gewoon met eindrijm, weinig poespas in woordgebruik en inhoudelijk lieve verzen.

    Lepeltje

    Sinds ik met je wakker word
    als in een la de leeg is
    op ons tweeën na,
    is wat er morgen komt
    ondergeschikt aan
    wat vandaag al is begonnen.
    We gaan met een bepaalde
    logica eerst af hoe wij
    vandaag weer samenhangen.
    Dit is jouw been, dit is
    mijn rug, mag ik hem nu
    van jou terug, en wat ik
    verder zou verlangen
    is dat we opstaan, en
    ons leven vanaf hier
    hervatten, met jou dan
    naast mijn hart onder
    mijn arm – ik hou
    je tot vanavond warm,
    totdat je slaapt en daarna
    wakker wordt als in een la,
    leeg op ons tweeën na.

    Kijk, daar heb je toch niet heel veel analytische gaven bij nodig. De inhoud is simpel, maar integer. Door uitgeverij Querido wordt Moeyaert bij de jeugdauteurs geplaatst (zelfs op de website kun je Moeyaert niet in het rijtje schrijvers terugvinden). De vraag is of dat juist is. Zijn romans zijn voor veel jongeren te moeilijk om te lezen en een boek als Dani Bennoni verdient het om mooi uitgegeven te worden als boek voor volwassenen. In zijn poëzie durft Moeyaert nog weinig te experimenteren, minder in ieder geval dan in zijn proza. Zo scheert hij binnen Verzamel de liefde een paar keer langs de afgrond van de clichés over de liefde. Maar het zij hem vergeven. Er staan ook prachtige regels in: ‘want bij het tellen / van mijn vrienden heb ik altijd / vingers over’. En ook een mooi gedicht over geliefden die elkaar niet met je aanspreken, maar met u, want ‘U is het kortste woord / om van elkaar te houden.’
    Voor Valentijnsdag kun je deze bundel met gerust hart aan je vriend of vriendin geven. Daarna overigens ook.

    Bart Moeyaert: Verzamel de liefde. Querido, Amsterdam, 42 blz. €12,50

     

  • Kaneelvingers,Stefan Hertmans

    Vasthouden of achterlaten

    Veelschrijver en –lezer Stefan Hertmans schrijft romans, essays en toneelstukken. Maar ook heel veel poëzie. Onlangs is zijn twaalfde poëziebundel uitgegeven. Kaneelvingers is een bundel met een thematische samenhang; de gedichten gaan over handen of vingers. Zoals eerder in zijn oeuvre niet minder erudiet, wel minder eigenwijs. In deze bundel, vol abstracte, soms ongrijpbare gedichten, laat hij minder zien wat hij weet dan we van Hertmans gewend zijn. Opvallend is de alfabetische volgorde van de titels, die een willekeurigheid veronderstelt, en de keuze voor een motto uit het nummer Hotel California van The Eagles: ‘Some dance to remember / some dance to forget.’ In dit citaat herkent Hertmans iets van zijn poëtica; bij zijn keuze voor onderwerpen moet hij ook ervaringen vastleggen of achterlaten, temeer omdat hij het motto ziet ‘als het kersje op de taart’ en het na het voltooien van de bundel toevoegt. En die keuze is al schitterend terug te vinden in het eerste gedicht uit de serie ‘Kaneelvingers’ dat een eerbetoon is aan de door hem zo gewaardeerde Paul Celan:

    “In Parijs bij de bron,

    waar ik tin in de vingers had
    en niet durfde wat hij kon”

    Hertmans is onder de indruk:

    “en ik die nooit

    zijn

    ‘een engel is een erts
    uit omgesloten kandelaars’

    kon zingen”

    Er zijn echter ook voor mij onbegrijpelijke passages, die zo cryptisch zijn dat het moeilijk is er iets uit te ontwaren:

    “We hadden gerend.

    In plassen en messen stond
    lichtend een mens
    een schicht die in adres sloeg,
    de stenen en hun geur.”

    Daarentegen is hij ook ritmisch; schrijft hij woorden, zinnen die dansen:

    “Dit is jij en jij, en ik erbij
    de metro dicht en alle straten open

    de zwerver geeft college over misantropen”

    Maar ondanks de bewonderende, abstracte, ritmische, dansende poëzie, is het karakter melancholisch; niets ontziende objecten komen terug in zingende romantiek. Hij citeert de laatste regels Van Ostaijen in- en intrieste gedicht ‘Jong landschap’ als motto en dat komt later terug in de bundel onder de titel ‘Leesvingers’. Eerst Van Ostaijen zijn woorden:

    “Over de randen van mijn handen
    tasten mijn handen
    naar mijn andere handen
    onophoudelijk.”

    Nu Hertmans zijn bewerking:

    “Over de randen van mijn handen

    tastend want daar hield ik niet op

    vond ik geen andere handen

    onophoudelijk dichtbij

    maar iets van jou”

    En hier is essentie te lezen van de bundel, Hertmans beschrijft het zelf als volgt in een interview op de Belgische Radio 1: “Ik denk dat het gedichten zijn over de manier waarop de handen van anderen ons raken.” En handen, maar ook vingers, kunnen je op verschillende manieren raken, letterlijk en figuurlijk. Vingers en handen zijn met elk onderwerp te verbinden, zoals de vingers van een nagelbijtster en de angst of de schrijvende hand en de onzekerheid. Maar ook pijn, erotiek of concreter: tabak, bramen en biljartkrijt. Deze thematische samenhang zou snel te veel kunnen worden; het thema zou kunnen worden uitgemolken. Maar Hertmans heeft het voor elkaar gekregen om je aan te raken. Aan de lezer om de emotie vast te houden, of achter te laten.

  • De wereld bij avond,Menno Wigman

    Gedichtendag 2006 ligt al weer een paar dagen achter ons, zelfs in Amsterdam waar de theaters rond het Leidseplein er onder de noemer ‘Weerwoord-festival’ maar meteen een Gedichtenweek van gemaakt hadden: dichters kunnen weer aan het schrijven, organisatoren richten zich op een volgend festival of evenement, bezoekers zoeken elders hun plezier. En de lezer? De lezer heeft er tien mooie gedichten bij, bij elkaar gebracht in de Gedichtendagbundel van 2006: De wereld bij avond.

    In mei 2005 werd Menno Wigman gevraagd als zevende in het voorname rijtje Gedichtendagbundeldichters, na Toon Tellegen, Judith Herzberg, Hugo Claus, Eva Gerlach, Rutger Kopland en Gerrit Kouwenaar. ‘De bundel moet tien gedichten bevatten, wat betekent dat ik in nog geen acht maanden tien “volwaardige” gedichten moet zien te schrijven. Ik kan me voorstellen dat een dichter die elke week een nieuw gedicht tevoorschijn tovert de hemel te rijk zou zij, mij is het een kruisdraging,’ verzucht Wigman in oktober in een verslag van zijn verblijf als writer-in-residence in de psychiatrische kliniek van Den Dolder. Drie van de acht maanden verbleef hij daar, en het meeste werk aan de bundel werd er gedaan. Van drie van de tien gedichten is duidelijk dat ze zonder ‘Den Dolder’ niet ontstaan zouden zijn. In tegenstelling tot de andere zeven gedichten, zijn deze drie opgetrokken uit terzinen, maar onderling verschillen ze verder sterk: ‘Zwembad Den Dolder’, aan de oppervlakte te lezen als een mooie, kortere en hoopvollere variatie op ‘De idioot in het bad’ van Vasalis, het gedicht ‘Stramien’ dat aftrapt met de regel ‘De waanzin zelf gaat goed gekleed’ en ons een in zijn bondigheid treffende karakterisering geeft van de waanzin: ‘Verkeerd bedraad’, en meest opvallend ‘Godverdedomme’, een in vijf keer drie regels verdeelde scheldbrief van een verontwaardigde patiënt aan de ‘Blinde, dove, rodmoordenaar & rover’ die hem het etiket ‘crisofeen & manisch’ opgeplakt heeft.

    Voor zover mij bekend is ‘Godverdedomme’ de eerste readymade* in het oeuvre van Wigman, en zo bevat de bundel meer plekken waar iets lijkt te gebeuren dat ik in eerder werk van de dichter niet zag. De laatste twee regels van het openingsgedicht ‘Tweeduizendzoveel’ bijvoorbeeld, na veertien regels die Wigmansgewijs solide gedacht en als een klok geconstrueerd zijn: ‘Te zeggen dat we niks geleerd… (volgt een citaat / verluchtigd met een woord als god, ras, haat)’. Of de surrealistische wending die het gedicht ‘Vuilstort’ na de eerste twee strofes neemt:
    VUILSTORT

    Een terp van dode dingen tergt de lucht.

    Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,

    zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed

    kapot, versjacherd, mensenhanden moe

    tijgt me een stad van afval tegemoet.

    En ik kijk en ik kijk. En als ik loop

    verlies ik haar, voel een baard, mijn jas

    verrafelt waar ik sta en alle wolken

    jagen Greenwich achterna.

    Dan gaat het snel: er drijft een dorpskerk door

    het water, wier en vis bevolkt de Dam,

    nat, grijs, week, dacht je randstad, zag je zee.

    Om wat ik van de tijd, van Holland weet

    schrijf ik voor wie dit onder water leest.

    Toch weet ik niet of het niet licht overdreven is wat op de achterkant van het bundeltje te lezen staat, dat Wigman ‘een nieuwe weg in zijn poëzie’ inslaat. En om eerlijk te zijn: ik weet ook niet of ik wel zou willen dat deze dichter een compleet nieuwe weg inslaat, omdat ik eigenlijk nogal hou van de weg die hij vooralsnog betreedt: sinds ’s Zomers stinken alle steden, zijn debuutbundel uit 1997, ontwikkelt Wigman zich als dichter rustig voort, voegt hier iets toe, laat daar iets los, leert bij, leert af, maar blijft ondertussen te herkennen als de zeer vormbewuste vakman die hij is, die zijn schrijven stoelt op lezen, denken, kijken. Eerder dan een ommezwaai toont De wereld bij avond ons volgens mij gewoon een dichter die niet stagneert, die zich natuurlijk blijft ontwikkelen, maar zonder bruusk te hoeven breken met wat hij eerder deed. Hierboven nog niet genoemde gedichten als ‘Strafwerk’, ‘Aan een man in de supermarkt’ en ‘Glazenwasser ziet schilderen’ zouden dan ook noch aan het einde van zijn vorige bundel, noch in de volgende misstaan. (In Trouw werd vorige week terecht geconstateerd: ‘De wereld bij avond mag dan (deels) over waanzin gaan, zijn verzen staan weer strak in het gelid,’ waaraan Wigman bevestigend toevoegde: ‘Het zijn geen opgebroken straten. De syntaxis is niet door de gekte aangetast.’)

    Zelfs als de afgelopen acht maanden werkelijk een ‘kruisdraging’ voor de dichter geweest zijn, dan heeft dat de lezer tenminste weer een klein bundeltje met prachtpoëzie opgeleverd. Voor slechts anderhalve euro een mooi voorschot op de volgende reguliere Wigmanbundel.
    Menno Wigman, De wereld bij avond

    Uitgeverij Prometheus & Poetry International, 2006

    ISBN 90 446 0826 6

    16 pagina's, € 1,50

    Gesprek & bespreking door Iris Pronk in Trouw, 26-01-06:

    *): Naschrift: na Wigmans derde bundel Dit is mijn dag (Prometheus 2004) nog eens gelezen te hebben, moet ik bekennen in het bovenstaande voorbij gezien te hebben aan de readymade 'Erratum' op pp.21-22 aldaar, letterlijk terug te vinden in tijdschrift De Revisor, nr.5, 1977, TM februari 2006.