• Kastanjegedichten,Nanne Nauta

    De gevaren van de paardenkastanjemineermot

    Uitgeverij Passage geeft eigenzinnige bloemlezingen uit. Eerder verschenen de bundels Kutgedichten en Klotengedichten. Gedichten over de mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen. Een logisch vervolg was Eikelgedichten geweest, maar het is Kastanjegedichten geworden. Dat was ook wat verwarrend voor Karel ten Haaf die in een lang gedicht een meisje aan het woord laat:

    ‘ze zei
    godallemachtig mammoetslurf
    en jezus man wat een hengstenzwengel en
    dat is geen eikel meer dat is een paardenkastanje’

    Samensteller Nanne Nauta vroeg bekende en onbekende dichters om een gedicht over de paardenkastanje (ik wist niet eens dat de gewone kastanjeboom officieel paardenkastanje heet). En daar is een reden voor: paardenkastanjes worden bedreigd door de mineermot en de bloedingziekte. De mineermot is voor de kastanjeboom wat de knut is voor een schaap. In een bijzonder houterig geschreven stuk voor in de bundel leggen Wichertje Bron en Arnold van Vliet nog eens de verwoestende werking van de paardenkastanjemineermot (3x woordwaarde) uit en ze kunnen nog weinig hoop bieden aan de kastanjesliefhebbers, want het onderzoek ‘is nog in volle gang’. Een loofwaardig initiatief dus van Nanne Nauta om nu reeds aandacht te vragen voor de gevaren die dreigen voor deze boom. En meer dan het onderwerp  van de geslachtsdelendeeltjes leverde dit thema een stortvloed aan gedichten op.

    Echte dichters weten van elk thema iets te maken. Diana Ozon bijvoorbeeld vergelijkt het vallen van de kastanjes op de daken van de auto’s met de free jazz van Han Bennink. En Ruben van Gogh vergelijkt de vallende kastanjes in zijn klankrijke en afgewogen gedicht met bommen die vallen. Jan Baeke heeft altijd intrigerende regels in zijn gedichten:

    ‘Hij kon ook zien dat menig tak voor vlinders
    te fragiel was, dat hij doorboog onder
    strakgetrokken verhalen.

    Er had iemand gehangen, er had iemand
    in een sloot gelegen.’

    En zo zijn er wel meer geslaagde gedichten te vinden. Maar hemeltjelief, wat staat er een hoop rotzooi tegenover.

    ‘Kastanjetak

    Kronkelend, eerst diepduikend
    en dan weer
    klimmend spoor
    van een zoektocht naar het
    licht.’

    Wim Schot schreef dit nietszeggende haiku-achtige ding. Het lijkt of Nauta alles wat hij binnenkreeg wilde plaatsen. Kneuterige jeugdherinneringen en pathetische onzin: alles mocht.

    ‘Als dit alles verdwijnt
    de enige remedie hakken
    en branden is, verliest ook taal
    zijn woorden en klanken.’

    Nou, dat zal wel een beetje meevallen, Hannie Rouweler, maar we houden je er graag aan mocht het eens zover komen. Quirien van Haelen rijmelt er ook nog een versje uit, ik citeer even de rijmwoorden: Anje, haar, oranje, kastanje, zwaar, staar, nepchampagne, gepaar, klaar, franje, kruin, ban, kan, kastanjebruin. En hoppa, weer een bladzijde vol.
    Het lezen van de bundel is kortom een wisselend genoegen. Een iets strenger toelatingsbeleid had een veel betere bundel opgeleverd. Die zit nu verscholen in het geheel en het is aan de lezer om de mooie gedichten eruit te halen. Het is voor een goede zaak moet je maar denken.

    COEN PEPPELENBOS

    NANNE NAUTA (RED) – Kastanjegedichten. Uitgeverij Passage, Groningen, 158 blz. 15,95

  • In dit laagland,K. Klok

    Gewoontjes

    De Dordtse historicus Kees Klok debuteert eindelijk. Op zijn zeventiende presenteerde hij een Dordtse versie van Poëzie in Carré waar bekende dichters optraden en durfde het aan zelf ook nog een vers te laten horen. Hij hoopte op de plaatselijke krant.

    In 2006 komt het dan toch tot een bundel. Bij uitgeverij Wagner & Van Santen brengt hij In dit laagland uit waarin het openingsgedicht het bovenstaande beschrijft. De rest van de bundel bestaat uit vier afdelingen met strakke poëzie, vol herinnering en regenwater. Regenwater – maar ook andere neerslag – komen opvallend vaak aan het einde van zijn gedichten omhoog wellen of naar beneden vallen. Zo hij ‘het hoe het van de regen glom’ in het openingsgedicht, in het gedicht ‘Bij de haven’ begint het zacht te regenen, op pagina 33 ligt er ‘nog net geen sneeuw’ en vervolgens welt het regenwater in ‘Schuilplaats’ op. Ach, het is niet consequent toegepast, het geeft alleen een wat gemakkelijk beeld en dat doen wel meer gedichten uit deze bundel.

    In de eerste afdeling ‘Groeten misschien’ kijkt hij terug op zijn jeugd. Het zijn nostalgische, weemoedige en soms lieve gedichten die mij niet raakten door hun afstandelijkheid. Zo beziet hij alles van een afstandje en laat hij je niet dichterbij komen:

    ‘Aan de kaarttafel de machtelozen

    in hun ontluisterend spel

    en dat meisje: kijk hoe zij zich

    buigt om vuur aan te nemen.’

    Het is misschien een mooi beeld, maar vooral een herkenbaar beeld. Daarnaast is het een beeld dat betekenisloze vragen oproept: waarom machteloos, waarom ontluisterend en waarom zouden we überhaupt naar dat meisje kijken? Dat het zich in de haven afspeelt, lijkt mij weinig kenmerkend.

    De tweede afdeling ‘De kaart van Peutinger’ is wellicht de minste. Het is een avontuurlijke reis door de wereld in voorspelbare gedichten; erg spannend wordt de reis maar niet. Het is vooral ‘gewoontjes’: ‘Wij waren mooi weer zeermensen / die voor striemend zand, brullend water / en gruwelverhalen de beschutting / van de stad zochten.’

    De inhoud is zeer wisselend. In de derde afdeling zien we dat vooral terug. Zo lezen we daar:

    ‘Dat het licht in jouw ogen

    mij zo zou verslaven,

    tornado’s teweeg zou brengen,

    het doel van mijn reizen

    van west naar oost zou verleggen

    en dat voorgoed.’

    Een slappe strofe uit een gedwee liefdesgedichtje dat tot overmaat van ramp ‘Het licht in jouw ogen’ is getiteld. Rare zinnen die het gedicht meedogenloos onderuit schoffelen: ‘Pover wasgoed aan de lijn, / een lekkend dak boven onze zorgeloosheid.’ Maar daar tegenover schrijft hij mooie gedichten over September: ‘Een tunnel verder raapt een zwerfster / kaarten uit de berm. Een weggewaaide / schoppenboer laat een toekomst te raden’, en over de watersnoodramp van 1953: ‘Het magisch watermerk dat ik / gestaag te boven groeide, / zoals bij elk bezoek weer bleek. / Het lage land benadrukt in een groef.’

    Zijn kennis van Griekenland en met name Cyprus heeft hij in de laatste afdeling mooi beeldend samengevoegd, melancholische beschrijvingen, afstandelijk maar intiem. Hier komt de historicus naar voren, hier spreekt passie en hier durft hij ook meer met zijn lezers te delen, maar we blijven toeschouwers:

    ‘Terwijl men lacht om vrolijke verhalen

    danst een circusjongen

    op weg naar het einde

    en tobben bezorgde ouders over

    een eigen huis, want hun taal

    der liefde is even versteend

    als het land.

    De poëzie van Klok doet mij hier en daar denken aan de latere gedichten van Bernlef: zij heeft iets ‘gewoons’ terwijl er onder de woorden een spel van betekenis speelt. De kunst van het observeren, in dezen het observeren van het verleden. Maar zij is niet ‘gewoon’ maar ‘gewoontjes’, zij heeft iets naïefs en de kwaliteit is te wisselend. Het is niet te hopen dat hij hiermee alle gedichten tussen 1969 en nu gepubliceerd heeft, maar dat hij nog wat te schiften heeft. Veel gedichten uit deze bundel hadden beter in de plaatselijke krant kunnen staan.

  • Schuim,Alfred Schaffer

    Piet Gerbrandy schreef in de Volkskrant van 8 september 2006 een eerder negatieve beoordeling neer van Alfred Schaffers nieuwste bundel, Schuim. Zijn oordeel hangt hij op aan een aantal regeltjes waaraan de auteur zich dient te houden om de lezer tegemoet te komen. Die lezer gaat volgens Piet Gerbrandy en de door hem aangehaalde Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Culler van een aantal verwachtingen uit:

    ‘In de eerste plaats ga je ervan uit dat er een spreker is die je iets vertelt, in de tweede plaats neem je aan dat – net als in een normale conversatie – de verschillende zinnen iets met elkaar te maken hebben, in de derde plaats verwacht je dat wat de auteur zegt, de moeite waard is.

    Je zou kunnen zeggen dat literatuur alle kenmerken van een wellevend gesprek heeft. De dichter hoopt dat de lezer de beleefdheid zal opbrengen zich in te spannen om te begrijpen wat hij beweert, omgekeerd doet hij zijn best de lezer iets zinnigs mee te delen.’

    Gerbrandy meldt dat Schuim, tegen het bovenstaande in, geen pogingen onderneemt om ‘de lezer op zijn gemak te stellen’. De meerstemmigheid – die Piet Gerbrandy beschouwt als de belangrijkste reden voor dat ‘ongemak’ van de lezer, omdat die aanleiding geeft tot inhoudelijke versnippering – is zeker aanwezig in Schuim. Maar dat betekent niet dat Schaffer zich in de veelheid verliest. Integendeel, alle gedichten, alle ‘stellige mededelingen’, zijn gegrond in dezelfde toon, de poëzie in Schuim draagt steeds dezelfde ziel. Schaffer varieert in de toonhoogte. De ene keer is hij bijtend hard, bijna onmeedogenloos, de andere keer overheerst er een gevoel van onmacht, treurnis of van medelijden.

    De eerste afdeling in Schuim, ‘Het rijk alleen’, is doorspekt met cynisme, en van een hardheid die een pulserende vinger op de open wonde legt. ‘Prijs de ramp die ons behoedde voor gezichtsverlies, / in mijn bunkers kun je schuilen. Denk aan de wens van je publiek’, klinkt het in ‘Ode aan de gehoorzaamheid’. Of: ‘Gedrenkt in terminologie smeulen / de loopgraven, gedachteloos wind je mij om de vinger, als kreten / van triomf klinken je beloftes. / Je kunt hier je advertentie plaatsen.’ (uit ‘De zaagmeester adviseert’) In ‘Goede raad is duur’ lijkt ook ‘mijnheer de president’ George Walker Bush aanwezig te zijn: ‘Schiet een paar buffels af, / haal een ijsje, gebruik een zakdoek als je niest, laat je spieren zien. Dat werk. / En zeg amen en zeg amen. Kon je nu maar in de toekomst kijken, je had / dit afscheid grootser aangepakt – gezondheid. Dat wordt nog lachen straks.’ ’s Werelds machtigste man krijgt hier een toekomst voorspeld die hijzelf – ‘God bless America’ – niet had zien aankomen. Maar ook de andere zijde wordt in beschouwing genomen. In ‘Alle zinnen op een rij’ lijkt Bono rond te waren: ‘De vraag is: met of zonder jou. De vraag is: wie was hier de baas’; en iets eerder in het gedicht valt – al is dat misschien wat vergezocht? – de naam van diens band af te lezen: ‘de stand is nu 2-2’. In ‘Deze wedstrijd is geen pretje’ valt dan de ‘grond onder je voeten’ – van U2 en/of Salman Rushdie – op. Alfred Schaffer associeert, legt verbanden die misschien niet onmiddellijk herkenbaar zijn of iets minder herkenbaar worden gemaakt door de context waarin ze worden geplaatst (; de lezer die de gedichten niet na één lectuur aan de kant legt wordt echter ruimschoots beloond). Maar het gedicht in zijn geheel verkrijgt wel onmiddellijk een zeer specifieke sfeer. En daar is Schaffer een meester in.

    In de cyclus ‘Wakker’ schreeuwt Alfred Schaffer het uit. Onrecht staat ook hier weer centraal, net als de manier waarop we daarmee omgaan. Opnieuw Bush junior: ‘Je bent voor of tegen. Ten dode opgeschreven.’ Waarop Schaffer: ‘Maar wie is dat niet.’ En weer Bush: ‘Geen teken van leven: een vorm van bestaan.’ De actualiteit biedt voldoende stof te kauwen. Abu Ghraib, de massavernietigingswapens, 9/11, de zwaarbewaakte Mexicaanse grens, de nieuwe wapenwedloop… In de afdeling ‘Staat verzekerend’ wordt het terrorisme in de Nederlandse context geplaatst; de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen? is de aanleiding voor deze gedichten. Het motto spreekt boekdelen: ‘Ik was aan het winkelen en ineens zag ik een rugzak staan. Helemaal alleen in een drukke winkelstraat. Net toen ik de politie had gebeld, kwam er een jongetje aanrennen.’ (Mevrouw Berends in de net aangehaalde brochure)

    Dit alles geloofwaardig binnenbrengen in de poëzie is knap lastig, maar Alfred Schaffer slaagt er schijnbaar moeiteloos in. Zijn gedichten puilen uit van de geladenheid, maar behouden, ondanks de voelbare woede, de nodige afstand tot hun onderwerp. Zijn gedichten zijn meer dan aanklachten. Het zijn gedichten die de poëzie inzetten voor iets belangwekkends, zonder de poëzie zelf te verliezen. Dat is de grootste kracht van Schuim: én de wereld binnenbrengen in de poëzie, en in die wereld de poëzie poëzie laten zijn. En daarenboven duidelijk maken dat we niet hoeven te kiezen.

    De meerstemmigheid in Alfred Schaffers nieuwe bundel heeft – toegegeven – voor de lezer een zeer uitdagende rol in de aanbieding. De vele monden waaruit de dichter spreekt scheppen afstand. Wat mank loopt in Gerbrandy’s lectuur van Schuim is dat hij de niet-onmiddellijke herkenbaarheid vervangt door ‘ontoegankelijkheid’ en daardoor – terugdenkend aan de drie regeltjes – nietszeggendheid. Schaffer zegt veel in Schuim. De afstand die hij bewaart, en die Gerbrandy verwerpt, want indruisend tegen het creëren van betrokkenheid bij de lezer, is mijns inziens net dat wat de boodschap zo dreunend aandraagt. Alfred Schaffer heeft wel degelijk een lezer voor ogen, en die krijgt op zijn beurt geen hand, maar een spiegel voorgezet. Of scherven daarvan, die de lezer zo dicht op de huid zitten dat ze ook hem verwarren, verknippen en fragmenteren. Niemand is geheel en al dit of dat. Ook de dichter zelf zit in die zin – misschien ongewild – gevangen in bepaalde patronen.

    ‘De muziek die ons toekomt’ kende een eerste publicatie als bibliofiele uitgave. De afdeling zoomt in op een ziekenhuisbed, een patiënt en diens familie. Het perspectief plaatst Schaffer bij de familie, die een en al vertoning pleiten. Het gaat soms hard: ‘Wat lig je toch te kermen man, / of lig je soms niet goed?’; ‘Is je kussen niet te plat, heb je geen dorst – wat kijk je nou, / wat kíjk je nou?’; ‘we moesten maar eens gaan, groet ons nu gauw / en denk niet meer aan ons. Sterker nog, / we zijn al weg.’ Het schrijnende is dat de patiënt, de reden voor de aanwezigheid van de ietwat cynische familieleden  en daarmee toch het middelpunt van de belangstelling, slechts een ‘intermezzo’ krijgt toebedeeld. Of, daar lijkt het toch op. In dat tussenstukje schijnen de beschouwingen en gedachten van persoon te veranderen. De patiënt valt misschien niet zo goed te onderscheiden van zijn harde familieleden? Schaffer legt er nog een knoop in: ‘en tegen wie je het nu eigenlijk hebt geen idee zeker / toch niet tegen mij? of moet ik denken jullie?

    ‘Rijp’ is een cyclus die Alfred Schaffer in Brussel schreef, een paar maanden na het overlijden van zijn vader. Het is een erg gevoelige, turbulente, tegelijk pijnlijke en harde cyclus. En vooral eerlijk. Schaffer legt alles bloot tussen de eerste en de laatste regel: ‘Welkom in de studio, hier eindigt het geloof. Het geloof in een v
    ertrektijd, / in een diepere betekenis. Had je dit succes verwacht?’ – ‘De muziek een troost? Met een lege maag is het lastig luisteren.’

    Met het laatste gedicht uit de cyclus ‘Krank’moet het eindigen:

      Nu de zaak gelopen is worden we geen seconde meer alleen gelaten.
      Men vliegt als hij maar even zucht, men roept de dokter als hij kucht.
     
    Kotsziek op zoek naar nieuwe overlevenden.
      Een groep van twintig jongeren is alvast in hogere sferen,
      gewapend en gemaskerd. De fotograaf trapt zijn sigaret uit,
      brengt zijn camera in stelling en als de dokter verschijnt
      springt de verzamelde pers als één man overeind. ‘Vragen?’
      Geen vragen. En toen en toen en toen. ‘Komen jullie ooit terug?’
      Een overdreven intonatie. ‘Als je het niet erg vindt,
      dan bestellen wij alvast.’ Je rende op ons af, je moet ons hoe dan ook
      hebben herkend – onze wij-vorm een dekmantel,
      een jas tegen de kou. Waar bleven onze praatjes, vielen we stil?
      Doet dit hier pijn? Gaan we vegeteren? Wat verwachten we van de behandeling?
      Weggedoken op de achterbank doorkruisten we de woestenij,
      kadavers sisten in de zon. Bedienden stonden ons terzijde,
      wankelend van insomnie. Een beetje keizer zou nu
      een gedicht hebben geschreven. Om het vertrouwen te herstellen.
      Het zweet op het voorhoofd van zijn onderdanen.
      Als hij roept ‘Ik ben de keizer’ is er niemand die hem hoort
      In het holst van de nacht. Daaraan konden we een voorbeeld nemen.
      Het lijkt erop of alles is geregeld. Spoedig braken andere tijden aan,
      de uitkomst is besproken: niemand raakte gewond.
      Zolang je maar bestond hadden we een reisdoel voor het grijpen.
      We zijn telefonisch te bereiken.
      Nooit is het zo stil geweest.

    Piet Gerbrandy’s uiteindelijke oordeel in de Volkskrant luidde: ‘Het geheel […] doet de lezer na verloop van tijd verlangen naar onvervalste schoonheid.’ Het ‘onvervalste’ karakter van die schone wereld, baart zorgen: welke wereld is het immers waarover Gerbrandy spreekt? Gerbrandy’s mooi lijkt meer op – in de woorden van Alfred Schaffer uit een interview met Fleur Speet (De Morgen, 13 september 2006) – ‘rozengeur’. De literatuur als romantische vlucht? Drie keer Schaffer als tegengif:

    ‘Zeg ons na: het gaat beter nu dan ooit.’
    ‘Tegenover de harde realiteit, een harde wereld kan ik geen zoetgevooisde poëzie zetten.’
    ‘Toch snakken we allemaal naar literatuur die ertoe doet, die de werkelijkheid zo kneedt dat we er meer mee kunnen dan die aan te staren.’

    De wereld is er klaar voor.
    I think I heard a shot.

    Alfred Schaffer schreef:
    Schuim. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006.
    De muziek die ons toekomt. DRUKsel, Gent, 2005.
    Geen hand voor ogen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2004.
    Definities en hallucinaties. Perdu, Amsterdam, 2003.
    Dwaalgasten. Thomas Rap, Amsterdam, 2002.
    Zijn opkomst in de voorstad. Thomas Rap, Amsterdam, 2000.

  • Donkere arena,Jan-Willem Anker

    Er loert gevaar

    Deadlines zijn vreselijk. Je bent bezig met het lezen van een bundel. Je herleest de bundel, pikt er enkele gedichten uit, legt het boekje weer weg, herleest, etcetera. De datum nadert dat je je stukje moet inleveren en je denkt: dat kan nog niet, ik heb deze poëzie nog niet veroverd. Dat overkwam me met Donkere arena van Jan-Willem Anker die vorig jaar al die mooie debuutbundel Inzinkingen schreef. Anker kwam sluipend de poëziewereld binnen, zag en overwon met zijn gedichten die je blijven uitnodigen tot herlezing.
    In dat debuut kwam ziekte als thema nog veelvuldig voorbij. Daar denk je aan terug als je de nieuwe gedichten leest die refereren aan iets wat voorbij is, maar toch een residu in de hersenen heeft achtergelaten.

    Zonder slaap

    Geraamtes klepperen zacht in de muur
    als rond vieren de wind opsteekt.

    Je ogen passen
    in het donker, de maat
    die herinneringen haast eender maakt.

    Gesprekken, stokpaardjes, voorwendsels
    spoken heldhaftig door je hoofd.

    Als je beweegt knakt je lichaam.
    Tegen de ramen kruipt de mist.

    Je oefent in stelsels
    van vergeetachtigheid en categorieën van
    hoop dat ooit iets anders je wakker houdt.

    Misschien gaat dit gedicht gewoon over iets anders, maar de dood is duidelijk aanwezig. Haast irritant manifest in de eerste twee regels. Tot je bij tweede lezing opmerkt dat hier ook gewoon het raam bedoeld wordt. De eerste regel krijgt een echo in ‘Als je beweegt knakt je lichaam.’ Daarop komt meteen de mist het gedicht binnen die weer een herhaling krijgt in ‘stelsels van vergeetachtigheid’, alsof binnen het brein alles moet vervagen. De woordkeuze in die laatste drie regels houdt me bezig. Waarom gekozen voor zoveel afstandelijkheid? Waarom ‘stelsels van’ en ‘categorieën van’? Lelijke woorden. Zou ‘Je oefent in / vergeetachtigheid en /  hoopt dat ooit iets anders je wakker houdt.’ niet veel beter zijn?
    Er zitten dus verschillende elementen in dit gedicht die een zekere ergernis oproepen, maar die bij herlezing verdwijnen. Ook die laatste regels, want die vormen een haast mathematisch contrast met de eerdere regels ‘het donker, de maat / die herinneringen haast eender maakt’. Tegen de alles opslorpende duisternis wordt een rationele bezwering geplaatst. Daarom moeten de stelsels en categorieën erin staan.
    Veel gedichten in deze bundel dwingen je tot herlezing. Niet alleen omdat je daartoe binnen het gedicht gedwongen wordt, maar ook omdat Anker hier en daar dezelfde woorden laat terugkomen waardoor je moet terugbladeren om het ene gedicht tegenover het andere te zetten.
    Waren de gedichten in Inzinkingen nogal vaak geschreven in dezelfde vorm, in Donkere arena experimenteert Anker nogal met de lengte van de regels en de strofen. Er staan zelfs proza-achtige gedichten in, zo komt de titel voor in het prozagedicht ‘Baard’.  Dat begint onschuldig over baardgroei tot je bij de zin komt: ‘Buiten je om wikkelt zich iets af in jezelf. / Biologeert je.’ Waarna een anekdote volgt over een vader die zijn zoon het uniform van een gedode stierenvechter aantrekt nadat hij de bloedvlekken eruit gewassen heeft. De derde strofe luidt dan (het streepje voor het einde van de regel is bij een prozagedicht altijd arbitrair): Morgen is je hoofd een naaldbos, bedenk je dat er stallen zijn waarin onrustig / de vechtstieren slapen. De arena is donker, verlaten nog.’
    Een raar beklemmend gedicht, vooral omdat het lijkt alsof er iets op de loer ligt, er gevaar dreigt. Anker benoemt dat gevaar niet, waardoor zijn poëzie niet anekdotisch wordt, maar hij weet die beklemming wel over te brengen, althans op mij.
    Donkere arena eindigt met de cyclus ‘Overwintering in Quarteira’, tien gedichten, die elk bestaan uit drie kwatrijnen. Het leek me eerst een beschrijving in een soort hel te zijn tot ik Quarteira googlede: een badplaats in Portugal. Een oord voor ‘bejaarden uit het bibberkoude westen’. En de hoofdpersoon ziet vooral de leegheid van de bevolking en van de omgeving:

    ‘roestig sportveld, telefoondraden
    om je aan te verhangen, lokale kunst
    betonmolens, huizen zonder dak
    waar je een havik ziet bidden.’

    Kortom, toch de hel. En nu ga ik alles nog eens herlezen. Donkere arena is een absolute aanrader voor poëzieliefhebbers.

    Coen Peppelenbos

    Jan-Willem Anker: Donkere arena. De Bezige Bij, Amsterdam, 48 blz. €15,-

  • Ooitgedicht,Willem van Toorn (samenstelling)

    In 1985, rond mijn tiende, kwamen drie boeken ons huis binnen die de loop van mijn leven duidelijk beïnvloed hebben. Eerst kwam vertaalster en schrijfster Thera Coppens langs op mijn lagere school om twee dichtbundels te promoten die ze samen met Willem Wilmink en Hans Dorrestijn had vertaald: Het randje van de wereld en Licht op zolder, allebei van de Amerikaanse kinderboekenschrijver Shel Silverstein. Ah! Gedichten hoefden niet keurig in gelijkmatige, rijmende regeltjes geboetseerd te worden, en ze mochten bovendien gaan over wat je maar wilde, zelfs als wat je wilde niet al te lieflijk of waarschijnlijk zou zijn! Na kort aandringen mocht ik beide boeken kopen en het aanzien van veel klasgenoten hun poëziealbums zou er danig door veranderd raken. Maar een belangrijker boek kwam in de laatste maand van het jaar, toen mijn moeder het van een vriendin cadeau kreeg: Ooitgedicht. Een groot aantal gedichten verzameld in een boek. Ik bracht er mijn kerstvakantie mee door en heb het haar eerlijk gezegd nooit meer teruggegeven.

    Ah! gedichten hoefden niet keurig enzovoorts: dezelfde openbaring die Silverstein me eerder al had gegund, maar nu door véél meer dichters tegelijk, uit Nederland en daarbuiten, in een veelheid van tonen en stijlen, dichters bovendien die niet speciaal voor kinderen schreven… Ooitgedicht leerde me als eerste dat ook serieuze grotemensenpoëzie niet per se netjes, deftig en ernstig hoefde te zijn. Een gedicht mocht ook simpel en lucide zijn, zoals meteen het eerste van de bundel al:

    vanochtend na het ontbijt

    ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,

    dat het deksel van een middelgroot potje marmite

    (het 4 oz net fomaat)

    precies past op een klein potje heinz sandwich spread

    natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd

    of het sandwich spread-dekseltje

    ook op het marmite-potje paste

    en jawel hoor: het paste eveneens

    [C. Buddingh’, ‘Pluk de dag’.] 

    Of nóg iets luchtiger en verwarrender:

    Ik lag te slapen onder

    een boom toen ik werd gewekt

    door het ritselen van bladeren en

    een man voorbij zag vliegen:

    dat zeg ik nou wel, maar misschien was het

    een vogel.

    [Joan Brossa, ‘Ik lag te slapen…’, vertaling Madelon Zuyderhoff.]

    Of, vooruit, nog eentje dan: Judith Herzbergs eenvoudige ‘De zee’:

    De zee kun je horen

    met je handen voor je oren,

    in een kokkel,

    in een mosterdpotje,

    of aan zee.
    Op bijna elke van de 146 bladzijden ontdekte ik nieuwe mogelijkheden om met geordende woorden tot originele gedachten of nog ongeziene beelden te komen. Niet alleen vrolijke gevoelens konden onder woorden worden gebracht, er was ook ruimte voor bijvoorbeeld het doodsverlangen van Jan Arends (‘Hij kan / 24 uur / per etmaal slapen’), de latente waanzin van Pierre Kemps ‘Avondbloemen’ of de algehele tegenzin van Ellen Warmonds ‘Changement de décor’. En soms bleek het zelfs mogelijk om een hilarisch effect te bereiken met een gedicht dat toch niet minder dan de ontoereikendheid van de taal en het menselijk gehannes onder woorden brengt. Zo chique zal ik het toen niet geformuleerd hebben, maar de lachstuip waarin ik raakte toen ik voor het eerst ‘Man & dolphin / Mens & dolfijn’ van Hans Faverey hardop las, en ook het wat trieste, bittere nagevoel ervan, staan me nog helder bij.

    Faverey, Buddingh’, Van Ostaijen, Lodeizen, Koenegracht, Gorter, Kouwenaar, Lucebert, Campert, Herzberg, Nijhoff, Achterberg, Kopland, Schippers, Tellegen, Vasalis, zwaal: veel van de Nederlandse dichters zou ik later nog ontelbare malen lezen, beter leren kennen en waarderen, de meesten tot op de dag van vandaag. Maar in Ooitgedicht las ik ze voor het eerst. Hetzelfde geldt voor buitenlandse dichters als Zbigniew Herbert, Kurt Schwitters, Czeslaw Milosz en T.S. Eliot. Ook, en daar ben ik samensteller Willem van Toorn met name dankbaar om, zitten er dichters tussen die ik zonder Ooitgedicht mogelijk nooit had leren kennen. Zonder deze bundel was het werk van Vasko Popa waarschijnlijk aan me voorbij gegaan, terwijl ik deze dichter nu nog steeds tot mijn favorieten reken. Pas jaren later vond ik meer vertalingen van zijn gedichten, ontdekte ik dat er zelfs een hele bundel vol van bestond, en in het Engels een nog veel dikkere, maar toen kon ik nog slechts zijn drie gedichten in Ooitgedicht eindeloos herlezen, erom lachen, proberen te begrijpen wat hij nu precies liet gebeuren in een gedicht als ‘Verleidersspel’:

    De een streelt de stoelpoot
    Tot de stoel zich verroert
    En lief gebaart met zijn poot

    De ander kust het sleutelgat

    Kust het als waanzinnig

    Tot het sleutelgat hem terugkust

    Een derde staat terzijde

    Staart het tweetal aan

    Schudt zijn hoofd en schudt

    Tot het hoofd eraf valt

    [Vasko Popa, ‘Spelen: Verleidersspel’, vertaling Jana Beranová.]
    Ooitgedicht. Een groot aantal gedichten verzameld in een boek.

    Samengesteld door Willem van Toorn.

    Stichting CPNB, Amsterdam 1985.

    172 pagina’s, inclusief ‘Biobibliografie’.

    ISBN 90 70066 54 8.

    P.s. Op de afgelopen Deventer Boekenmarkt kwam ik een exemplaar van Ooitgedicht tegen voor € 5,-. Op internet blijkt het boek te vinden voor prijzen tussen € 4,50 en € 30,-, exclusief verzendkosten.
  • In inkt gewassen,Charles Ducal

    Charles Ducal
    In inkt gewassen

    ‘Er is geen poëzie in een te helder leven’ schrijft Charles Ducal (1952) in het gedicht ‘Poëtica’. ‘Alles wat toonbaar is moet overschreven, / ieder gedicht gewassen in inkt’. Het is die discrepantie tussen wereld en woord, tussen vlees en taal, tussen dier en mens die in Ducals nieuwste bundel In inkt gewassen onhoudbaar blijkt en vrijwel elke pagina beheerst. Na acht jaar dichterlijke afwezigheid, acht jaar na Naar de aarde is er de terugkeer naar het woord; uit noodzaak.

    ‘In inkt gewassen’ is ook de bundel van Charles Ducal. Er is de toestand en de onmogelijkheid om die toestand – hoe rauw die ook wordt geformuleerd – even rauw, even dreunend voor te stellen. Het andere uiterste is eveneens gedoemd om te mislukken. In ‘Op de vlucht’ is het de eeuwige terugblik die de vluchtende mens als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Met één snok kan de afstand worden vernietigd. IJdele hoop, ijdel streven dus. De enige echte, maar niet-realiseerbare oplossing ligt aan het begin, of beter daarvoor: ‘ik ben er niet / ik ben nog veilig / dood’ (‘In den beginne’). Ducal toont zich in In inkt gewassen geëngageerd, bereid te spreken over de rauwe kant van het leven en de stekelige kant van het schrijven. Dat engagement wordt zowel gevoed als tegengewerkt door het pessimisme dat in Ducals schrijven ontwaarbaar is: de situatie is onontkoombaar, (gedichten) schrijven lost in het geheel niets op, en resulteert, integendeel, vaak in een verbloeming van wat er echt gaande is. Desondanks blijft er toch een kleine revolutionair in de massa overeind. De hoop op verandering, hoe klein ook, is er nog steeds: ‘Het heeft iets wanhopigs, maar toch, // het is een begin.’ (‘Revolutie’)

    Het sprankeltje hoop waarmee de cyclus ‘Anderzijds’ – in het gedicht ‘Revolutie’ – afsluit, staat in een schril contrast met de andere gedichten in de afdeling. Die bevragen op de meest rechtstreekse manier de eigen tijd. Zoals in ‘Que faire’: ‘Wij stonden opzij, wat verlegen, / bang dat hij opnieuw zou gaan preken. / Wij hadden een baan en weinig tijd’; in ‘Bij nader inzien’ dat nadrukkelijk vragen stelt naar de manier waarop God en de geest aanwezig zijn in het mensdom: ‘Daarna schreeuwt het vlees, van hem bezeten, / verschijnen de vuisten en de geweren, // bedenken wij ons’; of in ‘Het getal van de doden’: ‘Het getal van de doden / is een getal zonder kracht. / Het maakt onze angsten niet wakker, / het laat ons lichaam intact’. Ducal schrijft al het schrijnende neer. De enige uitwegen die zich in de gedichten aanbieden lijken op voorhand al verloren gegaan. Een van de krachtigste aanklachten in de reeks is ‘Bij het lezen van Lucas’, als het ware een synthese van wat mensenogen de afgelopen jaren te zien hebben gekregen aan leed:

      Misschien had u het dochtertje

      beter dood kunnen laten

      en de storm op het meer

      zijn gang laten gaan

      en de maanzieke knaap

      aan de duivel gelaten

      en de vijfduizend hongerig

      naar huis laten gaan.

      Misschien waren wij dan

      niet zo lang binnen gebleven,

      zuchtend in onze kerken

      en voor de tv,

      terwijl de storm groter werd

      en de dochtertjes stierven

      als vliegen en de broden

      en vissen niet konden verdeeld.

      Misschien hadden wij dan

      genoeg moed en mankracht

      verzameld om zelf uit te werpen

      de onreine geest

      die deze wereld verscheurt

      en verplettert, schuimend

      van onze onmacht,

      opgezweept door onze vrees.

    God keert wel vaker terug in In inkt gewassen. In de afdeling ‘Zacht van vlees’ wordt de godheid de instantie die de scheiding tussen mens en dier bewerkstelligt: ‘Tot God verscheen / met meetlood en planken / en ons een stal liet bouwen midden het veld // en ons leerde zijn beeld na te apen, / het vlees met het woord aan te raken, / de lust om te zetten in geld.’ Het varken dat zich in het gelijknamige gedicht ‘aan gene zijde / van de liefde’ bevindt en in de cyclus wordt gevolgd op zijn lijdensweg, wordt door Gods ingreep van de ‘medemens’ ontdaan. Verzuchtend vervolgt Ducal: ‘Kon een van ons het hoofd verliezen, / wij zouden huilen, beiden, / van bezetenheid.’

    En zo is er opnieuw de mens, die ernaar verlangt te vliegen maar uit noodzaak op aarde blijft. In de cyclus ‘Zoveel gewicht’ hekelt Ducal ‘De oude dichter’, of zijn het de bezoekers aan het reservaat: ‘Oudere jongens / hadden nog meegemaakt / dat uit zijn mond woorden kwamen, / maar die mechaniek was // al jarenlang stuk.’ In ‘Lolo’ ten slotte, een cyclus van zeven gedichten over de Franse, exuberant rondborstige pornoster Lolo Ferrari, maakt Ducal een mooie tournure van de dichterlijke drang naar woorden – ‘maar toen was ik jong en droomde / ervan iets te schrijven, zo groots // dat het eigenlijk niet kon’ – naar de drang van Eve Valois om idool te worden – ‘Alleen zo kon zij verhandeld / en op de markt aan de man gebracht’. De weg naar dat persoonlijke doel noodzaakt echter al het eigene te te vervangen door plastic. Ducal countert in het zesde gedicht met de namen van 36 andere pornosterren – tussen beletseltekens.

      Eve Valois, zevenendertig, niet langer

      in staat uit zichzelf te verdwijnen.

      En midden die puinhoop, als grap,

      de twee borsten, tijdloos, perfect

      op zichzelf, onmogelijk te torsen,

      drie kilo elk.

    In inkt gewassen, uit noodzaak.
    Bibliografie Charles Ducal:

    Het huwelijk. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1987. (gedichten)

    De hertog en ik. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1989. (gedichten)

    De meesterknecht. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1992. (roman)

    Over de voorrang van rechts (met Kamiel Vanhole). EPO, Berchem, 1993. (brieven)

    Moedertaal. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1994. (gedichten)

    Naar de aarde. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998. (gedichten)

    In inkt gewassen. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006. (gedichten)

  • De encyclopedie van de grote woorden,Mark Boog

    De eenvoudigste zaken zijn de ingewikkeldste

    Er verschijnt niet zoveel in de zomermaanden, maar voor Literair Nederland is de actualiteit toch al nooit het grootste goed geweest. Geen komkommertijd dus, een bundel die er al even was is altijd beter dan een krantenbericht over Egyptische ratslangen die zijn gesignaleerd in een buurtschap bezuiden het dorp Doodstil. Of zoiets.

    De encyclopedie van de grote woorden van Mark Boog heeft echt niet liggen wachten tot ‘ie opgemerkt werd door een recensent van de website Literair Nederland. De bundel ontving de VSB- poëzieprijs en werd breed besproken in alle dag en weekbladen.  

    Op de voorkant van de bundel staat een foto van een opstelling met miniatuurbootje en kanten tafelkleed dat met de ogen halfdicht ook een felrealistische foto van een heuse boot op volle zee zou kunnen zijn. Een paar vierkante meter dek op de woelige baren, het laatste beetje zekerheid in een allesomvattende wereld. Maar ook duidelijk zichtbaar: de kunstmatigheid ervan, het beeldkarakter, de imitatie. het kan een beeld zijn van het streven dat deze dichtbundel mogelijk weerspiegelt: via een nadrukkelijk kustmatige aanpak toch het idee geven van een werkelijke poging de grote wereld te bedwingen, of er houvast te vinden.

    De encyclopedie bestaat uit 64 begrippen, lemma’s die als titel functioneren van een gedicht.  Lemma’s die als woorden  in de meeste poëzie angstvallig vermeden worden omdat het thema’s zijn. De dichter zou op een schrijfschool kunnen leren dat het principe show, don’t tell van elementair belang is – ook in de  in de poëzie. Mocht je de neiging voelen iets over liefde te berde te brengen, dan is het af te raden het woord ook werkelijk te noemen, want dan kan het gedicht niet meer in een bundel, maar kan Jan Veen het voorlezen in Candlelight. Een programma dat nog steeds ergens wordt uitgezonden.

    Maar Boog doet het maar wel:

    Liefde

    De lucht als een blok op het land
    onzichtbaar en massief.

    Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
    in je ogen, je passen en je woorden.
    Je bent hier en elders. Ik draag je me na

    en huiver. Je bent te groot misschien,
    of te dichtbij. Je onbereikbaarheid

    is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

    maar de nauwkeurigheid ontbreekt me

    zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

    en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
    verdraag mijn wurggreep, verdraag
    de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

    Er zit zowel iets moedigs als iets voorzichtigs in dit idee de grote woorden maar eens uit te diepen. Enerzijds weerspiegelt het een soort rederijkershoogmoed van de makkelijk wegschrijvende auteur. Tjechov die op de vraag: hoe moet je schrijven? antwoordde – een asbak omhoog houdend die toevallig in zijn buurt stond – ‘Morgen schrijf ik een verhaal dat heet ‘De asbak’. 

    Boog toont dat hij het kan, gewoon een lange lijst met woorden die veel dichters trachten te vermijden, en over elk van die afgelikte clichés iets zinnigs zeggen, duidelijk maken dat je ermee om weet te gaan zonder je eraan te stoten, jezelf belachelijk te maken.  Toch is het conceptmatige van deze bundel, en daarbij komend de noodzaak je voorzichtig niet te stoten aan het probleem dat jezelf gekozen hebt in zekere zin een zwakte.

    Als dit gedicht nu eens onder het lemma Liefde had gestaan:

    Zie daar: ik. Voor spiegels te staan
    en zo lang te kijken dat men zichzelf wordt:

    een ander. Een onthutsende, broodnodige ervaring –
    onze gewoonte is stuitend. Wat verbeelden wij ons?


    Wij verbeelden ons dat wij weten wie we zijn.

    Ik ken mij minder dan jou, jij mij meer dan jezelf.
    De eenvoudigste zaken zijn de ingewikkeldste.


    Ik zie liever jou, voor wie in deze spiegel altijd plaats is –

    ik neem mij terug door even over tegengestelde schouders
    te kijken, daarna bijna zichtbaar weer in mij te varen.

    We glimlachen wee naar elkaar, dubbel.


    En het gedicht Liefde onder het lemma Ik? Noch de kwaliteit van het gedicht, noch de losse poging het lemma te definiëren waren daar erg bij ingeschoten denk ik. Integendeel, het verlegt het perspectief net zo dat het interessant wordt. Lees dan bijvoorbeeld het gedicht onder Kwaad, het alsof het onder het lemma Liefde  had moeten staan, en het wordt nog veel beter.  Boog is echter op versniveau als dichter sterk genoeg om soms iets nieuws uit het verstarde lemma los te schudden. Daar staat tegenover dat een licht profetische dictie niet altijd te vermijden blijkt, en die dictie past Boog niet zo. Mark Boog is als dichter het best als hij een lichte ongemakkelijkheid kan laten doordringen in een verder niet al te schokkende wereld. ‘We laten ons veilig raken’ schrijft hij zelf veelzeggend onder het lemma Poëzie.

    De bundel De encyclopedie van de grote woorden levert enige verrassende inzichten op aangaande de grote thema’s van de poëzie, het leven wellicht. Boog is wel de aangewezen dichter om grootse thema’s in het fletse licht van de nieuwbouwwijk te zetten zodat ze in dat karige decor eens iets anders van zichzelf laten zien. In het algemeen in zijn poëzie gebaat bij een wat vrijere ontstaansgrond, conceptgestuurde bundels als deze maken zijn poëzie er niet perse interessanter op.

    Menno Hartman

    Mark Boog, De Encyclopedie van de grote woorden Cossee, 2006

  • T. Vaessens

    Ongerijmd succes

    ‘Zonder kritiek wordt niemand groot’, luidde de kop van het artikel waarmee Thomas Vaessens begin dit jaar de knuppel in het hoenderhok gooide. Hij pleitte daarin voor serieuze aandacht van de traditionele critici voor nieuwe vormen van poëzie, zoals poetry slams, technische experimenten op cd-Roms en het internet. Ook daar moet het kaf van het koren gescheiden worden, betoogde hij, en zolang die nieuwe poëzie genegeerd wordt door de mensen die de dienst uitmaken in het poëziewereldje zal dat niet gebeuren.

    Tussen neus en lippen door pleitte hij ervoor het universitair onderwijs aan te passen aan het kennisniveau van de studenten. Dat heeft hij geweten. Onder de ogen van de geïnteresseerde krantenlezers rolde iedereen die vond dat hij ‘ertoe doet’ in de poeziekritiek over de kersverse hoogleraar heen.

    Het bewuste artikel is opgenomen in Ongerijmd succes, poëzie in een onpoëtische tijd en vormt de afsluiting van een degelijk sociologisch onderzoek naar de rol die literatuur in het algemeen en gedichten in het bijzonder, spelen in onze maatschappij. Thomas Vaessens laat daarin zien dat revoluties in de literatuur nooit door schrijvers worden veroorzaakt, maar door ontwikkelingen van buiten af. De boekdrukkunst maakte het produceren van boeken mogelijk, de komst van de goedkopere pockets maakte literatuur bereikbaar voor een groot publiek, en de bestsellercultuur die we nu kennen verandert de rol van kranten en tijdschriften van trendmakend tot trendvolgend. De meest recente ontwikkeling in dit rijtje, betoogt Vaessens, is de komst van internet en nieuwe media. Om literatuurgeschiedenis te schrijven, kunnen we dus niet om deze nieuwe ontwikkeling heen.

    Wie goed leest naar wat Vaessens te melden heeft, kan niet anders dan verbaasd zijn over de enorme ophef die over zijn standpunten ontstaan is. Nergens pleit hij ervoor om goede dichters te negeren en voortaan alleen nog maar naar het internet te kijken. Hij zegt niet dat studenten de grote boeken niet meer hoeven te lezen, hij constateert dat ze dat op de middelbare school niet meer doen en consequenties daarvan voor het niveau waarop eerstejaars studenten op de universiteit instromen. Het een wil hij niet afschaffen ten gunste van het ander, hij wil het gebied dat we ‘literatuur’ noemen, breder maken dan het nu is.

    Moderne literatuurliefhebbers lezen niet alleen, ze googelen tegelijkertijd, msn-en, kijken tv en sturen een sms. Al die vormen van communicatie beïnvloeden elkaar en een sommige dichters gebruiken dat in hun werk. Mensen als Mark Boog en Maria van Daalen en Tonnus Oosterhof experimenteren met technische foefjes in hun gedichten en eigenen zich daarmee nieuwe manieren van expressie toe.

    In een interview met het Financieele Dagblad, waarvoor hij zelf jarenlang poeziecriticus was, zegt Thomas Vaessens: “Wie op zaterdag een rondje langs de voetbalvelden maakt ziet dat er beroerd wordt gespeeld. Alleen heel af en toe stuit je op een enkeling die het tot het eerste van Ajax zou kunnen schoppen. Zo gaat het ook met de dichters op internet. Het gros is niet verheffend en toch zit er wel degelijk talent tussen. Je moet alleen iets beter zoeken dan wanneer je de boekhandel in loopt, want daar heeft al een selectie plaatsgevonden.”

    Ook dichters die zich buiten de gebaande paden begeven verdienen een eerlijke kritiek en een onbevooroordeelde blik. En geen haantjes die verontwaardigd beginnen te kraaien als iemand het waagt onuitgenodigd hun hok binnen te stappen.

    Thomas Vaessens  Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen, 269 pag. ISBN: 90 77503161 

    Linda Huijsmans

  • Onder het asfalt moeten de ruïnes van het paleis van Hadrianus liggen

    Onder het asfalt moeten de ruïnes van het paleis van Hadrianus liggen

    Ik ga op reis en ik neem mee. Het schijnt het allerleukst te zijn boeken te lezen op vakantie die met de omgeving van doen hebben. Pieter Steinz heeft er veel handzame suggesties voor gegeven in onder meer Lezen op locatie. Atlas van de wereldliteratuur. Je zoekt er in op wat je moet lezen als je naar het buitenland gaat. En ik dacht altijd maar dat het het aardigst was om The Grapes of Wrath op de Fillipijnen te lezen, en Anna Karenina in Kenia, Konstantin Paustovski in Midden Amerika. Misschien legt het meteen een heel andere leesdoel bloot; je leert de cultuur beter kennen als je een boek leest dat ergens wortelt. Maar je maakt meer mee als je vanuit een scène in de sneeuw opkijkt naar een gifheet strand. Informatie versus amusement. Of inzicht versus escapisme.

    Vooral dat laatste deed me besluiten dat het maar eens uit moest wezen met die wonderlijke cocktails. Geen escapisme meer: cultuurinzicht. Had ik dan ook maar werkelijk even opgezocht wat ik moest lezen in Griekenland. Dan had ik Konstantinos Kaváfis ’ Verzamelde gedichten bewaard voor een bezoek aan Egypte in plaats van ermee op een Grieks eiland te gaan zitten. Steinz had me kunnen leren dat Kavavis’ werk is samen te vatten met:  ‘Griekse nostalgie en homo-erotiek in de kosmopolitische havenstad Alexandrië’

    Een misschien zinniger werkwijze is een stad bezoeken omdat er een auteur woonde die je aanspreekt. Rudy Kousbroek schrijft in Een zuivere schim in een vervuilde schepping. Over het werk van Konstantinos Kaváfis  hoe hij het woonhuis van Kaváfis  in Al-Iskandariya–zoas Alexandrië nu heet– zoekt. In het onderschrift bij een foto van een woonhuis in een straat op bladzijde 12: ‘ Sharia Sharm al-Sheich, van Sharia Zankarola naar Ash Shahid Salah Mostafa gezien. In het grote gebouw links bewoonde Kaváfis  de tweede verdieping. Het huis moet vrijwel nieuw geweest zijn toen hij het betrok: op kaarten van 1900 en eerder is dit stadsdeel nog niet bebouwd. Ergens onder het asfalt moeten de ruïnes liggen van het paleis van Hadrianus (134 na Chr.)’

    In veel boeiender bewoordingen komt de pelgrimage van Kousbroek toch neer op de conclusie dat er nauwelijks iets terug te vinden is van de grote Griekse dichter in de nu Egyptische stad.

    Kaváfis werd bekend met een corpus van 154 gedichten die postuum werden gepubliceerd. Tijdens zijn leven (1863-1933) verspreidde hij zo heel nu en dan een aantal van deze gedichten, op losse vellen gedrukt, onder vrienden. Een van de belangrijkste thema’s van zijn werk verklaart misschien die schroom: het hoofdwerk bevat een redelijk aantal gedichten met een homo-erotische lading. In Nederland verschenen twee belangrijke vertalingen van zijn werk, een van Mario Molengraaf en Hans Warren en een van G.H. Blanken.

    Een ander belangrijk thema – en ik blijf Steinz gedurende dit stukje gewoon voortdurend gelijk geven –  betreft een hang naar de grote tijd van Alexandrië, de eerste eeuwen van de jaartelling, toen het een cultuurstad bij uitnemendheid was. Kaváfis  gebruikt in de gedichten die hierop betrekking hebben vaak minder bekende, soms niet bestaande historische figuren. Een aantal gedichten combineert beide thema’s.

    De indruk die de lezing van dit hoofdwerk nalaat is heel sterk die van een verleden wereld die wordt opgeroepen – bijna met kracht uit de vergetelheid ontrokken – van schoonheid en lust die helaas vergaan is… verleden tijd. De dichter zit op een kamer in een stad waar je verder maar beter niet hard kunt roepen dat je van mooie jongens houdt en ziet een kaars branden:

    Opdat ze komen —

    ‘Eén kaars is voldoende       Zijn zwakke licht
    zal beter passen,       geeft mooier harmonie,
    als schaduwbeelden komen,       de schimmen van de Liefde.

    Eén kaars is voldoende.       De kamer moet vanavond
    nauwelijks verlicht zijn.       Helemaal in sfeer van droom
    en van verbeelding,       en met zo weinig licht –
    zo, in die sfeer van dromen       zal ik mij daaraan overgeven
    opdat ze kunnen komen,       de schimmen van de liefde.’

    De ultieme mijmering, het staren in een kaars, maar niet de mijmering zelf, maar het hoopvol verwachten van de beelden die dat oplevert. Dit is een vlucht uit de kamer in de straat die toen nog niet Sharia Sharm al-Sheich heette, maar in Kaváfis ’ tijd Rue Rosette en in de oudheid Weg van Canopus.
    Kaváfis  is afgesneden van alles waarvan hij houdt: het grootse Griekenland en het Alexandrië van de oudheid, de liefdes van zijn jeugd, en heel letterlijk van het vasteland van Griekenland: Alexandrië was tijdens zijn leven een Griekse enclave waar toch vooral Arabisch klonk, een taal die hij maar zeer beperkt beheerste. Hij wilde alleen maar op vakantie naar ‘vroeger’, en wat neem je dan mee?

    Portret van een drieentwintigjarige jongeman, geschilderd door een vriend van dezelfde leeftijd, een amateur

    ‘Hij heeft het portret voltooid       gisteren op het middaguur.
    Nu bekijkt hij de details.       Hij gaf hem weer in grijze
    kleding, het jasje open       hangend, donker grijs, en
    zonder vest en das.       Met een roze overhemd,
    dat openstaat, opdat       ook iets te zien is van
    de schoonheid van zijn borst,       de schoonheid van zijn hals.
    Zijn voorhoofd aan de rechterkant       is bijna helemaal
    door zijn haren overdekt,       door zijn mooie haren
    (zo gekamd als hij       het dit jaar verkiest).
    Volmaakt getroffen is       de toon van hedonisme,
    die hij heeft willen geven,       toen hij de ogen schilderde,
    toen hij de lippen schilderde…       Zijn mond, zijn lippen,
    geschapen voor vervulling       van verfijnde erotiek.’

    Dit gedicht is doordrongen van iets dat je ‘toenadering in afstand’ zou kunnen noemen. Een schilder die een portret heeft gemaakt van een ander, in het verleden (gisteren voltooid) en het nu bekijkt. In de eerste twee regels vind je al aanschouwing van iets dat in het verleden tot stand is gekomen, een portret. Het jasje  staat open, net als het gedicht zelf, als of de dichter door de cesuur in de regels binnen wil kijken naar de schoonheid van zijn borst.

    In 17 van de 154 gedichten laat Kaváfis  dit wit door de regels lopen. Die 17 gedichten vormen een soort ‘ Kaváfis  for dummies’ een  staalkaart van zijn thema’s vanuit 1 aspect bezien. Zes of zeven spaties voor Kaváfis ’ thema van de eenzaamheid. Zes of zeven spaties voor zijn thema van het kunstenaarschap. Zes of zeven spaties om te bedenken wat je mee had wíllen nemen.

     

    K.P. Kaváfis / Verzamelde gedichten / Athenaeum, Polak & Van Gennep / 2004 / Vertaling G.H. Blanken

    Rudy Kousbroek / Een zuivere schim in een vervuilde schepping. Over het werk van Konstantinos Kaváfis / Uitgeverij Vriendenlust / Nijmegen 1988

    Foto: Wikipedia

    Bekijk ook:
    manuscripten

    foto’s

     

     

  • Verzamelde gedichten,Ed. Hoornik

    Wegens de grote Literair Nederland picknick morgen in het Vondelpark een schaamteloos abeidsextensieve 'Dichtbundel van de week' , maar wel iets heel bijzonders.
    Een printing-on-demand heruitgave van de Verzamelde gedichten van Ed. Hoornik.
    Lees meer over het project en de titels die al in deze unieke reeks verschenen op deze website

    De achterflap:
    Ed. Hoornik is door Martinus Nijhoff wel ‘de eerste twintigste-eeuwer’ in de Nederlandse poëzie genoemd, omdat hij door ‘zijn nieuwe kijk op mensen en dingen’ en door zijn ‘gebondenheid aan de tragiek’ van de tijd waarin hij leefde een ander uitgangspunt hanteerde dan de dichters uit de voorafgaande generatie. Ook J.C. Bloem maakte zich sterk voor Hoorniks poëzie en roemde onder meer de ‘verbluffende veelzijdigheid’ ervan. Van de vroegste, sociaal-geëngageerde verzen uit de jaren dertig, via langere gedichtencycli als Mattheus, Geboorte en Requiem, ontwikkelde Hoornik in zijn naoorlogse werk een even fatale als zachtmoedige stem, die hem tot een van de modern-klassieke dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur heeft gemaakt. In deze verzameluitgave staat de beste poëzie van Hoornik bijeen.
    Ed. Hoornik (1910-1970) debuteerde als dichter in 1936. Nadien raakte hij als redacteur betrokken bij invloedrijke literaire tijdschriften als Criterium, Werk en Helikon. Tijdens de bezetting zat hij achtereenvolgens in de kampen Vught en Dachau gevangen. Na de oorlog werkte hij voor de Sticusa (Stichting voor culturele samenwerking met Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen), was hij lange tijd redacteur van De Gids en schreef hij naast gedichten ook enkele romans en toneelstukken. Voor zijn poëzie ontving hij de Van der Hoogt-prijs en de Jan Campert-prijs.
    Over het boek:
    ‘Ik heb Marsman, die met hartstocht bewonderen kon, nooit zo opgetogen gezien als na de eerste publikatie van Hoorniks gedicht Mattheus.’ – Martinus Nijhoff
    344 pagina's. ISBN 9053568980. € 39,50.

  • Toendra,W. Thies

    Ik wil dood

    Dat Willem Thies de belangrijkste debutantenprijs voor poëzie zou winnen, de C. Buddingh’-prijs, had niemand van tevoren gedacht. Van het rijtje: Thomas Möhlmann, De vloeibare jongen, Prometheus, Els Moors, er hangt een hoge lucht boven ons, Nieuw Amsterdam,  Alexis de Roode, Geef mij een wonder, Podium en Willem Thies, Toendra, Uitgeverij 521, was de laatste de echte outsider. Ik had mijn geld op Thomas Möhlmann gezet, die in mijn ogen (net als Jan-Willem Anker) een van de meest intrigerende debuten van het afgelopen jaar geschreven had. Ik ben geen groot gokker.
    Toendra (mooi uitgegeven in de Sandwich-reeks, voor de overigens schandalige prijs van €16,90) kende ik nog niet. Je gaat lezen en je hoopt overvallen te worden door een talent dat Möhlmann en Anker kan overtreffen. Helaas gebeurde dat niet: de poëzie vind ik inhoudelijk romantische verhaaltjes van een adolescent met teveel doodsverlangen. Als je er eenmaal op gaat letten wordt het terugkerende motief van de dood haast komisch. Het eerste gedicht ‘Sparagmos’ gaat over een ik die in een slachthuis werkt en dat gedicht eindigt met ‘Ik knik, en ga door met mijn werk, hersenen / verwijderen, de grote en de kleine.’ Het derde gedicht begint aldus ‘Men pekelde mijn lichaam en legde het te drogen’. Gedicht vijf, de ik kent weinig triviantvragen, maar weet wel hoeveel joden zijn vermoord ‘in Auschwitz-Birkenau, Bergen-Belsen, Treblinka, / Sobibor.’ Gedicht zes: ‘een doodgedrukte baby, een engel in schreven.’ Zeven ‘kapot te maken / gewoon omdat het je anders / misschien zou kunnen overleven?’ Acht, gedicht Autobiografie: ‘dit zou het einde moeten zijn.’ Laatste regel van gedicht Kerkhof: ‘ook al zijn ze dood’, van gedicht Ruïnetekens: ‘sterft’, van gedicht Insecticide: ‘terwijl god ergens sterft van verveling’, van gedicht Vermaak!: ‘gaat hij eraan’, van gedicht Blauw: ‘we boren ademgaten in een doodskist en noemen het vrijheid’, van De stenen wachter: ‘blauw: hij was dood’, van Elegie: ‘ik wil van glas zijn en breken’. Etcetera. Kortom: Willem Thies is geen lachebekje.
    Dat hoeft hij ook niet te zijn, maar ik vind dit teveel koketteren met een thema. Het doet me teveel denken aan te jonge dichters die dwepen met hun doodsdrift. En juist omdat ze zelf vaak nog niet echt iets mee hebben gemaakt, wordt de inhoud vals.
    Naast de doodsgedichten staan er ook nog enkele gedichten in deze bundel met een ander thema, waarin Thies af en toe iets probeert met de vorm. Zo wordt Ilja Leonard Pfeijffer weer eens op de hak genomen (Esther Jansma ging Thies voor) in De vuurvogelvanger: ‘mijn meccanowoordenbouwwerken zijn wankel / noch vergankelijk’. Ik denk niet dat Pfeijffer er wakker van ligt.
    Dieptepunt vind ik het gedicht Kat uit de boom.

    niet verliefd worden
    tenzij jij ook op mij
    dan nog wachten
    tot de ander
    het als eerste zegt.

    Ik gun iedereen zijn prijzen, maar ik denk dat er dit jaar wel betere debutanten waren.

    Coen Peppelenbos

    Willem Thies: Toendra. Uitgeverij 521, Amsterdam, 47 blz. €16,90

  • De bronmeester van Veskimõisa,Jaan Kaplinski

    ‘Soms denk ik dat ik eigenlijk geen schrijver ben, ik heb ook nooit de rol van schrijver en dichter geaccepteerd. Ik dicht, zonder dichter te zijn; ik schrijf, zonder schrijver te zijn. Het verschil tussen mij en de schrijver is ongeveer hetzelfde als het verschil tussen de sjamaan en de trommelaar van een orkest. Beiden slaan de trommel, maar voor de ene is dit meer een middel, voor de ander meer doel. Gemeen hebben ze dat ze beiden moeilijk kunnen leven zonder op de trommel te slaan.’

    Met deze woorden sluit de Estse dichter Jaan Kaplinski (1941) zijn zelfbeschrijving en plaatsbepaling ‘Aan de lezer van de schrijver’ af, die hij vooraf laat gaan aan twintig gedichten in Nederlandse vertaling, in 1993 bijeengebracht onder de titel De bronmeester van Veskimõisa. Het is een kleinood, een 32 pagina’s dunne oase van rust waarin zich contemplatief ingestelde, vormvrije verzen ophouden. Deze gedichten dringen zich niet opzichtig aan de lezer op, maar nodigen hem uit om even rustig te komen zitten en nestelen zich vervolgens glinsterend en kalm in zijn hoofd, om daar als kleine, lucide gedachte te worden voltooid. Of om als ogenschijnlijk bescheiden beschrijving te beginnen en uit te groeien tot een beeld van universele proporties, zoals bij het titelgedicht:

    De bronmeester van Veskimõisa

    van weleer

    leeft

    anders dan anderen voort

    in water
    in bronaderen
    van onder

    het opzijgeschoven deksel

    uit een duistere ruit

    kijkt zijn hemel

    elke dag

    naar jou

    Uit: Jaan Kaplinski, De bronmeester van Veskimõisa. Met een voorwoord van de auteur. Keuze en vertaling uit het Ests van Külli Prosa. Uitgeverij Plantage, Leiden 1993. Cahiers van de Lantaarn, nummer 60. ISBN 90 73023 35 1

    Kaplinski was dit jaar te gast op het Poetry International Festival. Meer informatie over de dichter is te vinden op: http://www.poetry.nl/read/53/dichter/id/41628.

    In het nieuwe, vorige week verschenen, zomernummer van poëzietijdschrift Awater zijn drie vertalingen en een inleiding op Kaplinski’s werk te vinden van de hand van zijn huidige Nederlandse vertaler Cornelius Hasselblatt. Vorig jaar brachten Hasselblatt en vertaalster Marianne Vogel meerdere dichters uit Estland bijeen in Woorden in de wind van de Oostzee. Estische poëzie uit de twintigste eeuw. Uitgeverij P, Leuven 2005.