• En dat? Oneindig, Arjen Duinker & Karine Martel

    Het is hoog tijd om weer eens een dubbel exemplaar uit mijn boekenkast te verwijderen, en dit keer gaat het om de vrucht van een bijzonder interessant samenwerkingsproject tussen de Franse dichteres Karine Martel en de Nederlandse dichter Arjen Duinker: En dat? Oneindig.

    Om u toch enigszins over de bundel in te lichten, citeren wij de Noord Nederlandsche Boekhandel, die de bundel voor 18,95 euro aanbiedt:

    En dat? Oneindig is een zinderende pas de deux van twee dichters, de een Nederlands en de ander Frans, die elkaar ontmoeten en betoveren. De intensiteit van hun dans overschrijdt de huid en stroomt uit de poriën: zij volgt hem en hij haar, ze tillen elkaar op, ze vliegen, ze komen zacht neer, ze bewonderen, ze verlangen. Ogen zijn vingers en polsen zijn wimpers. Handen en voeten worden klinkers en medeklinkers. En dat? Oneindig is een unieke poëziebundel, die Arjen Duinker en Karine Martel alleen met elkaar konden schrijven (en waarbij Arjen Duinker de gedichten van Karine Martel in het Nederlands vertaalde). Het is een bundel van overgave – en van verbinding.”

    Nou nou! Dat u kans maakt om deze zinderdans op papier gratis toegestuurd te krijgen, is al fraai. Dat u daartoe slechts drie vragen hoeft te beantwoorden die nauwelijks de moeilijkheidsgraad van een gemiddeld belspelletje overstijgen, is pure mazzel!

    1. Welke gebeurtenis vieren Christenen met Pasen?
    2. Voor welke dichtbundel werd aan Arjen Duinker de VSB Poëzieprijs toegekend?
    3. En dat?

    En dat? Oneindig wordt gratis opgestuurd naar degene die als eerste een mailtje met de juiste antwoorden op bovenstaande vragen stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden).

    Over Arjen Duinker gesproken, overigens, een uitgaanstip voor de ware poëzieliefhebber:
    op zaterdag 14 april a.s. vanaf 20.00 uur vindt in Delft, geboorte- en woonplaats van Duinker, een ‘Luisterrijke avond’ plaats, georganiseerd door Stichting Contour van de Nederlandse Poëzie. Voor slechts 5 euro kunt u aanwezig zijn bij een avond waarop zowel Arjen Duinker als Nachoem M. Wijnberg, zowel Anne Vegter als Alfred Schaffer, zowel Toon Tellegen als K. Schippers van zich zal laten horen. Bovendien kunt u Kees ’t Hart zien schitteren als dichtersinleider en schijnt de locatie, de Van der Mandele-zaal van Museum het Prinsenhof, zelfs zonder poëzievoordrachten al de moeite van een bezoekje waard. Kaarten verkrijgbaar bij Museum het Prinsenhof, telefoon: 015 2602358; website: www.prinsenhof-delft.nl.

    En dat? Oneindig verscheen in 2006 in Nederland bij Em. Querido’s Uitgeverij.
    Er wordt gewerkt aan vertaalde uitgaven in Frankrijk en Engeland.

  • Situaties, Eva Gerlach

    Het menselijke geheugen is een vergeetput. De herinnering bereikt nooit een een-op-eenverhouding met het beleefde, vertoont altijd gaten. Wat overblijft zijn veeleer situaties, (her)interpretaties van gebeurtenissen. Een soort tussentijden, momentopnames die de volheid en volledigheid van het geobserveerde nooit kunnen benaderen. Het geheugen heeft bovendien de neiging om negatief gekleurde ervaringen steevast langer of krachtiger vast te houden dan aangename. In Situaties lijkt Eva Gerlach verschillende van die tussentijden aan te reiken, momenten tussen vertrekken en blijven zitten, tussen waken en slapen, tussen vergeten en vasthouden. Zonder het uitzicht bovendien op middelen ter genezing, ter bestrijding van die afwachtende, kwellende positie. ‘Al die tijd om iets vol te maken en leeg te maken’, zoals een van Gerlachs personages het leven met verlies verwoordt.

    Situaties is een forse bundel. Maar liefst negen afdelingen, verspreid over 101 pagina’s. Eva Gerlach verliest echter nergens de thematiek uit het oog; integendeel, ze zet die door in de verschillende, soms erg vervreemdende luiken, en haakt de onderscheiden delen subtiel aaneen. Haar poëzie is weerbarstig, is tegelijkertijd vol en leeg, vast en los. Zowel de inhoud als de vorm zijn uitdagend: in elliptische zinnen, onderbroken en onderbrekende stemmen, overlopende gedichten, cursiveringen, vrije maar uitstekend gebalanceerde verzen slaagt ze erin de breekbaarheid, de onzekerheid, de strijd en de tussentijd te suggereren zonder in pathetiek te vervallen.

    Situaties wordt bevolkt door bijwijlen erg vreemde personages. In ‘Pad tussenbeide’, de eerste afdeling, redt een ik-figuur een zwaargewonde ‘Pad’: ‘Niks namaals, ik wil je / hier’. Pad krijgt in een cyclus van vijf gedichten een heel aparte identiteit (toegekend door de redder). Hij leeft ‘tussen voet en voet […] losser uit de heupen dan de verwachte // Pad, de per studie verkregen / voorspelbare, die zijn huid losmaakt en eet of de klaptong / plakt om het vliegje’. Deze Pad danst, schuift de weg op, verplettert de auto’s, ‘gunt Haar zijn blafje; / pakt Haar, spuit op Haar snoeren. (God, zijn / uitbarstingen!)’. Maar Pad is ook honkvast, ‘[k]omt van onder zijn pot / haastig tevoorschijn, trekt zich haastig terug’; je ziet ‘van dan tot dan weinig verschil’. Eigenlijk helemaal niet zo speciaal dus. Pad blijkt niet zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn bijzondere aard: ‘zo maak je / Pad. Een kwestie van turven. / Zo ongeveer. Zo een beetje.’ Pad bevindt zich ergens tussen de dood en het opdissen: de redder kan niet makkelijk loslaten, wil zich ‘[n]iet / haasten naar de verlossing’, en maakt van een pad veel meer: Pad.

    ‘Situaties’, het derde luik van de gelijknamige bundel, wordt eveneens erg ongewoon ingezet. De eerste regels: ‘I. loopt over de markt met het afgesneden / hoofd van zijn vrouw in zijn hand. Weet hij veel. Bij de haren / heeft hij het vast, een tas.’ Dit dreigende tafereel gaat meteen vergezeld van een nuancering: ‘Niet vaak was het zo / stil zijn leven, midden in alles is hij’. Het hoofd moest eraf omdat ‘zij dit soort dingen zei’ ? ‘Ik ben / een bouwsel van geest. Uit mijn oksels / kruipen de letters.’ ?; het hoofd, de tas sleept hij mee, liefst liet hij het thuis, maar ‘het wil niet // alleen gelaten, dreint en trekt’. Maar hij ‘wil niet weten waarom hij zo is als hij is’, ‘stelt weinig vragen. // Niet naar de oorzaak de noodzaak, / niet waar een woord als ‘waarheid’ hem aan doet denken’. I. heeft ‘[a]anspraak genoeg, maar // hij wil degene terug die woensdags belde / met geen andere boodschap dan ik kom langs (en dan klopte), / hoe weinig zij ook had van het Geluk’. Het gemis wordt niet bezworen door de herinnering. De herinnering is niets anders dan een valdeur, ‘niet wat hij wilde, / geen wereld van symptomen. Geen hard feit.’ I. bevindt zich op een ‘weg die hem verteert’; er is geen troost, er is geen mogelijkheid om de gemiste terug te brengen.

    In de tweede cyclus, ‘Kwartier’, komt het verlies concreter opzetten. Iemand zit ‘met zichzelf’, zonder de ander, die hij bijna fysiek wil vastleggen, in zich wil krassen tegen het vergeten. ‘Hij wil haar / hebben, plan, beeld van haar bij zich en zijn lichaam // open tot op het bot getrokken in / kennis van haar, huid in zijn hoofd geslagen.’ Maar ‘hij weet dat zijn lichaam geen maat houdt, / wegglipt, op hem vooruitloopt, dingen verzwijgt ?’. Hier wordt het vergeten dubbel gezien: enerzijds is er het vergeten dat gaten brandt in de herinnering, anderzijds het vergeten dat onmogelijk is en ook de onmogelijkheid van herstel met zich meedraagt. ‘In zijn hoofd is het meer een begin van vervalsing’, ‘hij weet dat zijn lichaam een val is, dat hij geen recht / van uitgang heeft hier’. Alles is steeds anders, hij krijgt geen complete kijk op de dingen. ‘‘Hij die achter alles wilde komen’ […] is […] tussen hier en ginder een / draad kwijtgeraakt. Plan verschiet’. Het beeld van haar vervaagt. De taal, het woord fluit zijn lichaam los: ‘Een tijd lang loopt hij rond en weet niets van de dingen, // toch liggen zij helder als altijd precies op hun plaats.’

    Het tweede gedicht uit de cyclus ‘Hellebosch’ lijkt een mogelijk, maar ontastbaar strijdmiddel aan te reiken.

       (schoonheid is wat in zichzelf zo past
       dat het een ruimte snijdt die er niet was,
       die vult met juist zijn afgemetenheid)

    Schoonheid lijkt zo het tegengestelde van gemis: dat wat er nog niet is invullen tegenover dat wat er niet meer is nooit meer ingevuld zien. Die tipjes van (behulpzame) sluiers zijn zeldzaam in Situaties. Veeleer overheerst het permanente tussen, de hoop het onmogelijke te bewerkstelligen en het besef van het tegendeel: ‘Laat het niet bestaan hebben […] laat het er niet zijn geweest’.

       En de haakjes en ogen waarmee het
       gestrikt, ingesnoerd, voortgesleept, laat die
       openspringen voor de alfabetten
       aanschuiven eromheen. Dat niemand leest

    Dit zesde gedicht uit de afdeling ‘Hellebosch’ sluit af met: ‘daar werd licht’. Een positieve noot, die echter wordt ontkracht door de bovenstaande onmogelijke wens aan het begin.

    In ‘Schot’ (uit de afdeling ‘Laat het me zien’) verwoordt Eva Gerlach treffend haar situaties: ‘Het zijn de dingen tussenin, de on- / vaste, die je raken als een schot zaadpluis.’ Die zweven steeds tussen het gebeurde en het herinnerde, de interpretatie in. ‘Er is niemand / die het ziet zoals het is.’ (‘Kst’ uit dezelfde afdeling) Of zoals in ‘[wat je ziet heb je nodig]’ (uit de afdeling ‘Vlees en bloed’): ‘je denkt dit is nu en intussen word je / door het moment daar genaaid’.

    In ‘Grote fuga’ komt Situaties tot een absoluut hoogtepunt. De kerncyclus bevindt zich ? net als het muziekstuk ? integraal tussen een openings- en een slotgedicht, die zich op hun beurt fragmentarisch tonen in het grote gedichtenblok. Ook inhoudelijk zet die compositie zich door: Lijf en Ziel spreken door elkaar over hun vader die er nu niet meer is. De hele afdeling baadt in een sfeer van dreiging ? ‘raakt me nergens aan Slaat hij / is het met de lat’, ‘die deur / zat dan op slot’, ‘Ziel met geen pink heeft hij me aangeraakt / Lichaam! omdat een stok veel schoner slaat!’ ? en suggestiviteit. Lijf en Ziel malen door elkaar, haspelen gestokt door elkaar het verleden af, steeds dubbelzinnig, steevast in tegenspraak. Die overdaad aan stemmen staat in een schril contrast met, en is tegelijkertijd de oorzaak van de weinige woorden die de vader sprak: ‘Pa’s Eerste Uitspraak: / Schoonheid is een leegte in het hoofd’. ‘[E]en schoonheid die je moeilijk vindt’, ook in ‘Grote Fuga’. Het gemis en de marteling van de herinnering is van alle generaties en van alle tijden. Woorden lijken alleen maar belemmering te zijn, lijken dingen te zeggen ‘zonder ze te zeggen’ (in het zevende gedicht uit de cyclus ‘Situaties’). De stilte lijkt dingen in stand te kunnen houden: ‘Weg die / gezegd kan worden is de Ware niet’. Maar de stilte verandert niets aan het gemis; dat is algemeengeldig: ‘Je houdt / niks vast wat je verliest ken je het best’.

    Situaties is een fascinerend en uitdagend werk waarin beeld, woord, wereld, herinnering, gemis en leegte een gedwongen en onmogelijk samenspel aangaan. Eva Gerlach schrijft erg dicht op de huid, de lezer weet zich gegrepen, bijna even gekweld als de personages die tussen dichter en lezer staan. Nooit raakt ze echter verzeild in een gratuite pathetiek, de taal is de dichter te dierbaar. Ook de suggestie, de vrijheid. Deze tussentijd brandt gaten in uw zicht. Moge dat u bijblijven.

    Eva Gerlach, Situaties. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2006.
     Prijs: 17,95 euro

  • Lente in Sydney, Ronald Ohlsen

    Twee stadsdichters

    Het stadsdichterschap is een bezigheid met een einddatum (althans in de meeste steden). Meestal zijn de stadsdichters twee jaar in functie, waarna een nieuwe dichter wordt benoemd. In januari namen de stadsdichter van Groningen en Leeuwarden afscheid van hun ambt. Ze lieten de steden gedichten na en presenteerden beiden een nieuwe bundel.
    Ronald Ohlsen bracht zelfs zijn debuutbundel uit: Lente in Sydney. Een mooi vormgegeven bundel waarin de titels rood gedrukt staan en de afdelingen worden voorafgegaan door afbeeldingen. De voorkant is uiterst sober: egaal zwart met alleen de naam van de dichter in donkergrijs en de titel in lichtgrijs.
    Ohlsen heeft als stadsdichter vooral sonnetten geschreven. Strak van vorm, ritmisch en rijmend zoals het hoort.

    Sonnet bij een theaterfestival

    Er is hier bier en er zijn mooie vrouwen
    en iedereen hier houdt van zang en dans
    en dichters die van mooie vrouwen houden.
    Dus als je eenzaam bent is dit je kans.

    Je mag hier vrijelijk kastelen bouwen,
    uitzinnig kwelen van een torentrans,
    voor haar hem straffeloos het hoofd afhouwen,
    die onverlaat die met jouw jonkvrouw sjanst.

    We gaan terug naar goede oude tijden,
    toen men nog vrolijk op z’n paard rond reed
    of lopen moest als men niet paard kon rijden,

    toen Don Quichot nog tegen molens streed,
    de jonge Werther dood ging van het lijden,
    Cleopatra voor mij een dansje deed.

    De keuze van Ohlsen voor zo’n vaste vorm vond ik wel moedig in een tijd waarin vooral het vrije vers het meest wordt gewaardeerd. Daarbij zijn de sonnetten zeer toegankelijk. De voorliefde van Ohlsen voor licht archaïsch taalgebruik maakt hem helemaal onmodieus. Maar dan verrast hij de lezer toch. Lente in Sydney bevat ook andere gedichten (de bundel bevat een keuze uit de gedichten die hij schreef tussen 1997 en 2007), die wel vrijer van vorm zijn, proza-achtige gedichten zelfs. De meest aansprekende vind ik terug in de cyclus ‘terror mundi’ waarin een apocalyptische kijk op de wereld wordt gegeven.

    En voor ons zie we
    de als altijd, sluimerend
    op zijn rug liggende,
    rokende vulkaan. Hij
    vrat zich vol aan wat
    geofferd werd.

    Hij groeit nog steeds.

    En alsof dat niet genoeg is
    zet hij dagelijks zijn veren op.

    Godgloeiende donderstenen,

         vlucht voor zijn
         tondeldoos en berg
         je vonken op
         voor het donker,
         want hij komt
         je halen. Nu

    Eerlijk gezegd bevallen me deze gedichten beter. Het lijkt of Ohlsen hier speelser durft te zijn met de taal, hardvochtiger met de inhoud. Zijn debuut laat in ieder geval zien dat hij zijn weg weet in alle vormen.

    Met de bundel 05 / 06 (ik heb er lang over gedaan om achter de betekenis van die titel te komen, maar het zijn gewoon de jaren waarin hij stadsdichter was) nam Arjan Hut afscheid van zijn stadsdichterschap. Ook deze bundel is bijzonder fraai vormgegeven en bevat bovendien een DVD en een CD. Het is een tweetalige bundel waarin Hut zijn stadsgedichten heeft verzameld aangevuld met een afdeling ‘Klokslag van Leeuwarden’ waarin gedichten die niet direct met de hoofdstad van Friesland. In vergelijking met Ohlsen is Hut veel lyrischer. Hij maakt meer gebruik van klankassociaties en van metaforen. Zijn verzen zijn altijd vrij, zelfs komma’s en punten ontbreken.
    ‘De sterrenwachter’ is een cyclus gedichten die de bundel besluit. Het is een verontrustende cylcus die begint met de regels ‘ik verkracht mezelf met een verrekijker die ik / aan de verwarming bond en tik // mijn tong een tikje / off-beat’.

    Dat zijn regels die je niet meteen snapt; die vragen om herlezing. Het tweede gedicht uit de cyclus helemaal:

    2

    een tong een vete een huwelijk

    daar ligt het kind dat kwijtraakte
    bij het verstoppertje spelen

    daar zijn de uitgescheurde bladen
    van moeder de mascara
    op oorlogspad en vader
    met een kop als een dichtgeslagen deur

    en de kosmische winters als het ijs ons inpakt:
    wie ligt boven
    wie ligt onder

    in de achtertuin zie ik
    de zomerwind je zomerjurk
    altijd licht en licht oranje
    jij met je sterren en de ochtend
    schroomvallig in je spoor

    Wordt hier een huwelijkscrisis weergegeven? Die ‘mascara op oorlogspad’ voorspelt niet veel goeds. Het is een prachtig beeld en Arjan Hut toont met zijn ‘afscheidsbundel’ aan dat Leeuwarden een uitstekende eerste stadsdichter heeft gehad. Als de functie van stadsdichter in elke stad tot zulke mooie bundels leidt, dan mogen we dankbaar zijn voor dit mooie, nieuwe fenomeen.

    Coen Peppelenbos

    Arjan Hut: 05 / 06. Bornmeer, Leeuwarden, 68 blz. met DVD en CD: €15,-.
    Ronald Ohlsen: Lente in Sydney. Passage, Groningen, 84 blz. €24,90.

  • Berichten, bezweringen, Geert Van Istendael

    Geert van Istendael (1947) bracht eind 2006 de dichtbundel Berichten, bezweringen uit. De vraag ‘Le monde est tien, comment peut-il n’être pas beau?’ uit Les sept solitudes van Oscar Venceslas de Lubicz Milosz, werd als motto opgenomen. Wat dubbelzinnig, want hoewel die uitspraak bemoedigend klinkt, is hij naar vorm vooralsnog een vraag. Bovendien een die de aanwezigheid van het tegendeel en het besef daarvan bij de aangesprokene impliceert. De uitroep wil dan het bewustzijn doen doordringen dat er niets verloren is, integendeel, de aangesprokene zou zich beter strijdbaar opstellen. Het is immers ‘zijn’ wereld. Die verwevenheid van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ (weliswaar een te eenvoudige voorstelling door de bipolariteit ervan), en de daaraan verbonden aanzet tot strijdbaarheid ? ‘Uit alle ramen kijkt een groot geduld, / in alle straten hinkelen de meisjes, / laten wij redden wat te redden valt.’ ? legt Van Istendael in Berichten, bezweringen.

    De proloog, die bestaat uit het gedicht ‘Definities’, borduurt voort op deze gedachte. Dertien keer geeft de dichter daarin zijn begripsbepaling van gedichten. Het definiëren verloopt niet rechtstreeks, maar steevast langs een zeker poëtisch beeld; de definitie is geen bepaling of omschrijving maar eerder een benadering, een ‘zoals’: ‘Gedichten zijn radioberichten opgevangen / door open ramen. // Gedichten zijn dyslectische barsten die / spijkerschrift verhelderen. // Gedichten zijn vonnissen geschreven / op de achterkant van liefdesbrieven.’ Van Istendael geeft voorbeelden zonder het lemma zelf exact te duiden ? wellicht de enige mogelijke aanpak. Wat opvalt in ‘Definities’ is dat de daarin vermelde gedichten geboren worden uit een soort toevalligheid, een (on)gewone samenloop van omstandigheden, niet zelden vanuit het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’. De dichter is dan degene die zich bewust wordt en is van de aanwezigheid van dat ‘schone’ tussen ‘het lelijke’, of die voldoende opmerkzaam is om ‘het schone’ te zien ? en zijn tegendeel eveneens.

    De epiloog ? het gedicht ‘Examenvragen aardrijkskunde’ ? die Van Istendaels bundel afsluit, gaat dan weer uit van de dichter en zijn land, de taal. De gedachte die met betrekking tot gedichten wordt geopperd in de proloog vindt hier een tegenhanger: ‘Eist zijn vaderland een paspoort met stempels? / Krijgen de woorden vanzelf niet het recht / van alle geborenen, tot hen en met hen / die stemloos vergaan in de Holen van Onbruik? // […] // Of is de dichter een boer, zuinig met woorden, / die op zijn roggeakker, seizoen na seizoen, / staat te wroeten, tot hij de spade neergooit / en zijn gewas ziet verdwijnen // onder papavers?’ Van Istendael introduceert het onderscheid tussen gewassen en onkruid, maar lijkt zelf niet te willen kiezen. De boer is zuinig met woorden bij het in toom houden van zijn akker; die spaarzaamheid verdwijnt wanneer hij de dingen loslaat. De confrontatie die dan volgt is er een die realistischer is, die doet denken aan het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ uit de proloog. De poëzie is geen quarantaine, is geen geïsoleerd paradijs waar ‘bleke tuiniers met dun gif / de woorden die woekeren buiten hun boeken’ verdelgen. De poëzie is strijdbaarder, net als de dichter.

    Tussen de proloog en de epiloog verdeelt Van Istendael zijn gedichten in drie luiken: ‘Gebruiksvoorwerpen’, ‘Fatma of de monumentenzorg’ en ‘Gevonden voorwerpen’. In de afdeling ‘Gebruiksvoorwerpen’ beperkt Van Istendael zich veeleer tot vingeroefeningen. Hij treedt eerder beschrijvend op, kent de dingen spitsvondig bepaalde eigenschappen toe, en weet ze wel tot leven te wekken, maar het overleven is ze niet gegund. Alleen ‘Aarden kom (ca. 5000 v. C.)’ is in staat echt de aandacht op te eisen. Door het ruwweg zevenduizend jaar oude, alledaagse voorwerp en zijn al even oude maker en gebruiker bijna achteloos te verbinden met onze tijd, ontmaskert de dichter een stukje universaliteit en eeuwigheid: ‘We weten welke vrezen hij bedwong, / al zevenduizend jaren zijn ze jong.’ De overige gedichten overstijgen het poëtisch woordspelige niet echt, en herbergen weinig dat de bundel in zijn geheel kan opwaarderen.

    Dat soort berichten verkrijgt in ‘Gevonden voorwerpen’ al wat meer inhoud. Terwijl het verzamelen van gedichten die voor zoveel verschillende gelegenheden werden geschreven bijna steeds afbreuk doet aan het geheel dat een bundel droomt te zijn, gaat Geert van Istendael hier net iets verder. De voorspelbaarheid wordt vervangen door een zekere dynamiek. De dichter speelt met het tijdsverloop en de stemmen van zijn pen, doet de nodige stappen die hem in staat stellen te observeren en op te merken. De dynamiek die daardoor in de gedichten sluipt is wat een bekommerde en gepassioneerde Van Istendael zo kenmerkt. Hier is hij weer de scherp schrijvende dichter, de poëtische essayist, en haakt hij zijn gedichten aan elkaar. Hij haalt het creationisme binnen in zijn gedichten, architectuur, de stad, de toekomst… Het web dat in de voorafgaande afdeling, ‘Fatma of de monumentenzorg’, wordt gesponnen, krijgt hier uitlopers, kleverige vertakkingen van wat in het web dreunend aanwezig is.

    Dat web, het luik ‘Fatma of de monumentenzorg’, is veruit het sterkste uit de bundel. Daarin laat Van Istendael Fatma, een zeventienjarig Marokkaans meisje, samen met de vijftiende-eeuwse architect (van onder meer de toren van het gotische stadhuis in Brussel) Jan van Ruysbroeck door Brussel en de eeuwen zweven. De berichten worden bezweringen. In tweeëntwintig bladzijden schetst de dichter de geschiedenis van de stad en haar oude stenen, ‘dit wangedrocht, mijn stad, verkocht, gebroken en vertrapt’. ‘Het brede daveren dat vooruitgang heet’, ‘de stem van het gewin’, heeft onverbiddelijk, geheel gespeend van enig esthetisch besef, respect of medelijden de stad getransformeerd tot vernielde lanen, ‘lege loodsen, zwerfvuil’…

      ‘ […]
      Dit is niet Warschau, Dresden, Rotterdam,
      door zwermen vreemde horzels opgevreten
      in loden oorlogstijd. In vredestijd
      slokt deze stad zichzelf op, kotst zich uit,
      het braaksel van de braak verzuurt de straten,
      de etter van het geld barst uit kantoorgebouwen,
      de wonden van de stad genezen nooit,
      ze zwemt in geld en toch is ze berooid.’

    Wanneer Jan van Ruysbroeck tijdens zijn tijdruimtelijk grensverleggende tocht met Fatma door Brussel de ingenieur Claude Fisco, die in de achttiende eeuw het Martelarenplein liet aanleggen, ontmoet, ontsteken beiden in woede.

      Ze grijpen Fatma vast aan beide armen,
      ze schudden haar hardhandig door elkaar,
      haar jonge beenderen rammelen als knekels,
      haar hersenkronkels winden af en op,
      ze voelt zich volgebouwd, bestraat, gesloopt.

      De twee laten haar los. Ze valt. Staat op
      en kijkt. Ze ziet de stad met nieuwe ogen,
      dit is háár stad, een andere heeft ze niet.
      Haar hart doet zeer. Arm Brussel. Fatma huilt.

    Van Istendael heeft met ‘Fatma of de monumentenzorg’ een meeslepende ode aan Brussel geschreven. Een hekeldicht, dat ook, vol gal en woede, vol lelijkheid en droefenis, maar met een groot hart voor de stad. Hij besluit de cyclus van woede en razernij dan ook met een uiting van hoop: ‘Ís Brussel nog wel stad? Het zal de stad / van Fatma zijn en zoveel andere meisjes. / […] / De nieuwe tijd / zal broos zijn, mozartiaans als dagdromen van meisjes, / of niet zijn. Ga en zorg. Elk monument een meisje.’ Aan die meisjes, ‘alle meisjes van mijn stad’, draagt Van Istendael zijn bundel op.

    Laten wij redden wat te redden valt!
    ‘Geniet. Vandaag. De toekomst heeft al vlam gevat.’

    Geert van Istendael, Berichten, bezweringen. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006.
     

  • Herbergzaam, Francie van den Hurk

    Bestekgekletter en de veiligthuisgeluiden

    Het overkomt je tegenwoordig niet vaak meer dat je een poëziebundel van kaft tot kaft begrijpt. Toch is dat met Herbergzaam van Francie van den Hurk het geval. In eerste instantie is dat erg prettig, maar terwijl je aan het lezen bent, word je ook wat kregelig. De thema’s zijn natuurlijk goed: dood, ziekte, overspel, liefde, de aftakeling. Daar is niets mis mee.
    Maar toch: ik mis de weerhaakjes in taal en betekenis die de poëzie op een hoger plan kunnen trekken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Gebed’.

    Gebed

    Ik wil gezellig sterven zei ze
    zonder drama glaasje in de hand
    pinda’s pellen op een krant
    een lied van vroeger zin voor zin
    nog kunnen zingen en dan krak.

    In beweging woensdagochtend
    met de kracht van vijfentachtig
    gymmen op een Weense wals
    knieën krakend in de maat, een
    twee drie en een twee en uit.

    Gerieflijk in de leunstoel
    de laatste crypto opgelost
    advocaatje nippen rode konen
    en een aangeschoten giechel
    met vriendinnen en dan stop.

    Een gezellig gedicht dat het ongetwijfeld goed zal doen in bejaardenhuizen, maar het is met te gezellig. Bovendien doet het me denken aan het gedicht ‘Beroepskeuze’ van Judith Herzberg ( En toen ze vroegen wat ze later wilde worden / zei ze ‘Graag invalide etc.). Bij Herzberg vind je ook die opgewekte, ironische toon, maar bij haar zindert er een betekenis mee, namelijk de angst verlaten te worden. Bij Van den Hurk zindert niks mee.
    Ook bij een ander gedicht moest ik denken aan een beroemd gedicht van Herzberg, namelijk Juli (Ik ben mijn jongen kwijt / goud gaf ik voor geritsel / mijn nest zit me te wijd.) In drie zinnen geeft Herberg aan hoe een moeder zich kan voelen nadat haar kinderen de deur uit zijn gegaan. Francie van den Hurk neemt in ‘Bandenlichters’ hetzelfde thema als uitgangspunt, maar zij heeft er twintig regels voor nodig, waarin de volle schuur met fietsen, het ‘bestekgekletter’ en de ‘veiligthuisgeluiden’ aan de orde komen. Aardig verwoord, soms met speelse woordgrappen, maar de spanning in het gedicht ontbreekt.

    Misschien moeten we er niet zo moeilijk over doen, dat doe de dichteres zelf immers ook niet. Ook deze poëzie heeft zijn bestaansrecht. Maar in het vervolg moeten al te opzichtige verwijzingen er wel uit, zoals in het gedicht ‘In de geest’ waarin de ik verlangt begraven te worden in Paasloo: ‘leg me in een Bloembed’.
    Dat is toch een beetje al te opzichtig schmieren.

    Coen Peppelenbos

    FRANCIE VAN DEN HURK: Herbergzaam. De Harmonie, Amsterdam, 48 blz. € 13,50

  • Panacee, Abdelkader Benali

    Abdelkader Benali brengt in Panacee een verzameling gedichten die af en toe zeer overtuigend zijn, maar vaak te lijden hebben onder een te los schrijven, een te kleine drang naar geheel gescherpt materiaal. De lezer krijgt aardige stukjes voorgeschoteld, maar blijft even vaak wat onvoldaan achter. Leuk om lezen, af en toe wat weerbarstig, maar vooral om vlot te doorbladeren, en af en toe te worden verrast door een ongewoon perspectief of een onverwachte wending. Niet dat Benali in Panacee slecht schrijft, maar de noodzaak ontbreekt, het gevoel dat de dichter zich zonder deze gedichten ? in deze vorm en op dit moment ? echt ‘armer’ zou hebben geweten.

    In de afdeling ‘Gedichten voor de zomer’ countert Benali die kritiek enigszins zelf: ‘Toegegeven: in dit gedicht staan alle / poppetjes op hun plaats, rijmschema klopt / dubbel- en binnenrijm, niks mis mee. […] Het is goed zo, maar waarom verveel ik // me er dan toch helemaal, hartstikke / dood mee?’; ‘Zeugma, contaminatie, sonnet, dubbelrijm / leer je op school, sinaasappelen zijn het! / Alle passievolle zin en onzin er uitgeperst.’ (uit ‘Ideaal gedicht’ en ‘Poëzie op school’) De cyclus is zonder meer poëticaal te noemen. Opvallend is dat er naast gedichten die zich strijdbaar opstellen tegen ‘verzen gesmeed in de hoog- / ovens van de denkfabrieken’ één enkel gedicht in deze afdeling staat dat niet expliciet over kunst (schilderkunst en literatuur) gaat, maar wel de heldere titel ‘Mijn haat’ draagt. Abdelkader Benali wil de dichter van ‘de eenzame fietser die als eersteling aan doping / ten onder ging’ zijn; zíjn sonnet heeft als belangrijkste eigenschap ‘dat het je laat schrikken, je op het verkeerde been // zet. […] Ook is het niet / fijnzinnig, eerder vinnig, maar nooit ? ik herhaal ? nooit! // te net’.

    In de afdeling ‘Oden aan Kanti’ slaagt Abdelkader Benali er wel in de aandacht op te eisen. Hij verhaalt erg knap over een mysterieuze overleden vrouw die zich zelfs na de dood blijft manifesteren. Kanti is een menselijke panacee ? ‘Zonder Kanti is het leven grijs geworden. Zij / kraste parttime liefdesboodschappen in de bomen / voor diegenen die niet wisten wat liefde was. Zij / hielp de verlegen zielen aan wat woorden. // Kanti deelde veel, zo niet alles met ons.’ ? maar misschien even denkbeeldig als het geneeskundige wondermiddel. De kracht van de cyclus ligt zonder enige twijfel in de vertelduivel die Benali is. Mondjesmaat geeft hij zowel Kanti als de verteller vorm. Kanti krijgt naast de grootsheid die haar tijdens het leven en vooral na haar dood te beurt valt door de verteller een zeer concrete gestalte. Beiden blijken echter niet zo eenduidig te zijn in hun handelingen en gedachten. Zo ondermijnt de verteller zijn eigen verhaal en daarmee ook de identiteit van Kanti. De waarheid over Kanti wordt voortdurend belaagd door een haast terloops tegenspreken, een tersluiks ontkrachten van de lofbetuigingen van anderen of van de verteller zelf. Die ingrepen versterken het mysterie, zeker wanneer het bijna heilige statuut dat aan haar wordt toegekend, wordt aangevuld met kleine kwaaltjes als hooikoorts, een dikke neus, of regelrechte domheid: ‘Het is een traditie, anders hadden we / het bloemen leggen bij een hooikoortspatiënt wel gelaten.’; ‘Ik laat het maar zo, / want Kanti was dat niet. Zij verschrompelde // haast als je haar zag en haar mooi vinden / was onmogelijk, want knap was zij niet. Er speelde zich ook weinig af in haar / hoofd’.

    De weerhaakjes die daardoor ontstaan maken van de cyclus een heerlijke vertelling. Het procédé is gestoeld op een flinke dosis suggestiviteit en een ondergraven van het perspectief van de lezer en het daaraan gekoppelde verwachtingspatroon. Het levert naast enkele komische wendingen ook momenten van confrontatie op. Soms lijkt het alsof Kanti het hoofd was van een terroristische groepering: ‘Zij was kneed- / baar als klei, maar eenmaal hard was het afgelopen / met de pret.’; ‘Niemand eist nog de aanslagen / op die her en der worden gepleegd. Zij was // nooit te gierig om een telefoontje te plegen, zodat / er aan duidelijkheid geen gebrek was.’ Na haar dood werd bij decreet ‘verboden nog / over Kanti te profeteren’. Wanneer er protestbewegingen op straat komen om te eisen dat de bevolking Kanti vergeet, organiseren de tegenstanders zich: ‘We prepareren ons om de // volgende demonstratie te verijdelen. Stropoppen / van Kanti liggen klaar en ook maskers om in de / stoet der weigeraars mee te lopen.’

    Het spel met de lezer zet zich wel voort in de volgende cycli, maar is beduidend minder gescherpt. De passie, die volgens Benali niet in de strikte poëzie van het intellect schuilt, mist zijn poëzie op bepaalde momenten eveneens. Zo is er bijvoorbeeld de afdeling ‘De zeven hoofdzonden’. In evenveel gedichten maakt Benali een af en toe komische reeks vol, die evenwel de overtuiging mist die van ‘Oden aan Kanti’ een meeslepend luik maakt. ‘Afgunst’:

    Gaat in mijn geval ver: wat jij niet hebt
    wil ik ook niet hebben. Door mijn ambitie
    gelijk met de jouwe op te laten gaan,
    loop ik vertraging op. Je had me wel te

    pakken met je autistische kind. Waar haal ik
    dat zo snel vandaan? Onder de douche zag ik dat
    de mijne groter was, met een penisverkleining
    is dat zo gepiept. Vanwege het verdriet om de kleine

    ben je nu gescheiden. Ik meteen er achteraan.
    Jij begreep niet waarom: de seks was niet goed
    en voor één keer had ik gelijk. Niemand
    houdt van jou, overkomt mij nu ook. Je pleegde

    zelfmoord las ik. Weer was je me voor, maar afgetroefd
    heb ik je wel. Mijn brug was een stuk hoger.

    Hiermee verkrijgt Benali zeker de lach van de lezer, maar een voortduren van een dergelijk patroon wordt een trucje en gaat vervelen. De lichtheid die zijn schrijfstijl kenmerkt, en die Benali zeer geslaagd aanwendt in ‘Oden aan Kanti’, wordt in dit soort gedichten niet begeleid door de ambiguïteit van verteller of personages, en krijgt ook niet de tijd en ruimte om uit te groeien tot de weerhaak van wat zich aan complexiteit in de gedichten afspeelt. Het zijn eerder losse stukjes die af en toe raken, maar even vaak missen; niet fijnzinnig, maar evenmin vinnig. Abdelkader Benali gunt de lezer zijn plezier, dat moet gezegd, maar het geheel is nog te weinig ernstig. Die ernst geeft de lichtheid ook een doel. Benali schrijft immers op zijn best wanneer het spel dat hij opzet de kans krijgt te rijpen en de vluchtigheid te overstijgen. Dan, en dat toont hij al gedeeltelijk in Panacee, schept Benali vinnige, ontwapenende poëzie.

    Abdelkader Benali, Panacee. De Arbeiderspers, Antwerpen/Amsterdam, 2006.

  • Gestolen lucht, Hendrik Carette

    Tussen willen en kunnen  

    door Rutger H. Cornets de Groot

    Aan de eind vorig jaar verschenen bundel Gestolen lucht van Hendrik Carette (Brugge, 1946) gaan twee motto’s van Osip Mandelstam vooraf. Het tweede, waarin de titel van de bundel wordt verklaard, luidt als volgt:

    ‘Ik deel de hele wereldliteratuur in werken in die mèt toestemming en die zonder toestemming zijn geschreven. De eerste categorie is rommel, de tweede is gestolen lucht’.

    Dat is een ambivalente uitspraak. Van weerzin tegen ‘de’ literatuur hebben voor en na Mandelstam meer schrijvers getuigd. Maar wie met inzet schrijft en over voldoende talent beschikt, ontkomt er niet aan dat zijn werk vroeg of laat als literatuur wordt aangemerkt. Die canonisatie bezegelt het tragische lot van iedere kunstenaar die tegen het establishment te hoop loopt – en nog tragischer is het natuurlijk, dat het juist die categorie kunstenaars is die wij tot onze grootsten rekenen. Alle belangrijke kunst, ook wanneer ze in opdracht wordt gemaakt, ziet nu eenmaal af van ‘toestemming’, eenvoudig omdat ze van de norm afwijkt, – en roept juist daardoor canonisatie als ultieme vorm van toestemming over zich af.

    Kernachtiger, en schijnbaar eenduidiger is het motto dat er aan voorafgaat: ‘Ik ruk de literaire bontjas van mezelf af en vertrap hem’. Een kleine deconstructieve operatie laat zien dat het probleem hier niet anders is: de uitspraak wordt door de geschreven vorm waarin ze is gevat zelf ontkracht en als bluf ontmaskerd. Helemaal problematisch wordt het wanneer Carette haar als motto vooraan in zijn bundel zet, en zo zelf expliciet de zegen van een icoon uit die wereldliteratuur afroept. Zijn eigen poëzie blijkt dan allerminst gestolen lucht, maar integendeel stevig in zijn eigen literaire bontjas te zijn ingepakt. Het is weliswaar niet moeilijk om met de intentie van beide motto’s in te stemmen – kort samengevat: geen literatuur, maar waarheid – maar in déze context kunnen ze weinig anders dan de boel bij voorbaat bederven.

    Dit verschil tussen intentie en uitwerking, tussen willen en kunnen, speelt de hele bundel parten. Met kennelijk gemak bespeelt Carette verschillende stijlen en registers, van gebonden tot vrij en van melancholiek tot luchtig en spottend, maar voor vorm lijkt hij zich toch niet te interesseren. Het is telkens alleen de gedachte waaraan zijn gedichten hun samenhang ontlenen. Die kan op zichzelf belangwekkend en sympathiek zijn; het is te weinig voor poëzie. Hoe vormvast de gedichten soms ook zijn, ze lezen als proza: vlot want lineair, zonder dat je tussen de regels heen en weer wilt springen om in het gedicht op avontuur te gaan. Dat is, vrees ik, niet alleen maar een poëticale eis van mij waarvan de dichter met goed recht afziet. Het komt doordat Carette zich zijn stof niet volledig heeft toegeëigend en er daardoor onvoldoende greep op heeft.

    Carette voelt zich in onze wereld, die is gebouwd op afspraken en conventies, op schijn en bedrog, niet op zijn plaats. Zijn verzet daartegen is uiteraard volkomen legitiem, en de voortdurende uitdrukking ervan vormt nog de voornaamste attractie van de bundel. Het probleem is alleen dat Carette zijn toevlucht niet gezocht heeft in de vormgeving van een eigen wereld, maar in het voorbeeld dat anderen – iconen uit de wereld van kunst en cultuur – daarvan hebben gegeven. Dat leidt dan tot een titel als Gebarricadeerd, met onder meer de volgende regels:

    Ik kan genoeg glossy magazines kopen om hier
    al die kieren en reten levenslang mee te weren,
    maar ik geef de voorkeur aan solide boeken
    om mij tegen de leemten en lacunes te barricaderen.

    De literatuur die hij per motto nog afwijst, heeft met andere woorden volledig de plaats ingenomen die hij zichzelf had kunnen toe-eigenen, en heeft er bovendien toe geleid dat hij zich voor de wereld afsluit in plaats van die met eigen, oorspronkelijk werk, tegemoet te treden. Als om dit onvermogen nog eens te benadrukken besluit de bundel onder de veelzeggende titel De navolging van Charles Beaudelaire met een lijst van 222 titels van ‘reeds geschreven, nog ongeschreven en nog te schrijven’ werk, waarin op pijnlijke wijze het verschil tussen willen en kunnen opnieuw tot uitdrukking komt.

    Carette heeft zijn weerzin tegen de wereld op overweldigende manier herkend in het werk van anderen, en is daardoor van de noodzaak verlost om zelf woorden te vinden voor zijn onlust: die anderen hebben het al zoveel beter gezegd. Hij is weliswaar geen epigoon, want onmiddellijk herkenbaar zijn de invloeden niet, maar anderzijds heeft hij daardoor ook geen navolgbaar spoor gevonden om zijn eigen stem aan te slijpen. Zijn poëzie is niet zozeer gelardeerd, maar nagenoeg volledig bezet door overgeleverd cultuurgoed, dat zich als niet aan vorm gebonden gedachte kenbaar maakt – ziedaar de oorzaak van zijn lineaire, eenvoudig parafraseerbare poëzie.

    Vorm, of meer in het bijzonder stijl, is niet zomaar een poëticale eis waar men door een staalkaart van stijlleren te bieden aan kan voldoen. Het is de uitdrukking van het verband tussen willen en kunnen, en daarmee het identiteitsbewijs van de dichter. Dat Carette zich tóch bewust is van de noodzaak om beide door een uitbouw van het ik op elkaar te laten aansluiten, bewees hij in zijn vorige bundel Pact met Pound (2000), waarin hij onder meer schreef: ‘Ik wil een gedicht maken dat alleen/ in mijn verbeelding bestaat./ (…) Het moet een angst zijn./ Het is het is en ik zou… altijd die marge tussen wat er is en wat ik wou.’

    Die faalangst te overwinnen, en zich meester van een wereld te maken door die te creëren in plaats van zich achter een ingebeelde wereld te verschansen, – dat wens ik Hendrik Carette, deze al te hartstochtelijke poëziefanaat, van harte toe.

    Hendrik Carette – Gestolen lucht
    Poëziecentrum vzw, Gent 2006

    www.hendrikcarette.be

  • De Haagse helicon. Dichters op het Binnenhof

    Dichters op het Binnenhof

    40% van de kiesgerechtigden is zwevend. 40% die niet weet op wie ze moet stemmen. Misschien maakt het de zwevende kiezers gemakkelijker als ze weten dat op wie ze ook gaan stemmen, de kans groot is dat ze op een dichter stemmen. Ja zeker, Nederlandse politici hebben poëtisch bloed door hun aderen stromen. Wellicht niet op het niveau van Václav Havel, de Tsjechische staatsman die zijn politieke carrière combineerde met het schrijven van theaterstukken, essays en poëzie, maar in de beleidsstukken, redevoeringen en debatten van Haagse politici zijn vele voorbeelden te vinden van troostende lyriek en wijze haiku’s.

    Althans, dat probeert Robert Junius te laten zien in De Haagse Helicon. Dichters op het Binnenhof. Hij verzamelde uit de enorme hoeveelheid tekst en gesproken woorden die politici produceren de meest poëtische uitspraken en goot ze in de vorm van een sonnet, vrij vers of haiku. Waar we dit procédé eerder hebben gezien? Inderdaad. Bij de kunstenaars en dichters van Dada, Gard Sivik en Barbarber. Ooit was de readymade baanbrekend, nu – vele jaren en vele readymades later – is het zo vaak gedaan dat de manier zelf een cliché is geworden. Originaliteit kan Junius dan ook niet toegedicht worden, maar vermakelijk is De Haagse Helicon wel. Zo blijkt dat zelfs een boodschap van Geert Wilders geestig kan zijn:

    TE KOOP!

    Geert Wilders  Bureaukalender 2006-2007
    Geert Wilders Poster (59,4 X 84,1 cm)
    Geert Wilders Hardtop-muismat (200 X 235 mm)

    Kies voor vrijheid door Geert Wilders
    Zeer goed boek
    Het is mooi dat er nog mensen zijn die
    Van hun Land en Volk houden

    Geert Wilders Maxi-Mug (Verpakt in Geschenkkarton)
    Geert Wilders Metalen Balpen (Verpakt in Geschenkkoker)
    Geert Wilders Cap (Heavy Brushed Cap Ecru / Navy )
    Geert Wilders Schrijfbord (A4 met Magneetwisser)

    Geert Wilders Promotie Pakket
    50 Stuks Ballon
    20 Stuks Balpen
    10 Stuks Schuifpuzzel
    6 Stuks Vergulde Pin
    3 Stuks Tafelvlag

    Uw winkelwagentje is nog leeg.

                                            Geert Wilders

    Dat het met de kennis van de dichtkunst zo slecht nog niet is gesteld, blijkt uit de vele verwijzingen ernaar. De politici bewijzen in ieder geval hun klassiekers te kennen. Al beoordeelt CDA-kamerlid Rob van de Beeten Gerrit Achterberg wel erg ad hominem:

    DE FIGURANT VAN ACHTERBERG

    Achterberg werd in een psychiatrisch
    ziekenhuis opgenomen en daaruit
    ontslagen. Hij werd een van
    de grootste Nederlandse dichters.

    Hij had zijn hospita vermoord, de
    dochter aangerand. Volgens sommigen
    was de laatste overleden, anderen
    zeiden dat zij invalide was.

    Zij leefde in Zwolle met haar man,
    en wilde er niet meer over spreken.
    Het was voor haar een ver verleden.

    Zij was een naamloze figurant in
    het drama van opsporing, vervolging
    en berechting van een perverse
    moordenaar.

    Het wordt hoog tijd dat de overheid
    Daar aandacht aan besteedt.

                                            Rob van de Beeten

    Deze manier van werkelijkheidsobjecten uit de oorspronkelijke context isoleren en presenteren als kunst, mag dan te gedateerd zijn om nog origineel gevonden te worden, het laat in ieder geval wel zien dat politieke uitspraken een stuk interessanter zijn als ze als poëzie gepresenteerd worden.

    De Haagse Helicon. Dichters op het Binnenhof
    Robert Junius
    Uitgeverij De Arbeiderspers
    ISBN 9029564258

     AMvdP

  • Wegsleepregeling van kracht + CD,H. Mirck

    ‘Speel voor me, maak me stil’

    Soms lees je een gedicht op een verkeerd moment. Je leest een strofe en kijkt tussen de verzen door de grauwe donderdagmorgen in, en de woorden blijven afstandelijk. Het enige wat je verrast, is de bonkigheid van de titel van de bundel, Wegsleepregeling van kracht. Uren later, in de melancholie van een herfstige schemer, doet die titel er niet meer toe. Opeens lees je woorden die je doen glimlachen, zie je beelden die weemoed oproepen, en zijn er regels van gemis die pijn doen.

    Mircks sonnettencyclus verbeeldt de eenzaamheid van een verloren liefde, het stille gevecht tegen de afwezigheid van een ‘jij’. Alsof er in poëzie ooit iets anders is. Nee, de thematiek is verre van origineel of uniek, al was het maar omdat Wegsleepregeling van kracht een modern antwoord moet vormen op Schuberts Winterreise. Om deze overeenkomst te benadrukken, wordt de bundel vergezeld door een cd waarop Mircks cyclus van muziek is voorzien. De dichter draagt daarbij zelf zijn poëzie voor, maar dit muzikale experiment voegt weinig toe aan de gedichten, die te zeer voor zichzelf spreken om gebaat te zijn bij een extra omlijsting.

    Hoewel, dat spreken gaat niet helemaal vanzelf: de meeste gedichten in de bundel hebben op het eerste gezicht iets ondoorgrondelijks, of, zoals Martinus Nijhoff het verwoordde: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Er is altijd de lichte dwang een regel, strofe of zelfs een gedicht in zijn geheel steeds opnieuw te lezen, omdat het gevoel van ongrijpbaarheid blijft: >

    Dagen later zie ik mijn roepen
    vingers van schrik, beet in mijn arm
    Niets in dit bos loopt of staat, keert

    op zijn tellen terug
    zonder het woord
    dat deze plek verlicht

    Het zijn, in feite, onmogelijk te begrijpen regels, deze laatste verzen van het gedicht ‘Het dorp voorbij’. Hier is geen sprake van een woord dat verlicht, de donkerte tussen de bomen blijft een ondoordringbaar duister. En toch intrigeren deze strofen, door hun onbegrijpelijkheid, maar ook door de contrasten die worden opgeroepen. Er is een roepen dat gezien wordt, een bos vol nachtmerries waar toch een verlichte plek te vinden is – het zijn beelden die je niet begrijpt, maar voelt.

    Zo onpeilbaar als ‘Het dorp voorbij’, zo direct en aards is een gedicht als ‘Alleen’:

    Hoe ze had gebladerd, uitgezocht,
    de kast nagekeken, een lijstje gemaakt,
    het haar achter haar oor
    gestreken, in winkels in rijen wachtte

    Hoe ze straks de tafel zou dekken, twee plaatsen,
    de tijd opstookte met haar fornuis, haar handen
    afveegde, haar schort aflegde, het zou later worden,
    later dan ze wilde,

    terwijl ze niets at maar zat
    en zatter werd van wachten, nog altijd
    En al is er nu iemand die wel komt
     
    en wel eet, die haar glazen droogt
    en terugzet waar ze horen
    Stil zit ze daar – gebarsten

    De hoopvolle voorbereidingen vol liefde uit de eerste regels maken plaats voor een gelaten, teneergeslagen wachten op iemand die nooit komen zal – ‘Alleen’ is een prachtige verstilde tekening van verlatenheid. ‘Mooi maar droef / droef maar mooi,’ zoals in ‘Speelman’ van de liefde wordt gezegd.

    Ja, Wegsleepregeling van kracht bevat mooie gedichten. Wat eigenaardig is, omdat de taal in deze bundel niet altijd even mooi is. In ‘Alleen’ zijn er de regels ‘terwijl ze niets at maar zat / en zatter werd van wachten’, wat grenst aan een stijlbreuk, en bovenal getuigt van een oncharmant woordspel; een woord als ‘zatter’ valt, hoe je het ook wendt of keert, uit de toon en breekt het gedicht. Mirck heeft moeite zijn gedichten tot een eenheid te maken, en zelfs de bundel als geheel is, ondanks het idee van een cyclus, ook moeilijk als dat geheel te beschouwen. Er is een grillige afwisseling tussen mysterieuze ondoorgrondelijkheid, kleine alledaagsheid en een ijdele vorm. Het gedicht ‘Wegwijzer’ bevat regels als deze: ‘Maar in het GESLOTEN donker terug kon ik je / niet meer laten gaan. We liepen door de WEGSLEEP- / REGELING VAN KRACHT, sloegen bij de splitsing af, / bleven samen na twee passen staan.’  Het stoort eerder, deze letterlijke en wat potsierlijke weergave van bewegwijzering, dan dat het gedicht aan betekenis of verbeeldingskracht wint.  

    Maar toch. Plotseling zijn er dan weer wonderlijk mooie regels, zoals ‘zijn hand droomt / onder haar jurk’, of ‘Of ga ik, láát ik / dat alles wat ik schrijf me buitensluit, / laat ik wat niet kan onmogelijk zijn’. En dan de laatste strofen van ‘Sprookje’:

    waar ben je toch? Ga maar
    slapen; zo alleen
    kan iemand je wakker kussen

    het glas om je breken
    de lucht om je in
    beweging brengen

    Als Hanz Mirck zulke verzen schrijft, is hij de accordeonist uit het laatste gedicht van de bundel, aan wie wordt gevraagd: ‘Speel voor me, maak me stil’. Mirck dicht, en maakt stil. Soms. 

    Wegsleepregeling van kracht
    Hanz Mirck
    Prometheus, 2006
    33 blz., € 19,95

    Nienke Beeking

  • Meulenhoffs Dagkalender van de poëzie 2007,Menno Wigman en Alfred Schaffer (samenstelling)

    Goed nieuws voor brilklevende poëzieliefhebbers: de nieuwe Dagkalender van de poëzie is uit! Natuurlijk hangt die van 2006 nog trouw in de buurt van de toiletrol, maar er kan nu alvast vooruitgekeken worden naar wat het volgende jaar in petto heeft. Tussen Co Woudsma (1 januari: ‘De beste wensen’) en Joke van Leeuwen (31 december: ‘Een jaarwisseling’) is voor elke dag weer een vers gedicht uitgekozen.
     
    'Een poëziekalender samenstellen, het is voorwaar geen sinecure', menen samenstellers Menno Wigman en Alfred Schaffer in hun woord vooraf, maar het handzame blok papier doorbladerend kan men veilig stellen: ze hebben de klus goed geklaard. De editie voor 2007 biedt een rijke dwarsdoorsnede van de Nederlandse en Vlaamse poëzie, van grote doden als Gorter, Van Ostayen en Nijhoff tot aan de prille predebutant Xavier Roelens. Ook schenken de samenstellers volop ruimte aan buitenlandse dichters als Sylvia Plath, Rainer Maria Rilke, Sirkka Turkka, John Ashbery, Tomas Tranströmer, Czeslaw Milosz, Antjie Krog en Adam Zagajewski. Daarnaast bevat de kalender traditiegetrouw een aantal (negentien om precies te zijn) winnende gedichten van Meulenhoffs jaarlijkse poëziewedstrijd. Overigens: in de huidige uitgave zit tussen de kalenderbladen van 15 en 16 januari een formulier waarmee kans kan worden gemaakt opgenomen te worden in de volgende Dagkalender; inzending vóór 1 februari 2007 bij Meulenhoff; thema van de wedstrijd dit jaar: ‘oorlog en vrede’.

    En alsof er nog niet genoeg te winnen is, stuur ik zelf één nog nauwelijks aangeroerd exemplaar van Meulenhoffs Dagkalender van de poëzie 2007 ter waarde van € 14,90 gratis op naar degene die als eerste een mailtje met het juiste antwoord op onderstaande vraag stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden):

    Met welke bundels maakten Menno Wigman en Alfred Schaffer zelf als dichters hun debuut (titels, uitgevers, jaartallen)?

  • De herfst van Zorro,Al Galidi

    Onlangs verscheen Al Galidi’s nieuwe dichtbundel, De herfst van Zorro, bij Meulenhoff | Manteau. Dezelfde uitgeverij bracht eerder dit jaar al de roman Maanlichtmoerassen uit, over een zeker mevrouw WC die strijdt voor de overwinning van haar binnenkant op haar buitenkant. Al Galidi’s personages zijn allerminst alledaags. Ook Zorro – de vos staat op de cover van de overigens prachtig vormgegeven bundel – is niet de charmante, doodeerlijke held die een zwierige ‘Z’ achterlaat op de bolle buiken van zijn rijke, noodzakelijkerwijs door de macht gecorrumpeerde tegenstanders; in Al Galidi’s wereld wordt Zorro een man zonder paard, zonder zwaard, zonder penis, een melancholische filosoof die alleen, naakt, in de herfst van zijn leven arriveert en mijmert.

    De herfst van Zorro
    valt na Zorro’s presentatie – zonder paard, zonder zwaard, zonder penis – aan de herfst uiteen in een drieluik: ‘Gedichten van de hoogste verdieping van Zorro’, ‘Gedichten van de middelste verdieping van Zorro’, ‘Gedichten van de laagste verdieping van Zorro’, respectievelijk ‘het hoofd’, ‘het hart’ en ‘de penis’ van Zorro. Die verschillende verdiepingen, die in wezen eigen verhalen vertellen, verwoorden ook samen de verdeeldheid die in Zorro schuilgaat. Niet alleen de tegenstelling met de ander valt de mijmerende Zorro op (duidelijke verwijzingen naar de onderscheiden tussen Irak, Al Galidi’s geboorteland, en Nederland, waar hij sinds 1998 woont); ook met de gespletenheid waaruit hijzelf bestaat, wordt hij geconfronteerd. Zo herinnert Zorro zich de ontmoeting met een boerin:

      In haar dromen,
      waar nooit een prins is geweest,
      ziet ze witte slaapwandelende treinen
      door eindeloze witte tunnels.
      Witte bussen
      door drukke witte straten.

      De witte dag
      eindigt met een witte nacht.
      In haar dromen
      gaat ze
      zonder dat iemand haar kent.

    Al Galidi is op zijn sterkst in de confrontatie van gelijkenissen tussen verschillende culturen en de geheel verschillende perspectieven die in die culturen heersen. Zijn gedichten zijn bijwijlen hilarisch, zijn beeldspraak uiterst origineel. De gedachten en overtuigingen die als een persoonlijk relaas uit die beeldrijke gedichten naar voren komen, zetten wel degelijk iets op het spel. De eenvoud is maar schijn. Wat begint als een grapje, als een voorbeeld van hilariteit krijgt al snel een wrange nasmaak. En dat is Al Galidi’s enorme verdienste: hij stelt dingen aan de kaak, in en met een stem die onmogelijk de 'onze' kan zijn, en hij doet dat met overtuiging, meeslependheid en lef.

      In de eerste winter in Nederland
      ging ik naar de gemeente.
      ‘Jarenlang woon ik samen met mijn kachel.
      Ik wil met haar trouwen.’
      Het blauw viel
      uit de ogen van de ambtenaren,
      het blond
      verbrandde op hun hoofd.
      Zachtjes fluisterden ze,
      maar streng.
      ‘Dat kan niet.
      Zij heeft geen twee benen,
      geen twee ogen
      en geen grote mond.’

      De volgende winter
      ging ik naar de gemeente.
      ‘In deze kou red ik het niet alleen.
      In de naam van vrijheid, democratie
      en bitterballen,
      Ik woon samen met dit mugje.
      Ik wil met haar trouwen.’
      ‘Dat kan niet,’ zeiden ze zacht en streng,
      ‘ze heeft geen grote mond.’

      De volgende winter
      ging ik naar de gemeente.
      ‘Ik wil samenwonen met deze Nederlandse vrouw.
      Ze heeft twee benen,
      twee ogen
      en zeker een grote mond.’
      ‘Dat kan niet’, zeiden ze.
      ‘Jij hebt geen twee benen,
      geen twee ogen
      en geen kleine mond.’

      [‘De penis van Zorro had geen papieren om officieel te trouwen in Nederland’]

    Al Galidi’s gedichten zijn gehuld (vaak duidelijk ‘verhuld’) in vlot leesbare, eenvoudige woorden en zinnen, die samen leiden tot verhalen, of verhaalfragmenten. Die eenvoud is niet te vinden op een inhoudelijk niveau. Al Galidi slaagt er met andere woorden in om door de beeldspraak die zich van niets anders lijkt te bedienen dan van talige eenvoud, veel betekenis te leggen. Hij is een dichter die met een ‘beheerste lichtheid’ schrijft (zoals een criticus van De Tijd zijn stijl in Maanlichtmoerassen geheel terecht beschreef), een lichtheid die dus niet een lichtheid in vorm en inhoud vertegenwoordigt, maar die het resultaat is van een temperende dichter.

    Dat milderen in vorm heeft zijn redenen. Op zijn website laat Al Galidi weten dat de poëzie in Nederland dood is, dat alleen heel ‘oude vrouwen die nog steeds verliefd zijn op iemand of op het leven’, poëzie lezen. Daar hoeft men het niet mee eens te zijn. Wat belangrijk is, en kenmerkend voor Al Galidi’s stijl is wat hij meteen daarna zegt: ‘Na zijn eerste gedichtenbundel is Al Galidi op een andere manier gaan schrijven. Als mensen om zijn gedichten moesten lachen, dan was het goed. Als ze niet lachten en zeiden dat het wel een mooi gedicht was, dan veranderde hij het. Een paar gedichten veranderde hij niet, die heeft hij eigenlijk voor zichzelf geschreven. Ze zijn iets tussen sprookjes en gedichten in.’ De lach is een belangrijk gegeven in De herfst van Zorro: vrijwel altijd aanwezig maar tegelijk soms ook zo fout. De kans bestaat dat er dingen worden weggelachen, dat het alleen maar grappig wordt. Niet zo in Al Galidi’s poëzie. Die doet denken aan een voorstelling van de Jordaans-Amerikaanse danser Tarek Halaby, An Attempt, over hoe kunst de wereld niet kan redden. Die bracht veel inhoud op het podium (onder meer over Palestina, zelfmoordterroristen, de vijandigheid tussen zijn identiteit en de vervreemding die door anderen wordt bevorderd…), maar in de waas van comedy, in de waas van klunzigheid, in de waas van zijn Amerikaanse accent. Tot op het punt waar de lach ongemakkelijk wordt. Tot op het punt waar het publiek alle comfort wordt ontzegd.

    Tot op het punt waar alle maskers afvallen.

    Al Galidi, De herfst van Zorro. Meulenhoff | Manteau, Amsterdam / Antwerpen, 2006.
    http://www.algalidi.com/

  • verzameld werk dl 3, Nijhoff

    Nijhoff, Spoon River Anthologie, muziek, liefde en de dood

    Vertaling van poëzie door de dichter die de belangrijkste vertaalprijs zijn naam gaf: Martinus Nijhoff. Een reeks die werd voorgedragen door Georgette Hagedoorn. In wat nu volgt wordt een exposé gegeven van een gedichtenreeks waar nog niet al teveel over bekend is. Omdat er altijd te weinig wordt geschreven over Martinus Nijhoff wil ik een aantal vragen stellen die ik de komende tijd speurend op het internet en in het antiquariaat zal trachten te beantwoorden. Antwoorden en ook vragen van wie dit leest, zijn meer dan welkom.

    In de Verzamelde Gedichten (1990) van Martinus Nijhoff staat achterin reeks verzen die om meerdere redenen interessant zijn. Het gaat om Nijhoff’s vertaling van een twaalftal gedichten van de Amerikaanse dichter Edgar Lee Masters. De gedichten komen uit de bundel Spoon River anthologie, uitgegeven in New York in 1940.

    In de eerste plaats is de datering interessant. ‘Waarschijnlijk 1952’ vermelden de tekstverzorgers Van den Akker en Dorleyn. Het zijn de laatste gedichten in dit verzameld werk, Nijhoff overleed op 26 januari 1953. Wellicht was het werk aan deze gedichten het laatste wat hij deed. ‘Nijhoff heeft de vertalingen gemaakt voor het voordrachtsprogramma van Georgette Hagedoorn.’ Melden de editeurs ook nog. Dat is nog een reden om meer over de reeks te willen weten. Een voordrachtsprogramma?

    In het Verzameld Werk (1982), door Gerrit Borgers en Gerrit Kamphuis bezorgd, komen we al meer te weten. ‘Deze vertalingen werden afgedrukt in de volgorde, die het voordrachtsprogramma van mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn,, waarvoor ze geschreven zijn, aangeeft. Ik ontleen aan dit programma, zoals het op de Nijhoff-herdenking van 25 april 1963 te ‘s –Gravenhage werd uitgevoerd, de volgende inleidende passage van Jacques den Haan: “Edgar Lee Masters (1868-1950) beschreef in zijn Spoon River Anthologie de geheimen van een Amerikaans stadje met de gefingeerde naam Spoon River. Van afgunst, machtswellust, verborgen misdaad, erotiek, maar ook van de liefde der eenvoudigen vertelt hij op originele wijze in de vorm van grafschriften in vrije verzen…”

    ‘De Spoon River Anthology van deze Amerikaanse dichter verscheen in 1914 in het weekblad Reedy’s Mirror. Zie de boekuitgave, ‘illustrated by Oliver Herford, London, TWerner Laurie Ltd., 8 Essex Street. Strand, ongedateerd. Nijhoff vertaalde elf van deze grafschriften, benevens het inleidende gedicht 'Het gras op de heuvel' (The Hill) Zij zijn postuum verschenen in 'Maatstaf, II,' 1954/’55, 164-171. Een handschrift of typograaf is niet meer aanwezig. Hij kende het werk van Lee Masters reeds in maart 1926; Zie Verzameld Werk, II, 292.

    Het recht van voordracht dezer gedichten is uitsluitend voorbehouden aan mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn.’

    Dit alles opent een kleine wereld die ik graag eens nader zou willen leren kennen. Hoe is de vertaling van Nijhoff? Hoe is zijn keuze tot stand gekomen? Kortom hoe ziet de bundel Spoon River Anthology er uit. Zijn tijdschrift publicatie en boekuitgave nog na te speuren? Een boekuitgave des te interessanter is daar hij geïllustreerd blijkt. Daarnaast hebben we toegang tot de vertalingen middels een heel andere uitvoering: de voordracht ‘uitsluitend voorbehouden aan mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn’. Hoe was die voordracht, zijn daar opnames van te vinden? Ik wist dat Nijhoff en Hagedoorn een relatie hadden, maar niet dat ze getrouwd waren. En is die voorbehouding dan ook testamentair vastgelegd? En waarom? Zijn er meer Nederlandse vertalingen van deze bundel. Complete misschien. Heeft Nijhoff gecorrespondeerd met Edgar Lee Masters? Kunnen we erachter komen waarom juist deze reeks werd voorgedragen op de herdenking?
    Waarom interesseert die reeks mij eigenlijk? Misschien door Jones in het openingsgedicht:

    […]
    Waar is Jones, de oude straatmuzikant
    die, spelend met het leven, negentig werd,
    door sneeuwstormen liep met een open hemd,
    dronk, zwierde, en om niets en niemendal gaf,
    niet om geld, niet om liefde, niet om de hemel?
    Hoor, hij mompelt in zijn slaap over hoe ze vroeger visten,
    en wat Abraham Lincoln heeft gezegd
    jaren geleden te Springfield.

    Ja om Jones, maar nog om meer. Nu zal ik eerst eens zien of op het internet, voor de lezer, meer van deze gedichten te vinden zijn.

    Vondsten en vragen graag naar: redactie@literairnederland.nl

    MH