• Literaire cd met teksten van Astrid H. Roemer

    De Nederlandse muziekformatie Flower to the People maakte tot nu toe enkel Engelstalige cd’s. Sinds Flower to the People werd benaderd door de in Suriname geboren schrijfster Astrid H. Roemer is hier verandering in gekomen. Er is anderhalf jaar gewerkt en het resultaat is de onlangs verschenen cd Omhels Mij, waarop 17 nummers staan met stijlinvloeden uit de Nederpop, jazz, Latin, folk en soul en prachtige eigentijdse poëzie.

    U kunt via deze link alvast 6 tracks van de cd beluisteren:
    http://www.flowertothepeople.nl/muziekbeluisteren.html

    Ook kunt u een stukje van de cd presentatie bekijken via deze link:
    http://televisie.westonline.nl/archief/programma_overzicht?id=08
    Klik op de datum 07-10-2008 en scroll naar 4.40 min waarna het item start.

    Tevens kunt u in het FttP-gastenboek lezen wat de schrijfster Astrid Roemer er zelf van vindt:
    http://www.flowertothepeople.nl/gastenboek.html

    Flower to the People: Fleur Tolman, fttp@planet.nl

  • Poëziecircus van Ted van Lieshout

    Vlak voor de Kinderboekenweek lag Kwam dat zien! Kwam dat zien! in de winkel samengesteld door Ted van Lieshout. Een boekachtig tijdschrift met bijna honderd bladzijden gewijd aan poëzie voor jong en oud. Querido’s poëziespektakel 1 staat eronder, want het is de bedoeling dat dit een jaarlijks terugkerend fenomeen wordt.
    Als je eenmaal begint met bladeren, dan houd je niet meer op. Van Lieshout heeft ervoor gekozen om een vrolijk en aanstekelijk boek te maken en alhoewel er in een enkel gedicht wel wat leed te vinden is, maakt de bundel je vooral vrolijk, ook al omdat de illustraties van de pagina’s afspatten.
    Op sommige pagina’s komen dichters aan het woord over de manier waarop ze hun gedichten maken en hoe ze gedichten lezen. ‘Wat moet je doen als een gedicht niet begrijpt?’ staat er dan. ‘Schrijf het gedicht over,’ is een tip van Koos Meinderts. Leendert Witvliet raadt aan om een gedicht van buiten te leren en Kees Spiering zegt: ‘Zoek een andere dichter. Er zijn er genoeg.’
    En misschien is dat wel de grootste verdienste van Van Lieshout: hij laat zien hoe rijk de poëzie is, hoeveel dichters er zijn, ook voor jongeren. Nu het thema van de Kinderboekenweek juist over poëzie gaat, komt dit tijdschrift als geroepen, want zoveel jeugdpoëzie komt er niet meer uit. Zelfs in kinderboekhandels moet ik er vaak tevergeefs naar zoeken.
    Net als Komrij in zijn bloemlezing van jeugdpoëzie neemt Van Lieshout ook dichters op die doorgaans voor volwassenen schrijven: Tsead Bruinja, Joost Zwagerman en Peter Holvoet-Hanssen bijvoorbeeld. Ook Gerbrand Bakker is in deze bundel terug te vinden met gedichten die hij eerder in het grotemensentijdschrift Tzum publiceerde. De grenzen vervagen dan ook tussen volwassen poëzie, jeugdpoëzie en gedichten voor kinderen en dat lijkt me een goed teken. Ik heb tot slot nog drie wensen:
    1 een bibliografie waarin je kunt zien of het gedicht eerder is gepubliceerd en zo ja, waar dan?
    2 de volgende keer het blad in full-colour.
    3 een hogere verschijningsfrequentie: elk half jaar moet toch ook kunnen?

    Coen Peppelenbos

    Ted van Lieshout (samensteller) – Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido, Amsterdam, 96 blz. €14,95.

  • Een olifant op het strand, Gerard B. Berends

    De bekendheid van Gerard B. Berends is de afgelopen maanden toegenomen dankzij het grote aantal gedichten dat Gerrit Komrij selecteerde voor zijn bundeling van kinderpoëzie. Dat is één van de positieve kanten van zo’n bloemlezing: vergeten dichters worden in de schijnwerpers gezet. Van Berends ken ik de verhalenbundel Twee mouwen uit 1996 die ik niet zo heel bijzonder vond en de bundel poëzie voor de jeugd Het sloeg twaalf uur uitgekomen in de Zonnewijzer-reeks van uitgeverij Holland in 1990. Tijd om eens wat nieuws te lezen en dat kan, want in de Windroos-serie is Een olifant op het strand verschenen.

    Het mooiste gedicht vind ik ‘Een gebaar’. Misschien omdat het om iets futiels gaat, namelijk het gebaar dat je maakt om te maskeren dat je eigenlijk iets had willen zeggen, maar er toch liever vanaf ziet. Een gedicht over een wat nietsig gebaar dus, dat waarschijnlijk vrij herkenbaar is.

    een gebaar

    als je ’s morgens de gordijnen
    opent naar buiten kijkt en je hand
    door je haar strijkt

    een gebaar van bijna niks
    als je niet beter wist zou alles blauwer
    mogen zijn of grijzer

    je ziet dat wel eens als je iets wilt
    zeggen en een ander zegt dan net
    even eerder iets

    Het heeft de kracht van een gedicht van Judith Herzberg. Er zit ook een klein irritant zinnetje midden in het gedicht ‘als je niet beter wist zou alles blauwer / mogen zijn of grijzer’ dat je niet direct kunt plaatsen. Is dat wat je denkt als je naar buiten kijkt en ziet hoe het weer is en het besef dat je daar niets aan kunt veranderen.

    Er staan nog een paar andere gedichten in deze bundel die ik denk te kunnen begrijpen, maar over het algemeen snap ik de meeste gedichten niet. Dat ligt niet aan Berends, maar aan deze lezer die niet elke associatieve gedachte van de dichter kan navolgen. Ik weet dat hij vaak gebruik maakt van absurde invallen en graag speelt met taal. Het gevaar dreigt echter dat er een paar zinnen achter elkaar staan die ik wel intrigerend vind, niet door rijm, ritme of andere ouderwetse poëtische middelen, maar juist door de aparte opeenvolging van mededelingen en die ik toch niet ten volle begrijp.

    zondagochtend

    een buurman rolt zonder te groeten van het dak
    en blijft zo stil liggen dat hij bijna slaapt

    eefde ijssel wint van grave beneden de sluis
    een rode krokodil kruipt uit een brievenbus

    aan het eind van de ochtend is het avond
    toe kleed je aan voor je vel krimpt

    Is dit een jeugdherinnering aan lange vervelende zondagen thuis? Is dit wat je meemaakt op een doorsnee zondagochtend? Heeft die regel over Eefde IJssel te maken met een voetbalwedstrijd of met de waterstanden? Is die rode krokodil speelgoed? En is die buurman dood, in de zin van nooit meer slapen? Ik kan minutenlang staren naar zo’n gedicht alsof er een cryptische omschrijving staat en ik de enige ben die niet doorheeft waarover het gaat, terwijl ik ‘kleed je aan voor je vel krimpt’ wel een mooie zin vind.

    Stiekem haal ik de jeugdbundel er weer bij. Dat zal ik toch wel snappen? Ook daar vind ik een zondagsgedicht.

    het is zondag
    een man groet een paard
    een vrouw kamt oude dromen
    een tafel smelt of maakt een krul

    het is zondag
    alle huizen hebben hoge poten
    en verdwalen
    gelukkig hebben ze een das om

    Eigenlij tref je precies hetzelfde procedé aan bij dit gedicht. Prachtige regels zoals ‘een vrouw kamt oude dromen’ die direct gekoppeld worden aan andere regels met een totaal andere inhoud, de lezer licht verbijsterd achterlatend.

    Coen Peppelenbos

    P.S.: voor een voordracht van Gerard B. Berends zie dit filmpje.

    GERARD B. BERENDS: Een olifant op het strand. Uitgeverij Holland, Haarlem. 32 blz. €5,95

  • Gedichten voor gelukkige mensen, Bart Moeyaert

    Is dichter Moeyaert net zo goed als de prozaschrijver?

    Er is iets geks aan de hand met de poëzie van Bart Moeyaert. Nee, dat moet ik beter formuleren: er is iets geks aan de hand met de lezer van de gedichten van Bart Moeyaert. Of, om nog preciezer te zijn: ik heb moeite met die gedichten. Dat komt omdat ik het proza van Bart Moeyaert mateloos bewonder. Ik koop het meteen als het uit is, ik raad het iedereen aan, ik geef het zelfs cadeau. En daarom wil ik zijn poëzie ook heel erg graag heel erg goed vinden.
    Bij de herdruk van de vorige bundel van Moeyaert, Verzamel de liefde, schreef ik al dat de dichter een paar keer langs de afgrond van de clichés scheerde, maar bij de bundel Gedichten voor gelukkige mensen valt niet te negeren dat sommige gedichten het Candlelightniveau niet ontstijgen. Zie het volgende fragment uit ‘Zo heel jij mij’.
    ‘Je veegt de aarde
    uit ons bed,
    zoekt mij
    onder het laken,
    ziet wie ik ben.
    Voorspelt geluk,
    baadt mij in rust.
    Zo heel jij mij
    al jaren,
    geneest mij
    door te zijn.
    Jij spreekt de taal
    die ik versta,
    hoort de seizoenen
    in mijn stem,
    aan mijn adem,
    wat ik denk.
    Jij kent de kunst
    van nu en hier.
    Vandaar dat ik je
    leen, nee spaar
    of beter nog: bewaar.’
    Maar misschien vindt het grote publiek dit juist mooi. Uitgeverij Querido heeft er in ieder geval weer een mooi gebonden boekje van gemaakt, met leeslint, want je zou de weg maar kwijt raken in deze 52 bladzijden. Net als de herdruk van Verzamel de liefde is het ook weer vlak voor Valentijnsdag uitgegeven. De verliefde dichterlijke man of vrouw die het bundeltje deze keer cadeau wil doen, moet echter wel weten dat er deze keer veel gedichten in staan die Moeyaert heeft gemaakt toen hij stadsdichter van Antwerpen was. Niet altijd is direct duidelijk wat de link is met stad. Zo heeft hij voor alle 52 kaarten van een kaartspel tekstjes (vooral distichons) geschreven van het type ‘Schoolslag is slecht. / Blijf recht.’ ‘Is de boot lek, roei dan aan dek. / Help hozen.’ Vast heel mooi op de kaartspelen die, zo lezen we achter in het boek zijn verspreid in jeugdhuizen en bejaardenzorgcentra. Maar of je er nu zes bladzijden mee moet vullen in een dichtbundel? Zo zijn er wel meer gedichten die beter tot hun recht komen op de muur of op de toren waar ze voor bedoeld waren. Op de website van Bart Moeyaert zie je hoe een gedicht soms letterlijk op zijn plek valt.
    Toch zie je aan bepaalde gedichten dat Moeyaert het wel kan. In het gedicht ‘Zwaan’ gebruikt hij ook geen enkel moeilijk woord, maar de eenzame zwaan die hij beschrijft, is een mooi beeld voor de verlaten geliefde of de geliefde die zelf is weggegaan. En dan staat hij wat mij betreft weer aan de goede kant van de afgrond.
    Zwaan

    Ik zag een zwaan
    boven het Galgenweel.
    Ze was niet onderweg
    naar nog een zwaan.
    Dat kon ik zien aan
    hoe ze met haar vleugels
    trok: daar was omzeggens
    niets reikhalzends aan.
    Je kunt een afscheid meten
    Het gaat om kleinigheden.
    Een licht geheven kop,
    De grijze lucht rondom,
    De richting van de wind.
    Soms voelt een zwaan
    geen verte en geen
    reden om terug te keren.

    Volgens mij heeft Moeyaert een wat strengere redacteur nodig. Juist in zijn proza is deze schrijver een meester in het weglaten; juist in zijn proza brengt deze schrijver meer lagen aan; juist in zijn proza zet hij de lezer vaak op het verkeerde been. Het is te hopen dat hij als dichter net zo goed wordt.

    Coen Peppelenbos

    Bart Moeyaert: Gedichten voor gelukkige mensen. Querido, Amsterdam. 52 blz. €15,-

  • Dagkalender van de poëzie 2008, Menno Wigman

    Ongelezen goed

    Dit is de eerste recensie die ik schrijf over een werk dat ik niet gelezen heb. Sterker nog ik ben niet van plan om dit werk in de nabije toekomst uit te lezen. Het is namelijk de Dagkalender van de poëzie 2008 samengesteld door Menno Wigman en Alfred Schaffer.
    Het is heerlijk: ik hoef niets te vinden, ik hoef niets te analyseren, ik ga alleen maar bladeren. Ik had natuurlijk ook de Geert Mak-kalender kunnen nemen (ja, die bestaat echt) of de Peter van Straaten-zeurkalender, maar de rechtgeaarde poëzieliefhebber koopt gewoon de poëziekalender.
    Deze kalender heeft al een lange historie. Ooit begonnen in een tijd waarin ook nog de Literaire agenda werd uitgegeven is de poëziekalender de ware overlever gebleken. Eerst gemaakt door Hans Warren en Mario Molengraaf (die volgens de dagboeken het meeste werk eraan besteedde) en sinds enkele jaren door Menno Wigman.
    Ik denk dat de meeste mensen bij een kalender het eerst gaan kijken naar het vers op hun verjaardag. In mijn geval heeft Wouter Godijn dan een plek op de kalender. Het thema dierendag is gelukkig niet te dik aangezet in het gedicht ‘Familieportret’ dat begint met de intrigerende regel ‘Het konijn moet nog gedrild en de vaat begraven.’
    Ik controleer ook even of mijn familie en vrienden met een aardig gedicht bedeeld zijn en check even vlug de feestdagen. Ja mooi, Vasalis op Moederdag, Leonard Nolens op Eerste Kerstdag, nou ja helaas Martin Bril met het platvloerse liefdeslied ‘De tieten van mijn vrouw’ op Valentijnsdag, maar voor de rest is het vol verwachting uitzien naar al die gedichten het hele jaar door.
    Grote dichters als Eva Gerlach en Esther Jansma staan in deze bundel naast Femke Halsema en Jan Marijnissen. Diverse vertaalde en mij tot nu toe nog onbekende dichters wachten hun dag af: wie is Y. Th. Vafopoulus en wat schrijft Cahit Sitki Taranci? Meer vertaalde dichters dan ooit schrijven de samenstellers in hun voorwoord. En dat is misschien ook de grootste waarde van zo’n kalender: je ontdekt nieuwe dichters, je herleest oude meesters en je hernieuwt de kennismaking met hedendaagse poëten.
    De bundel heeft dit jaar het wat zware thema ‘oorlog en vrede’ meegekregen, zonder daar al te rigide in te zijn, want dat vonden Wigman en Schaffer ‘al te vermoeiend’. ‘Toch zult u heel wat gedichten ontdekken die op leven en dood geschreven lijken,’ schrijven ze, het thema zo breed trekkend dat iedereen de kalender met een onbezwaard gemoed kan kopen en vol verwachting uitziet naar de eerste dag van het nieuwe jaar. Ik kan bijna niet wachten met scheuren.

    Coen Peppelenbos

    Menno Wigman en Alfred Schaffer (samenstellers): Dagkalender van de poëzie 2008. Meulenhoff, Amsterdam. 

  • Koffiedik zingen, Daniël Dee

    Alle persoontjes zijn paspoppen

    Een nieuwe herfst, een nieuwe Dee. Koffiedik zingen is de derde officiële bundel van deze Rotterdamse dichter. Wie Daniël Dee de afgelopen jaren gevolgd heeft, weet dat hij een geheel eigen stijl heeft ontwikkeld. Hij maakt lange, uitvoerige gedichten waar niet op een woord meer of minder gekeken wordt. Soberheid zul je bij hem tevergeefs zoeken: de gedichten lopen vaak over de pagina’s en het boekje is extra breed om de uitdijende zinnen de ruimte te geven. En ook in het woordgebruik is Dee herkenbaar: harde, rauwe en realistische woorden. veel verder dan kleine dingetjes kom ik niet
    zoals expres over de rand van het toilet pissen
    Daar is geen woord Spaans bij. Voeg daarbij de lichte fascinatie van Dee voor de zelfkant van de samenleving en wat ongelukkige liefdes en de verzen lijken zichzelf te schrijven. Nog één ingrediënt moet genoemd worden: de vaak humoristische oneliners die midden in de gedichten opdoemen (zinnen met dezelfde directheid vind je terug in romans van Douglas Coupland): ‘ik woon nu in een anonieme stad met alle nationaliteiten’, ‘een kankercel blijft nooit lang alleen’, ‘alle persoontjes zijn paspoppen in deze openluchtetalage’.
    Ik heb Daniël Dee vaak horen optreden en weet dat mensen vaak moeten lachen om de directe taal in zijn poëzie en hij is daar ook goed in, maar de vraag is of er niet ook een gevaar schuilt in het maken van dit soort poëzie, namelijk dat het de dichter te makkelijk afgaat. Dat hij van tevoren weet dat hij met een bepaalde woordkeuze, met een bepaald thema automatisch succes zal hebben.
    Koffiedik zingen is een bundel die volgens mij laat zien dat Dee dit gevaar inziet. Ik was verrast door het gedicht voor zijn naar Nederland gevluchte collega Mowaffk Al-Sawad, omdat hij opeens een totaal ander taalregister hanteert. De heftigheid zit niet meer in de woorden, maar in de mededelingen. Prozaïsch haast: ‘Ik had meer angst voor de klappen van mijn vader dan voor de oorlog / over het neergeslagen verzet zwijgt hij // na de derde reeks bombardementen ben ik gevlucht / zonder om te kijken zonder afscheid zonder woorden’.
    Maar nog meer dan dit gedicht beviel me de derde afdeling in de bundel met een aantal cycli. Met de eerste cyclus, ‘Koninginnen van de nacht’ (het lijkt erop alsof die wat verkeerd in de bundel is gezet, de cijfers kloppen niet of dit is een grap die ik niet snap) zitten we wel aan de zelfkant, want de hoofdpersonen zijn hoeren, en Dee laat de verloedering, maar ook de haat van die vrouwen zien in kille bewoordingen waar elke grap is uitgefilterd. Met een zinnetje als ‘de behoefte me af te drogen met een ruwe handdoek’ toont hij in één keer de walging van de hoeren over hun eigen leven. De inhoud van dit gedicht is geëngageerd. Dee neemt positie in. En ook dat is nieuw in deze bundel. Dee experimenteert in deze afdeling ook meer met de vorm van de gedichten. Het lijken me allemaal uitstekende pogingen van Dee om zichzelf niet vast te leggen aan een bepaalde vorm. Ik hoop dat hij verder gaat met het exploreren van zijn mogelijkheden. Het maakt hem als dichter nog boeiender.

    Coen Peppelenbos

    Daniël Dee: Koffiedik zingen. Passage, Groningen, 88 blz. 

  • Motorman, Nyk De Vries

    ‘Er was ook niemand die lachte’

    Op dichtavonden is hij altijd een opvallende verschijning: Nyk de Vries. Meestal neuzelen dichters hun poëzie van papier, maar als Nyk de Vries het podium betreedt, gebeurt er iets magisch. Hij staart in het publiek, maar lijkt niets te zien. Het publiek wordt wat onrustig en giechelig en dan begint De Vries zijn gedicht uit het hoofd voor te dragen, hoekig, gespannen en overgeconcentreerd zo op het oog. Ik heb wel eens meegemaakt dat hij die concentratie verloor omdat hij twee zinnen omgedraaid had. Dat mocht niet. Opnieuw beginnen. Het geeft het belang aan dat hij aan zijn eigen woorden hecht.
    Motorman en 39 andere prozagedichten is de debuutbundel van Nyk de Vries die al eerder romans schreef en bekend is geworden als gitarist bij Meindert Talma & the Negroes. Ik zal nu niet stilstaan bij het fenomeen prozagedicht. Ik vind het altijd een wat lastig genre om te beoordelen. Bij De Vries zijn de prozagedichten nooit langer dan een bladzijde (zo’n honderd woorden), de tekst staat uitgelijnd ? als een blok dus ? op de pagina, de titels zijn kort (de langste titel luidt ‘Hard, eenzaam, naakt’).
    In de kritieken die tot nu toe zijn verschenen is vooral het grappige van de prozagedichten benadrukt. En ja, soms schiet je in de lach door de onverwachte wendingen die je absurd zou kunnen noemen. De vergelijking met Daniil Charms is dan snel gemaakt. Ik moest vooral denken aan de ultrakorte verhalen van Armando die situaties uit het gewone leven plukt en er met een of twee zinnetjes een grondeloze tragiek aan kan koppelen. Bij De Vries overheerst het tragikomische. ‘Werkoverleg’ begint met de zin ‘We hadden werkoverleg en zoals gewoonlijk was het een hilarische toestand.’ Maar het prozagedicht eindigt met een huilende vrouw ‘Ze rilde en zei: “Ik ben gewoon helemaal verkeerd gepresenteerd.”’ Om zo’n eindzin kun je lachen alsof het de pointe is van een grap, maar tegelijkertijd is dit einde erg triest. Die dubbelheid kom je continu tegen. Mensen die hier alleen grappen in zien, lezen slecht. Op deze bladzijde staan vier voorbeelden uit de bundel. Het laatste gedicht ‘Familiehotel’ vind ik prachtig. Bij de laatste regel moet ik hardop lachen, maar dat komt vooral door het grote ongemak dat ik voel als ik de zinnen ervoor lees. De zin ‘Er was ook niemand die lachte, net als eerder in het golfslagbad’ is van een ongehoorde schoonheid en treurigheid.
    Het lukt De Vries telkens om in honderd woorden een compleet verhaal te vertellen: de ik-figuur is ergens, wordt geconfronteerd met iets of iemand (vaak een intrigerende vrouw) en wordt gedwongen om iets te vinden of te denken. En elke keer voel je weer dat ongemak: moet ik lachen of juist niet. Poëzie die je dwingt tot ongemakkelijkheid: waar lees je zoiets nog?

    Coen Peppelenbos

    NYK DE VRIES: Motorman en 39 andere prozagedichten. Friese Pers Boekerij, Leeuwarden. 64 blz. €15,- (er is ook een Friese versie)

  • Hoe je geliefde te herkennen, Tomas Lieske

    In de huid van een ander

    Een ‘zeer praktische handleiding’ heet op de achterflap de nieuwe bundel van romancier, essayist en dichter Tomas Lieske. En nog wel een die ‘laat zien hoe het ultieme ook voor u binnen handbereik komt’. Enigszins dubieuze aanprijzing op het eerste gezicht, maar op het tweede toch ook weer niet zo erg ver af van de waarheid. De lezer die zoekt naar therapeutische verlichting of duidelijke antwoorden die het leven er eenvoudiger op maken, komt goddank bedrogen uit. Dit boek toont niet hoe men een beter mens kan worden. Dit boek laat zien hoe het mogelijk is een ander mens te worden. Of een ander dier, waarom ook niet. Want Lieske wendt zijn woorden aan om zich te verplaatsen, in de meest letterlijke zin die taal toestaat, en probeert onderweg enig zicht te geven op het procédé dat dit mogelijk maakt. Het duidelijkst lijkt het gedicht ‘Hoe in de huid van een ander te kruipen’ de formule aan de lezer te willen overdragen. Hierin worden ‘de’ drie manieren beschreven: de gewelddadige manier, de goddelijke manier en de derde manier. Om te beginnen:

    De eerste manier is iemand omzichtig benaderen.
    Zijn geest bezetten. Onwennig
    en stram in het begin, maar snel
    voel je de kwaliteit van de spieren, je went
    aan de wijze waarop de gewrichten buigen.
    Je probeert de inwendige kraantjes.
    Maar het blijft geweld. De geest van de gastheer
    dient verdoofd en knock-out geslagen te worden.

    Deze methode doet denken aan ‘Invasion of the Body Snatchers’, en is eigenlijk wat te rigoureus, omdat er van de ander op deze manier te weinig overblijft. Het heeft meer weg van een vijandige overname dan van een geslaagde poging zich in een ander te verplaatsen. Er is een subtielere manier, die helaas niet voor menselijke wezens is weggelegd:

    De tweede manier, die van de goddelijke wezens,
    berust op het vermogen elke gedaante aan te nemen
    die denkbaar is. Dat is het hoge
    goochelen, dat is mimesis pur sang.
    Je imiteert van de ander zijn verende passen,
    de onverwachte grijns, de Haagse glijders in de stem,
    het nerveuze schrappen van nagels, het ijdele deuken
    van de haren, het quasi-onverschillige restau-gedrag.
    De ander weet niets van jouw kunstwerk, draaft
    zijn eigen leven, terwijl jij zijn vrouw opdraagt
    een voor een, tot trillens toe, en als voor het eerst ?

    Met deze methode kan een god zich wel in Lieske verplaatsten, zoals dat overigens een gedicht eerder, in ‘Ontdekken dat je te laat bent’, ook gebeurt, maar Lieske noch zijn lezer zal op deze manier in de huid van een ander belanden. Maar, ten slotte:

    Er is nog een derde manier, een waarbij je daverend
    al zijn doen en denken beschrijft, woord voor woord verovert.

    Lieske opteert in Hoe je geliefde te herkennen voor deze derde weg: de weg van de dichter. En zo lukt het hem met menselijke precisie te schrijven over zichzelf en alle anderen. Over de schoonheid van het vrouwelijke, de broosheid van geluk, de breekbare eierschaal van familie en de verantwoordelijkheid van wie deze schaal moet dragen. Over de wrangtedere moedergevoelens van een merrie, de wanhoop van een horlogemaker, de wereldwijze ethiek van kardinaal Simonis. Met woorden die tintelen omdat ze precies op de goede plek terecht zijn gekomen, in regels die zich om en om en om laten keren zonder te gaan vervelen. In alle toonaarden vult Lieske wat hij aanraakt met leven, en het leven met Lieske. Zo verovert hij woord voor woord, daverend.

    Tomas Lieske
    Hoe je geliefde te herkennen
    Querido, 2006
    50 pagina’s, € 16,95

    Thomas Möhlmann, eerder gepubliceerd in: poëzietijdschrift Awater, winter 2007, jaargang 6, nummer 1. Enkele maanden later nam Tomas Lieske voor Hoe je geliefde te herkennen de VSB Poëzieprijs 2007 in ontvangst. Afgelopen maand bevatte Vrij Nederland een profielbijlage van de Republiek der Letteren, geheel gewijd aan de poëzie en het proza van Lieske zie: http://www.vn.nl/Opinie/DiscussiesEnFora/ArtikelDiscussieforum/WatVindtUVanDeProfielbijlageOverTomasLieske.htm

  • Servetten halfstok – Ester Naomi Perquin

    Servetten halfstok –  Ester Naomi Perquin

    Eerder dit jaar werd voor het eerst de Debuutprijs Het Liegend Konijn van het gelijknamige poëzietijdschrift uitgereikt. De jury, bestaande uit hoofdredacteur Jozef Deleu en de dichters Marjoleine de Vos, Geert Buelens, Mustafa Stitou en Menno Wigman, kende de prijs toe aan de Nederlandse Ester Naomi Perquin voor haar ‘overweldigend debuut’, Servetten halfstok. Op 9 oktober volgt de uitreiking in Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel. Zowel verstechnisch als inhoudelijk sprak Perquins poëzie aan: ‘Het hele leven krijgt hier een plaats: onzwaarwichtig, geestig maar beslist niet oppervlakkig. […] Ze stelt vragen en reflecteert. Haar verzen doen de lezer stilstaan en denken.’ Veel lof voor vooralsnog onbewezen diensten.

    ‘Vooralsnog’, het staat er. Ester Naomi Perquin is niet van plan zich het vergeetgat in te dichten. Meer nog, daar hoort ze niet thuis. Al is Servetten halfstok misschien niet meteen gediend van bovenstaande jubeltaal. Het debuut dat de jury overweldigde kan heus wel wat overuurtjes gebruiken. Het is een behoorlijk werkstuk, op sommige momenten zelfs meer dan, maar te veel nog heeft Perquin een verzameling schetsen en vingeroefeningen aangelegd. Wat is verstechniek als de inhoud niet mee wil?

    Het leven is aan de onwetenden
    Servetten halfstok opent veelbelovend. De afdeling ‘Verloren schrift’ is veruit de meest fascinerende uit de hele bundel. In gedichten die terecht worden geprezen om hun knappe stijl, dubbele bodems en technisch vernuft, trekt Perquin de contouren van een leven dat zich tegelijkertijd met beide benen in én achter het dagdagelijkse ophoudt. Een vreemdsoortige melancholie dwaalt door de verzen. Vrijwel meteen merkt de lezer sporen op van iets wat is geweest of nog moet komen, maar dat in ieder geval een onvoltooidheid in zich meedraagt. Dat maakt van ‘Verloren schrift’ meer dan een collectie waarnemingen. Perquin legt hier processen bloot die immer latent aanwezig zijn, en die de goede observator wel weet liggen, maar niet noodzakelijk kan duiden. Als een bijzonder type notulist gaat ze aan de slag: ‘Zo is iets neergezet dat hoorbaar was maar / nooit kan worden naverteld. Hij kent / de beste tekens voor hun radio’s / hun thuiskomst en hun stemgeweld. // Hij stelt op schrift zijn horen bij, / noteert de koppigste muziek / van hun espressoapparaten.’ (uit: ‘De notulist’)

    Ook de identiteit van de dichter (of de personages) zelf lijdt aan een onzeker bestaan. ‘Hoe weten zij hoe ik mij was?’ klinkt het in ‘Reïncarnatie’, terwijl het hele gedicht door de ik-figuur die eigenheid ook niet krijgt gedefinieerd. Markeren is de boodschap, je stempel achterlaten. Dat kan schijnbaar heel eenvoudig: ‘Slaap met het harigste huisdier in bed, / druk vingers op ramen, hang op het balkon / je opvallendste plunje voor buren te kijk. / Stink. Bak koolraap met uien en vis.’ (uit: ‘Inval’) Toch resoneert in die methodiek het besef van vergankelijkheid sterker dan de vreugde om het gewonnen terrein. De sluiers die over de dagdagelijkse werkelijkheid liggen verbergen eveneens een weliswaar niet dreunend aanwezige ? alledaagsheid. Wat schiet een mens ermee op om tot dat besef te komen? Ook Perquin ziet die beperking: ‘Eenmaal boven is de druk zo laag / dat elk besef hoe log, hoe zwaar, / hoe traag van zwaartekracht verdwijnt. / Wat niet weet, wat niet valt.’

    De wereld als schriftuur
    Geregeld leidt in Servetten halfstok de wetenschap of de plotse bewustwording tot een verzwaring van het gemoed. In ‘Toen wel’ bijvoorbeeld, maakt de kleine confrontatie het grote besef: ‘Pas toen hij een jongen eieren / kapot zag gooien zomaar, / met naakte kuikens erin.’ Onwetendheid maakt vrij, of bestendigt die vrijheid; het besef creëert een gebondenheid aan het eigen leven, een bijna angstige reflex van veralgemening die ook het eigene met zwaartekracht overlaadt. Een gevolg kan zijn dat de zwaarmoedigheid gaat regeren en alle impulsen tot geestelijke lichtheid overstemt: ‘Laat het na deze winter nog eens winter zijn. / Geen statig broeden meer. Geen kievitsei. / Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest. / Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest / met alles dat nog kiemen zou daarbij.’ (uit: ‘Winter’). De zachtheid is ongeloofwaardig geworden.

    Literatuur, of liever het schrift heeft een functie als bewaarmiddel. Ze legt het latente bloot, behoudt de trekken van het beschrevene. Maar het geschrevene kan ook een indringender rol spelen, ‘Verloren schrift’:

    ‘Waar hij eerder nog kon jagen
    en wij lazen: bos vol beesten,
    hoge lijven, volheid op papier
    veelpotig, niet te tillen door getal
    of de zwaarte van geweien

    trillen nu schraal beschreven vellen,
    toont hij angstig wat hij heeft geschoten
    wat te zien is in zijn reservaten:
    waterplaatsen, droog gelaten,
    oude herten zonder poten.

    Soms laten ze zich, lijkt het,
    even lokken met betekenis:
    aanzetten tot jonge dieren
    nog in nesten, schetsen
    waar niet van te eten is.’

    Het is de wereld die gelezen wordt, soms geheel verdraaid. Ook hier treedt een verschuiving van de interpretatie op, na een bewustwording, bij het opgroeien… De lectuur van de werkelijkheid is onderhevig aan het opschuiven van de blik. In die zin hanteert Perquin literatuur/taal als gewoon en alledaags fenomeen: ‘Maar onverstoorbaar is er brood / en al hetgeen er dient geschreven, / de tafel met het kind daaraan, / schone was, dagelijks leven.’ (uit: ‘Ten ruste’) De verbeelding ontrukt de literatuur aan de wereld, met alle gevolgen van dien: ‘Dat ik je moet verlaten / om verhalen van te maken.’ (uit: ‘Verhalen’) De verdraaiing die dan gebeurt, is een uitvergroting van wat de mens tegen het vergeten aanmaakt. Overblijvende beelden stemmen niet meer overeen met wat verloren is gegaan. ‘[H]etgeen er dient geschreven’ is wat nog in de herinnering moet voortleven. En ook daar is sprake van dubbelspel: het geheugen onthoudt niet altijd datgene wat we willen zien overleven. Soms zijn we ‘slecht in […] vergeten’ (uit: ‘Weerzien’), terwijl ‘mouwen om de hals geslagen, / in slaap geraakt, eenmaal ontwaakt / nooit armen zijn’ (uit: ‘Ten ruste’).

    Stijl, die diepte
    In Servetten halfstok gaat Ester Naomi Perquin op een overtuigende wijze aan de slag met taal. De stijl die ze in de eerste afdeling hanteert, blijft ook in de rest van de bundel behouden, maar de inhoudelijke diepgang gaat af en toe geheel verloren. Dat schept de indruk dat er een hoopje losse gedichten bij elkaar is gezet, gedichten die weliswaar elkaars aanwezigheid verdragen, maar de onderlinge betrokkenheid zijn kwijtgespeeld, geen meerwaarde meer bieden. Er is gebundeld wat ook ongebonden had kunnen bestaan. Zo lijkt de urgentie zoek. De schetsen die in het eerste luik nog zinvol veelgelaagd en onverwacht uit de hoek kwamen, zijn nu enigszins vervallen tot observaties en daaraan gekoppelde vingeroefeningen. Goed geschreven maar zonder overkoepelende zin. Een test in het schrijven van poëzie. Jammer, want op die manier krijgt de bundel in zijn geheel een wat onaangename nasmaak. Niet het beste wat een debuut kan zijn of al is geweest in andermans handen, maar op zijn minst beloftevol te noemen.

     

    Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok. Uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam, 2007.

  • Innisfree, Christine Dhaen

    De geschiedenis van het dichten, de toekomst van het lezen

    Innisfree is een spaarzame bundel: 21 gedichten heeft Christine D’haen erin verzameld, gelinkt aan een notenapparaat van een goede vier pagina’s. Die noten zijn er niet voor niets; de bundel beslaat een liefdevol persoonlijke literatuurgeschiedenis, die een zeer gedegen kennis en doorwrochte visie onthult. Niets voor de show, alles voor de letteren.

    Dat er inderdaad meer aan de hand is dan het tentoonstellen van de literaire knobbel van de dichter valt af te leiden uit de cycli die zijn opgenomen. ‘Out of key’ gaat zo bijvoorbeeld over literaire genres die niet meer vanzelfsprekend tot de tijdgeest behoren; ‘Aleph Beth’ reikt dan weer een aantal geliefde boeken aan. Steeds slaagt D’haen erin de diverse invloeden te verwerken in een hoogstaande eigen poëzie. Dat is geen risicoloze onderneming. De dichter geeft in de eerste plaats zichzelf bloot: de uitgesproken invloeden verraden haar voorkeuren en maken ook de poëtica van het eigen poëziebedrijf duidelijk. Dat de inmiddels vierentachtigjarige Christine D’haen zich zo openlijk aan de lezer voorlegt, heeft misschien ook te maken met de erfenis die ze wil achterlaten, de verduidelijking die ze zelf wil voorzien. Al hoeft dat niet noodzakelijk waar te zijn:

      De mens is onderweg, zo reist de tekst verfijnd
      (vóóreeuwig, bovenordelijk, geheimnisvol)
      door commentaar en meditatie zonder eind
      met enig-zijnde multipliciteit.

      (uit ‘Tetragrammaton’)

    De tekst bevat een eeuwige dynamiek, is eeuwig voorwerp van veranderende blikken en interpretaties. De mens is onderweg, en daarmee de tekst eveneens. Zo is ook de dichter lezer, en dat geldt zeker voor Christine D’haen in Innisfree. In ‘Amis venez encore nuit’ wordt de relatie tot de literatuur ? als schrijver en als lezer ? erg mooi beschreven:

      Zie nu de boeken, met spraakkunst en vormleer,
      woordenboeken (het Griekse met prachtig karakter),
      woningen van de letterkundige Heer.
      Maar je komt voor gedichten: weinig volmaakt,
      zoveel fragmenten in zovele talen,
      van jou en haar het steeds vervolmaakte,
      samen te lezen als ademhalen.
      Jij bent een geleerde, je deelt het haar mee,
      en zij zegt ook wat ? die luttele uren
      moeten een heel gedroomd leven duren.

    De nuance die Christine D’haen aanbrengt, betekent veel in een bundel van dit conceptuele gehalte: zelfs de voorkeuren, de richtlijnen misschien, die dwingend lijken te worden overgeleverd, houden een lezer voor ogen die al dan niet ingaat op wat de tekst herbergt. Ook in ‘De beker van Djamsjied’ krijgen D’haens woorden onder andere een poëticale kleur:

      Maar klaart de droesem door het oog, dan licht
      de spiegel op met inniger gezicht,
      het inzicht heldert, de begeerte sticht
      een vorderend vuur; voorbij de duistere rand,
      rondom, des bekers, reikt de geest en brandt:
      de vorst, de wijn, het kunstwerk, in wiens hand,
      waartoe richt zich profetisch wie het denkt,
      wiens bloed drenkt onze aderen, wie schenkt?

    De dialoog tussen lezer en dichter verloopt via de tekst: ‘Niets moet nu nog geschieden (slechts het beeld / opgeschort in de tijd) dan de grammatica, / de doolhof waar de weg te vinden is / dank zij de oude studie der grammatica.’ De tekst behoudt zo de profetische waarde, voorbij de grenzen van de tijd. Wat Innisfree in dat opzicht zo bijzonder maakt is dat de poëticale lijn die Christine D’haen uitzet, eveneens wordt weerspiegeld en aanschouwelijk gemaakt in de inhoud. ‘Ab ovo’ is daar een prachtig voorbeeld van: het hele gedicht is een eigentijdse compositie die een twintigtal vertaalde en chronologisch geordende citaten vat in een collage. Het resultaat is een erg geladen, maar sterk ritmisch geheel. De tijd gevat in verzen. D’haen geeft in het notenapparaat van die vertaalde verzen ook de contexten vrij, maar besluit de uitleg als volgt: ‘Maar ook zonder die kennis kan hij [de lezer] door zijn verbeelding een waas van betekenissen scheppen, met een bijzondere, meditatieve sfeer.’ Tegenover die vrijheid staat: ‘Het gedicht is mooier als de lezer weet in welke context ze staan.’ Zo’n beetje de vrijheid die de lezer heeft om het voetnotenapparaat naast zich neer te leggen, dan wel te verorberen met het angstige hart iets te hebben gemist. Niet van levensbelang dus, althans niet voor de lezer. Maar voor de dichter die hem/haar het vertrouwen schenkt: met veel plezier.

    Christine D’haen, Innisfree. Querido, Amsterdam, 2007.

  • Vreemdgang, Henk Van der Waal

    Vreemdgang is een bundel uit één stuk. Wat begint als een anekdote, een fragment uit het dagelijkse leven groeit geleidelijk aan uit tot een sluier die van dat leven af wordt gehaald. De wijsheden die Henk van der Waal uitdrukt, gelden niet als de bevestiging van een superieure mentale positie, maar net als aanleiding om zich binnen de menselijke maat te plaatsen. Vreemdgang geeft een beeld van de menselijke conditie, dat zowel talig als inhoudelijk genuanceerd is. Van der Waal is onweerstaanbaar in zijn zoektocht naar antwoorden, in zijn analyse en zijn besef van de discrepantie tussen theorie en werkelijkheid, constructie tegenover overrompelende ruimte. Over hoe de mens zich in het verlies weet te handhaven of dat zou kunnen/moeten, uit noodzaak of doelbewust.

    Oorspronkelijkheid in ontzelving
    In ‘die vervloekte oorspronkelijkheid’ haalt Van der Waal het beeld naar boven van een stukgelopen relatie. Tegenover de wetten van de liefde staan de theorieën over vrijheid die een zekere ‘je’ fingeert om zichzelf in naam van de ‘barmhartigheid’ en tegen de ‘beslaglegging op andermans verlangen’ te verzekeren van zijn ongebonden leventje en de ander tot angstige aanhankelijkheid en verbondenheid te verleiden. De angst keert echter snoeihard terug naar de afzender, wanneer niet de ‘je’ maar ‘zij’ de ‘je’ dwingt tot de zelf geschapen rol als ‘welgevallige, invullige, vrijzinnige, / zelfstandige, rotsvaste, ondersteunende, goed- / vindende, vrijlatende, onkwetsbare, niet / verwijtende, verantwoordelijke, plichts- / beseffende en indien gewenst teder masserende’. De woorden die de ‘je’ daartoe uitsprak, benarren nu diens werkelijkheid. Maar ‘de werkelijkheid is geen idee in je hoofd’, gaat niet in op zelfbereide theorieën. Er heersen andere wetten die niet voortgaan op evidentie, of waarneming en verwachting.

    De scheiding die Henk van der Waal portretteert, hoeft, zo lijkt het, niet noodzakelijk rampzalige gevolgen te hebben: ‘wat er van je overblijft als er in je lichtkoepel van / geborgenheid plotseling een schuurmachine / aanslaat die met grove korrel de opperlaag van / geluk van je huid schraapt […] is je bodem, is de rest waarin je bent en waarin / tot je stomme verbazing gift ligt opgeslagen, / vrijheid, ruimte en ook de lucht waarmee je heel / zacht en zonder haat en afzender natuurlijk / onbekend haar ziel aanrilt’. Die bodem lijkt veel deugden te bevatten, is het resultaat van een soort losmaken van het zelf. De hardheid verdwijnt, maar ook de afzender; de ontzelving als een vorm van ? om het met een lelijk woord te zeggen ? herbronning, een terugkeer naar de oorsprong. Die oorspronkelijkheid ? vervloekt heet ze hier al ? impliceert een onbevangenheid die het zelf ook beschermt. De angst voor verlies bant a priori alle opties die op het geluk worden genomen. Onbevangenheid daarentegen creëert behoud. De kolonisering door de ander heeft een negatieve bijklank, maar kan wel degelijk positieve effecten hebben: ‘haar geheime waarheid / besproeit dan ook je ziel’.

    De geldingsdrang van het niemandsloze
    In de afdeling ‘dat uitgestrekt niemandsloze’ onderneemt de ‘je’ alsnog verwoede pogingen ‘om de krenking voor te / blijven en uit te bannen’. Het niemandsloze waarin de ‘je’ zich dan ophoudt, is geen lang leven beschoren. De onbevangenheid krijgt geen kansen meer; totdat de ‘je’ ‘gevangenzit in zijn wachten op wat voorbij is’. De oude, of vergane, liefde doet de geldingsdrang van de ‘je’ opspringen, van het zelf, dat uiteindelijk gedoemd is tot ‘een kinderlijke / smeking om aandacht’. Het mag niet baten: de vreugde kan alleen nog bodemloos zijn, onbeholpen, onwerkelijk, want van tevoren onmogelijk gemaakt. Het ‘verguldsel’ dat zich over de ‘je’ legt is schijn, is een innerlijk ‘dat de heren op goed geluk / vol hebben gestort met moralistisch monotheïstisch / steenkolengrieks, -latijn, -hebreeuws, -arabisch’.

    Het is de angst ‘voor dat / overweldigend komende dat zich toen / in je gevestigd heeft, voor de radeloosheid om dat / vreemde dat zich niet meer uit je weg heeft laten / werken maar waaraan je ook niet hebt kunnen / beantwoorden en waarover je nette leven / de spijt, de schuld, de teleurstelling uitdrukt’, die zich manifesteert, wanneer je je verliest ‘in wat jou aan het vinden / was’. De ander heeft zo geen kans om zich tot de ‘je’ te richten. Het bewustzijn gaat gepaard met de vestiging van het ‘ik’, dat de ander niet voldoende ruimte kan bieden. Het ‘ik’ neemt de wapens op waar het ontwapend zou moeten zijn, waar het zich alleen in de ontvankelijkheid van het vreemde kan vinden.

    Dacht je dat het wel kon of wist je dat het niét kon
    In ‘au peintre Georg Eisler et à tout le monde’ doorbreekt Henk van der Waal enigszins explicieter het voorgaande. Hij is zich bewust van het ‘buitenmensende’ dat hij in de bundel heeft opgebouwd. Zijn reflectie is op zich evenzeer theorie als de theorieën over vrijheid die de ‘je’ tegenover de wetten van de liefde plaatst. Het menselijke is onderhevig en veronderstelt in die zin ook een immer aanwezige verloren strijd. Het inzicht in die conditie is wellicht een net zo grote kwelling als dat het een zegen is.

    Henk van der Waal brengt hier de nuance binnen. Terwijl op het eerste gezicht de toon er een van inzicht was, wordt hier het bewustzijn gecompleteerd: het besef van de gedachte, misschien zelfs de waarheid, en tegelijkertijd de onmogelijkheid die ten volle onder ogen te zien. Terwijl de eerste cycli van Vreemdgang in al hun aparte constructies nog een zekere talige eenvoud laten zien, gaan naar het einde toe alle registers open: Van der Waal schrijft complexere verzen neer, de inhoud bolt op, ook de strakke geometrische vorm die de gedichten in het begin een vastomlijnde ruimte biedt, sijpelt stilaan weg. ‘[P]as als je de geronnen weidsheid, de ruwe / onontgonnenheid waarin je je hebt aangetroffen laat / zoals die zonder jou ook zou zijn en dat tot en met / jezelf aan toe, kun je vermoeden stellen op het / aanvullende, het uit zwakke bron wellende, het je / jouw verdriet gunnende en ben je verhapstukt door // het meerd?re // het vreem?e // het onbep??lde’. Onbereikbaar is die toestand. Onmogelijk, want complex in de ontzegging van het ego: ‘eenvoudig omdat je de wil niet hebt je wil te breken’.

    Henk van der Waal is in Vreemdgang ontzettend mens en ontstellend dichter: geslaagd in de onmogelijkheid van slagen.

    Henk van der Waal, Vreemdgang. Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2007.

  • Wuif de mussen uit, Joke Van Leeuwen

    In lichte woorden tegen de vergankelijkheid

    Tomas Lieske won vorige week de VSB-poëzieprijs. Joke van Leeuwen was een van de andere genomineerden die met haar bundel Wuif de mussen uit meedong. Alhoewel ze wel de Herman de Coninck publieksprijs won heeft haar derde bundel (voor volwassenen) niet zo heel veel aandacht getrokken bij mijn weten. Van Leeuwen is namelijk geen hemelbestormende dichteres, geen publiciteitsmachine, geen om zich heen schoppende dichteres op internetfora. Verwacht van haar ook geen bijdragen in debatten over poëtica. Van Leeuwen schrijft en dat is voldoende.
    Herkenbaar is de laconieke stijl van Van Leeuwen. In haar gedichten gebruikt ze nogal vaak een normale spreektaal. Bij haar kan een mens aan het woord zijn of een hond die uitlegt hoe dat moet met uitgelaten worden. Maar ook God komt aan het woord die ons eventjes uitlegt hoe het gaat met de eigen verantwoordelijkheid.

    Heenzending

    Goed, zei de schepper, wat ons betreft
    is het goed, maar aan jullie laat ik
    het met de elleboog voelen of
    het badwater niet te heet is,
    het behoedzaam proeven of
    het eten niet te scherp is,
    het drinken niet te zuur is,
    het weten waar wat breken kan
    zal staan
    het verschonen van wat stinkt en
    opnieuw stinkt,
    het aanpassen van de voetstap,
    het onverstaanbaar zingen
    in het donker,
    het herhalen van moeilijke woorden,
    het tellen tot oneindig
    en het hekje voor het trapgat.

    Bij sommige gedichten brengt Van Leeuwen een zekere speelsheid aan door met de vorm te morrelen: dan zie je een zin die van de pagina afloopt of een haast onleesbare woordkluwen. In andere gedichten gebruikt ze bewust ongrammaticale zinnen, ellipsen en stoplappen. Maar die speelsheid in vormen en die ironie in de zinnen verbloemen uiteindelijk niet dat ook deze dichteres bezig is met de grote thema’s als liefde en dood. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Tijd’ (dat moet toch een van de meest gebruikte dichttitels zijn), waarin ze, al is het maar in een gedicht, de hand wil heffen tegen het verglijden van de tijd.

    Tijd

    Dat je je voorneemt om zes
    uur wakker te worden, en
    om twee uur wakker wordt,
    om drie uur, ziet dat het nog
    lang niet zes uur is, opeens
    acht uur nee negen.

    Je nieuwe mensen nieuw ziet
    doen, niet weten en wel willen
    weten, als weten dat nog niet
    vergeten in weten zit dat zit,
    de dis verteert van is en
    zal toch zeker.

    Dat rimpels in het vel van wie
    je liefhebt mooier vouwen ook
    dan die van jou, hoezeer ze
    lachen naar elkaar. Een kind
    een duur horloge mag, voor
    het de tijd kan lezen.

    Zullen we een eind gaan wandelen?
    Waar naartoe?
    Nergens naartoe. En dan terug
    naar waar we begonnen.

    Zo neemt Van Leeuwen het in lichte woorden op tegen de vergankelijkheid. Natuurlijk net zo vergeefs als bij haar zwaarmoediger collega’s.

    Coen Peppelenbos

    JOKE VAN LEEUWEN: Wuif de mussen uit. Querido, Amsterdam, 48 blz. €15,95