• Het duiden van poëzie

    Het duiden van poëzie

    Ze zit er wat verloren bij, de moeder van de dichter. De afterparty is inmiddels in volle gang en de dichter zelf heeft zich met een biertje in de hand onder de mensen begeven en bevindt zich daar waar beleefdheden worden uitgewisseld en in het gunstigste geval de suggestie van een goed gesprek gewekt wordt. De moeder houdt het van een afstandje allemaal scherp in de gaten. Zoals ze ook de carrière van de dichter nauwlettend volgt. Zij is een groot kenner van het werk. Ze heeft alles gelezen en weet ook wat er tussen de regels staat.

    Ze zou kunnen vertellen hoe autobiografisch dat werk eigenlijk is, en wat er zo uitputtend en tot in de kleinste details beschreven wordt in een gedicht dat het midden houdt tussen poëzie en proza. De moeder zou wel van de daken willen schreeuwen hoe goed de dichter bezig is. Het zit haar dwars dat de mensen het werk niet begrijpen en de dichter daardoor te weinig waardering krijgt.
    De dichter stelt haar betrokkenheid op prijs, maar vindt het niet nodig dat het werk van een toelichting voorzien wordt. Er staat wat er staat en daar moet de lezer het mee doen.

    Gedichten kunnen heel goed voor zich(zelf) spreken. Ze hoeven niets te betekenen en nergens naar te verwijzen. Ze kunnen louter klank zijn en toch tot de verbeelding spreken.

    Ik dacht aanvankelijk dat ik zonder uitleg kon, maar constateerde nadat ik de dichter een keer had horen voordragen dat ik het een en ander gemist had. Dat ik weliswaar begrepen had waar de gedichten over gaan, maar dat ik over het hoofd had gezien dat de dichter een spel speelt. Dat ook deze dichter intertekstualiteit hoog in het vaandel heeft staan en rijkelijk citeert uit het werk van anderen of daar op een andere manier mee aan de haal gaat. Toen ik dat eenmaal wist en de gedichten daarna nog een keer las, vond ik de meeste beter en sommige zelfs veel beter dan de eerste keer en de bundel als geheel een stuk coherenter.

    Toch doen te veel tekst en te veel uitleg een gedicht geen goed. Ik neem de moeder van de dichter niets kwalijk. Haar bedoelingen waren goed, maar het spijt me dat ik nu weet dat ik een deel van de gedichten ook autobiografisch kan lezen.

    Ondertussen is de moeder weer gaan zitten en is de dichter in aantocht. We maken kennis, schudden handen, ik spreek mijn waardering uit voor de bundel en voordat we het weten zijn we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. De dichter vertelt hoe vreemd het voelt om onderdeel te zijn van dit grote geheel. De dichter vindt dat de poppenkast lang genoeg geduurd heeft. Dat het tijd is om naar huis en weer aan het werk te gaan. Dat werk is niet noodzakelijk het schrijven van gedichten. Dat wist ik. Maar niet van de moeder van de dichter.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Ik herhaal je gedichten – Ingrid Jonkers

    Ik herhaal je gedichten – Ingrid Jonkers

    In de vroege morgen van 19 juli 1965 spoelde het lichaam van de eenendertig jarige Ingrid Jonker aan op het strandje bij Drieankerbaai. Het was het einde van een bewogen bestaan: Ingrids jeugd aan de Kaapse kust, het verlies van haar moeder, haar stormachtige entree in het Zuid-Afrikaanse literaire circuit en de afwijzing ( als dichter en als dochter) van haar vader de schrijver Abraham Jonker. Ik herhaal je bevat meer dan tachtig gedichten, gekozen en vertaald door Gerrit Komrij. Deze editie bevat ook de Zuid-Afrikaanse originelen gedichten en een biografische schets van schilder en schrijver Henk van Woerden ( 1947-2005) over deze dichteres die leefde in de tijd van de Apartheid. Ingrid Jonker (1933-1965) was tijdens haar leven zowel bij blank als zwart geliefd. Toen Nelson Mandela het volk toesprak tijden de opening van het Zuid-Afrikaanse parlement in 1994, droeg hij haar aangrijpende gedicht Het kind’ voor. Ik herhaal je is een tweeluik – poëzie en biografie ineen – een monument voor een uitzonderlijk dichtersleven. Saskia van Schaik maakte de – door de VPRO in 2001 uitgezonden – documentaire, Korreltjie niks is my dood die diepe indruk maakte en won daarmee een zilveren Roos op het festival. Montreux. Michael Zeeman omschreef haar poëzie als: ‘Verpletterend in zijn directe emotionele toon.’

    Paula van der Oest regisseerde de film Black Butterflies – gebaseerd op het leven van Ingrid Jonker – met Carice van Houten, Rudger Hauer en Liam Cunningham.

     

     

     

  • Anne Vegter


    Poezie van Anne Vegter in animatie omgezet door Studio Carmbolas, Arjan van der Linden

    ,
  • Waakzaam – Maarten Inghels

    We verklaarden God dood en in de plaats kregen we Mindfulness’

    De steeds sneller razende wereld is moeilijk bij te benen. In onze onevenwichtige tijd wisselt verongelijktheid af met onzekerheid, nieuwe rampen met wantrouwen. Daarom moeten we waakzaam blijven.

    In Waakzaam ruilt Inghels de twijfel in voor woede en waakzaamheid tegenover het huidige bestel. Immer waakzaam voor het verval, de dood en de liefde schrijft hij evenzeer een aanklacht als een liefdesverklaring. Met scherts en ernst stelt Inghels de afbraak en het verval vast, het afscheid van een geliefde wordt haarscherp in beeld gebracht en de hang naar een nieuw geluid klinkt uit elk gedicht. Een pleidooi voor de sloopkogel en de wederopbouw.
    Met Tumult schreef Inghels poëzie die in het hier en nu geworteld is. Waakzaam brengt branie en bravoure. De gedichten in deze nieuw bundel gaan als mokerslagen nog harder in tegen de onverschilligheid, de verwarring en orakeltaal.

    Waakzaam / Maarten Inghels
    ca. 80 blz.
    ca. € 19,95
    Verschenen bij: Bezige Bij Antwerpen

  • Nooit tevreden

    In september 2010 kwam Jef Rademakers in het nieuws met zijn 19e eeuwse kunstcollectie die in de Hermitage van Sint Petersburg werd tentoongesteld. Een prachtige collectie van Romantische kunst. Daarvoor was Rademakers vooral bekend als televisiemaker. Hij lanceerde diverse programma’s op de Nederlandse tv, waaronder in 1978 De Geloof, Hoop en Liefde show. Dat Rademakers ook gedichten schrijft is minder bekend.

    Onlangs kwam zijn derde dichtbundel Voorgoed voorbij uit. Rademakers schreef deze gedichten tussen 1998, het jaar dat zijn voorlaatste bundel Vurige tongen uitkwam en 2010. Het leverde een bundeling op van tweeënvijftig gedichten van wisselende kwaliteit en met dezelfde thema’s als in zijn voorgaande bundels, zo schrijft Rademakers zelf in een Ten geleide. Die thema’s zijn God, zijn vader, de hoeren, drank en de dood. Rademakers houdt zich niet op in het dichterscircuit, is geen podiumdichter. Hij is er ook wars van, al dat dichterlijk vertoon, getuige het volgende gedicht:

    ‘DICHTER DES VADERLANDS
    Wie meedoet aan een dichtwedstrijd
    En fraaie verzen afscheidt over oorlog,
    onrecht en het lot der allochtonen

    Die zullen ze belonen. Hij krijgt wat geld
    en diep respect want hij is aardig en taalvaardig
    en politiek ook zo correct

    Doch, wie het leed van anderen zo edelmoedig
    stelt boven zijn eigen klein verdriet,
    is niet de tolk van gans het volk:
    mijn soort van dichter is hij niet’

    De gedichten lezen snel, je weet als lezer direct waar het over gaat, waardoor ze niet echt verrassen. Deze gedichten gaan, meer nog dan over God of de liefde, vooral over verlangen naar wat geweest is en men kijkt nooit vooruit. ‘ (…) Ik ben gehecht aan dat soort dingen: dromen, geuren en herinneringen.’ Als je dat eenmaal weet, wordt het zeer voorspelbaar. Rademakers zelf blijft op afstand in zijn gedichten en dat is opmerkelijk omdat hij toch vooral over zichzelf schrijft. En waar het persoonlijke geëtaleerd wordt, bekruipt je gelijk een gevoel van gene, omdat het er zo dik bovenop ligt, zoals in:

    ‘DE ZIN, DE DRANK, HET HUWELIJK
    s’Avonds heb ik het hoogste woord.
    Ik ga als onderwerp naar bed, maar
    word als lijdend voorwerp wakker.

    In het ochtendlicht zie ik mijn vrouw
    met vreemde ogen:
    ik herinner mij niets van het gezegde.

    Ik ken geen derde persoon,                                                                                                                                                                                                                           alleen de kater en ik.
    Vanavond ga ik verder
    waar ik gebleven ben: proost!
    Vaders lul is moeders troost.’

    Rademakers koketteert ook graag en veelvuldig met de dood en zijn onvermogen gelukkig te zijn. Geloof je de dichter, dan wil hij liever vandaag dan morgen dit aardse leven verlaten en staat hij er vierentwintig uur per dag voor klaar, zonder overigens hier zelf de hand in te willen hebben. Er spreekt een speelsheid uit zijn gedichten waarmee hij de werkelijkheid schijnbaar wil ontvluchten, maar tegelijkertijd om aandacht schreeuwt: ‘( …) Ik stempel: telkens weer een halfgelukte / druk van ik, ik, ik. / Ik maak mijzelf waar. / Lees mij! Koop mij! Neem mij!’ Een speelsheid die ook tot vertedering leidt:

    ‘EERSTE LIEFDE
    Vanwaar die mengeling van rust en wellust
    waarmee ik mij des avonds
    geheel alleen laat glijden
    in dit ruim bemeten ledikant?

    Geheim genot van schone lakens,
    dekens en een gehaakte sprei
    waaronder vroeger oma lag.
    Meestal alleen, maar soms met mij.

    Want in augustus ging ik daar logeren.
    Kleinzoon en weduwe, een winning team
    in bed. Niets kon ons deren.

    Wij lachten om de oorlog en de dood.
    Het enige einde dat wij vreesden
    was dat van de vakantie.’

    Je kunt je af vragen of de schrijver het zo bedoeld heeft, maar uit deze strofen spreekt een sfeer van sterke verbondenheid tussen een oma en haar kleinkind, een verbondenheid die heel de wereld buiten sluit. Het is van een mooiheid, die door de onschuld in die laatste strofe de vertedering wekt. Zoals Rademakers zelf in zijn Ten geleide toegeeft: is zijn ambitie beperkt en lijkt hij op een klein kind dat bij eb zandkastelen maak, zijn ouders roept om zijn werk te komen aanschouwen en wat de vloed daarna zal aanrichten, hoeft hij niet te weten. Daar kan nog aan toegevoegd worden dat de persoon uit Rademakers gedichten soms lijkt op een verwend jongetje dat na zijn verjaarsfeestje verveeld en misselijk naar bed gaat, en nooit tevreden is met wat hij heeft gekregen, omdat alles immers Voorgoed voorbij gaat.

     

     

  • Recensie: de trektocht – Albertina Soepboer

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Lachende lelie, dode maagd

    De nieuwe, dik uitgevallen bundel, de trektocht, van de Friese Albertina Soepboer (1969) telt bruto 102 stuks gedichten. Netto 68, wanneer je bedenkt dat de 34 Friese gedichten erin van een Nederlandse vertaling zijn voorzien. De bundel is uit twee delen opgebouwd: pleisterplaatsen en het nest. Deze twee delen bevatten diverse onderafdelingen die vrijwel allemaal titels dragen die het op weg/onderweg zijn betreffen.

    Er wordt net als in haar vorige bundel Zone (2005) veelvuldig gereisd, al dan niet met ondersteuning van werkbeurzen. En net als in Zone is hier ook weer een openingsgedicht dat de toon wil zetten voor een verhaal, als het vertrekpunt van de reis. Maar waar in Zone nog vaak steun gezocht werd bij een flard van een songtekst of een verdwaald stukje werkelijkheid, is de trektocht geheel opgebouwd uit één stemregister dat een bijna mythisch verhaal doet opklinken. En wat in Zone het meest trof, die even weerbarstige als lyrische stem die tegen de stroom van een verhaal in zijn woorden aan het gedicht oplegt, komt in deze bundel nog overtuigender tot zijn recht. Soepboer heeft namelijk voor haar jongste bundel de gelukkige keuze gemaakt om deze stem in het stramien van sonnetten te vangen. Sonnetten waarin de zinnen zonder hoofdletter beginnen, en zonder punt of rijmwoord eindigen. Dit versterkt de onderlinge samenhang en laat de betoverende cadans van de beeldende zinnen de vrije hand. Tegelijkertijd biedt de sonnetvorm een bedding aan deze stroming. Een houvast, zonder welk je als lezer makkelijk kopje onder zou gaan. De beelden kunnen zomaar kantelen, zinnen over elkaar heen spoelen, maar de stem van de dichteres blijft overeind. En ik zeg het maar gelijk: deze bundel overtuigt in zijn geheel, van begin tot eind. In de kracht van de woorden, de zinnen, de beelden, de stem van het totaal. Het is meeslepende poëzie. Bij dit soort poëzie, vraag je je niet eens af, sterker nog: wil je niet eens weten waar de klepel hangt, zolang je de klok maar kunt horen luiden. Want het verhaal blijft bij deze doorstroming van beelden schimmig. Er zijn beelden die terugkeren (onder andere: nacht – wind – bomen – mond – schrijven – zee – water – land – einde – maan – sterren – bed – slapen -brief , maar vooral: vogel) soms in een net even andere constellatie. Gaandeweg ga je er de contouren van een verhaal in herkennen, bijna zoals in een Rorschachtest. Het aanvangsvers, de vogelvrouw,  stelt ons namelijk een verhaal in het vooruitzicht:

    ‘zo moet het verhaal gaan: op een dag zien we elkaar
    jarenlang waren we onderweg, de inkt woonde
    onder de basaltstenen, ze hipte erover heen of
    moet ik schrijven dat ze klauterde, geen vorm had

    dan het kabaal van de witte golven die aanstormden
    op een zware zuidwester, de vleugels terzijde streek
    het dorre zand liet opwaaien, het lichte zicht wegnam
    en ik de hemel maar moest raden onder een zwart pak

    zoals ze daar staat, wat ik mezelf keer op keer dwing
    te herinneren: ze is rechtovereind van de nacht in de zon
    weg en wit, dat zuivere wit, zonder een mensenhand

    onder schuim van de golven onder eeuwige lijnen
    tuimelt het blauw en daarom zet de zee haar stem bij
    wat ik hoor, gelijk de ruis:  de aarde van dit verhaal’

    Voilà, daar is geen woord Frans bij en toch valt er op het eerste gezicht weinig chocola van te maken. Veel beelden, weinig coherentie. Maar samenhang zal de volhoudende lezer gegund zijn. Ook is in dit openingsvers sprake van een ‘ik’ dat reflecteert over de gebeurtenissen, als ook over hoe het onder woorden kan worden gebracht.

    De ‘ik’ betreft een vrouw die alleen is, maar daarover geen klaagzang aanheft:

    ‘ik wil zeggen dat het meevalt, dat het alleen zijn//
    geen honger in de hals is, geen dorst in zich
    draagt dan helder water’.

    De vrouw lijkt verlaten te zijn door een man, op wiens terugkomst ze wachtende is maar wiens hart vooralsnog mogelijk gedeeld wordt met een ander. Komt er intussen ook nog een andere man langs? Niet echt helder. Wel lijkt er aan het einde sprake van een hereniging met de man in kwestie. Weldra is er dan ook nog nieuw leven in de vorm van een zoontje. Het blijft echter allemaal in het vage. Maar deze poëzie heeft het verhaal als alibi niet nodig om los te gaan. Deze poëzie getuigt van zichzelf. Dit is beeldenrijke, totaal van ironie gespeende poëzie. Erg welkom om te lezen. Alles gebeiteld in krachtige, zelfbewuste, soms ook poëticaal te lezen zinnen, zoals bijvoorbeeld die waarin ‘de lucht zich ’s avonds vol komma’s waait’. Met dit soort zinnen vervlechten de gebeurtenissen zich met de taal waarin ze worden verwoord.

    ‘(..) met zout op de tong
    sta ik in het natte zand, weer al de nieuwe tekens
    die zullen zijn, de horizon is mijn witte regel

    met de rouwrand van oudjaar en ik weet dat het niets
    te zeggen is, want ik timmer licht in de zee
    voel haar stevige glimlach op mijn schouder vallen’

    Dit citaat staat nog in het begin (p. 16) te lezen. Op pagina 45 lezen we: ‘de verte is een hand en waait het verhaal de deur in’. In het allerlaatste gedicht staat: ‘en/ de horizon is weer die trillende strook van/ alles simpel als wat’. Is de horizon weer een schone lei? Lijkt het verhaal daarmee gezegd? Zijn de dingen volbracht? Is het daarom dat de vogel, waarmee de ‘ik’ zich goed kan verstaan (‘onder een telefoonpaal belt de bonte kraai haar op’), in de allerlaatste regel ‘snavelvol’ verder vliegt en de aarde weer overlaat aan de vrouw, de man en het zoontje?

    Omdat een vogel niet aan plaats en ruimte is gebonden, is het niet verwonderlijk dat de zich voortdurend van pleisterplaats naar pleisterplaats bewegende ‘ik’ zich ermee vereenzelvigt. Behalve dat de ‘ik’ de tekenen van de tweevoeters verstaat (een gedicht dat in Rome speelt, spreekt van ‘auguri’), leest ze ook verbanden in de sterren: ‘zo hoog dat // de sterren het niet eens weten’, of: ‘andere sterren die ik kus als niemand er nog is.’ En als we elders dan ook nog lezen ‘ons verhaal voorspelt zich / in de dingen die langswaaien op de zomerwendewind’, en we daarbij bedenken dat de bundel ook een afdeling kent die Avalon heet, zou de indruk kunnen ontstaan dat we hier van doen hebben met een dichteres die in het spoor van A. Roland Holst wil treden. Eentje die een mythisch verband vermoedt tussen onze wereld en een eentje op een geheime, verborgen locatie, waar vogels weet van hebben. Maar zover gaat het in deze bundel echter niet. Ter geruststelling zij gezegd dat er in deze gedichten ook tafels worden afgeruimd en thee wordt gezet.

    Hoog tijd om maar weer eens  een volledig sonnet te citeren.

    ’terwijl thuis

    en dan tilt de deken op, het licht is hier van oker
    als de vroege avond komt, ik steek de straat over, fietser
    gaat voorbij, misschien is dit de zomernacht, intussen
    speelt de gamelan, de geluiden zijn een tweede huid

    weer het licht op de markt, dat zwembad van kleur
    van roodbijtende pepers, nu de zon zomaar zakt
    diepbruin van de muskaatnoten en het groen, vanzelf
    groen, dit is de smalle eeuwigheid, om te koesteren

    zet koel water op een tafel, laat de warme avond binnen
    bijt al die oude weemoed kapot als een dunne draad nu
    thuis is de stoel, is de tafel, alle andere woorden in mij

    als de een tegenover me staat, de ander altijd weer een ander is
    ik bedenk weer hoe en wat en ergens anders de trein
    uit het wad rijdt en mijn huis altijd weer onderweg is’

    Dit is zeer concrete poëzie, gecombineerd met reflectie. Aards. Warm.

    Maar het concrete kan zomaar zijn vaste vorm verliezen:

    ‘op deze eerste dag komt de oude tijd langs
    gedachten stijgen op in een warme melkbel
    ik bedenk pannenkoeken en andere cirkels
    waar ik in geslapen heb: licht, wit, de zee’

    Het hierop volgende gedicht spreekt van:

    ‘het licht speelt zich ’s ochtends af als zoiets
    tussen ons waar we menselijk niet inpassen
    het is woest onhandige taal, schudt ons dan
    leeg in een beslagkom van de oude woorden’

    De taal schiet tekort maar de dichter dient ons dat tekort in treffende beelden op. En de beslagkom komt in ieder geval na die pannenkoeken uit het vorige sonnet niet zomaar uit de lucht vallen. Ik bedoel: als hier waanzin staat, dan zit er in ieder geval systeem in. De gedichten lijken zo met elkaar een grote keten te vormen. Deze bundel dwingt je alert te lezen en wie dat doet, wordt rijkelijk beloond. Die lukt het mee te liften op de cadans van deze beeldenrijke poëzie. Met mooie, scherpe beeldende zinnen waarin de eenzame nacht omschreven is ‘als het laken vol / raakt van eenzaamheid en nachtelijke vogels’. Waar staat: ‘mensen die de tijd in / houden en opgelucht ademhalen als de zon terug is’. of: ‘de berk zal daar / breken waar het begin is’ of: ‘dat hij het zocht / de hel met uitzicht, lachende lelie, dode maagd’ Of: ‘ach, dat voorjaar dat zich lustig en rustig spreidt / ik verbreek mijn gedachten in begrijpen en niet/ kunnen slapen en andere dingen die ademhalen’. Het is verleidelijk om met langere citaten te strooien, omdat die ene zin die ik wilde citeren zomaar overgaat in een andere die er niet voor onderdoet. Zo vangt bijvoorbeeld het gedicht ‘de lotus geeft zich bloot’ aan:

    ‘die geluiden: eindeloos de gamelan, het zuchten van duister
    en de messen op een bord, snijdend, je blote voeten
    zoekend onder de tafel, of er nog witte wijn is, koel
    dan het ijs, het zweet, die lange verhalen over hoe het lichaam heen en

    zo worden we, een regel in een kort verhaal misschien maar
    zo wonen we ergens, als was het los citaat bij liefde maar
    al blijft de knoop van hoop, de paradox zonder uitweg’ Enz. enz.

    Een voorbeeld van hoe snel de beelden rondgaan in de regels:

    ‘en ik zoek naar dat ene woord: om het stof te zijn

    achteloos die vraag: komt de tijd voor een kachel
    aan het voeteneind van jong zijn, onbeschreven
    niet blanco ? kijk, er zit een merel in de boom

    opnieuw zet ik de thee klaar ? ik weet niets meer dan
    dat de tijd kan zingen, dat de dingen gereed zijn
    keer op keer giet ik het mezelf in: het is niet te keren’

    Fraai is het beeld van de tijd die gaat zingen gekoppeld aan het theewater dat zijn kookpunt middels een fluittoon zal aangeven. Niet alleen in dit citaat, ook elders stuit je op veel passages die over het schrijven zelf gaan. Dit is bij wijze van voorbeeld het sextet van ‘faunus’

    ‘het gezicht van de boom glimlacht en hij is de bekende
    op deze plek, zijn puntige vingers zwaaien altijd weer
    naar mij, zo wijd open, dat alleen nog overblijft

    wat het woord is dat op de bruine lippen stolt
    en dat ik aan de schrijftafel openvouw: de brief
    van een langverwachte, het taalspoor naar binnen’

    Bovenal koestert de dichteres, de vogelvrouw, de wens ‘het allemaal [te] zeggen’. ‘Ik wil een kop met droomthee, ik wil vastleggen’. Hier lijkt iemand er veel aan gelegen te zijn om een alleszins onthutsende werkelijkheid in taal te gieten. De slotterzine van ‘de geheime volgorde’ luidt:

    ‘als ik naar de onderkanten van het paradijs glijd
    waar we rusteloos gaan zoeken – naar de mond
    die het benoemt – houd mij vast – heel de tijd’

    en tot slot nog een sonnet voluit

    de brief

    op deze ochtend ontbijt de haast in mijn benen
    slaat mijn windroos naar al jouw richtingen uit
    licht tilt de deur open, zo uitnodigend naar wat
    ik weet dan ik niet kan weten, lach ik hopeloos

    terwijl ik door bekende straten ren, is het dit
    wat ik nooit eerder gezien heb: iemand tikt mij
    op mijn schouder, de postbode geeft brieven af
    en mijn naam is altijd dezelfde hier: thuis zijn

    zo sta ik op het plein van alle letters, van wat
    zich snel zal gaan zeggen, zuidelijke wind komt
    in hoge bomen waar ik tegen rust en dan luister

    ik pak de namen, de brieven, zwaai rusteloos
    tot de windroos zijn vleugels opent: dit is het
    niet benoemen, het vallen in de wijde cirkels’

    Bij het lezen van deze bundel had ik voortdurend het gevoel: dit is poëzie zoals poëzie bedoeld is. Wanneer iemand mij morgen met het mes op keel zou vragen hem een bundel vol overrompelende lyriek te noemen, zou ik zonder aarzeling antwoorden: ‘de trektocht van Albertina Soepboer!’

    de trektocht

    Auteur: Albertina Soepboer
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 21,95

  • Hans Faverey

    Zie ook: Recensies van leden: 13 december 2010 – Gedichten 1962 – 1990 Hans Faverey

    ,
  • Verwondering in de marge

    Verwondering in de marge

    Het waait veel in de nieuwe dichtbundel Kanttekeningen van Bernlef.
    De wind trekt ergens doorheen, slaat een huisdeur dicht of heeft alle tijd van de wereld.
    In het eerste gedicht De Eeuwigheid tekent Bernlef met een mooie paradox de vergankelijkheid van een beschaving door de niet aflatende krachten van de wind: ‘De huidige vloer van ingedikte schapenstront / wacht op de volgende ronde van de wind / die geen rustplaats vindt maar doorknaagt tot ook /de laatste steen met de grond gelijkgemaakt zal zijn.’

    De dichter wijdt 52 gedichten aan uiteenlopende begrippen als godsdienst, blues, schuld, droom, of abstracter: het toeval en de werkelijkheid en voorziet ze van commentaar.
    De titel Kanttekeningen relativeert het gewicht dat aan veel van deze begrippen hangt. En inderdaad, veel gedichten hebben wel wat weg van een overpeinzing in de marge. Bernlef is dan de toeschouwer die met de handen achter de rug, op kalme toon waarneemt: ‘Terwijl de wereld steeds verder uitdijt / trekt de verzamelaar zich terug in zijn huis / daarbinnen streeft hij naar volledigheid.’ Om even later het gedicht te eindigen met:
    ‘Ik ken dat gevoel maar al te goed: de behoefte aan / overzicht, aan een zinvol geordend bestaan.’
    Het is een kleine, trage observatie, die goed past bij de dynamiek van het verzamelen.

    Interessanter wordt het als Bernlef een abstractie openbreekt en zijn taal nauwkeuriger doseert voor hij hem uitschenkt, zoals in De Genen waar hij het spanningsveld tussen overerfbare kenmerken en uniciteit in een prachtig beeld vangt: ‘Zo vertakt de stamboom zich. Gevangen binnen / zijn ringen vieren wij elke dag onze vrije wil.’

    In het gedicht Het Landschap wil de dichter, staand in willekeurige vissershavens, nooit meer weg. Hij koopt een ansichtkaart en schrijft naar huis : ‘ik zou hier willen blijven, weet niet waarom / verander langzaam in wat ik zie / het valt niet te begrijpen, het zit diep / ik zou hier altijd willen blijven.’
    De omgekeerde heimwee in dit gedicht wordt mooi dwingend door het ritme van de strofe.

    Er zijn veel jeugdherinneringen in deze bundel, er is wat nostalgie (naar zwart-wit foto’s, naar zuiverheid) en er worden veel (retorische) vragen gesteld. Het is niet altijd duidelijk waarom Bernlef sommige observaties in de vorm van een vraag heeft gegoten, en tot wie die vraag eigenlijk gericht is. Op deze momenten lijkt hij zich juist af te wenden van de lezer:
    ‘Wat weegt meer? Een pond veren / of een pond lood? / Wie zwaar aan dingen tilt kiest voor het laatste / en denkt bij veren alleen aan vliegende vogels’

    Een enkele keer schrijft Bernlef een mooie handleiding, voor verwondering bijvoorbeeld, zoals in de slotstrofe van het gedicht met de gelijknamige titel:

    ‘Je moet op zoek gaan naar een omleiding
    elke doelgerichtheid laten varen, op kronkelende
    binnenwegen in de berm gaan liggen en
    staren naar de wegdrijvende pluizen van een paardenbloem
    dan misschien, heel misschien en maar voor even.’

    Hier is Bernlef de fijne observator die zelf nog steeds op zoek is en daar zuivere, afgewogen regels over schrijft.

     

     

  • Vaar naar de vuurtoren – Klaas de Groot

    De staatkundige verandering van Sint- Maarten, Curaçao, Bonaire, Saba en Sint- Eustatius, net als De Wadden allemaal eilanden binnen het Koninkrijk der Nederlanden, is voor Uitgeverij In de Knipscheer aanleiding geweest om een nieuwe bloemlezing uit te geven, getiteld Vaar naar de vuurtoren. In deze bundel met ruim honderd gedichten, brengen de auteurs hun liefde voor de twaalf weliswaar Nederlandse, maar toch zeer verschillende eilanden onder woorden.

    Bijzonder is de meertaligheid van deze bloemlezing. Binnen het Koninkrijk zijn immers al minstens vier talen officieel: Nederlands, Papiaments, Engels en Fries. Die talen zorgden voor de ondertitel van de bundel: Eiland, Isla, Island, Eilân.

    Samensteller Klaas de Groot ging in de literatuur op zoek naar eilandgedichten, geïnspireerd door zijn reizen naar elf van de twaalf eilanden. Rottum staat nog op zijn verlanglijstje. Hij ontdekte dat over alle genoemde, ja zelfs over de onbewoonde zoals Rottum en Klein Curaçao, in de loop der tijd heel wat dichters hebben geschreven.

    Bij de samenstelling keek hij vooral naar werk dat het eiland als plaats laat zien, ook als plek in het hart. Het hart spreekt duidelijk hoorbaar in het volkslied en daarom zijn, voor zover mogelijk, de volksliederen van de afzonderlijke (ei)landen opgenomen.
    Vaar naar de vuurtoren bundelt gedichten van bekende en onbekende dichters, ook  van zeer jeugdige. Niet de namen waren het meest belangrijk. Het ging om de eilanden en het gevoel dat zij losmaken. En het beeld dat is ontstaan.

    O.a. gedichten van de  groten van overzee: Albert Helman, Charles Corsen, Boeli van Leeuwen, Frank Martinus Arion, Oswin Chin Behilia, Pierre Lauffer, Elis Juliana, Wycliffe Smith, Nydia Ecury, Lucille Haseth, Deborah Jack, Carel de Haseth, Henry Habibe, Walter Palm;
    en van het land Nederland:  Boudewijn Büch, Sjoerd Kuyper, Driek van Wissen, Kees Stip, Tsead Bruinja, Jan Campert, Gerrit Krol, Theun de Winter, J. Bernlef, J. Slauerhoff, Ivo de Wijs, Freek de Jonge.

    Klaas de Groot was leraar Nederlands, ook op Aruba en Curaçao. Beschouwend werk van hem is onder meer opgenomen in de essaybundel Drie Curaçaose Schrijvers in veelvoud. Recent schreef hij over Terschelling in het Hermans-magazine.

    Vaar naar de vuurtoren

    [ Eiland, Isla, Island, Eilân ]
    Gedichten over 12 eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden

    Samenstelling en nawoord: Klaas de Groot
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs  € 18,50

  • Fernando Pessoa

    Liefdesbrieven, Fernando Pessoa

    Zie ook: Literair nieuws  Poëzie

    ,
  • Staphorst, wie kent het niet

    Staphorst, wie kent het niet

    Er zullen niet zo gek veel dichters zijn die bij het soort uitgeverij zitten, waarvoor je je op feesten en partijen niet behoeft te schamen, en die met een zekere dichtbundel een vierde druk weten te scoren maar die toch niet uit de blinde vlek van poëzierecenserend Nederland hebben weten te treden. Koos Geerds (1948) is evenwel zo’n dichter. En onderhavige bundel heet simpelweg: Staphorst. Voor het eerst zag die het licht in september 1998 om vervolgens in drie maanden tijd even zo vele drukken te beleven. En nu, in 2010, verscheen een vermeerderde, vierde druk. En ook ik moet bekennen dat hoewel ik nog nooit in het plaatsje Staphorst ben geweest, die naam mij toch meer zei dan die van de dichter. De reden tot de herdruk ligt voornamelijk hierin dat Geerds, die het intussen wel tot Dichter van de Provincie Overijssel heeft geschopt, in de loop der tijd 15 nieuwe gedichten over het plaatsje had geschreven, waar hij van zijn zesde tot zijn zeventiende (1954-1965) heeft gewoond. Een en ander maakt dat de bundel nu 54 gedichten telt, waarvan 53 zonder titel.

    Het geheel kreeg een motto van niemand minder dan Joseph Brodsky mee: ‘God woont niet op het dorp in kamerhoeken / zoals de spotter denkt, maar overal.’
    In een kort woordje vooraf lezen we dat de gedichten in Staphorst gebaseerd zijn op persoonlijke indrukken en verhalen uit de periode dat de dichter er zelf heeft gewoond. Maar wie denkt dat in navolging van schrijvers als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, Koos Geerds ons hier een afrekening van zijn ‘gristelijke’ jeugd gaat voorschotelen, heeft het bij het verkeerde eind. Het is namelijk veeleer een monument voor het dorp van zijn jeugd geworden. Dat trekt natuurlijk een zware wissel op de leeshouding van de heidense lezer.

    De gedichten zijn allen in een eenvoudige taal geschreven, waaraan zich meestal pas bij nadere beschouwing enig poëtisch raffinement laat aflezen. Wat onbeholpen lijkt (bijvoorbeeld ongelijke regellengte, of afwezigheid van rijm), zit vaak net iets geraffineerder in elkaar. Dat kan ermee te maken hebben dat de bundel een mengeling is van herinnering nu en beleving toen. Dus van volwassen kennis versus kinderlijke naïviteit. Van dat laatste getuigt het gedicht op pagina 22:

    ‘Ouder dan het kerkhof en de kerk,
    de kansel en de kanselbijbel,
    de klederdracht, de boerderijen,
    de akkers en de weiden en de dijk,
    ja, ouder dan het eeuwenoude

    Wijde Gat, oord van roerdompen,
    rietsigaren, winter, van schaatsen
    over balken in het ijs en de loerende
    Bullebak eronder (schaats daarom nooit
    dicht bij een wak), het tafeltje
    met warme chocola en koek en worst
    en jongens die met meiden staan te vrijen,

    was God. Ouder dan de baaierd en de nacht,
    waaruit het gans heelal tevoorschijn was gebracht,
    de hemellichten en het firmament,
    dan engelen en duivelen tezamen,
    dan een bloot schepsel ooit bedacht en ouder,
    ja, ouder dan God zelve van Zijn aanvang dacht.’

    In dit gedicht tracht een jongetje zich een beeld te vormen van iets dat er altijd al geweest moet zijn. Zijn onmacht stuwt het gedicht voort. Aandoenlijk is ook dat voor hem het beeld van de jongens die met meiden staan te vrijen, nochtans tot een andere wereld behoort dan de zijne.

    Van ieder gedicht in de bundel kun je wel zeggen dat het een bepaald facet van het Staphorstse leven beschrijft. Over hoe het geestelijk zwakzinnigen verging, gaat het gedicht op bladzijde 40:

    ‘Als je gek was of kinds
    bekommerde zich de hele buurt om jou:
    ze brachten je weer thuis
    als je verdwaald was,
    ze maakten een praatje met je
    over het weer of langgestorven mensen,
    ze glimlachten om je binnenpretjes,
    je werd genodigd op de wintervisites
    je was welkom op bruiloften en begrafenissen
    en als je zelf stierf werd je uitgedragen
    door de buren aan weerskanten, drie tot zes
    landen ver, met veel groevevolk achter de kist,
    zoals het stof door zware golven wordt gewogen.
    Zo deed aan zijn eenvoudigen het dorp.’

    Let op hoe de laatste, qua stijl afwijkende regel het verhaalde een bijbelse bedding verschaft.

    Typerend voor de meeste gedichten in deze bundel is de aardse, vitale en soms zelfs wat boerse toon. Het is de God op klompen die hier woont, niet die van de gouden troon. De bundel mag van spot verschoond zijn gebleven, van humor is die geenszins gespeend.
    En humor doet het vaak goed temidden van zoveel nuchterheid: een gedicht over klompen sluit af met regels waarin een vage reminiscentie aan Prediker doorklinkt:

    ‘Dit was een troost bij al het gezwoeg:
    de tijd versleet ? maar klompen genoeg.’

    En een opsommerig gedicht (in deze bundel zal het stijlmiddel van de opsomming wel geïnspireerd zijn op de Tale Kanaäns) met daarin weggedoken de fraaie regel: ‘de veekoopman kreeg een gezicht om dom te lijken’  krijgt als uitsmijter tot slot mee:

    ‘Let op de wijsheid Gods, veracht haar niet mijn vriend,
    opdat de dood u vreugde brengt en geen verdriet.’

    Je zou verdomd zweren dat hier Lévi Weemoedt sprak!
    En anders bij deze passage wel:

    ‘Doodzelden stopte bij het dorp de trein ?
    dat was als iemand uit dit leven wilde
    en zo de rails was opgestapt.’

    In een gedicht over een gevelde lindeboom, staat de krachtige regel:
    ‘een boom is een boom en de mens heeft een bijl’

    Bovenal overheerst de warmbloedige ondertoon waarin de herinneringen zijn vervat. Sentimentaliteit is buiten de deur gehouden. Daarvoor is de toon ook weer te nuchter. Die nuchterheid duikt slechts even onder als de toon hier en daar tegen archaïsche bijbeltaal aanleunt: ‘maar wee u, als de korrel wordt vermorst / op aarde zal het oogstlied niet verstommen.’
    Toch staan er ook wel enige gedichten in die meer vanuit autobiografische noodzaak zijn geschreven dan vanuit een dichterlijk gemoed. Dan overheerst de anekdote en komen de woorden, vanwege de hoeveelheid feiten die ze moeten schragen, niet van de grond. En krijgen ze voor de buitenstaander weinig betekenis.
    Zelf had ik misschien wat meer nuchterheid opgeofferd willen zien aan de melancholie. Een van de weinige gedichten die een wat melancholische inslag hebben is:

    ‘Boven de velden was de vrije lucht,
    bestond geen paal en perk
    voor al wat vleugels had.
    Beneden was beweging afgepast,
    drentelde tussen draad en sloot en vee.

    Behalve op de stille zomeravonden,
    laat aan het kanaal. Aan de overzij
    graasden de koeien op de wei, terwijl
    ter zelfder uur en zonder onderscheid
    – jouw hengel wees het wonder aan –
    zij zweefden aan de aarde, in het grondeloze
    hemeldal van ongerimpeld water.

    En in de wijde omtrek was geen mens
    dan jij, verzonken in het tafereel
    van eeuwigheid en tijd, die droomde
    van een wereld geenzijds, binnen hand reik ?

    zolang de stilte duurde, geen zuchtje wind opstak.’

    Schreef ik dat alle gedichten in een eenvoudige, nuchtere taal zijn geschreven? Voor één gedicht is een uitzondering gemaakt. Het betreft het openingsvers dat als enige een titel draagt en in cursief is gedrukt:

    Ansicht

    Om de verwachting krijg ik je lief,
    waaks boerenmeisje in kuis
    autochtoon goed: welk punt des tijds
    heeft in je ogen dit verre turen

    uitgericht? Aanzicht met groeten
    uit Staphorst. Voor wie er niet wezen moet.

    Dit vers is echt een buitenbeentje vanwege de lyrische, dichterlijke toon en het ietwat ironische perspectief van waaruit het geschreven lijkt. Zuiver lyrische zinnen als ‘en hun stemmen stegen eenparig hun ogen vooruit.’ (gezegd van het gemengde Kerstkoor in een van de laatste gedichten) zijn in de bundel zeer schaars. Wie zich liever tot dergelijke lyriek bekent, leze een andere bundel. Ik wil eerlijk zeggen dat Staphorst mij toch meer bood dan ik aanvankelijk vreesde toen ik las dat dit het werk van een waarlijk gelovige dichter was. Na lezing zou je het haast betreuren dat die wereld ? waarin een zwakzinnige minder misplaatst lijkt dan een ongelovige – van alweer een ruime halve eeuw geleden, vermoedelijk enkel nog in deze bundel bestaat.

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Feelgoodpoëzie met plaagstootjes

    De debuutbundel van Bianca Boer (1976) kent veertig, niet al te lange en in een begrijpelijke taal gestelde gedichten, die ook al vanwege de bladspiegel duidelijk als poëzie herkenbaar zijn. Hoofdletters en interpunctie zijn opvallend gemeden. Haar prozadebuut maakte ze een paar jaar geleden met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie die o.a. genomineerd werd voor de Selexyz Debuutprijs. Een alleszins vriendelijke titel, waarbij die van haar poëziedebuut zich makkelijk kan voegen. Het is een poëziedebuut dat, ik verklap het maar meteen,  het Nederlandse poëzielandschap niet een ander aanzien bezorgt. Daarvoor voegt de meerderheid van de gedichten zich te gedwee in het reeds bekende spoor. Ik ga eerst een minpuntje van dit debuut noemen, om met een duidelijk pluspunt te kunnen eindigen.

    Veel gedichten van Boer maken een min of meer montere indruk en geven van een anekdote net genoeg mee om die te begrijpen. Maar dat net genoeg kan vaak al iets te veel zijn voor poëzie. 

    Ze graven soms ook niet diep genoeg om een blijvend litteken achter te laten. Neem het gedicht:

    Middelbareschoolreünie

    ‘een buik vol bubbelgum
    tussen oranje linoleum en gevulde koeken
    als ik hem weer zie

    ruik ik verschaalde schoolfeesten
    kus hem eindlijk drie keer
    hij prikt door mijn gedachten

    woorden van toen wuiven
    helium in mijn longen
    ik piep lege spreekballonnen

    hij neemt ademloos zijn plek
    weer in mijn lichaam’

    Dit gedicht gaat nergens schuren of uit zijn voegen barsten, waarschijnlijk omdat het te direct herkenbaar is wat hier staat. De hele anekdote had even goed onderdak kunnen vinden in een column in de Flair. Het blijft braaf tussen de lijntjes van de goedaardige gevoelens.

    Of in Vroeger is een huis:

    ‘de eerste kleurenfoto’s
    waarop de echte wereld minder groen is
    dat huis ben jij

    van iedereen die je kende nam je iets mee
    het hangt aan de muren
    het staat in de kamers
    ik ben je vrouw

    ik krijg één nacht de bemoste bruidssuite
    waar wij het kind zullen maken
    dat nooit het huis uit gaat

    ik tuur zolang naar de foto
    dat ik zijn gezicht ? we hadden een jongen  gekregen ?
    achter een van de ramen zie

    het is de eeuwige zonneschijn
    die in de ruiten blikkert
    hem verjaagt’

    Ook hier wordt de werkelijkheid te weinig ontdaan van haar alledaagsheid.

    In dit soort gedichten mag een regel misschien een enkele schijnbeweging maken,  maar daarmee wordt de lezer meestal niet op het verkeerde been gezet, daar het gedicht daarvoor te weinig te raden laat.

    En toch hoef ik Boer niet aan te raden de oppervlakte te verlaten, want ze is in staat met schijnbaar oppervlakkige beelden tot een wat meer verontrustend geheel te komen.

    Dat levert een gedicht op als:

    nog een geluk dat het terras daar niet stond

    ‘van de Martinitoren stapt een jongen
    zijn val vanaf 56 m vanaf de tweede trans
    wordt vlak bij de grond gebroken
    door een lezende toerist

    in de toren loopt een meisje omhoog
    traptreden te tellen’

    Dit is een prachtig gedicht waarin op geslaagde wijze de collagetechniek is toegepast. Het suggereert meer dan het feitelijk prijsgeeft en dat werkt al meteen veel beter. Juist de triviale mededeling dat een meisje omhoog loopt, zet de tragiek van de val van de jongen des te meer aan. Dat is knap gedoseerd.
    In een ander collage-achtig gedicht komt een ander opvallend kenmerk van Boer tot uiting. Haar speelsheid
     

    zichzelf verklarend

    ‘de man met de radiostem
    heeft wenkbrauwen die bewegen op de maat van zijn lippen
    hij geeft de verklaring voor het spelen van rummikub
    als je oud wordt en lang samen bent

    er is het overleven van de winter door de langpootmug
    er zijn dagen waarop je moet uitslapen
    je neus te ruste leggen naast je hoofdpersoon

    vandaag is er een moment dat ik mooi meegenomen zal zijn
    ik maak een lijst van wensen
    op één staat het onderzoeken van een haastig hert
    eronder steltlopertjes zoemen leren’

    Dit is zonder meer een fraai feelgood-gedicht. De verhaallijn erin is te volgen, maar de toegevoegde waarde komt niet van het begrip, maar van de overrompelende inval aan het einde, die zijn eigen ‘logica’ ertegenover stelt.

    Als lezer stuit je in haar bundel veelvuldig op speelse invallen, zoals: ‘knalgroen is een groen woord/ gek genoeg want het woord groen / is grijs zoals rood blauw is.’ Of in een strofe van een gedicht dat verslag doet van een telefoongesprek: ‘we gaan elkaar binnenkort weer zien / voor die tijd denk ik niet aan de naakte vrouw / die op handen en knieën door het gras kruipt / of andere zaken die hun weerga niet kennen ‘. Die bevallen mij goed. Het zijn even zovele plaagstootjes tegen de braafheid van de verstaanbaarheid.

    Ik zou die speelsheid in een vervolgbundel daarom wat meer aangelengd willen zien met bizarre, ietwat vervreemdende invallen. Laat die twee om voorrang strijden. Er mag wat mij betreft iets meer afgedreven worden van de anekdote, om de speelsheid wat ongeremder te laten ontluiken.

    Vliegen en andere vogels

    Auteur: Bianca Boer
    Verschenen bij: Uitgeverij L.J. Veen (2010)
    Prijs: € 15,-