• Gemis vanuit kinderperspectief

    Gemis vanuit kinderperspectief

    Gemis van Diane Broeckhoven beschrijft in retrospectief Justus’ ‘coming of adolescent’ in een jungle van grotemensenproblemen. Het feit dat de jonge Justus een kind is, in het begin van de roman nog maar zes jaar jong, maakt het verhaal ontwapenend en bij tijden ontroerend.

    […]

    De gelouterde Vlaamse Broeckhoven heeft al vele tientallen romans op haar naam staan, zowel kinderboeken als adolescentenboeken als boeken voor volwassenen. Gemis is op de markt gebracht als ‘roman’ maar is door de thematiek, de toegankelijke schrijfstijl en de positieve, hoopvolle wendingen met name een bijzondere aanbeveling voor beginnende literatuurlezers als oudere tieners en zogenoemde ‘young adults’.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Tussen moeder en dochter

    Tussen moeder en dochter

    Wat voorafging van de Vlaamse Diane Broeckhoven is een indringende terugblik op de levens van de schrijfster en van haar moeder. Broeckhoven wier De buitenkant van Meneer Jules (Ein Tag mit Herrn Jules) veel verkocht werd in Duitsland, beschrijft haar moeizame relatie met haar moeder Berthe Moreels. Het is een relaas waarin Broeckhoven haar moeder niet spaart, zichzelf echter wel enigszins. Voor de balans was het misschien goed geweest als er meer zelfkritiek had doorgeklonken. Nu is het een vertelling over een moeder die haar in wezen goede dochter nooit echt gewaardeerd lijkt te hebben, een moeder die aan het slot van haar leven verbitterd is. Enige verbittering klinkt ook door in hetgeen haar dochter Diane Broeckhoven zelf vertelt aangaande het contact.

    Liefde en afwijzing
    Toch is dit boek geslaagd. Het boek is te plaatsen in de stroom aan familieboeken, waarin ‘gereminisceerd’ wordt. In tegenstelling tot veel van dergelijke boeken richt Broeckhoven geen kritiekloos monument op voor haar moeder. De beschrijving van de moeite die ze had om om te gaan met een aftakelende moeder, die deze aftakeling niet wilde erkennen, zal voor vele lezers met een achteruitgaande ouder of grootouder herkenbaar zijn. Van Broeckhoven schetst een beeld van het huwelijk van haar ouders, van haar eigen jeugd en van het heengaan van haar vader dat haar moeder ontredderd achterliet. Het is een boek met een universele thematiek.

    In de meeste reminiscentieboeken is er in meer of mindere mate sprake van therapeutisch schrijven: het leven van een oudere dierbare wordt door een kind of door een beroepsschrijver beschreven, om aan het leven een betekenis te verschaffen, om aan te geven dat het allemaal de moeite waard is geweest. Broeckhoven kiest een andere benadering die schrijnt en die een beeld geeft van haar moeder dat misschien enigszins liefdevol is, maar vooral ook hard. Een gloedvolle beschrijving van haar moeders leven, een nostalgisch relaas over warme familieverbanden, is dit boek niet. De overleden moeder heeft geen weerwoord, wat de lezer een gevoel van onmacht meegeeft.

    Therapeutisch
    Voor Broeckhoven zal het hoe dan ook een therapeutische waarde hebben gehad om dit alles op te schrijven en voor de lezers levert dit een geslaagd literair product op dat hier en daar echter wel schoonheidsfoutjes kent. Zo maakt Broeckhoven veel gebruik van het uitroepteken, een leesteken dat geen stilistische ingetogenheid representeert. Hier en daar is het taalgebruik niet eigen met formuleringen als ‘tortelduiven’ (voor geliefden), ‘soldaat maken’, ‘spik en span’, ‘duiveltje uit een doosje’, ‘ter wille van de lieve vrede’ of ‘als ik gewoon deed, deed ik al gek genoeg’. Dergelijk taalgebruik had een alerte redacteur misschien kunnen schrappen.

    Het is jammer dat Broeckhoven niet wat uitgebreider ingaat op haar periode als volgeling van de Bhagwan. Ze vertelt dat ze lid was van diens sekte en dat ze oranje kleren droeg (net als haar kinderen) maar niet veel meer. Het zou interessant zijn geweest om iemand aan het woord te zien die deze sekte van binnenuit gekend heeft, maar dat is duidelijk niet het oogmerk van de schrijfster in dit boek. Het zou boeiend zijn geweest om te vernemen hoe ze tot deze drastische keuze voor uitbundige spiritualiteit kwam en hoe ze er uiteindelijk (enigszins) op terugkwam. Kritiek op haar eigen keuzes in het leven lijkt Broeckhoven niet veel te hebben. Zo schrijft ze over haar omgang met haar moeder: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van de onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’ (17) Dat is toch wel enigszins borstklopperij van de schrijfster.

    Ook was het interessant geweest meer te vernemen over de pesterijen van de striptekenaar Pom (bekend van Piet Pienter en Bert Bibber), een buurman met wie de ouders van de schrijfster een moeizame relatie hadden en die blijkbaar fout was in de Tweede Wereldoorlog.

    Het aloude schrijversadagium ‘show, don’t tell’ lijkt niet altijd aan Broeckhoven besteed te zijn. Ze vult met suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden  uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is. Dit geldt ook voor de volgende passage: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ (28) Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen.

    De volgende passage over de momenten na een bezoek aan de moeder van de schrijfster, is typerend voor het boek: ‘Vaak heb ik in het tramhokje gestaan met een brok in mijn keel en tranen achter mijn oogleden. Hoe ik me ook uitsloofde: ik kan gewoon niets goeds doen in de ogen van mijn moeder.’ Geen heel fris taalgebruik, maar Broeckhoven weet haar boodschap wel duidelijk over te brengen. En na afloop voelt de lezer niet alleen mededogen met de soms nare moeder, maar ook met de schrijfster.

     

  • Een eenzame weduwe

    Een eenzame weduwe

    Enkele jaren na De buitenkant van Meneer Jules schreef Diane van Broeckhoven een vervolg met de titel: Reiskoorts, een verhaal voor onderweg. Hoofdpersonage Alice is weduwe en droomt steeds vaker over vroeger. Over Parijs bijvoorbeeld, waar ze tijdens haar huwelijksreis met Jules was. En hoewel ze gezworen heeft nooit meer zonder Jules op reis te gaan, trekt ze op een dag in april de stoute schoenen aan en bestelt een retour met de Thalys naar Parijs, vast van plan het pension op te zoeken waar ze verbleven. Maar eenmaal in Parijs zinkt haar de moed in de schoenen en brengt ze de rest van de dag door in een cafeetje dicht bij het Gard-du-Nord.

    Haar volgende uitstap is dichter bij huis: op aandringen van haar zus (ook weduwe) gaat ze in september een weekje mee naar Oostende. Maar het klikt niet tussen de zusters, ze zijn elkaar ontgroeid. Als haar zus er alleen op uittrekt voor een wandeling pakt ze haar koffer en schrijft een excuusbriefje. “Bedankt voor alles, ik zal het nooit vergeten. Maar ik wil naar huis. Samen zijn met iemand, zelfs mijn eigen zuster, maakt me heel alleen.” Het hoofdstuk Antwerpen (maart) speelt zich af in de omgeving van haar woning. Ze trekt een poosje op met een andere alleenstaande vrouw, die kort daarvoor haar zeer bejaarde moeder verloor. Met de auto doen ze samen boodschappen en bezoeken samen de begraafplaats. Maar al snel ontstaat er wrevel: “De twee vrouwen waren te oud en te star geworden voor nieuwe vriendschappen. Ze verstikten elkaar in de plots opflakkerende verbondenheid en overtroefden elkaar met hun gemis.”

    Daarbij was de een gevormd door de taaie weerstand die ze moest bieden tegen een veeleisende moeder en de ander door de aanpassing aan de wensen van haar Jules. Als Alice door een onenigheid met haar vriendin niet meer met de auto mee mag, verlaat ze stoer haar huis om aan haar inmiddels ex-vriendin te tonen, dat ze het ook wel alleen redt. Maar in de tram beseft ze hoe oud en stram ze is: ze stapt niet eens meer uit en maakt een rondje tot ze weer bij haar halte is, dromend van de tijd, dat ze nog kwiek het balkon af sprong. Haar vriendin Yvonne is bij voorbaat kansloos als ze probeert Alice over te halen om in mei mee te gaan naar Benidorm. En in het laatste hoofdstuk Wonderland (december) beginnen droom en werkelijkheid door elkaar te lopen en wordt duidelijk dat Alice naar haar laatste reis verlangt.

    Uiteraard is dit alles niet zo nuchter beschreven als hierboven. De sfeertekening is pakkend, je ziet de stuntelende, eenzame vrouw voor je. Je voelt haar wanhoop en eenzaamheid. Met weinig woorden schildert Diane Broeckhoven situaties en gevoelens, zonder ze ook maar een moment dramatisch te maken. Zo Nederlands, dat ik even verbaasd was, dat Alice niet vanuit Amsterdam met de Thalys vertrok…. Een ontroerend boekje, dat ook heel goed gelezen kan worden zonder De buitenkant van Meneer Jules te kennen. Een aanrader.