• Goebbels in Japan

    Goebbels in Japan

    Schrijver, filosoof en essayist Désanne van Brederode voegt met Zielland een nieuwe roman aan haar brede oeuvre toe met een gewaagd thema. Wat als…  nazipropagandaminister Joseph Goebbels in 1938 werkelijk met zijn minnares, de Tsjechische actrice Lída Baarová, naar Japan zou zijn gevlucht? 

    Van Brederode heeft zich met deze roman vastgebeten in een fantasie om de ziel van Goebbels, de spindoctor van Adolf Hitler, bloot te leggen en dat lukt goed, dankzij haar behendige pen. Het fictieve dagboek is een lange monoloog waarin van Brederode zich in de man inleeft. 
    Aanvankelijk ontstaat er tijdens het lezen twijfel over wat fictie is en wat waar gebeurd. Goebbels’ vlucht naar Tokio om samen te zijn met Lída en stropdassen – ‘krawatten’ – te gaan verkopen is een vrijbrief voor Van Brederode om haar eigen mening toe te voegen. ‘Het verkopen van stropdassen vind ik helemaal geen Spaß. Het is ironie. Geloof ik.’  

    Dagboek 

    Gedurende twee maanden, oktober en november 1938, beschrijft Joseph Goebbels zijn door Van Brederode bedachte zielenroerselen in een dagboek. Hij heeft zijn vrouw Magda en hun dan nog vijf kinderen – al hun namen beginnen als eerbetoon aan Hitler met een H – verlaten om met Lída een nieuw leven in Japan te beginnen. Hij verlangt naar zijn kinderen, hij bejubelt zijn liefde voor Lída en zijn keuze om Duitsland te verlaten en er ontstaat haast een menselijke man met normale, zij het wat sentimentele, emoties. Hij probeert zijn haatgevoelens te analyseren, bijvoorbeeld tegen de Joden.  

    Zijn zelfhaat zou afkomstig zijn van de gedachte dat hij als kind een Joods vondelingetje zou zijn. Zijn moeder noemde hem immers Jupchen. Hij was een ziekelijk en larmoyant kind dat mank liep en nergens bij hoorde. Hij beschrijft zijn bewondering voor Hitler en hoe Hitler hem bewondert en dol is op zijn kinderen, en Magda. Hij wijdt uit over cultuur en politiek; de Joden zijn de schuld van de ondergang van het Duitse Rijk en hij stelt het jodendom gelijk aan het westers kapitalisme en het communisme. ‘De Jood streeft naar macht, maar komt daar niet voor uit, zal nooit over zichzelf zeggen dat hij een leiderstalent in zichzelf vermoedt, of graag in het middelpunt schittert, hij opereert in de meeste gevallen niet eens met opzet achter de schermen… Hij is geen stoker pur sang, men leest zijn hang naar ontwrichting niet van zijn gezicht af: hij zaait zijn weinig ideële ideetjes kwistig in het rond door zich werkelijk overal op te houden.’ 

    Vooruitziende blik 

    In zijn dagboek uit Goebbels ook zijn visie op de toekomst, waarbij de lezer zich mag afvragen of het er nu anders aan toe zou gaan als Hitler de oorlog wel gewonnen had. ‘Ik voorzie een medium, draagbaar, met de snelheid van het licht, dat als een spiegel op de wereld en als zakspiegel kan dienen […]’ Hij maakt gewag van onder meer het ontstaan van klimaatverandering, van de opkomst van een moderne vorm van populisme, uitholling van de maatschappij, van vrouwenemancipatie. ‘Al zal ik het zelf niet meer meemaken, ooit zal er sprake zijn van een wereldwijd ‘wij’ dat wordt gekenmerkt door mensen die per se NIET willen leven als iedereen, en juist daarin lijken op iedereen.’ 

    Het is begin november 1938, er gloort nog geen oorlog. Lída leert Japans en Joseph verkoopt zijn krawatten aan Japanners en als relatiegeschenk aan Duitse bedrijven. Vooralsnog geen vuiltje aan de lucht. Zij maken vrienden in Tokio en worden uitgenodigd op feestjes bij de Duitse ambassade waar Eugen Ott ambassadeur is. ‘Wat Ott niet lukte met zijn saaie recepties, is mij bijna per toeval gelukt met mijn Krawatten. Mond-tot-mondreclame. Ha! De kraaltjes en spiegeltjes waarmee ontdekkingsreizigers Indianen en andere inboorlingen wisten te paaien, hebben nog niets aan kracht ingeboet – zijn hooguit met hun tijd meegegaan. […] Alleen al hierom blijft de herenmode een prachtige business. Ze bespeelt mannen via het esthetisch oordeel van hun vrouwen, en dit oordeel is vrouwen aan te praten zonder dat er enig argument bij nodig is…’ Wat Ott niet lukt en Goebbels wel wordt verder niet duidelijk. Op de feestjes is ook Richard Sorge, een van de weinige aanwezigen die sympathie voor Goebbels voelt, en voor Lída. Dat hij een dubbelspion voor Rusland en Duitsland is, vermoedt zij op een gegeven moment wel, Goebbels kan dat niet geloven. 

    Ideeënroman 

    Goebbels is van plan zijn verjaardag in eenzaamheid te vieren, want Lída is door Sorge uitgenodigd een performance te leiden voor Duitse expatvrouwen. Maar de dag verloopt anders. Goebbels wordt mee uit genomen door Eugen Ott. Ze hebben een bijzondere ontmoeting, die het verhaal de verlossende wending geeft. Een verklaring waarom Goebbels Duitsland verlaat en Van Brederode hem juist naar Japan laat vluchten, zou kunnen zijn omdat beide landen aan expansiepolitiek doen. Dat Goebbels nooit een Japanse machthebber ontmoet of diplomatieke uitwisselingen heeft, wat wel in de lijn der verwachting zou liggen, is vreemd en ongeloofwaardig. 

    Wat de geschiedenis betreft staat er weinig nieuws in het boek. Het ging Van Brederode om haar eigen filosofieën die ze slim door Goebbels’ fictieve ontboezemingen heen heeft geweven. In die zin is Zielland een ideeënroman, zonder dat de ideeën echt worden uitgewerkt. Ze zijn mooi beschreven, maar de zogenaamde toekomstvisioenen van Goebbels voegen weinig toe. We zitten er immers middenin, de lezer kan die alleen maar bevestigen. Het zou wellicht spannender zijn geweest als Van Brederode Goebbels een alternatieve toekomst had laten visualiseren. Een toekomst waarin een wereld onder het Nationaal Socialisme was ontstaan en er heel andere beslissingen en afslagen waren genomen.  

    Joseph Goebbels’ rol – uiteindelijk is hij het brein achter de pogrom in de Kristallnacht – als de lont in het kruitvat, maakt deel uit van de verrassende twist op tweederde van het verhaal. In die zin heeft de roman wel een spanningsboog en de wijze waarop Van Brederode zich durft te verplaatsen in het hoofd van deze rasnarcist en sluwe manipulator is bewonderenswaardig. 

     

     

  • Oogst week 17 – 2021

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw

    Mensje van Keulen (1946) is al vijftig jaar niet meer weg te denken uit de literatuur. Ze stond verschillende keren op de longlist en shortlist van de Libris Literatuurprijs, kreeg in 2014 de Constantijn Huygens-prijs en won ruim twee maanden geleden de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van het afgelopen jaar. De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw is een bundeling van Van Keulens drie recentste romans. De laatste gasten gaat over een landhuis aan de Amstel vol kunstenaars, waar de komst van hoofdpersoon Florrie de onderlinge verhoudingen op scherp zet. In de laatste gasten vermoedt een weduwe dat haar eigen zoon betrokken is bij de overval op een bejaarde vrouw. Ook Schoppenvrouw gaat over een overval, maar deze keer denkt een moeder haar dochter te herkennen wanneer beelden van het misdrijf bij Opsporing Verzocht worden vertoond.

    Ter ere van vijftig jaar schrijverschap en de vijfenzeventigste verjaardag van Mensje van Keulen organiseert uitgeverij Atlas Contact in samenwerking met Hebban een schrijfwedstrijd. De deadline hiervoor is 1 juni. Meer informatie over deze wedstrijd is hier te vinden.

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De tas

    Een man laat zijn tas achter in een stationshal. In de eerste instantie lijkt hij hem te zijn vergeten, maar al snel blijkt dat het een bewuste actie was. Dit kleine voorgeval wordt in De tas door Désanne van Brederode (1970) groots uitgewerkt: in plaats van antwoorden te geven stelt de man juist meer vragen.

    Niet alleen hij doet dat, ook het verhaal zelf verrast met vragen. Is de man met de tas eigenlijk wel de hoofdpersoon? En horen voorwerpen, zoals de tas, eigenlijk ook een stem te krijgen? Dat Van Brederode behalve schrijver ook filosoof is, komt duidelijk terug in De tas. Eerder publiceerde ze al meerdere romans en essays.

    De tas
    Auteur: Désanne van Brederode
    Uitgeverij: Querido

    Philip Roth

    Philip Roth (1933-2018) was een Amerikaanse schrijver en kind van tweede generatie Joods-Amerikaanse ouders, een thema dat vaak terugkomt in zijn werk. Hij schreef tientallen romans en won onder meer de Pulitzer-prijs en de Man Booker International Prize.

    Hij gaf biograaf Blake Bailey (1963) toestemming om zijn levensverhaal in boekvorm te gieten. Bailey kreeg toegang tot Roths archief en sprak met talloze belangrijke mensen in diens leven. Niet alleen Roths literaire carrière komt uitgebreid aan bod, ook duikt Bailey in het turbulente liefdesleven van de auteur en onthult nieuwe inzichten. Het resultaat is een uitgebreide biografie die ook nog eens uiterst leesbaar is, vertaald door Lidwien Biekmann en Frank Leken. In de Verenigde Staten is deze biografie niet meer in productie bij uitgeverij W.W. Norton omdat Bailey wordt beschuldigd van seksuele intimidatie en verkrachting. Of een andere uitgeverij met hem in zee wil gaan, is nog niet bekend.

    Philip Roth
    Auteur: Blake Bailey
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    Wonderlamp van Désanne van Brederode is een verslag van een reis met haar zoon naar Israël en de Palestijnse gebieden. Zoals uit de titel mag worden afgeleid, speelt Aladdin in haar verhaal een belangrijke rol. Hij drijft in Bethlehem een winkeltje dat het ik-personage bezoekt en werpt zich op als hun gids. Hij leidt ze naar toeristische trekpleisters zoals de grot waar Arafat zich verborgen heeft gehouden. Langzamerhand ontwikkelt zich een vriendschap tussen beiden, hoewel zij op haar hoede blijft.

    Door haar reisverslag weeft ze persoonlijke anekdotes, sprookjes, en herinneringen aan haar huwelijk met de vader van haar zoon. De scheiding was niet haar keus, ze schrijft met mededogen en heimwee over haar huwelijk, het leven daarna heeft ze nog niet helemaal op orde. Ze toont zich gevoelig voor de charmes van Aladdin. Wanneer ze weer in Nederland is, krijgt ze via via een olielampje uit de winkel van Aladdin in bezit. Dat lampje, hoe kan het ook anders, blijkt magische krachten te hebben. Aanleiding om te filosoferen over persoonlijke gebeurtenissen zoals de scheiding, haar relatie met haar zoon, het moeizame huwelijk van haar ouders, haar relaties met andere mannen en over de Syrische vluchtelingen die ze kent.

    Het is bekend dat Van Brederode religieus is, evenals haar vader dat was: een pastor, een jezuïet, die zijn hele leven werkzaam was als ‘opfleurwerker’. Haar bezoek aan Israël roept allerlei religieuze gedachten bij haar op, vooral over de functie van het Christendom in de moderne tijd. De brieven van de apostel Paulus intrigeren haar en brengen haar op het idee om een roman over hem te schrijven. Al vrij lang heeft ze een fascinatie voor Paulus, ze voelt zich verwant met zijn opvatting over vriendschap en liefde. Ze onderbreekt dan ook haar reisverslag om een deel van haar boek aan hem te wijden en daarmee het begin van haar voorgenomen roman over hem te schrijven.

    Hoewel Wonderlamp een reisverslag is, is het ook en vooral een episode uit het leven van (het alter ego van) de schrijfster. De hiervoor genoemde verschillende elementen weet zij, als vanzelfsprekend  onderdeel te laten zijn van haar verhaal. Ze is een begenadigd verteller en weet je mee te nemen in wat ze meemaakt, in haar religieuze belevingen. Haar persoonlijke ontboezemingen, de filosofische vragen die zij oproept, hebben vaak betrekking op geloof, hoop en liefde in al zijn verschijningsvormen. Wat dat laatste betreft schrijft ze bijvoorbeeld over een bejaarde die op een bruiloft van een kleinkind  onvoorwaardelijk en zonder ironie in gelukkige liefde gelooft: ‘En niet omdat zulke huwelijkse liefde ook maar ergens op aarde voorkomt (…) maar omdat het woord liefde de vonk van de verbeeldingskracht zowel ferm oppookt als teder verandert in haar tegendeel: in overvloedig, overstromend bluswater dat de pijn kan doven in de ongeneeslijke schroeiplekken die de desillusie nu eenmaal achterlaat.’ Een bijzondere omschrijving van liefde. Of wanneer ze het over haar zoon heeft: ‘Hoe vreemder mijn zoon me is, hoe weidser mijn dankbaarheid. Een uitzicht in zichzelf.’

    Wel blijft er iets knagen wanneer je het boek uit hebt. Dat heeft te maken met het caleidoscopische karakter van het boek: het is zoals gezegd een reisverslag en een roman, maar omvat ook autobiografische elementen, afgewisseld met sprookjes en filosofische bespiegelingen. Dan wordt het eerste en derde deel ook nog eens onderbroken door een ‘brief’ aan (S)Paulus, wat de consistentie van het boek niet ten goede komt. Qua compositie kan Wonderlamp dan ook een wonderlijk boek genoemd worden.

     

  • Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    De van huis uit filosofe Désanne van Brederode (1970) is bekend door haar romans, essays en columns waarin ze vaak levensbeschouwelijke thema’s aansnijdt. In haar werk is ze maatschappelijk betrokken; haar gedachten zijn op de menselijke maat gesneden en soms met een scheutje religieuze waarden vermengd. Verzonnen grond is haar eerste poëziebundel waarin ze met vierenvijftig gedichten stevig aftrapt, maar zich ook overwegend lijdzaam en aftastend opstelt.
    Die aftastende houding doen de gedichten behoorlijk uitdijen. Te midden van de alledaagse dingen en in een eenvoudige schrijfstijl stelt een door liefdesleed beproefde vrouw zich vragen. Zij spiegelt zich aan haar omgeving en meet zich met het verlies van een vallend blad in het najaar of stelt zich op de proef ten overstaan van het frisse lentegroen. De ‘ik’ in deze gedichten zoekt naar een nieuw evenwicht.

    Het rampjaar

    Haar woordkeuze is weloverwogen, en zoomt in op soms behoorlijk tegenstrijdige gevoelens. Hier en daar laat dat een aardig neologisme opbloeien als ‘nijgdrang’ of ‘het ei-groenste e-mineur’. Maar iets in de candlelight-trant van: ‘wat te mooi, te waar is voor onze ogen / te behouden voor de liefde zelf’ sluipt er ook in.  ‘Een kus, te zeer van valse hoop op happy end vervuld’ wordt evenmin geschuwd. En Happinez lijkt met ‘een samenzijn waaraan je eindelijk / mocht worden wie je was’ niet ver. Van de weeromstuit kan het ook een andere kant opgaan, zoals in het openingsgedicht Lente: ‘Welkom bij deze nieuwste versie van uzelf.’ In de cynische ontvouwing die daarop volgt blijkt dat die nieuwste versie een aardige veer heeft moeten laten en het niet zal halen bij het voorbije geluk.

    Het geluk van anderen, daarentegen ‘wordt automatisch jubelend vertaald / en opgeslagen. In codes die u zelf niet kraken mag.’ Maar niet overal lijken de kansen verkeken. Elders lezen we namelijk: ‘Er ligt een gloednieuw leven voor je klaar (…) Alles kan anders. Half november ja, maar / waarom zou het niet al zomer kunnen zijn?’ Met de mogelijkheid in een nieuw leven te vluchten rijst ook de twijfel en de ‘vrees dat er een breuk met het vertrouwde / wordt gevraagd.’ Teveel gehecht aan haar littekens. En tja: ‘Wat moet je met een gloednieuw leven?’ De ik is te ‘trots’ op haar ‘vastberaden weigering’ de ‘tekens’ van een nieuw leven in haar voordeel te duiden en teveel ‘realist’ om zichzelf voor het lapje te houden en de dingen mooier voor te spiegelen dan ze zijn.

    Tussen hoop en wanhoop

    Het ‘rampjaar’ lijkt voorbij, maar het besef ‘Alleen wat niet aan jou herinnert / kan ik aan’ voorspelt nog weinig goeds. Aan de andere kant wordt de heimelijke hoop gekoesterd samen te vallen met de afwezige, gewezen geliefde: ‘dat je mag stilstaan in de trilling van zijn stem’. Het kan dus beide kanten op. Zoals dat ook kan met het oordeel dat men over deze  gedichten kan vellen. Neem een gedicht als:

    Maandagmiddagmeditatie

    ‘De kamer laten vollopen met licht
    zoals je een ligbad met handwarm water vult,
    al was het maar in gedachten. Je ziet jezelf,
    op het naïeve af naakt, over de rand stappen,
    tot aan je enkels in de dampende geur
    van zilverspar stilstaan – dan hurken, knielen,
    zitten, achteroverleunen, alles
    met wonderbaarlijke lenigheid
    en vooral: zonder rillingen of kippenvel.
    Langzaam ballet dat doorgaat tot buiten je huid
    een eenwording met alle rivieren en zeeën
    die je ooit zag, met alle regenplassen waarin je
    zon, schaduw en wolken tegenkwam op bijna
    menselijke wijze – niet alleen aanraakbaar
    maar ook: even breken, zonder pijn te doen.

    Hoe vaak heb ik mijn voeten laten wassen
    door een helwitte hemel die door een eerder
    nog onopgemerkt gat in een schoonzool
    binnenlekte, zacht, een herinnering met de natheid
    van een pas geschilderd doek waarop de glans
    de kleur nog overheerst?

    Aldoor meer buiten komt hier binnen:
    ik zie het gebeuren waar ik bij zit, de nog steeds
    groene esdoorn voor mijn raam mengt donkergoud
    door mijn vloeibare uren, aan baden doe ik niet,
    ook doop ik nog geen pink of teen
    in deze late oktobergloed die liever wordt.
    Een nieuwe dans die bestaat uit het uit boeken en stromingen
    losweken van te vaak gebruikte ideeën –
    tot er een bleke ster uit opspringt, voor het eerst.
    De druppel die steun zocht aan de kraan
    schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts,
    en wat mij doorwaadt kan weinig anders zijn
    dan een verlangen zonder meer.’

    Verbindingen

    Het nemen van een bad wordt afgezet tegen het het laten onderdompelen in de binnendringende buitenwereld. Het eerste is een koud kunstje, het tweede lukt maar moeizaam. Geen onaardig idee maar het wordt wat ontsierd door overbodige zinnetjes als ‘al was het maar in gedachten’ en ‘Ik zie het gebeuren waar ik bij zit’. Van Brederode verliest zich daarbij in een breedvoerige uitwerking van de haar gekozen beelden. De ingezette verhaallijn stokt, waardoor de lezer de hem voorgehouden parallellie tussen baden in water en baden in het binnendringende buitenlicht, maar moeilijk kan volgen.
    Naast diverse vormen van water, is er ‘een herinnering met de natheid van een pas geschilderd doek’ en ‘mijn vloeibare uren’. Het verband is hier ver zoek. En tussen  ‘Langzaam ballet’ en ‘een nieuwe dans’? Het slot, als de kraan van het bad weer opduikt, trakteert gelukkig op een fraai beeld van ‘De druppel die steun zocht aan de kraan / schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts’. Opbloei uit verlies. De twee laatste regels sluiten het gedicht ietwat kitscherig af. Tussen een paar mooie beelden lijkt dit gedicht iets te willen zeggen wat niet goed uit de verf komt. Op zich is er niets tegen poëzie waarin de opgeroepen beelden zich loszingen en op zichzelf gaan staan, maar dat lijkt niet inzet van deze gedichten. Hier wordt een gedachtestroom uitgezet en des te onbevredigender als de lezer die gaande het gedicht steeds troebeler ziet worden.

    Scherpgetande beelden

    Mooie regels als: ‘Soms valt een oud hart uit een borstzak’ krijgen geregeld een vervolg dat er niet echt toe doet. In het borstzakje wordt bijvoorbeeld vermeld dat het ‘klam, vervilt, te ruim voor de gekrompen stof’ was geworden. Alle begrip dat zo’n borstzakje makkelijk dingen wil verliezen. Maar we hoeven het borstzakje niet te begrijpen. We zouden begrip moeten opbrengen voor de regels van deze gedichten. Sterke, scherpgetande beelden verliezen aan kracht wanneer ze uitgeserveerd worden in een verhalende, verklarende bedding. De bredere uitleg doet het pregnante beeld tekort. Van Brederode schijnt dat ook te beseffen als ze schrijft:  ‘Zoals je soms een regel openlaat. / Opdat wat niet te maken is bestaat.’ Dat lijkt me de juiste richtlijn!

    Verzonnen grond is niet geheel geslaagd, al proef je hier en daar de toon van een dichter die een goed poëtisch beeld kan plaatsen. In de betere passages is het tegendraadse niet te herleiden tot het voor de hand liggende en worden er rake formuleringen geplaatst als: ‘Nooit hoop ik het terloopse te beheersen’.  De toon is overwegend luchtig met ruimte voor speelse vondsten. Zo wordt gehoopt dat de planten in de tuin zich ‘zwenk- en wuifbereid’ zullen gedragen.

    Wat van deze bundel bij blijft zijn de prettige aftakkingen, de fraaie zijriviertjes die ontstaan uit de niet altijd heldere hoofdstroom. Zoals uit het gedicht Bij de regen: ‘Van de wens alleen / de sprong omhoog, / de val: de ster nog niet. / De vele, talloze routes. / En die weer uitgewist.’ Waarmee hier niet iets overgaar wordt opgediend, maar al dente.

     

  • Bovenburen en stilte

    Bovenburen en stilte

    De Wereldgezond- heidsorganisatie heeft helemaal gelijk: als je de bron van geluid vervelend vindt, ervaar je dat geluid ook eerder als storend. Ik kan het beamen. Het stoorde mij nogal dat de kinderen van mijn nieuwe buren er een genoegen in scheppen om op z’n tijd van de bank af te springen of met een skate board over de drempel op het balkon te belanden. Het is zoiets als met de bovenburen van Roos van Rijswijk zoals ze dat in De olifant van de bovenbuurman  beschrijft. Die bovenburen doen een stoelendans op polkamuziek waarvan ze ‘de klanken zo lekker op hun borstkas voelen’.

    Tot er opeens een meisje van een jaar of twaalf voor mijn deur stond met een vraag. We babbelden wat en nu ik de andere leden van het gezin, waaronder haar twee jaar jongere broertje ook ken, vind ik dat gespring of gebonk lang zo erg niet meer. Met een minuut of wat is het over. Laat ze. Het zijn kinderen.
    Sterker nog: ik werd nieuwsgierig. Met name naar hun muziekkeus. Waar zouden Syrische vluchtelingen naar luisteren? Op een dag hoorde ik muziek en spitste mijn oren. Het klonk als lichte muziek, met een vleugje traditionele klanken. Wat had ik dan verwacht? Syrische volksmuziek, zoals componist Merlijn Twaalfhoven die wel in zijn werk integreert? Ik sprak mezelf vermanend toe: wat een vooroordeel! Alsof ik dagelijks draaiorgel- of carillonmuziek afspeel, volgens een van de hoofdpersonages in de detective Startpunt Amsterdam van Helen McInnes, zo’n beetje het ergste wat je je kunt voorstellen.

    Misschien is de les die Roos van Rijswijk mij leerde, om met de oude man in Shakespeares Macbeth te spreken: Make good of bad and friends of foes. Als je dat doet, wordt niet alles beter, maar wel anders. Omdenken heet dat geloof ik. Gespring als een olifant betekent dan: we moeten onze opgekropte energie kwijt. Het gebonk met het skateboard over de drempel is trouwens voorbij, dat was té erg moeten ook mijn buren inmiddels gedacht hebben. Nachtmerries van het broertje, die mij wakker doen schrikken, betekenen wellicht: ik doorleef de ellende in Syrië weer alsof het hier-en-nu gebeurt. Maar dat is inlegkunde en hoeft helemaal niet zo te zijn. Geschreeuw tegen me van het oudste meisje, al bijna volwassen, kan ik niet plaatsen, maar zou ik wel willen begrijpen. Is het misschien een uiting van onmacht?

    Hoe dan ook, voor het vervolg moet ik het boekje Als stilte steekt van Désanne van Brederode er nog maar eens op naslaan. Zij is ervaringsdeskundige, ik nog maar een leek die graag wil leren én – vooral – afleren, dat in ieder geval. Misschien wordt deze column over vijfentwintig jaar net zo gelezen als het verhaal ‘Homo’ (1968) van Kees van Kooten (opgenomen in Van Kooten Sterk verdund): als een tijdsbeeld en voor alles als een beschrijving van gekoketteer, zoals de auteur het bij De Wereld Draait Door zelf omschreef. Wie zal het zeggen.

     


    Els van Swol leest wat los en vast zit en slaat geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Oogst week 44

    Land van liefde en ruïnes

    Steeds meer mensen gaan naar IJsland op vakantie. Inmiddels overstijgt het aantal toeristen ruimschoots het aantal inwoners van het land.
    Tijd om kennis te maken met literatuur uit dat land.

    Schrijfster Oddny Eir (IJsland, 1972) schrijft romans, poëzie en essays en werkt daarnaast als kunstdocente, galeriehoudster en milieuactiviste. Zij is winnares van de EU-Literatuurprijs 2014.

    Na een droom over een oude Vikingvrouw gaat Oddny Eir op ontdekkingsreis. Ze is net gescheiden, opnieuw verliefd geworden en op zoek naar antwoorden die ze hoopt te vinden in de IJslandse natuur. De vragen die zij zich stelt zijn bijvoorbeeld: Hoe creëren we een thuis voor liefde? Waar kwamen haar voorvaderen vandaan en hoe probeerden zij in harmonie te leven met de natuur? Hoe behouden we onze persoonlijke ruimte maar komen we toch dicht bij de ander?

    Dit reisverslag is geschreven in dagboekvorm, het heeft aandacht voor intieme details en grote levensvragen.

    Land van liefde en ruïnes
    Auteur: Oddny Eir
    Uitgeverij: De Geus

    Ik, Vondel

    Er schijnen negentien biografieën te bestaan over Neerlands meest beroemde dichter en toneelschrijver, Joost van den Vondel. Hans Croiset die Vondel in zijn toneelcarriëre zowel speelde als regisseerde wilde ook als schrijver in Vondels huid kruipen en schreef Ik, Vondel als ware het een autobiografie.

    Vondel leefde in de Gouden Eeuw, toen het Nederland op tal van gebieden voor de wind ging. In Ik, Vondel schrijft Croiset o.a. over de bewondering en de vernedering die Vondel ten deel vielen, over zijn trouw aan zijn overleden echtgenote, over de liefde voor een nieuwe vrouw, het verlies van zijn kinderen en over godsdienstige kwesties.

    De uitgeverij noemt het een ‘meeslepende roman’.

    Ik, Vondel
    Auteur: Hans Croiset
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Als stilte steekt

    Schrijfster en filosofe Désanne van Brederode is bestuurslid van en al sinds de oprichting betrokken bij Het Syrisch Comité dat de verbinding wil maken tussen Nederlandse en Syrische burgers.

    Zij schreef Als de stilte steekt, waarin zij aan de hand van eigen ervaringen en die van (Syrische) vrienden onderzoekt waarom het Westen zich zo afzijdig heeft gehouden van alles wat zich de afgelopen jaren in Syrië heeft afgespeeld.

    Als stilte steekt
    Auteur: Désanne van Brederode
    Uitgeverij: Querido

    De Weense sigarenboer

    De zeventienjarige Franz verruilt de idyllische schoonheid van het Oostenrijkse merendistrict voor de drukte van Wenen. Zijn heimwee verdwijnt snel in de hectiek van de stad. Franz is in opleiding bij de oudere sigarenverkoper Otto Trsnyek; hij zal de inwoners van Wenen snel gaan voorzien van kranten en rookwaren. Een van zijn vaste klanten is professor Freud, die niet alleen regelmatig langskomt voor sigaren, maar ook kwistig is met adviezen voor het liefdesleven van de jonge Franz. Het is 1937. Het zal nog maar een paar maanden duren voor de annexatie van Oostenrijk door Duitsland zal plaatsvinden, waardoor de levens van de jonge tabaksverkoper, Otto en professor Freud onherroepelijk zullen veranderen.

    Robert Seethaler werd in 1966 in Wenen geboren. Hij schreef meerdere romans, waaronder het in Duitsland succesvolle Der Trafikant, en brak definitief door met Een heel leven, dat sinds verschijnen in de bestsellerlijsten stond. Seethaler woont in Berlijn en Wenen.

    De Weense sigarenboer
    Auteur: Robert Seethaler
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Een zondaar in een Britse kolonie

    Een zondaar in een Britse kolonie

    Dit bekende werk van Graham Greene uit 1948 vertelt het verhaal van Scobie, assistent-commissaris in een Britse kolonie in West-Afrika. Hij is een man van eer en integriteit, religieus, maar zit vast in een huwelijk dat eigenlijk voorbij is. Wanneer zijn bevordering tot commissaris tot verdriet van zijn vrouw Louise niet doorgaat, – overigens niet tot zijn verdriet – stuurt hij haar op reis. Tijdens haar afwezigheid raakt hij verstrikt in de tentakels van de diamantsmokkelaar Yusef en wordt hij verliefd op Helen, een jonge weduwe. Zijn leven krijgt dan een heel andere wending.
    Zijn omgeving houdt hem voortdurend een spiegel voor en heel geleidelijk begint hij te beseffen dat hij niet meer terug kan. Hoezeer hij ook probeert om een integere oplossing te vinden voor zijn omgang met de diamantsmokkelaar of voor zijn overspel, hij slaagt daar niet in, met fatale afloop.

    Naar eer en geweten
    De dilemma’s waarvoor Scobie zich gesteld ziet en de consequenties van zijn keuzes vormen het belangrijkste bestanddeel van dit spannende boek. Greene sleept de lezer mee het verhaal in en hij laat je niet meer los. Zozeer, dat als je niet oppast, je medelijden met hem krijgt en begrip krijgt voor de verkeerde keuzes die hij maakt.

    Zo probeert de diamantsmokkelaar hem te paaien, terwijl Scobie hem probeert te betrappen. Om de buitenlandse reis van zijn vrouw te kunnen betalen, sluit hij  evenwel een lening bij hem af. Dat is niet slim en loopt ook niet goed af. Zijn bevordering tot commissaris gaat onder meer niet door vanwege zijn banden met deze Yusef.

    Vanaf het begin van zijn verhouding met Helen weet hij dat deze geen stand kan houden. Deze ‘zonde’ verdraagt zich overigens ook niet met zijn religieuze opvatting, maar hij verzint telkens een argument waarom het geen zonde zou zijn. Zo gaat hij er – tegen beter weten in – vanuit dat zijn vrouw niet meer zal terugkomen. Hoe langer zijn verhouding met Helen duurt, hoe groter zijn innerlijke worsteling. Bovendien kan hij zijn relatie in de kleine koloniale gemeenschap niet geheim houden. Zijn loyaliteit aan Louise maar ook aan Helen maken het leven van Scobie tot een hel en ook zijn geloof biedt hem weinig houvast. Het leven glijdt hem langzaam uit handen.

    Waardering
    Na bijna 70 jaar heeft dit werk weinig van zijn waarde verloren. Het is zeer verhalend geschreven, zit knap in elkaar, is spannend om te lezen en werkt geleidelijk toe naar het onontkoombare einde. De belangrijkste personages zijn mooi gekarakteriseerd. De dilemma’s waarvoor Scobie zich gesteld ziet of die hij eigenlijk zelf creëert, worden uitvoerig beschreven, zowel in zijn mogelijke oplossingen als in de uiteindelijke consequenties. In die zin zit er een mooie filosofische laag onder deze politiethriller. De schrijfster en filosofe Désanne van Brederode typeert dit boek in haar voorwoord om die reden als meer dan een ‘spannend jongensboek’. En zo is het. Dat is het knappe van Greene.

    Hoewel het spannende verhaal goed te lezen is, is de stijl niet meer geheel van deze tijd. Greene gebruikt veel woorden en is soms wat langdradig door een teveel aan uitweidingen.

    Dat alles neemt niet weg, dat deze hernieuwde kennismaking met Greene de moeite waard is.

     

     

  • Geloven in ongebakken lucht

    Geloven in ongebakken lucht

    Krisztina de Châtel is een in Hongarije geboren choreografe die in de jaren zestig naar Nederland kwam om dans te studeren bij Koert Stuyf. In 1976 richtte zij haar eigen dansgroep op die tot 2009 bestond. Haar choreografieën worden gekenschetst als minimale dans: met zo min mogelijke beweging zoveel mogelijk uitdrukken.

    Nu ze ruim in de 70 is, vindt ze het tijd om haar leven en werk te boek te stellen. Daartoe vroeg ze in het voorjaar van 2015 aan Désanne van Brederode dat boek te schrijven en wel vanuit een filosofisch perspectief. Van Brederode – zelf filosofe –  had haar al eens geïnterviewd voor een filosofisch tijdschrift. Dat was haar goed bevallen en ze heeft de uitnodiging dan ook aanvaard.

    Biografie?
    Een biografie moet het niet worden, vond De Châtel, en dat is het dan ook niet. Bedoeling is om te laten zien ‘hoe leven, dans en denken als eenheid kunnen worden opgevat’ en daarin is Van Brederode geslaagd. Ze laat zich weliswaar leiden door wat De Châtel haar vertelt, raadpleegt geen andere bronnen, maar ze houdt de nodige afstand tot haar personage, ze betrekt de lezer bij het proces van totstandkoming van het boek, ze schrijft haar eigen ervaring op en beschrijft haar relatie met De Châtel. Wanneer Van Brederode bijvoorbeeld na een gesprek met De Châtel even niet van zich laat horen, mailt De Châtel en vraagt of er iets aan de hand is. Nee dus, Van Brederode heeft ook andere dingen te doen, het is niet zo dat zij altijd maar voor haar klaar zit. Ze is zich bewust van het belang dat De Châtel heeft bij het boek en tegelijk van haar eigen reputatie als romanschrijver.

    Daar is Van Brederode goed uitgekomen, ze schrijft mooi, weet de lezer te interesseren voor het leven en vooral voor het werk van De Châtel, ook al ben je geen dansexpert.

    Dans
    De meeste balletten die De Châtel heeft gemaakt worden gekenmerkt door minimale, strakke en abstracte choreografieën. Ze voelt zich ook thuis bij de minimale muziek van haar tijdgenoot Philip Glass, op wiens muziek ze ook een ballet heeft gemaakt. Als haar meest karakteristieke gestiek wordt vaak het schoepenrad genoemd: een beweging van de ‘uitgestrekte hand, horizontaal ten opzichte van de pols en met naar boven gekeerde handpalm.’ Zelf noemt ze het ‘een denkend bewegen, een bewegend, beweeglijk denken.’

    De essentie van haar choreografie is de beheersing en verovering van de ruimte. De Châtel werkte graag met beeldende kunstenaars zoals Peter Vermeulen en Peter Struycken om haar balletten vorm te geven in de ruimte.

    Enkele van haar belangrijke balletten zoals Lines (1979), Thron (1984), Föld (Hongaars voor ‘aarde’, 1985), Waltz (2010), Infinite (2011) worden in dit boek uitvoerig besproken, voer voor dansliefhebbers! Zo ook Staunch (1987), een choreografie voor het Holland Festival en opgedragen aan haar grote liefde Henne Boskamp, live begeleid door slagwerkers uit Afrika.

    Ze schreef ook balletten voor en uitgevoerd door psychiatrische patiënten, en voor mannen die in hun jeugd ernstig seksueel beschadigd zijn (titel van het ballet: Stuk): geen professionele dansers dus. Ze koestert de herinneringen eraan: ’ik hoef er maar aan terug te denken of ik voel stille tranen branden.’ Ook voor vuilnismannen schreef ze een ballet, heel bijzonder.

    Denken
    De Châtel heeft een grote belangstelling voor filosofie, wat gestimuleerd is door haar leermeester Koert Stuyf, die zijn trainingen regelmatig onderbrak voor filosofische beschouwingen. Later bracht de filosoof Jan Flameling haar in aanraking met Nietzsche.
    Jarenlang volgde ze cursussen bij Flameling. Daarmee begon een nieuwe liefde; beweringen en aforismen van Nietzsche fungeren voor haar als een soort werkhypothesen bij het maken van ballet. Ieder hoofdstuk opent met een motto of een lang citaat van Nietzsche. Wat trekt haar zo aan in zijn gedachtegoed?

    Dans heeft voor De Châtel onder meer te maken met het spanningsveld tussen lichaam en geest. Nietzsche opende haar ogen voor een daaraan verwant spanningsveld tussen het dionysische en het apollinische. Wil een kunstwerk esthetisch kunnen boeien, willen aanspreken, dan moet het zeggingskracht hebben. In die zin moet de kunstenaar ‘boven die wilde, kokende, overlopende vloed aan dionysische emoties staan dat hij ze uit die donkere lava van het al te persoonlijke naar boven kan trekken, om ze dan ambachtelijk om te smeden tot een aansprekend, harmonieus, helder en mooi beeld.’

    Leven en karakter
    Ook het leven en karakter van Krisztina de Châtel komen uitvoerig aan bod. Haar vertrek uit Hongarije, haar huwelijk met, en scheiding van de Duitser Norbert Schmitz (noodzakelijk om Hongarije te kunnen verlaten, ze vertelt er smakelijk over), de relatie met haar leermeester Koert Stuyf (die haar op straat niet meer groette toen ze had besloten haar eigen weg te gaan), haar grote liefde voor Henne Boskamp, die ze in 1980 leerde kennen via een van zijn kinderen en die in 1987 is verongelukt.

    Van Brederode is er in geslaagd een bijzonder en boeiend boek te schrijven over deze getalenteerde choreografe.

     

  • Liter

    Recensie door Albert Hogeweij

    DAMASCUS – literaire bekeringen

    Het laatste nummer van Christelijk literair tijdschrift Liter (nummer 68, 15de jaargang, december 2012) draagt een buikbandje met daarop de naam ‘Damascus’. Al gauw legt men de associatie met de burgeroorlog in Syrië. Maar op die politieke actualiteit is hier niet gemikt. Integendeel. Hier gaat men twee duizend jaar terug in de tijd. ‘Damascus’ staat namelijk voor het grote, felle licht dat christenjager Saulus onderweg naar Damascus zag alvorens het hem enige tijd deed verblinden. Hij kwam tot het inzicht dat zijn strijd tegen het christendom een vergeefse was en bekeerde zich tot dat geloof, om in het vervolg als Paulus door het leven te gaan.

    Liter brengt een themanummer over literaire bekeringen. Een boeiende bijdrage hieraan levert Menno van der Beek met zijn essay Literaire bekeerlingen. Over bekeerlingen uit de Engelstalige literatuur als G.K. Chesterton, Evelyn Waugh, Graham Greene, T.S. Eliot. Goed gekozen citaten houden de vaart erin. Zoals dat van filosoof Jacques Maritain die meende te weten waarom Eliot zich niet tot de Roomse kerk bekeerde: ‘Eliot heeft al zijn talent voor bekering al verbruikt, toen hij Brits werd’. Daarop belanden we bij een opmerking van Virginia Woolf over Eliots bekering tot de anglicaanse kerk: ‘Er zit iets obsceens in, een levende persoon die bij het vuur zit en in God gelooft’.

    Voor een beetje tegengas lijkt in dit themanummer ook ruimte. Want de duit die Maarten van Buuren in het zakje doet, betreft een verhaal dat niet over een bekering tot maar over een afwending van het geloof gaat. Bij het lezen als adolescent van Sartres toneelstuk Le diable et le bon dieu, flitste hem namelijk door het hoofd ‘God bestaat niet.’ Door schrik bevangen poogde hij nog dit inzicht ongedaan te maken, maar besefte weldra dat zulks onmogelijk was. Dat Désanne van Brederode dergelijke verleidingen tot ongeloof voortvarender heeft weten te pareren, lezen we in haar vrij persoonlijk getoonzette verhaal over geloofsverlies en Damascus-ervaringen. Haar geloof lijkt juist baat te hebben gehad bij tegengas. Zij legt overigens nog wel een lijntje naar de actuele Syrische brandhaard. Maar het hoogtepunt van dit boeiende themanummer vormen zes door eerder genoemde Menno van der Beek uitstekend vertaalde gedichten van Anne Sexton Het verschrikkelijke roeien richting God. De door waanzin achtervolgde Amerikaanse dichteres bereikt in het eerste gedicht ondanks regels als ‘ik groeide als een varken in een regenjas […] en ik groeide, en ik groeide, / ik droeg robijnen en ik kocht tomaten, / en nu, op middelbare leeftijd, / ongeveer negentien in mijn hoofd, zou ik zeggen – / ik roei en ik roei’ nog tamelijk geruststellend haar laatste zin: ‘Dit verhaaltje eindigt met mij nog steeds aan het roeien.’  Maar dat het in haar werkelijke leven heel wat minder geruststellend verliep mogen we hier ook lezen. De dag nadat ze haar dichtwerk The Awful Rowing Toward God met haar uitgever had besproken, stelde ze zichzelf met voorbedachten rade en met het door haar gewenste resultaat aan koolmonoxidevergiftiging bloot. Waaruit nog maar eens blijkt dat niet iedereen gered is die het Licht heeft gezien.

    Voor tijdschrift Liter wenkt echter een hoopvoller perspectief. Want waar zich eind 2012 nog donkere bezuinigingswolken leken samen te pakken, blijkt de lucht opeens geklaard. Wat is namelijk het geval? Zeer onlangs hebben het Nederlands Letterenfonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds het licht gezien en daarbij blijk gegeven Liter wel te zien zitten. Het levensbeschouwelijke tijdschrift met een alleszins herkenbaar smoel mag een bedrag van € 25.000 op zijn balans bijschrijven. Na vijftien jaar binnen een redelijk beperkte doelgroep aan de weg te hebben getimmerd, kan de redactie zich de komende jaren op een groter bereik en meer abonnees gaan richten. Daarvoor is een innovatieve strategie op het gebied van digitalisering bedacht waarin het tijdschrift meer zal aansluiten bij de sociale media. Nu al te volgen op www.leesliter.nl.  Behalve met digitale techniek gaat Liter in 2013 ook in zee met Marcel Möring als gastschrijver en zal Willem Jan Otten de rubriek Gerichte gedichten in vertaling verzorgen. Een tijdschrift om rekening mee te houden.

     

    Liter

    Uitgegeven door: Stichting Liter
    Verschijnt 4 keer p.j.
    Prijs los nummer: € 9,50
    Abonnementen: € 38,– (studenten € 30,–, buitenland € 51,–)

     

  • Recensie door: Rein Swart 

    Recensie door: Rein Swart 

    Een lange preek waarbij de aandacht van de lezer op de proef wordt gesteld.

    Geloof en erotiek zijn geliefde onderwerpen om over te schrijven. Over de verhouding van beide is al veel gezegd. Veelal wordt het geloof daarin op de hak genomen. Zo niet in de nieuwe roman van Désanne van Brederode. De titel Stille Zaterdag verwijst meteen naar het rijke roomse verleden, toen vele dagen nog volgens de kerkelijke kalender werden benoemd. Maria lichtmis, Maria ten hemelopneming en Driekoningen zijn al gesneuveld en er gaan geluiden op om Pinksteren ook af te schaffen. Stille zaterdag was een moratorium tussen het sterven van Christus en zijn verrijzenis. Maurice, een van de twee hoofdpersonen, neemt op die dag alvast een voorschot op de bevrijding uit de dood.

    Het andere hoofdpersonage, Sara, is de echtgenote van predikant Johan. Ze is behept met een streng christelijke opvoeding en mentaal zo ijzersterk dat ze het tot burgemeester van Amsterdam brengt. Maurice is een hoofdstedelijk kunstenaar, bekend van de televisie. Sara heeft hem ingehuurd voor adviezen over kunstobjecten in het stadhuis, maar hij gaat haar steeds meer in politieke kwesties adviseren. En dan delen ze ook nog de fascinatie voor het katholieke geloof, die zo sterk is dat die zelfs tot een verwijdering met de familie heeft geleid.

    De aantrekkingskracht van het geloof brengt deze gehuwde personen gevaarlijk dicht bij elkaar. Uiteindelijk beëindigt Maurice na drie jaar de werkrelatie met Sara omdat hij niet wil dat zijn zoon Thomas hetzelfde zal meemaken wat hij als zoon van gescheiden ouders ervaren heeft.

    Het verhaal wordt terugverteld vanaf de stille zaterdag waarop Sara, in het geheel niet fit, een paasbrood gaat kopen voor het maal dat ze voor haar kinderen op tafel gaat zetten. Maurice heeft kort daarvoor zijn vrouw en zoon op het vliegtuig gezet naar Rome, voor een stedentrip in het voorjaar, en heeft geopperd dat hij een lang weekend rust gaat nemen en misschien een oude vriend zal opzoeken.

    In het begin van het verhaal wordt het boek Navolging van Bonhoeffer genoemd. Diens ideeën zouden tot interessante gesprekken tussen Maurice en Sara over de relatie tussen kunst en moraal, esthetiek en ethiek kunnen leiden, maar helaas wordt die verwachting niet ingelost. De uitwerking is zeer matig. Het blijft erg beschouwelijk en afstandelijk. Door de  schematische opzet gaan de personen niet echt leven. Het verhaal komt niet binnen. Er zijn teveel schakels, zoals bijvoorbeeld over de dood van de drugsverslaafde Marlon, een oude jeugdvriend van Thomas. Maurice heeft als vader een nogal gecompliceerde verhouding met het vriendje. Het blijft onduidelijk waar het verhaal naar toe gaat. Het kent een warrig tijdsverloop met hoofdstukken die zich afspelen op zomaar een decemberavond.

    Vaak schakelt Van Brederode over op de automatische piloot. De ene associatie brengt haar op de volgende, maar voor de lezer is het nauwelijks boeiend, zoals de gedachten van Sara aan de jeugd van haar kinderen:

    ‘Toen ze had opgehangen had ze aan het kinderdagverblijf van haar eigen kinderen gedacht. De kartonnen paddenstoelen tegen de ramen, rood met witte stippen, de slingers van kleurige vlinders tegen het plafond. Het houten speelhuisje met de glijbaan, de hoek met puzzels van maximaal tien stukken, de slofjeszakken in de vorm van dwergen, elfjes. Het keukentje met de emaillen minipannetjes op het minifornuisje, het plastic fruit, de plastic worstjes en hamburgers, de lege voorraadbussen voor koffie, suiker, meel en macaroni.’

    En dan is ze nog maar op de helft van haar opsommingen.

    ‘De stroom van herinneringen was niet opgehouden,’ constateert ze zelf. Ze gebruikt veel bijvoeglijke naamwoorden zoals in ‘de hoekige, de starre, stramme oud geworden wereld.’ Overdaad schaadt. Het is taal die niet resoneert, waarmee het verhaal helemaal dicht geplamuurd wordt.

    De gekleurde pagina’s tussen de verschillende delen kunnen niet verhelen dat het nogal bleek aandoet. Het boek doet nog het meeste denken aan een ouderwetse preek, die heen en weer waaiert, tot de lezer – murw gemaakt –  de kerkbank verlaat.

     

     

    Stille Zaterdag

    Auteur: Désanne van Brederode
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 18,95