• Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    In De naam van de wereld (2000) van de Amerikaanse auteur Denis Johnson (1949-2017) werkt universitair docent Geschiedenis Michael Reed bij de faculteit Geesteswetenschappen in het midwesten van de VS, en gaat hij ‘ogenschijnlijk verlamd of onverschillig’ door het leven, nadat hij vier jaar eerder zijn vrouw en dochter verloor door een auto-ongeluk. Hij bleef doen wat hij al jaren deed. ‘Ik kwam opdagen waar ik was uitgenodigd. Ik las heel wat af in de bibliotheek. Ik ging in mijn eentje naar de film. Ik keek naar de schaatsers op het campusmeertje. Heel wat vaker dan ik aan de grote klok zou willen hangen had ik denkbeeldige gesprekken met ene Bill’. Bill is suppoost bij een museum en wisselt zelden een woord met bezoeker Michael.

    In het begin van het boek ontmoet hij tijdens een dinertje onder anderen Heidi Franklin, een historica van de kunstacademie. Ook aanwezig is een jonge studente die voor de aanwezigen cello speelt. Tien pagina’s verder gaat Michael naar het Schone Kunstengebouw om Heidi op te zoeken. Hij wordt verwezen naar een ruimte waar een ‘Cannon Performance’ gaande is. ‘…op een klein podium zat een vrouw met haar benen wijd op een tafel, haar linkervoet opgetrokken naast haar […] die bezig was haar ingezeepte venusheuvel te scheren.’ Dan schrijft Johnson: ‘Het duurde even voordat ik de jonge vrouw herkende die ik […] had ontmoet als Heidi Franklin, dat wil zeggen, de aangeschoten celliste in de blauwe fluwelen jurk.’ Maar bij dat dinertje is Heidi niet de aantrekkelijke roodharige in een blauwe fluwelen jurk (dat is de studente/celliste) maar een ‘vriendelijke maar onbeholpen vrouw, nauwgezet en wanhopig… niet moeders mooiste,’.

    Storende twijfel

    Enkele pagina’s verder schrijft Johnson dat Michael, als hij weer buiten staat, Heidi Franklin straal vergeten was. Ze komt inderdaad in het hele boek niet meer voor. De studente/celliste daarentegen wordt de pijler waarop het verhaal rust. Het is moeilijk voor te stellen dat Johnson met zijn handelskenmerk van trefzekere stijl en precieze zinnen hier een vergissing gemaakt heeft. Bovendien heeft hij er een handje van om zijn personages van een onduidelijke achtergrond te voorzien. Meerdere paspoorten, gevaarlijk werk en al of niet aanverwante dubieuze bezigheden, illegale plannen en vage doelen, doemen veelvuldig op in zijn verhalen en soms zelfs de vraag of iemand überhaupt bestaat. Johnson laat altijd reden tot twijfel. In De naam van de wereld laat hij Michael denken: ‘Zelfs feiten die dingen betroffen bevielen me niet, en op een heimelijke manier kreeg ik een hekel aan de waarheid zelf.’ Als de verwisseling van Heidi en de celliste al een bedoeling had, blijft die tot op het einde een raadsel. En eigenlijk stoort dat.

    Spel

    Steeds “toevallig” komt Michael ergens de kunststudente/celliste tegen. Ze blijkt de merkwaardige naam Flower Cannon te bezitten, waar ze later een verklaring voor geeft. Ze vertelt hoe ze als kind eens, via een man die haar meenam, terechtkwam in een huisje van peperkoek en dat daar wel of geen blind meisje aanwezig was. Van het blinde meisje overpeinst Michael of het misschien de geest van zijn overleden dochtertje was. Zo haspelt Johnson wederom personages door elkaar.

    Na de eerste toevallige ontmoeting denk je als lezer, nee, het zal niet waar zijn, niet de banaliteit van jonge vrouw – oudere man, na de regelrechte verwijzing naar het seksuele tijdens de performance en kort daarna als hij haar toevallig als stripper ziet optreden. Maar jawel, steeds duikt Flower Cannon weer op in losse situaties en scènes waarin een spel van aantrekking en afstoting lijkt te worden gespeeld. Het maakt de indruk van een zwaktebod van de auteur, iets wat niet des Johnsons is. Het is ook niet de bijna-seks met Flower die tot Michaels catharsis zal leiden. Schrijver Auke Hulst heeft het in zijn haast lyrische nawoord over de ‘diepere lagen’ van hun ontmoetingen. En die zijn nou juist ongeloofwaardig, want nietszeggend en semi-vertrouwelijk. De diepgang mag de lezer er zelf bij bedenken.

    Kerkzang

    Denis Johnson vindt zichzelf een christelijke schrijver die zich afvraagt hoe het zit met de existentie van God in een onrustige wereld, zo memoreert de New York Times in mei 2017 de dan net overleden schrijver: ‘Ik heb het gevoel dat God ons nogal grappig vindt. Maar dat is alles wat ik uit naam van God kan zeggen. Hij houdt zich niet met mij bezig.’ Dit zien we terug in De naam van de wereld. Nadat Michael Flower Cannon vanuit een supermarkt volgt komt hij in een grote kerk bij een sekte terecht. De volgende pagina’s worden gedomineerd door de kerkdienst en de aanwezigheid van Flower, en komt Johnsons idee van God naar buiten. ‘… ik had er inmiddels al behoorlijke tijd grondig de pest aan, aan die moordenaar, die dader, in wiens wezenloze zilveren ogen niemand te onbetekenend was, te onopmerkelijk, te onschuldig en klein om over het hoofd te worden gezien bij het uitdelen van drama.’ Dit ‘almachtige ding’ dat Michael ‘als een duisternis en een last’ beschouwde verdwijnt tijdens de kerkzang waaraan hij zelf ook meedoet. Hij is bevrijd van zijn lijden, er is geen God. Maar Johnson zou Johnson niet zijn als niet ook dit boek getuigt van zijn fijnzinnige onderkoelde humor. ‘Ik ben zo iemand die denkt dat hij wijs kan houden, en dus zong ik mee, en niemand snoerde me de mond. Tot even over zes […] loofden we het lege universum. Ik voelde onze harten almaar omhooggaan in een eindeloze interval zonder dat ze iets in de weg werd gelegd. Heel mijn gelukzalige bevrijde ziel kwam mijn keel uit.’

    Stem van de schrijver

    Na de bijna-seks ziet hij Flower Cannon niet meer. De rouw wordt minder. Zijn baan is hij inmiddels kwijt want zijn contract werd niet verlengd. De laatste twee pagina’s van De naam van de wereld doen denken aan andere boeken van Denis Johnson. Michael laat zich dan inhuren om als journalist naar oorlogsgebieden te gaan, waarmee we weer op vertrouwd terrein zijn. In exotische oorden, geweld, avontuur, risico, misdaad, de zelfkant van de maatschappij, overlevingsstrategieën en illegaliteit, prevaleert de stem van de schrijver die zich niet liet kennen. In scherpe zinnen blootgelegd menselijk tekort en weemoed zijn in Johnsons verhalen nooit afwezig. Rauwheid in De gulheid van de zeemeermin, drugs in Jezus’ zoon, oorlog en spionage in De lachende monsters en Tree of smoke. En juist daar, in de hardheid van het leven lijkt Johnsons ongrijpbare ziel te wonen. Niet in de banaliteit die maar niet wil wijken in De naam van de wereld, ondanks de prachtig gestileerde zinnen. Het maakt dit boek een beetje teleurstellend.

     

     

  • Oogst week 21 – 2020

    De naam van de wereld

    In De naam van de wereld van Denis Johnson heeft de hoofdpersoon, Michael Reed, zich gaandeweg opgewerkt van leraar Maatschappijleer op een middelbare school tot universitair docent aan een Faculteit der Geesteswetenschappen.

    Johnson neemt het academisch reilen en zeilen op de hak en zijn schijnbaar lethargische personage ook, ‘Ik gaf kleine werkgroepen, vroeg slimme, ongerichte studenten boeken te lezen die ik zelf al gelezen had en luisterde daarna hoe ze werkstukken blootstelden aan de kritiek van de rest van de groep. Met andere woorden, ik voerde niets uit.’

    Reed draagt een groot verdriet met zich mee: zijn vrouw en dochter zijn overleden als gevolg van een auto-ongeluk. Als zijn dienstverband beëindigd dreigt te worden, spreekt Reed nieuwe contacten aan en begint hij opnieuw richting te geven aan zijn vastgelopen leven.

     

    De naam van de wereld
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De smaak van wilde peren

    Er is meer buitenlandse literatuur geoogst: De smaak van wilde peren, van Ewald Arenz. In deze roman draait het om de bijzondere vriendschap die tussen de personages Sally en Liss ontluikt.

    De jonge Sally schopt overal tegenaan, Liss is juist rustig en beheerst – iets wat duidelijk ook in hun vertelstijl wordt weerspiegeld, vlak voor ze elkaar ontmoeten in een wijngaard en Liss om Sally’s hulp vraagt.

    De smaak van wilde peren is het eerste boek van Arenz dat naar het Nederlands is vertaald.

    De smaak van wilde peren
    Auteur: Ewald Arenz
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Maanscherf

    Laurens van den Broek (1989) schreef met Maanscherf zijn debuutroman: een roman waarin hij vader-zoonverhoudingen, reizen en de voorspellende kracht van natuurverschijnselen met elkaar verbindt.

    Het hoofdpersonage, ex-ornitholoog Alphonse (of kortweg Fons) van Felius, reist af naar Les Sept Îles om de populatie jan-van-genten die daar leeft nader te onderzoeken. Langzaamaan lijkt zijn rationele inborst te worden aangetast.

    Het idee voor Maanscherf kreeg gestalte tijdens zijn deelname aan het schrijfkamp van Das Mag, in 2014. Naast schrijver is Van den Broek ontwerper.

    Maanscherf
    Auteur: Laurens van den Broek
    Uitgeverij: Palmslag
  • Heilzaam kaderen

    Heilzaam kaderen

    Er zit iets troostrijks in hoe weinig het dagelijks leven op literatuur lijkt – omdat het leven te rommelig is, te weinig gestileerd, doorgaans zit er weinig betekenis in de uren die we doorbrengen op het toilet, in de metro of in de badkamer als we WhatsAppend onze tanden flossen. Pas achteraf maken we er een verhaal van, leiden we gebeurtenissen in en wikkelen ze zorgvuldig af, hechten waarde aan details en ziedaar, ineens vormt het leven een geheel. Achteraf kun je dingen tussen de regels plaatsen, terugbladeren en een aanwijzing vinden op pagina vier: toen begon het.
    Iemand vertelde me over hoe mensen enkele dagen voor hun plotselinge overlijden ineens iedereen in hun omgeving een hand gaven of omhelsden, als een weten zonder weten. Ook dat is iets wat achteraf pas ingevuld wordt, dan pas zijn kleur krijgt. Maar maakt het opmerken van die hand wat uit? Wat schieten we op met de onzalige vraag of we het hadden kunnen zien aankomen? 

     Na De gulheid van de zeemeermin kocht ik JezusZoon. De verhalen van Denis Johnsons hebben iets onweerstaanbaars echts. Ze zijn rommelig en rauw, soms breekt de verteller door de vierde wand om de lezer rechtstreeks aan te spreken: ‘En jullie, jullie bespottelijke mensen, verwachten van mij dat ik jullie zal helpen.’ Er zit een logica in de vertellingen, maar wel een grillige, de logica van het delier. Is JezusZoon een goede afspiegeling van de zelfkant, van een of andere ‘uit het leven gegrepen’ werkelijkheid? Wonderlijk blijft het hoe sommige boeken, of je nu bekend bent met de materie of niet, zo echt kunnen aanvoelen.
    Gelijk denk ik aan Holden Caulfields allergie voor alles wat phony is en aan die tirade die de naamloze verteller in Red ons Maria Montanelli houdt over een pianospelend klasgenootje. Het gaat niet om dat hinderlijke klasgenootje met zijn uitgestreken smoel, het gaat om die woede van de vertellers in beide romans, de rauwheid ervan – die voelt echt. Ook het proza van Denis Johnson leest als het tegenovergestelde van phony. 

     In Ontwenning, haar boek over alcoholverslaving, vertelt Leslie Jamison hoe ze haar aanvankelijke weerstand ten opzichte van de AA overwon toen ze inzag hoe heilzaam het vertellen van hetzelfde verhaal was. Zij haalt, in tegenstelling tot Denis Johnson, de romantiek van de zelfkant af: gebruiken is niet grappig of sexy, het is niet Groots en Meeslepend Leven. Afkicken is moeizaam – en saai. Met het steeds opnieuw vertellen van het eigen verslavingsverhaal en het steeds opnieuw aanhoren van andermans verhalen houdt Jamison zichzelf nuchter. Dat is de kracht achter de AA en misschien wel de kracht achter verhalen in het algemeen.
    Vaak wordt gezegd dat we verhalen van ons leven maken, al dan niet fictief, om gebeurtenissen eruit te begrijpen. Mij lijkt het even waarschijnlijk dat we verhalen maken omdat we de willekeur niet aankunnen. We kaderen om dingen die ons overkomen behapbaar te maken. En wat behapbaar is, zelfs al is het een hand, een teken, daarmee kun je leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Dat in de vijf verhalen uit de bundel De gulheid van de zeemeermin aftakeling en de dood terugkerende thema’s zijn wil niet zeggen dat zwartgalligheid de boventoon voert. Integendeel. Met humor beschrijft Denis Johnson in een mengeling van melancholie en sarcasme het wedervaren van de ik-personen in dagelijkse en minder doorsnee omstandigheden. Veel komt ongetwijfeld uit zijn eigen leven en veel heeft Johnson bekleed met overtuigende fictie.

    In het titelverhaal blikt Bill, een reclameman, terug op kleine situaties zoals werk, bezoek, het in ontvangst nemen van een prijs (waarbij een beknelde zenuw hem belemmert de voorgenomen fraaie toespraak te houden), en een telefoongesprek met een ex. De ex is terminaal ziek en wil voor ze sterft nog graag eens uiten hoe zij onder hem en hun huwelijk geleden heeft, onder zijn ontrouw en leugens. Halverwege het gesprek overvalt Bill de angst dat hij niet meer weet of hij nou zijn eerste of zijn tweede ex aan de telefoon heeft: ‘(…) of ze echt haar naam had gezegd toen ik opnam en wist ik opeens niet meer van welke reeks vergrijpen ik spijt had…’ Treurigheid en komedie gaan hand in hand, net als bij de bloemrijke typeringen elders in het boek, zoals ‘gediplomeerde eunuch’, of ‘met alleen een T-shirt aan waar zijn niet erg aantrekkelijke reet onderuit hing’ en ‘uit de stad Oskaloosa rammelden een heleboel onaangepaste types los’.

    Pseudofictie
    Niet alleen bij de exen, ook in het verhaal ‘Doppelgänger, poltergeist’ gaat het om wie is wie. De hoofdpersoon, een universitair literatuurdocent, vertelt het verhaal van een begaafde leerling, dichter en vriend die zich een half leven laat beheersen door de complottheorie dat de dode Elvis Presley niet de echte Elvis zou zijn. Zelf maakt de docent zich zorgen over een van de gedichten van de vriend, namelijk of hij hem daarin niet te kijk zet, eveneens een identiteitskwestie. In hoeverre dit iets met Johnsons eigen werkelijkheid van doen heeft is de vraag, maar dat hij er in zijn verhalen rijkelijk uit put lijkt zeker, gezien zijn opmerking in ‘Triomf over het graf’, waarin hij verklaart::’Ik ben me ervan bewust dat het gebruikelijk is in dit soort semiautobiografische verhalen – dit soort pseudofictionele memoires – de namen van mensen te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan.’ Die laatste toevoeging kunnen we vermoedelijk wel onder de fictie scharen.

    Onduidelijke achtergronden
    Johnsons vorige boek, de roman De lachende monsters, kenmerkt zich door net zulke vaagheid en versluiering van feiten aangaande personages. Hoofdpersoon Ronald Nair is een Deen met zwart haar en grijze ogen, maar in het bezit van een Amerikaans paspoort. Hij zou in dienst van een anti-spionageafdeling van de Navo naar Sierra Leone gekomen zijn om communicatiesystemen van de organisatie te onderzoeken. De maat die hij in Sierra Leone ontmoet, Michael Adriko, is een Afrikaan met een even onduidelijke achtergrond. Zeker is dat de mannen zich eerder samen inlieten met duistere zaakjes en nu kans zien om met oplichting en een blokje uranium rijk te worden. Het boek is een schelmenroman, waarin het criminele luchtje aan Nair en Adriko uit zucht naar geld en avontuur doet denken aan ondeugende jongensstreken. De rauwheid zit hem, behalve in hun eigen gedrag waarin ze elkaar beslist niet ontzien, vooral in de achtergrond vol geweld, bendes en geheime diensten in het toch al niet in vriendelijke stabiliteit uitblinkende Sierra Leone, Oeganda en Congo.

    Niet geschreven brieven?
    In ‘Het starlight op Idaho’ uit de verhalenbundel roept Johnson wederom twijfel op over wat pure fictie en wat realiteit is. Een ik, Marc Cassandra, schrijft vanuit een afkickcentrum brieven aan oude bekenden, familieleden, de satan en zijn dokter en stelt tussendoor de vraag of de brieven echt geschreven zijn. Johnson heeft zelf in afkickcentra gezeten om van drugs- en alcoholverslavingen af te komen, waardoor de lezer al snel geneigd is om alles te beschouwen als afkomstig uit Johnsons eigen leven, behalve dat zijn familie aan de onderkant van de samenleving resideerde. Marc heeft een labiele, apathische vader, een broer die de neus van zijn vriendin tot moes geslagen heeft, een moeder in de gevangenis en een oudste broer ‘die door de staat Texas niet met een schaar wordt vertrouwd.’. Johnson tekent de medeverslaafden in korte, rake bewoordingen, waarmee hij toont hoe dicht mensen in klinieken bij elkaar kunnen staan en hoe groot tegelijkertijd de afstand tussen hen kan zijn. Als Marc van de Refsusal af mag ontstaat helderheid en hoop, een gegeven dat waarschijnlijk wel rechtstreeks stoelt op Johnsons persoonlijke ervaring.

    Menselijk gebrek
    De rauwheid die in ‘De lachende monsters’ nog volop aanwezig is, heeft in ‘De gulheid van de zeemeermin’ een mild vernisje gekregen. Ook al gaat het er in een gevangenis bruut aan toe, en loopt een zieke, verloederende collega-schrijver op ‘gevlochten Japanse slippers, waarvan de gele bandjes voeten omklemden van een mythische gruwelijkheid – knobbelig, dooraderd, met teennagels als roofvogelklauwen’, in de verhalenbundel is het toch boven alles het menselijk gebrek waarin de wreedheid van het bestaan tot uiting komt. Gebleven is het spelen met identiteiten en een fluctuerende werkelijkheid.

    Berusting
    De lust tot avontuur is in De gulheid van de zeemeermin overgegaan in berusting. Dat dood en weemoed over het leven voortdurend aanwezig zijn, zal zijn oorzaak vinden in het feit dat Denis Johnson tijdens het schrijven van de verhalen wist dat hij zou sterven. Hij overleed in mei 2017 op 67 jarige leeftijd. Met zijn korte verhalen, romans, poëzie, toneel en non-fictie en vele gewonnen prijzen gaat hij als een belangrijk auteur de Amerikaanse literatuurgeschiedenis in.

     

     

     

  • Oogst week 10

    Stilte, ruimte, duisternis

    Kester Freriks legt de lat hoog. Zijn Stilte, ruimte, duisternis: verkenningen in de natuur moet ‘een kaart in proza’ zijn ‘met als doel de waarden stilte, ruimte en duisternis op te sporen en aanschouwelijk te maken’. Zijn vertrekpunt is de natuur, maar hij gaat niet alleen de confrontatie met het diverse Nederlandse landschap aan. Hij reageert ook op kunstwerken en gaat in gesprek met de makers.
    Dat levert een divers, persoonlijk gekleurd drieluik waarin Kester Freriks een vrij dwingende gids is die de lezers langs gebaande paden en over avontuurlijke sluipwegen voert. Klassieke werken – literatuur, beeldende kunst, muziek en wetenschap – ontbreken niet, maar Freriks kiest ook minder voor de hand liggend.

    Er is een wat merkwaardige bijrol weggelegd voor Joost Zwagerman in het deel over stilte. Zijn De stilte van het licht: schoonheid en onbehagen in de kunst ontbreekt in de literatuurlijst, terwijl Freriks het deels ook over de door Zwagerman geselecteerde en besproken kunstenaars baseert en hij een aantal bladzijden aan het boek en de door Zwagerman georganiseerde tentoonstelling Silence out loud wijdt.

    Stilte, ruimte, duisternis
    Auteur: Kester Freriks
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep

    In de wildernis

    Wat oer en ongerept is, dat gaat het voorstellingsvermogen van de mens te boven. Die heeft in de loop van zijn aanwezigheid op aarde zoveel ingegrepen dat van natuur nauwelijks sprake meer is. Dat neemt niet weg dat er mensen zijn die in staat zijn zich op een authentieke wijze tot de omgeving waarin ze belandden weten te verhouden. Neem Henry David Thoreau die in Walden of leven in het bos verslag deed van zijn ‘ontberingen’ aan de oever van zijn pond op loopafstand van het dorp. Of Sylvain Tesson die met Zes maanden in de Siberische wouden een eerbetoon aan Thoreau brengt, maar onder erbarmelijker omstandigheden de winter moest zien door te komen.

    In het rijtje avonturiers met hart voor de natuur past ook John Muir die halverwege de negentiende eeuw met zijn ouders van Schotland naar de Verenigde Staten van Amerika emigreerde en in Wisconsin terechtkwam. Hij zal zich ontpoppen als de eerste natuurbeschermer in de VS. Dankzij hem bestaan er nationale parken en is landschap deels gevrijwaard van al te menselijk ingrijpen.
    John Muir schreef ook. In In de wildernis: tochten door Wisconsin, Nevada, Californië en Alaska zijn verslagen gebundeld van zijn reizen door diverse staten. Dat hij onderweg onder de indruk was, is zacht uitgedrukt.

    In de wildernis
    Auteur: John Muir
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    De gulheid van de zeemeermin

    Vijf verhalen telt de postuum verschenen bundel De gulheid van de zeemeermin van Denis Johnson. Vijf relatief lange, korte verhalen waarin de schrijver op stoom komt zonder zichtbaar te versnellen en nooit ergens echt nadruk op legt. Hij doet ook geen moeite zaken mooier voor te stellen dan ze zijn.
    Maar rauw en hoekig zijn die verhalen niet. Johnson kiest zijn woorden zo voor de hand liggend raak en zijn toon is zo onontkoombaar dat ze van een tijdloze vanzelfsprekendheid zijn.

    Terwijl zijn onderwerpen en de entourage waarin zijn verhalen zich afspelen dat niet zijn er bovendien onder het oppervlak van alles gebeurt. Zijn eenvoud is schijn. Zijn verhalen zijn minstens zo gelaagd als zijn romans. En dan zijn het ook nog eens verhalen die hij schreef terwijl de dood hem op de hielen zat. Dat is voelbaar.

    De gulheid van de zeemeermin
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Beladen erfgoed:

    Frans van Hasselt koos zelf voor Griekenland als standplaats. Dat was in 1959, hij bezocht het land toen voor de vijfde keer. Zijn hele arbeidzame leven zou hij voor het (Algemeen / NRC) Handelsblad gedegen stukken schrijven die getuigen van zijn betrokkenheid bij het land en de bevolking. Behalve die journalistiek volledig verantwoorde reportages leverde zijn verblijf ook lichte stukken op die soms de vorm van een column kregen, maar die hij zelf graag als ‘correspondenties’ aanmerkte. Ze verschenen verspreid en werden regelmatig gebundeld. Stukken die soms over een specifiek onderwerp gingen  (Verslaafd aan Griekse muziek), maar vaak bleek wat hem opviel in het dagelijks leven geschikt genoeg als onderwerp.

    Beladen erfgoed: het Griekenland van voor de crisis dat postuum verschijnt, was bedoeld als een geschiedenis van het moderne Griekenland. Beladen erfgoed moest een veelomvattend boek worden waarin de ontwikkeling van Griekenland sinds de burgeroorlog; de Junta, kerk en staat; minderheden; politieke families en hun schandalen; de relatie tussen Griekenland en Europa; het conflict met en over ‘Macedonië’ en de Griekse economie aan bod zouden komen.
    Frans van Hasselt had een eerste versie af toen Griekenland in 2008 op de rand van een crisis belandde.

    De crisis duurde en duurde en had grote gevolgen voor Griekenland. Van herschrijven en actualiseren van het manuscript kwam het door het overlijden van Frans van Hasselt in 2011 niet meer. Voor zover nodig om het Griekenland van voor de crisis te begrijpen zijn voetnoten toegevoegd.

    Beladen erfgoed:
    Auteur: Frans van Hasselt, i.s.m. Agnes van Dijk (met een voorwoord van Hero Hokwerda)
    Uitgeverij: Uitgeverij 'Ta Grammata'

    De seringenboom

    Twee jaar geleden overleed de grote broer van Toon Tellegen. In De seringenboom: herinneringen aan mijn broer haalt hij herinneringen op. Groteske herinneringen aan de tijd dat ze allebei nog thuis woonden. De verteller neemt de rol van bewonderende broer op zich die zich nergens over verbaast en zijn zes jaar oudere  broer vele heldendaden en eigenzinnige opvattingen gunt.
    Pas gaandeweg dringt door dat sprake moet zijn van schromelijk overdrijven als gevolg van een oververhitte fantasie. Heeft Toon Tellegen toch weer literatuur gemaakt van zijn familieleven.

    De seringenboom
    Auteur: Toon Tellegen
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De trooster

    Vroeger dan verwacht arriveert de in opspraak geraakte staatssecretaris van Financiën Henry Loman bij het klooster voor zijn retraite. Er wordt hem opengedaan door Jacob, de conciërge, die zich in zekere zin over hem ontfermt. Jacob groeit dankzij de komst van Loman in een rol.
    Esther Gerritsen laat hem een verteller zijn met een verlangen van doorslaggevende betekenis te zijn, maar die in wezen vooral afhankelijk en ondergeschikt is. En dus moet alles wat hij zo eenvoudig en doeltreffend weet te verwoorden met een korreltje zout genomen worden en blijkt De trooster een lijdensverhaal.

    De trooster
    Auteur: Esther Gerritsen
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus