• Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • ‘Vilein, smerig of genadeloos’

    ‘Vilein, smerig of genadeloos’

    De lezer die aan het nieuwe boek van de Vlaamse auteur Delphine Lecompte (1978) begint, is geneigd het snel weer weg te leggen. Het slaat je plat door de grofheid en de rauwheid ervan. Maar wie blijft doorlezen in het aaneengeregen relaas, vijfhonderd pagina’s lang, moet erkennen dat hier een schrijfster aan het woord is die het vak tot in de toppen van haar vingers beheerst. Of alle ellende je echt raakt is echter nog maar de vraag, maar de schrijfster lijkt daar ook niet naar op zoek. ‘Ik wil gewoon vilein, smerig of genadeloos mogen zijn,’ zei ze tegen Arjan Visser in het kader van diens rubriek de Tien geboden in Trouw (21 mei jl.).

    Ze spaart zichzelf niet in omschrijvingen als ‘anorectische drankzuchtige wereldvreemde egocentrische bipolaire navelstaarder’ die automutilatiegedrag vertoont om de pijn te verdrijven of aandacht te krijgen. We weten met wie we van doen hebben. Het boek is min of meer chronologisch opgebouwd in vier delen, een Proloog en een Epiloog.

    Vier delen

    Het eerste deel, De vagevuurjaren, gaat over de jeugd van de ik-figuur in De Panne. Met een moeder die op de hak wordt genomen en grootouders waarvan ze houdt. Het tweede deel, De gekkenhuisjaren, speelt in de psychiatrische zorg in Knokke, waarin de ik-figuur is opgenomen met een borderline persoonlijkheidsstoornis en suïcidale gedachten. Zij heeft anorexia en de hoofdpsychiater is ook graatmager. Toch klikt het niet. In het volgende deel, ‘De zuiveljaren’, heeft de ik-figuur tijdelijke baantjes gevonden op verschillende afdelingen van een supermarkt (telkens een stapje lager in de rangorde ervan) en een kantwinkel. Ze wordt telkens ontslagen, onder meer omdat ze nogal eens wat achteroverdrukt. Het vierde deel heeft min of meer de inhoud van een catharsis; Lecompte woont samen met een voormalige vrachtwagenchauffeur en debuteert als dichter en leest hier-en-daar voor uit haar bundels. Hilarisch en humoristisch is een voorleesbeurt in Friesland, een dag nadat bij haar enkele voortanden zijn getrokken en ze de s niet kan uitspreken.

    Sommige hoofdstukken zijn in eerdere versies en fragmenten gepubliceerd op de website Ooteoote en in Humo. Binnen de lange hoofdstukken werkt de auteur veel met tritsen, drietallen. Bijvoorbeeld:
    ‘De discipline zou misschien vuur worden.
    Vuur zou bezetenheid kunnen worden.
    Van bezetenheid was het een korte route naar genialiteit. Of waanzin.’

    Of, eveneens als een blok tekst ingesprongen onder elkaar als een couplet van een gedicht:
    ‘Ik woonde in een badstad en kende de zee op mijn duimpje.
    Maar je kan de zee niet kennen.
    Je moet de zee niet willen kennen.’

    En een derde en laatste voorbeeld:
    ‘De duinen waren veilig, nee niet veilig.
    De duinen waren mystiek, eerlijk en wild.
    Het was een wildheid zonder slechte bedoelingen.’

    Dergelijke tritsen geven het boek een filosofische ondertoon die na alle geraas rustpunten biedt. Ook veel mensen in dit boek hebben hun goede en slechte kanten. Zo is er de pedofiele tuinman (Lecompte is mede bekend geworden doordat ze eerder over pedofilie schreef) die als enige mededogen heeft met een buurvrouw, een bestolen, vereenzaamde Russische gravin: ‘Enkel de pedofiele tuinmaan reageerde fijngevoelig en met mededogen, hij zei: “Ach, och, ocharm”.’

    Sprookjes

    De gravin heeft iets sprookjesachtigs, de pedofiele tuinman is eerder een groteske in de traditie van de Russische literatuur: de ‘gebochelde taxidermist / tulpenkweker / paardengokker / pedofiel.’ Mensen in een wasserette worden omschreven als mensen met ‘scheve neuzen, gebroken aders, nekwratten, bloemkooloren, aangezichtstumoren, etalagebenen en horrelvoeten’. De ik-figuur schrijft dat ze van ze houdt en hun mascotte was, lelijk zoals ze zichzelf omschrijft, met haar ‘abominabele kop’.
    Ze droomt over sprookjesachtige figuren, weggelopen uit de sprookjes die haar oma vroeger voorlas. Bijvoorbeeld van mensen met vleugels. Goed en kwaad, als duivels of als engelen? Of van bomen die orakeltaal uitslaan.

    Autofictie

    Het boek is duidelijk autofictie, want de ene keer heeft de ik-figuur geen wimpers en wenkbrauwen omdat deze bij een brandje dat ze had gesticht zijn weg geschroeid. De andere keer was ze op een dag zonder wenkbrauwen opgestaan en twee weken later waren ook de wimpers verdwenen als had ze de ziekte madarose. De ene keer kan de ik-figuur niet thuis maar wel op kamp goed slapen, maar wanneer ze ‘op zeeklas’ is (vijf dagen met de klas naar zee), kan ze juist de slaap weer níet vatten.

    Het boek wordt afgesloten met een Epiloog die eerder in Humo verscheen. Dit is een realistisch verhaal van Lecompte over het veelvuldige misbruik door een nachtverpleger dat haar als twintigjarige in de inrichting is overkomen en over de vraag waarom #MeToo geen aandacht heeft voor psychiatrische patiënten die dit overkomt. Niet dat ze hen een stem wil geven: ‘Ik kan alleen mijn unieke (niet zo unieke) grimmige banale sinistere verhaal vertellen.’
    Dat verhaal geeft de strijd van de ik-figuur weer en is deels gebaseerd op de strijd die de auteur heeft gehad om uit alle ellende te komen. Als schrijver debuteerde ze met een roman in het Engels (2004) en als dichteres kreeg ze in 2010 de C. Buddingh’-prijs. Dat vraagt niet om medelijden, maar om bewondering. In de verdrietige wetenschap dat ‘de aangename beschaafde hartelijke genereuze zorgeloze persoon’ is vermoord.

     

     

  • Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Een dichtbundel geregisseerd als een film

    Een dichtbundel geregisseerd als een film

    De dichteres Delphine Lecompte (1978) debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler. Daarna volgden uitsluitend bundels poëzie in haar moedertaal die welwillend maar toch ook enigszins verbaasd door de pers zijn ontvangen. Lecompte is wel een ‘extremist’ genoemd en een dichteres van ‘volstrekt eenmalige gedichten’. Eenmalig of niet, ook met de bundel Western slaagt Lecompte er weer in de lezer te boeien. Haar lange gedichten vertellen losjes een verhaal, of anders gezegd: ze storten een vloed aan beelden, indrukken en ervaringen over de lezer uit. Of die er altijd raad mee weet valt te betwijfelen, maar een beetje poëzielezer is er helemaal mee vertrouwd dat hij of zij niet alles hoeft te begrijpen – dat we dat misschien zelfs niet eens altijd moeten willen.

    Lecompte wekt ogenschijnlijk de indruk met een samenhangend geheel voor de dag te komen. Lange gedichten, lange dichtregels, regelmatig en solide gestructureerd door middel van compacte strofen van meestal vijf of zes regels. Een verhalende opbouw, zoals blijkt uit de inhoudsopgave die bestaat uit een intro, vier delen en een ‘deleted scene’. Daarmee knipoogt Delcompte naar de cinema. Haar bundel heet immers Western en deze is ook niet geschreven door maar ‘directed by’ Delphine Lecompte.

    Steevast is een ‘ik’ aan het woord, een vrouw of meisje, Delphine genaamd.  Wat Delphine meemaakt, waarover ze fantaseert of wie ze ontmoet is echter – zacht uitgedrukt – uitzinnig.

    Ik belde steeds naar de manager van de operaster
    Hij wilde de operaster niet doorgeven
    Hij geloofde niet dat ik de operaster kon verlossen
    Van zijn tuinkabouterobsessie, zijn obsessie met de woorden ‘eendenlepel’ en ‘baknijd’
    Zijn obsessie met zilveren jachthonden, zijn obsessie met elfjarige pyromanen,
    Zijn obsessie met wijnvlekken op veertigjarige antiquairs, en zijn obsessie met Cleopatra

    ‘De manager van de operaster’ is niet de enige identificeerbare persoon die we in deze enorme gedichten tegenkomen. Tal van (meestal) mannen met typische beroepen of althans dergelijke aanduidingen bevolken Lecompte’s poëzie. En sommigen keren zelfs in meerdere bundels terug. Op twee willekeurige pagina’s passeren ‘de Schotse schapenscheerder’, ‘een zeepzieder’, ‘een ouderwetse astronaut’ en ‘een onschuldige ruimtevaarder’.  En er is, ten slotte, in de deleted scene,  ‘de analfabetische jongenshoer’ en ‘de profetische teckel’. Wat deze teckel profeteert?

    Verlaat dit land, dit land van toxische wafels
    En bloeddorstige makelaars, dit land van achterlijke maskers,
    Hebzuchtige paters, lompe schapen, tamme wolven,
    Plagiaatplegende misdaadschrijvers, en gemiste treinen.
    Jij verdient zoveel beter!

    Het moge duidelijk zijn. Voor gevoelige zielen, die op zoek zijn naar de poëtische verwoording van hun eigen kleine sentiment door een dichter die het zoveel beter kan verwoorden dan zijzelf schrijft Delphine Lecompte niet. De onstuitbare woordenvloed en beeldenrijkdom zijn overstelpend, verstikkend ook – het ‘verhaal’ voor zover aanwijsbaar, raakt er geheel door uit het zicht. En na al die groteske vergelijkingen, rauwe seks, vreemde passanten en onverwachte wendingen, is de lezer wel eens murw gebeukt. Teveel van deze poëzie achter elkaar leidt tot een slijtageslag: er treedt gewenning op, nog meer bizarre beelden, woorden, gebeurtenissen en scènes … de kracht ervan neemt af door de overvloed.
    Maar dat een hoogst eigenzinnige dichteres aan het woord is die elke denkbeeldige begrenzing achter zich gelaten heeft, is onmiskenbaar. En dat is iets om zuinig op te zijn.

     

     

  • Poëzieorgie zonder grenzen

    Poëzieorgie zonder grenzen

    Het omslagontwerp van de nieuwste bundel van Delphine Lecompte is een doeltreffende vertaling van de geschreven woorden die aan de binnenzijde te vinden zijn. Op een helder blauw fond heeft de vormgever in schreeuwerige en haast oogverblindende typografie de titel en auteursnaam neergezet. Letters als aan- en uitflitsende neonverlichting, een kakafonie van verschillende indrukken, het is precies zoals de verzen van Lecompte overkomen op de lezer.

    Dichter, bokser, koningsdochter is alweer de zesde dichtbundel van Lecompte die in 2010 met haar debuut De dieren in mij de C. Buddingh’-prijs won. Haar verzen zijn verhalend, vrijwel zonder structuur en met een veelheid aan indrukken opgetuigd. De ik-figuur is onderworpen aan verschillende angsten, overheersende machten om tegen te strijden, en probeert zichzelf daarvan te bevrijden.

     In mei leer ik een dadaïst kennen en niets verandert
    Ik blijf ongepast, ik blijf obscene gedichten schrijven
    Over sponzenverkopers en over vogelwichelaars,
    Over gekwelde okapi’s en over uitgekiende meeuwen
    Die mij vrede brengen, ik heb vrede met mijn barsheid.

    Er lijkt geen rem te zitten op deze poëzie. De verschillende strofen worden steevast bevolkt door vreemde figuren als de robuuste kreeftenkweker, de necrofiele tegelzetter, de tirannieke bontmagnaat of de charismatische kriekenvreter. Als in de apocalyptische wereld van schilder Jheronimus Bosch laat Lecompte haar personages in de meest bizarre uitdossingen op het toneel verschijnen. Een haast mystieke werkelijkheid waarin de hoofdpersoon haar weg probeert te vinden en heden en verleden tracht te overdenken.

    Die wereld wordt in krachtige zinnen beschreven. Een onafgebroken stroom vaststellingen die een bepaalde omstandigheid inleidt, om al in de volgende regels een scherpe wending te maken en in een geheel andere vorm uiteen te vallen. Slechts hier en daar is een lijn te ontdekken, maar al snel wordt de lezer weer losgelaten in een werveling van nieuwe ontwikkelingen.

    Daar waar ik een staart zou moeten hebben kust
    De oude kruisboogschutter mij innig, hij vindt niet
    Dat ik een staart mis, hij vindt toch dat ik vreselijk onvolmaakt ben
    Ik vind niet dat hij verwerpelijk is, ik vind wel dat hij een staart mist, ik bijt hem
    In de straat wordt een touwslagersvrouw gewurgd door haar bipolaire schoonbroer.

    Wanneer we opnieuw gekleed zijn zeg ik tegen de oude kruisboogschutter:
    ‘Ik wil opnieuw beginnen. Ik wil opnieuw analfabetisch zijn en dieren leren spellen…’
    ‘Welke dieren?’
    ‘Gekwelde okapi’s, balorige woelmuizen, onstuimige steenmarters, en spitsvondige orka’s.’
    De oude kruisboogschutter zucht, eet een brok gruyère, trekt mijn kleren weer uit.

    Het is de oude kruisboogschutter, die in veel gedichten opduikt als een vaste waarde, naar wie de ik-figuur telkens weer terugkeert. De man met wie ze seks heeft, die haar borsten beoordeelt en klaagt over het uitblijven van fellatio. De relatie is tweeledig: de hoofdpersoon lijkt zowel mantelzorger als geliefde te zijn. Een onaangename verhouding, waarbij lichamelijk contact en seksuele uitbarstingen haast terloops aan de oppervlakte komen, maar in iedere regel op de loer liggen.

    De verwarring in deze gedichten is tegelijk een feestelijk spel met woorden: Lecompte is een groot liefhebster van de meest surrealistische adjectieven die ze met smaak in haar verzen verwerkt. Het versterkt de verhalende kracht en maakt dat de zinnen hardop gelezen willen worden; de beste manier om te proberen greep op deze poëzie te krijgen.

    Toch krijgt de onderliggende tragiek in Dichter, bokser, koningsdochter de overhand als men zich door de hoofdstukken ‘moeder en kind’, ‘seks en werk’ en ‘liefde en brood’ heen werkt. De beschouwingen vliegen alle kanten uit en eindigen steevast in een onnadrukkelijke afloop. In de tussenliggende regels is telkens weer de speldenprik van narigheid aanwezig, de rauwe seks, al dan niet vrijwillig aangegaan door de hoofdpersoon. De zweem van kinderlijke zorgeloosheid, gecombineerd met een zakelijke vanzelfsprekendheid maakt ook ‘Ode aan pooier Benny’ tot een ongemakkelijke confrontatie:

    Benny had geen gouden tanden, maar wel een grote auto
    Met bespottelijke snufjes en onnodige airco
    Het was nooit warm die zomer, ik mocht hem pijpen tijdens het rijden
    Op de achterbank lag een zwaarlijvige pointer Pipo genaamd
    Pipo was milder dan Benny, maar Benny rook lekkerder dan Pipo.

    Benny rook naar vettige diademen en Portugese zwoerdslierten
    Hij zei vaak lukrake dingen zoals: ‘Mijn moeder vond eens een punaise
    In een gestolen preitaart.’ En: ‘Ik hou van het woord assegaai.’
    En ook nog: ‘Toen ik acht was heb ik voor het eerst een zeepzieder naakt gezien.’
    ‘Ik ook, ik ook!’ Was mijn reactie op zijn voorlaatste uitspraak
    Maar hij dacht dat ik op de naakte zeepzieder doelde.

    Het razende tempo waarmee Delphine Lecompte haar enerverende leven aan de man brengt, maakt dat de lezer zich al snel verzadigd afwendt. Door de grillige opsomming van gebeurtenissen en uiterlijkheden veinst ze een soort luchtigheid die echter als een zware deken over de pagina’s ligt. Het zijn vooral de terugkerende scherven seksuele confrontatie waar de dichter naar toe lijkt te willen werken: een liefdeloze blootlegging van een beschadigde ziel. En toch, gelukkig, in een volgende strofe wordt opeens een gevoeligheid aan de dag gelegd die het gevestigde beeld weer helemaal doet kantelen:

    Ik hoop dat niemand sterft vandaag
    Niemand die ik ken aan een hersenbloeding
    Of aan een bespottelijke verstikking in een marsepeinen misthoorn
    Op een verlaten parkeerterrein, vooral wij niet
    Ik hoop vooral dat wij blijven leven vandaag.

    Lecompte blijft leven, zoveel is zeker. De poëzieorgie – zoals ze haar eigen dichtkunst noemt – is een uitbundig spel met woorden waarbij de fysieke relatie met anderen telkens weer tot, nauwelijks aanraakbare, realiteit wordt gemaakt.