• Oogst week 48 – 2024

    Oogst week 48 – 2024

    Augustusblauw

    De wereldberoemde pianist Elsa M. Anderson stopt midden in een uitvoering van het Tweede Pianoconcert van Rachmaninov met spelen. Ze staat op en loopt van het podium af. Het orkest en de dirigent, het publiek in de zaal en daarbuiten: ze blijven in verwarring achter. Wat betekent het dat Elsa M. Anderson in een winkel in Athene een vrouw ziet die precies die beeldjes koopt die zijzelf had willen kopen? Dat ze zichzelf in die vrouw herkent is het begin van een reis door Europa. Ze zoekt haar dubbelganger op straat, achtervolgt haar en ontloopt haar. Augustusblauw van Deborah Levy gaat over dubbelgangers, verandering en toeval.

    Deborah Levy (1959) is een Britse schrijver van romans, toneelstukken en gedichten. Haar toneelstukken werden opgevoerd door de Royal Shakespeare Company. Haar romans Swimming Home (2011) en Hot Milk (2016) stonden beide op de shortlist voor de Booker Prize, en The Man Who Saw Everything (2019) stond op de longlist voor diezelfde prijs. Levy’s meest belangrijke dichtwerk is An Amorous Discourse in the Suburbs of Hell (1990), een gesprek tussen een engel en een accountant over spontaniteit, ambitie, logica en tevredenheid.

    Augustusblauw
    Auteur: Deborah Levy
    Uitgeverij: De Geus

    Deze brieven eindigen in tranen

    In Deze brieven eindigen in tranen van Musih Tedji Xaviere ontmoeten Bessem en Fatima elkaar op het voetbalveld. Het is liefde op het eerste gezicht, maar wel een liefde met grote hindernissen. In Kameroen zijn relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden, het is gevaarlijk om queer te zijn. Bij een inval van de politie in een homobar wordt Fatima opgepakt. Ze verdwijnt spoorloos, Bessem blijft alleen achter. Dertien jaar later, als Bessem hoogleraar is aan een universiteit, komt ze een oude vriendin tegen. Is zij de laatste persoon die Fatima heeft gezien? Bessem gaat op zoek naar haar geliefde. 

    Musih Tedji Xaviere is geboren in Njinikom in Kameroen en woont sinds een aantal jaar in Groot-Brittannië. Ze wist al vroeg dat ze schrijver wilde worden, als elfjarige, na het lezen van Charles Dickens’ Oliver Twist (1838). Als twintiger publiceerde ze zelf een young adult roman omdat er voor haar in Kameroen geen mogelijkheden waren bij traditionele uitgeverijen. Met haar debuutroman, Deze brieven eindigen in tranen, die de Pontas Prize en de JJ Bola Emerging Writers Prize won, kwam haar droom uit.

    Deze brieven eindigen in tranen
    Auteur: Musih Tedji Xaviere
    Uitgeverij: Orlando en Oxfam Novib

    Magnetisch middernacht

    Een lawine sleurt het huis van Iðunn, Lokes buurmeisje, met bewoners en al de zee in. Lokes moeder kan niet van de schok bekomen. Ze blijft Iðunn zien, gelooft dat het meisje nog leeft en blijft haar zoeken. Omdat ze weigert die zoektocht op te geven, brengt haar man haar naar een psychiatrische kliniek. Na niet al te lange tijd krijgt Loke een nieuwe moeder en een stiefzusje, Pippa. Met zijn vieren vormen ze een nieuw gezin. Op een dag zien Loke en Pippa een meisje op de helling. Is het Iðunn? Ze heeft takkenharen en lijkt op een dier. 

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde niet alleen viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar ook Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht. Haar debuutroman Twee linkerlaarzen (2008) werd genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs en de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (2016) en Flessenpost uit Reykjavik (Querido, 2019) werden beiden genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs. Ook stond Winter-IJsland op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Haar eerste dichtbundel, Wij capabelen verscheen in 2022.

    Magnetisch middernacht
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido
  • Alles wat ik lees

    Alles wat ik lees

    Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.

    Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.

    Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.

    Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.

    Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.

     

     

     

  • Wat weet ik

    Wat weet ik

    ‘Het kon zomaar zijn dat vrouwelijkheid, in de vorm die mij geleerd is, aan haar eind is gekomen’, schrijft Deborah Levy in haar ‘Living autobiography’. Zelf denk ik, terwijl ik lees over de Indonesische schrijver Basuki Gunawan, dat het zomaar kon zijn dat de geschiedenis, zoals die zich aan mij voordeed, in zijn volledigheid onvolledig is. Wat weet ik van de onafhankelijkheidsstrijd vlak na de tweede wereldoorlog in Indonesië als ik enkel de boeken van Nederlandse schrijvers daarover gelezen heb? 

    Bij de kringloopwinkel vond ik laatst een dikke bundel autobiografische werken van Hella Haasse, Het dieptelood van de herinnering. Ik begon te lezen met Zelfportret als legkaart, dat als een uitvergroot equivalent van het kleine essay, Why I Write van Orwell kan worden gezien. In haar zelfonderzoek naar wat en hoe zij als vrouw wil schrijven, komt ze tot het inzicht dat schrijven ‘niet in de eerste plaats als doel op zichzelf, als roes, als emotioneel stofwisselingsproces bedoeld is (…) maar vooral om datgene uit te drukken dat belangrijker is dan het schrijven zelf: bewust leven.’
    Haasse schreef overigens drie maal een boekenweekgeschenk. Het eerste was Oeroeg, over het einde van het Nederlandse koloniale tijdperk in Indonesië. 

    Toen viel De Parelduiker op de mat met op de cover: ‘Basuki Gunawan schreef hét vervolg op Oeroeg’. Vijf jaar na Oeroeg schreef deze Indonesische schrijver en socioloog in opleiding Basuki Gunawan (1929-2014), een feuilleton getiteld Winarta voor literair tijdschrift De stem. Over diezelfde koloniale oorlog vanuit het perspectief van een Indonesische jongeman die wraakzuchtig streed tegen het Nederlandse leger. De novelle kreeg een eervolle vermelding bij de Reina Prinsen Geerligsprijs uitreiking in 1953. Hella Haasse zat dat jaar in de jury. De novelle zal haar zeker hebben aangesproken. Al is Alfred Birney, die in De Groene Amsterdammer schrijft over Winarta, van mening dat men er in die tijd ‘nog niet aan toe was’ dat deze koloniale strijd beschreven werd door een Indonesiër. En, gaat hij verder, ‘nu feitelijk nog maar half; liever beschrijft men die zelf dan simpelweg overgaan tot het vertalen van boeken van Indonesische historici.’ Birney is het die de novelle, ‘hét vervolg’ op Oeroeg noemt. Het van een ‘hogere literair orde’ vindt dan Oeroeg

    De Australische schrijver en vertaler David Colmer schreef een prachtige bijdrage voor De Parelduiker over deze schrijver en zijn novelle. Colmer raakte in de jaren negentig met zijn gezin, wonend in Amsterdam, bevriend met het gezin van de dochter van Gunawan. Hij kreeg via haar de novelle Winarta van haar vader in handen. ‘Bas, die ik vaak was tegengekomen op familiebijeenkomsten en kende als de stille, maar beminnelijke, toegeeflijke opa’. Het is een vreemd gemiste kans dat het manuscript toen niet werd uitgegeven, hoewel toenmalig Querido uitgever Alice van Nahuys grote belangstelling had. Nadat ze een deel van Winarta in De stem had gelezen, schreef ze aan Gunawan dat ze graag in aanmerking kwam een uitgave te overwegen. Deze brief, en ook een tweede brief waarin gerept wordt van het verhaal in boekvorm te laten verschijnen, waren verkeerd geadresseerd.

    Als de brieven hem eindelijk bereiken volgen er enkele ontmoetingen met Van Nahuys om redactionele wijzigingen te bespreken. Maar dan ontvangt Gunawan in juli 1955 een brief van de uitgeefster waarin ze schrijft: ‘Ik vrees dat ik U moet teleurstellen met de mededeling, dat wij, zelfs na veranderingen in Uw manuscript WINARTA, dit niet zullen uitgeven. Niet, dat wij vinden dat het manuscript er niet beter op is geworden, maar, ik geloof, dat gezien de gespannen verhouding tussen Indonesië en Nederland, het zomin voor U  als voor ons prettig is, dat het boek nu zou verschijnen.’

    Wat de reactie van Gunawan was, is niet bekend. Hij leek me een bescheiden, aardige man, te aardig misschien. Dan nog, Gunawan was geen veelschrijver. Maar stel, zoals Birney ook overweegt in De Groene, als zijn novelle wel in de jaren vijftig in boekvorm was verschenen, dan had zijn schrijverscarrière er wellicht anders uitgezien. Lees dit intrigerende stuk van David Colmer (vertaling Hans Kloos) in De Parelduiker, waar overigens nog veel meer moois in staat. Rest mij deze novelle aan te schaffen.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).

     

     

     

  • Schrijven vanuit het oog van de storm

    Schrijven vanuit het oog van de storm

     


    Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.

    Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven. 

    Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.

     In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.  

    We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.  

    Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’


    U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?

    ‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’

    ‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’


    Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?

    ‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’


    De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar? 

    ‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’

    In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.


    U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd? 

    Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’

    Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.


    Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?

    ‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’


    In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?

    ‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’


    U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?

    ‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’


    In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?

    ‘Vanuit de samenleving  is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’


    U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?

    ‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’


    U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven? 

    ‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’

     

     


     

     

     

     

     

     

    Levende autobiografie door Deborah Levy:
    Dingen die ik niet wil weten 
    De prijs van het bestaan
    Onroerend goed
    Verschenen bij uitgeverij De Geus

     

  • Alleen achterblijven met een bananenplant

    Alleen achterblijven met een bananenplant

    Wat maakt een huis tot een thuis? In Onroerend goed, het derde deel van haar autobiografische essaytrilogie, verkent Deborah Levy de betekenis van ergens wonen. Behalve een daadwerkelijk bestaande woonplaats, staat het huis als metafoor voor een zelfstandig, creatief leven als een vrouw van middelbare leeftijd. Maar wat gebeurt er als het gedroomde huis niet overeen wil komen met de werkelijkheid?  Van origine toneelschrijfster, Deborah Levy (1959), publiceerde drie bundels korte verhalen, een gedichtenbundel en acht romans. In 2014 verscheen Dingen die ik niet wil weten, het eerste deel van haar essaytrilogie, en in 2019 het tweede deel De prijs van het bestaan. Daarin vertelt Levy over haar schrijvend leven als een gescheiden moeder van twee jonge kinderen, wonend in een aftandse flat in Noord-Londen. Onroerend goed bouwt verder op de thematiek van de twee eerdere autobiografische essays. Levy, nu bijna zestig, wordt geconfronteerd met de volgende veranderingen in haar leven.

    De lange weg van vrouwen

    Haar jongere dochter gaat het huis uit en Levy blijft met een bananenplant alleen achter. Haar dromen heeft ze nog: een ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’ die ze vult met een oud huis met een granaatappelboomgaard en uitzicht op de zee en voorwerpen die dierbaar voor haar zijn. Als tussentijdse oplossing huurt ze een schuur waarin ze kan schrijven. Maar ook dat blijkt tijdelijk: de krasse eigenares in wier tuinschuur Levy schrijft verkoopt haar huis en Levy moet uitwijken naar een nieuwe schuur. Dat gaat niet zonder horten en stoten, want eerst moet ze haar bezittingen uitspitten. Die brengen oude herinneringen naar boven die haar bewust maken van de lange weg die vrouwen moeten afleggen om een zelfstandig bestaan te leiden en niet louter ‘voor het geluk van anderen’ leven. 

    Ze reist naar een literair festival in Mumbai, naar Parijs waar ze een fellowship heeft, naar Berlijn om een vriendin te ontmoeten en naar een villa in Griekenland. Onderweg laat ze zich gidsen door de werken van onder meer Virginia Woolf, Marguerite Duras, Georgia O’Keeffe en James Baldwin, net zo goed als door vrienden. Aan kritische vriendinnen heeft ze geen gebrek, maar het is de ultiem relaxte ‘beste mannelijke vriend’ die haar de nodige spiegel voorhoudt. Terwijl hij, net zoals zij, een bende van zijn leven maakt, ziet Levy aan hem wat zij niet is. ‘Hij en ik [zaten] aan elkaar vast, in voor- en tegenspoed, armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid.’

    Een parallel leven

    In een interview merkte Levy op dat haar boeken geen manifesten zijn, ondanks dat ze veel over de positie van vrouwen schrijft en vaak gezien wordt als een feministische schrijfster. Haar essays zijn herinneringen, memoires, gebaseerd op de persoonlijke situatie van een ik-verteller die op Levy lijkt maar niet met haar samenvalt. In Onroerend goed gaat het dan vooral om de omstandigheden waarin een ouder wordende vrouw leeft en droomt. Haar ingebeelde huis is een bescheiden utopie, een droom met ongeveer realistische afmetingen, een plek waar zich thuis en warm te voelen – een droom die er is om oude dingen in een nieuw licht te kunnen zien. Die droom heeft ze hard nodig:
    “Sterker nog,” zei ik, “ik draag dat huis al mijn hele leven met me mee.”
    “Dat moet loodzwaar zijn,” luidde Agnes’ reactie. “Waarom laat je het niet los?” Ik gebaarde met mijn sigaret naar haar voeten. “Nooit! Als ik dat huis niet had om naar uit te kijken zou ik instorten.”‘

    Parabel over een schrijvend leven

    Het gedroomde huis, ofwel het ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’, verleent onderdak voor al haar spullen. De revue passeren caractèreschoenen, zijden nachtponnen, houten speelgoedpaarden, elektrische fietsen – en die ene bananenplant, die volgens haar dochter ‘het derde kind’ is. ‘Ik was spullen voor een parallel leven aan het verzamelen, of een leven dat nog niet was geleefd, een leven dat nog gecreëerd moest worden. In zekere zin leken deze voorwerpen op de vroege versies van een roman.’ 

    Zo wordt Onroerend goed – naast al het andere – een boek over een boek, of een boek in een boek. Dat maakt deze afsluiting van Levy’s essaytrilogie tot een slim parabel over een schrijvend leven, waarin dromen kans maken om werkelijkheid te worden – als tekst. Maar Levy laat niet bij een literair-filosofische verkenning naar de reikwijdte van literatuur. Zij zet zichzelf met al haar grillen en onhebbelijkheden in het spel. Dat maakt Onroerend goed tot een uiterst benaderbaar én smeuïg verhaal, waarin je als lezer de stem van Levy hoort, in alle toonaarden.