• Nergens zo intens geleefd

    Nergens zo intens geleefd

    Wat voor vrouw was je moeder voordat je werd geboren? In De tuinen van Buitenzorg verkent Jan Brokken deze – intrigerende –  vraag aan de hand van de brieven die zijn moeder uit Nederlands-Indië schreef aan haar zuster in Nederland. Hij krijgt ze, samen met foto’s, van zijn tante: ‘“Jij,” zei ze, “bent nog altijd op zoek naar je moeder.” En ze voegde er bijna pinnig aan toe: “En jij hebt nog altijd niet ontdekt wie ze eigenlijk was.”’ Eén foto staat op het omslag: een grote blonde vrouw zit op een kleine Arabische volbloed, mouwloze blouse, stevige kuiten. Ook het paard lijkt in de lens van de camera te kijken. Privébrieven en foto’s, materiaal voor een kleine familiegeschiedenis lonkt, maar Brokken verbindt met speels gemak petit histoire met muziekgeschiedenis en politieke geschiedenis tot een intiem, leerzaam en enerverend boek.

    Emigratie

    Dat blijkt meteen uit de eerste hoofdstukken waarin de ‘Java suite’ van componist Leopold Godowsky wordt geïntroduceerd. Brokken zoomt in op het derde deel daarvan, ‘De tuinen van Buitenzorg’. Buitenzorg is vanwege de hogere ligging koeler dan het nabije Batavia. Als Olga en Han Brokken in 1935 verhuizen naar Nederlands-Indië om een nieuw bestaan op te bouwen, vinden zij daar in een pension onderdak. Han is theoloog, een bijzondere keuze voor een zoon uit een areligieus gezin. Hij heeft de opdracht meegekregen om in Makassar onderzoek te doen naar islamitische bekeringsbewegingen die het nationalisme onder de bevolking voeden. Een belangrijke sleutelpositie in dit onderzoek neemt La Galiti in. Hij wordt door de Nederlanders gewantrouwd: is hij werkelijk de man die zich tot het christendom heeft bekeerd of speelt hij een dubbelrol? La Galiti is één van de nevenpersonages die het boek kleur geeft.

    Pensionleven

    De hoofdpersoon is Olga. Zij leidt naar eigen zeggen in Buitenzorg een ‘pensionleven’. Een bewuste keuze, want ‘ga je direct in een eigen huis wonen, dan zit je daar als twee vergeten burgers’. Door het pensionleven, het delen van de middag- en avondmaaltijd met anderen, leert ze al snel veel mensen kennen. Daarnaast leert ze Maleis van haar leraar die haar ook wegwijs maakt in de Plantentuin, zodat ze de namen van bomen, planten en bloemen leert die in de kolonie groeien. Nog belangrijker is, later, haar ontmoeting met professor Cense. Van hem leert ze Makassaars en Boeginees. Ze sluiten vriendschap, hij wordt zelfs haar vertrouwenspersoon.  Tot slot krijgt ze ingang in de inheemse samenleving dankzij haar naailessen aan Makassaarse vrouwen. Olga leidt een vol en onbezorgd bestaan, al is er ook een gevoel van eenzaamheid als haar man op dienstreis is. En die hitte! Maar wat vooral opvalt is de gulzige, leergierige blik waarmee ze om zich heen kijkt. Soms adviseert ze haar man – ze ziet bijvoorbeeld kansen om de Toradja’s voor het christendom te interesseren – en ze is nieuwsgierig naar niet-christelijke religieuze gebruiken, zoals de dodencultus van de Toradja’s, de babybomen:

    ‘Toradja’s plaatsen overleden baby’s, gewikkeld in een matje van vredespalmvezels, in een verticale holte in een boomstam. Het ritueel gold alleen baby’s van wie de tandjes nog niet waren doorgekomen. Gekozen werd voor een boom die, als je de stam inkerft, een melkachtige witte vloeistof afscheidt, een substituut voor de moedermelk. De boom groeide om het lijkje heen en beschermde de ziel van het kind tegen boze geesten.’

    Afstand en nabijheid

    Afwisselend noemt Brokken haar Olga en ‘mijn moeder’. Brokken kiest voor de laatste aanduiding wanneer passages een intiemer karakter krijgen. Zo is het ‘mijn moeder’ die in 1983 overleed aan de gevolgen van een hartziekte die ze in het jappenkamp had opgelopen. Wanneer het je opvalt zie je dat Brokken laveert tussen afstand en nabijheid, tussen Olga en moeder, een spannend en kwetsbaar spel. Ondertussen hangt de grote geschiedenis  – voor de lezer uit de 21e eeuw –  als een donderwolk boven het dagelijkse dat in de brieven de boventoon voert. Het persoonlijk verdriet van het te vroeg geboren eerste kind, Noortje, dat slechts drie dagen mag leven, het geluk bij de volgende geboortes: Boris en Michiel. Het is wachten op het moment dat op dramatische wijze het evenwicht onderuit wordt gehaald, de aanval van Japan op Nederlands-Indië. Han wordt bij het Nederlands leger gevoegd als geestelijk verzorger ‘om de doden te begraven en de gewonden bij te staan’. De gevechten duren kort en Han wordt gevangengenomen.

    Niet veel later wordt ook Olga, samen met zoveel andere Europese vrouwen, gearresteerd en naar een krijgsgevangenkamp overgebracht. De vrachtwagens met gevangen vrouwen en kinderen werden door Makassaarse en Boeginese vrouwen met stenen bekogeld. Het schokte Olga enorm, het joelende plezier waarmee zij dit deden en ‘ze vroeg zich de rest van haar leven af wat ze fout had gedaan’. Het gezin overleeft de oorlog en in 1947 keert het terug naar Nederland. Daar wordt Jan Brokken in 1949 geboren. Pas naderhand krijgt Olga een scherper oog voor de koloniale verhoudingen, en de ongelijkheid tussen kolonie en Nederland. Bijvoorbeeld op het terrein van muziek: ‘“Iedereen had wel iets met Indië, maar niemand had achting voor wat uit Indië kwam,” zei mijn moeder al.’

    Die vrouw, de keurige echtgenote van een dominee in het Hollandse dorp Rhoon, blijkt in Nederlands-Indië een avontuurlijk en idealistisch bestaan te hebben geleid. Ze vertrouwde haar jongste zoon eens toe dat ze ‘nergens zoveel geleden’ had en ‘nergens zo intens geleefd’. Dat laatste kreeg de nadruk. Misschien is dat voor een zoon het grootste geschenk om te krijgen in zijn zoektocht naar zijn moeder. Ze was niet alleen moeder, ze was ook Olga – een vrouw om verliefd op te kunnen worden –  en ze had echt geleefd, echt intens geleefd.

     

  • Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij