• Oogst week 11 – 2024

    Na de zon

    De Nobelprijs heeft de Deense schrijver Jonas Eika (1991) nog niet gewonnen. Maar ‘die andere Scandinavische onderscheiding’ staat al wel op zijn naam: de Nordic Council Literature Prize. Hij dankt die prijs aan de verhalenbundel Efter solen. Sinds februari dit jaar ligt de Nederlandse vertaling door Michal van Zelm – Na de zon –  in onze winkels. Zelfs overzees scoort het boek van Eika; een klein gedeelte van Na de zon verschijnt als feuilleton in de New Yorker. Ook zijn debuutroman Lageret Huset Marie levert hem al literaire prijzen op in Denemarken. Jonas Eika komt eraan.

    De titel – Na de zon – anticipeert op een duistere inhoud. Wat bevindt zich immers achter die allesverwarmende en -verlichtende ster, behalve het eeuwige donker? Bovendien prijzen recensenten Eika’s dierlijke stijl, die zindert van lichamelijkheid. In dit werk beziet Eika het leven van Londenaren, Amerikanen, Mexicanen en Denen, die allen om andere redenen de veranderende wereld proberen te begrijpen, vaak tevergeefs. De meeste personages zijn weliswaar ongelovig, het mystieke blijft hen aantrekken. Net als seks, uiteraard. En of dit alles nu zijn doel bereikt of voorbijschiet: het levert prachtige verhalen op! Na de zon, voor de lezer.

    Na de zon
    Auteur: Jonas Eika
    Uitgeverij: Koppernik

    Landziek

    Wie zeeziek wordt, moet gewoon even stevig over zijn nek gaan. Probleem opgelost. Oh ja, en van boord gaan, natuurlijk. Want landziekte, daar heeft geen sterveling last van. Of toch wel? Sommige ziekten zijn niet op te lossen, zelfs niet met een simpele vaccinatie. Neerlandica Mariëlle Selser ondervindt dit aan den lijve en schrijft erover in haar medische geschiedenis Landziek. Ze lijdt aan ME/CVS, wat staat voor myalgische encefalomyelitis en het chronische vermoeidheidssyndroom. Deze ziekte is niet aangeboren en overvalt Selser in 2011 als een beroerte die haar tot op heden parten speelt. Praten, schrijven, bewegen: alles kost moeite.

    Vanaf het moment van verschijnen kent Selsers boek een grote lezersschare. Mensen met longcovid, bijvoorbeeld, herkennen zich in haar verhaal. Wat te doen, als je niet meer volwaardig mee kunt draaien als voorheen? Landziek is meer dan de tegenhanger van zeeziekte. Hoe laconiek de Nederlandse overheid omgaat met bepaalde ziekten, hekelt Selser. Zelfs de wetenschap tast wat ME/CVS aangaat, in het duister. De ‘hersenmist’ waar meerdere patiënten last van hebben, wordt dichter en dichter en trekt zelden meer op. Ongelooflijk eigenlijk, dat Selser desondanks Landziek wist te schrijven.

    Landziek
    Auteur: Mariëlle Selser – een medische geschiedenis
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    Wat wij verzwijgen

    Stille wateren, diepe gronden. Als deze uitdrukking nog niet bestond, was hij speciaal voor de familie van Aisha Dutrieux in het leven geroepen. In haar autobiografische roman – Wat wij verzwijgen – staat de zwijgzaamheid van een Nederlands-Indische familie centraal. Eerder schreef Dutrieux al Het leven noemen en Wees niet bang. Ook geniet ze bekendheid als Volkskrantcolumniste en heeft ze een carrière als rechter achter de rug. Beroepsdeformatie of niet: in Wat wij verzwijgen stelt Dutrieux zich eveneens neutraal en objectief op richting haar oom. Met het oog op wat hij haar geflikt heeft en hoe de familie hierop reageert, mag dat een wonder heten.

    Wat wij verzwijgen verenigt een oud cliché met een nieuwe maatschappelijke tendens. Enerzijds gaat de roman over grensoverschrijdend gedrag, dat het meest in familiesferen voorkomt. Anderzijds bestrijdt Dutrieux een cliché, hardnekkig als het koloniale verleden: de ‘zwijgzame Indiër’. Haar familie houdt zich weliswaar koest over het misbruik van hoofdpersoon Mia, zelf doorbreekt zij dit doodzwijgen als ze haar ooms oude huis doorzoekt. Ze spreekt hem toe, oordeelloos, moedig. In dat opzicht doet Wat wij verzwijgen denken aan De tolk van Java, geschreven door Alfred Birney. Geen afrekening, maar een verrekening.

    Wat wij verzwijgen
    Auteur: Aisha Dutrieux
    Uitgeverij: Spectrum
  • Het fenomenale is ver te zoeken

    Het fenomenale is ver te zoeken

    Van Alfred Birney, winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2017, verscheen recent De fenomenale meerval en andere verhalen, een selectie uit de verhalen die hij in de afgelopen dertig jaar geschreven heeft en voor deze uitgave deels herzien werden.
    Toen Alfred Birney debuteerde in 1987 met de roman Tamara’s lunapark, waren er al verschillende verhalen van hem verschenen. In De fenomenale meerval zijn achttien verhalen opgenomen die al eerder gepubliceerd zijn tussen 1984 en 2005 en een recenter verhaal uit 2009. De verhalen sluiten thematisch deels aan bij De tolk van Java, de roman waarvoor Birney de Libris Literatuur Prijs kreeg, en daarmee de erkenning waar hij al zo lang op wachtte. Tot die tijd was het voor hem sappelen in de marge.

    Negatief zelfbeeld

    De tolk van Java is vooral een persoonlijke afrekening met zijn vader en de verwerking van een traumatische jeugd. Birney geeft gedetailleerd weer welke rol zijn vader in Indonesië vertegenwoordigde en in welke mate dat de gewelddadigheden tegen zijn vrouw en kinderen veroorzaakt heeft. Het lijkt erop alsof Birney daarmee begrip voor zijn vader probeert op te wekken.
    Deze thema’s komen ook voor in De fenomenale meerval, samen met een onbereikbare liefde, een negatief zelfbeeld en het niet gezien worden (letterlijk en figuurlijk) vormen de leidraad in de verhalen.

    Voor een belangrijk deel van die verhalen geldt dat ze niet alleen achterhaald, maar bij tijd en wijlen antiek zijn. Voor andere dat ze moeizaam verteld, anekdotisch zonder diepere achtergrond en stilistisch zwak zijn. De verhalen bevatten onhandige zinsconstructies, beeldspraak die vaak vergezocht is, vreselijk veel details die in de meeste gevallen niet ter zake doen en overbodig zijn. Uit een interview met Birney blijkt dat een groot deel van De tolk van Java geschrapt is; dat had bij deze verhalen ook moeten gebeuren.

    Vergezochte metaforen

    Neem nou een zin als: ‘Een rood stoplicht hing betraand achter het linkermaantje van de voorruit, dat de ruitenwisser buiten zijn boog hield.’ Wat staat hier. Wat betekent dit. Wat voor wereld roept dit op? Of deze: ‘Hij voelde zich alleen en wist dat zij zich ook alleen voelde, ze moesten beide ergens anders zijn met hun gedachten, of bij een ander, al zouden hun lichamen toch samen die ontspanning bereiken.’ Hè? Over moeizaam formuleren gesproken. Hoe weet je dat iemand anders zich ook alleen voelt? Hangt dat in de lucht, staat dat op een voorhoofd geschreven?
    En dan dat steeds terugkerende, er met de haren bijgesleepte thema van de meerval: de geheimzinnige vis, die in een aantal verhalen opduikt, of zo je wilt onderduikt. Wat wil Birney hiermee? Het lijkt erop dat hij deze vis als het symbool ziet van zijn onderdrukte en onbegrepen zelf. Hij ziet zichzelf als het geheimzinnige wezen dat een meerval is: hij duikt op onverwachte momenten op, en is voor een groot deel onzichtbaar.

    Er staat een uitzondering in deze bundel: een wat langer verhaal, in drie delen, getiteld Sonatine. Daar zit zowaar een (omgekeerde) ontwikkeling van het hoofdpersonage in, daar worden achtergronden, beweegredenen en motieven verduidelijkt, daar is een glimp van de schrijver die Birney blijkbaar ook is, te bespeuren.

     

  • Opgroeien met een vader die Nederlands-Indië ontvluchtte

    Opgroeien met een vader die Nederlands-Indië ontvluchtte

    Een man raakt de verschrikkingen van zijn kindertijd niet kwijt. Waarom was zijn vader zo’n gewelddadige sadist? Zo’n onberekenbare, grofgebekte en ongenaakbare paranoialijder? ‘They fuck you up, your mum and dad‘, zo luidt een beroemde regel van Philip Larkin, en dit boek presenteert een bloedstollende, dubbele geschiedenis van dat mechanisme in extreme vorm.

    Vader heette Arto of Arend, en de kinderen noemden hem ‘de Arend’; dichterbij dan met deze bijnaam kwamen ze niet. Ze werden uit huis geplaatst toen de buitenwereld de kwetsuren eindelijk niet langer negeerde. De verteller van dit verhaal, Alan, is dan een tiener. De machteloze moeder vind het allang best; voor haar eindigt daarmee het huwelijk waarin zij zit opgesloten.

    De geschiedenis
    Vader was een ‘Indo’, een Indische Nederlander. Geboren in Soerabaja in 1925 als buitenechtelijk kind van een ‘Indo’, die het maatschappelijk ver geschopt had en zijn kinderen weigerde te erkennen. Door zijn moeder, tante en broers wordt Arto hardvochtig en gewelddadig grootgebracht: de zweep, de rotanstok, pakken ransel en velerlei kleineringen vormen het regime. De jongen moet een vent worden: laten we citroensap in zijn ogen druppelen, daar wordt hij groot en sterk van!

    Een marginale en gediscrimineerde figuur (als onecht kind; als ‘Indo’ in de racistische koloniale samenleving; als verschoppeling in het gezin) die aan zijn beproevingen een groot incasseringsvermogen en een meedogenloze vechtlust overhoudt, plus de verbeten drang Nederlander te zijn. Dat komt hem van pas op school, op het werk, tijdens de Japanse bezetting en na de bevrijding. De Japanners zijn verdreven maar een nieuw gezag nog niet is gevestigd; de Nationalistische opstand en de daarop volgende ‘politionele acties’ waarmee het Nederlandse leger de koloniale verhoudingen probeert te herstellen. Dit zijn jaren waarin Arto zich kan bewijzen als soldaat en als tolk (hardhandige ondervrager annex beul in dienst van de militaire inlichtingendienst), spion, moordenaar en uitvoerder van eigengereide wraakacties.

    In de jaren ’60 verscheen de zogenaamde ‘excessennota’ over alles wat er aan misdragingen en misdaden heeft plaatsgevonden tijdens de politionele acties van het Nederlandse leger. Onlangs nog kende een Nederlandse rechter schadevergoedingen toe aan Indonesische vrouwen die toentertijd waren misbruikt. Het heeft lang geduurd eer men in Nederland schoorvoetend onder ogen zag wat zich in ‘ons Indië’ had afgespeeld. De voortgaande belangstelling voor de periode ’45-’49 geeft dit boek een toegevoegde waarde. Het relaas van de vader maakt het begrip ‘excessen’ op rauwe wijze aanschouwelijk.

    Als Arto inziet dat het tij keert en de nationalisten aan het langste eind zullen trekken, besluit hij met Nederlandse soldaten mee te ‘repatriëren’ naar een vaderland waar hij nog nooit is geweest. Hij gaat naar een correspondentievriendin in Helmond. Ze trouwen en krijgen vijf kinderen. Dan toont de Arend zijn klauwen. Ook in Nederland voelt hij zich niet veilig voor eventuele wraakacties. Stond hij in Indonesië niet op een dodenlijst, nota bene ondertekend door Soekarno? Hij slaapt met een dolk onder zijn hoofdkussen, de dolk die hem in zijn geboorteland goede diensten heeft bewezen.

    De roman
    In deze roman beslaan jeugd en militaire verrichtingen van Arto enkele honderden bladzijden. Daarin leren we een geestesgesteldheid kennen (plus een historische periode) waarin geweld, onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons, normaal en noodzakelijk wordt geacht. Verschuilt een vrijheidsstrijder zich achter een moeder met haar baby? Schiet dan dwars door moeder en kind heen, dan ontkomt de pelopor niet. Arto is in zijn element en zijn superieuren geven blijk van hun waardering. Eindelijk!

    De memoires van de vader liggen ingebed tussen drie delen genaamd ‘Spekkoek’. Waarom ‘Spekkoek’? In deze delen is voornamelijk de oudste zoon aan het woord, en verder ook diens moeder en broers. Gaat het om de afwisseling van licht en donker? In deze gedeelten komen de wittebroodsweken van vader en moeder ter sprake, de jeugd in herrijzend Nederland, de tijd in het kindertehuis, de voorzichtige toenadering tussen zoon en vader daarna, vrouwengeschiedenissen van vader, de gitaarmuziek die voor ‘Indo’s’ zo’n belangrijke rol speelde en het opgroeien met al die vragen, al die woede, al die wrok. En met de beschadigingen, en de moeite die het kost daar mee te leren leven. ‘Ik ben niet moordzuchtig, Pa, maar je hebt het wel verdiend om alsnog door mij eigenhandig het ziekenhuis in te worden geschopt.’
    Interessant is ook het tijdsbeeld: Nederland in de jaren vijftig, het contrast tussen de Hollandse en ‘Indische’ leefvormen.

    Na zijn pensionnering verhuist vader naar Spanje, waar het klimaat hem doet denken aan dat in Soerabaja. Daar sterft hij in 2005. Zijn as zal ooit door de verteller worden uitgestrooid in Indonesië. ‘Als ik de as van mijn vader over dat water ga uitstrooien, dan zal ik even oud zijn als hij toen hij zijn memoires af had. Lang heb ik als een gek zijn waanzin bevochten. Nu ben ik een vermoeide brug die zich over een verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te zien. Ik vecht niet langer, ik hou ermee op’.
    Met andere woorden, geen verzoening, geen vergeving (hoewel: zie het In Memoriam voorin het boek), geen alles-vergoeilijkend ‘begrip’. Gelukkig maar, want de zoon ziet terug op een leven vol barrières, vol blokken aan het been, een tamelijk eenzaam leven.

    Hartebloed
    Wat heeft Alfred Birney, van wie schrijver dezes tot zijn schande nog nooit had gehoord, een rijk en indringend verhaal gepubliceerd! Wat een fascinerende stof! Geen inkt maar hartebloed. Vergelijk dat eens met de vaak zo magere inhoud van menig Nederlandse roman. We hebben hier te maken met een monument voor twee levens: dat van de vader en van de zoon. Couperus zou er tweeduizend bladzijden in hebben gestoken, Alberts tweehonderd, Birney gebruikt er vierhonderdzestig. Enerzijds te veel, anderzijds te weinig, want juist de zoon in zijn volwassen leven had meer aandacht verdiend.
    Je moet een sterke maag voor dit boek hebben maar Birney’s roman is een heel bijzonder en indrukwekkend boek.