• De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Oogst week 12 – 2024

    Verzet

    In Verzet schrijft Chris Keulemans (Tunis, 1960) over de strijders, de denkers, de slachtoffers en de leiders die hij ontmoet. ‘Het moment dat mensen tot verzet overgaan fascineert me. Wanneer klikken ze wakker? Wanneer kookt het onrecht over? Wat hebben ze nodig om in actie te komen – en wie? Wie worden de leiders, wat kenmerkt ze en heeft de beweging ze nodig?’ En: ‘hoe ontstaat de verbeelding van een wereld waarin de vijand niet bestaat?
    Overal zie ik mensen in verzet komen. Het onrecht valt ze van alle kanten aan. Ze weten niet waar ze moeten beginnen. Van een betere toekomst durven ze niet eens te dromen. Maar ze komen overeind. Ze zoeken bondgenoten. Grimmig verzet is het vaak, ontstaan uit wanhoop, woede en lijfsbehoud. Gedoemd te mislukken. Onmogelijk te weerstaan. Zoals in mijn geboortestad.’

    Keulemans schrijft al jaren over kunst, engagement, migratie, muziek, cinema en oorlog in boeken, kranten en tijdschriften (o.a. de Volkskrant, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer). Voor zijn publicaties reisde hij de hele wereld rond. In 2021 kwam zijn boek Gastvrijheid uit bij Uitgeverij Jurgen Maas waarin hij op zoek gaat naar de kunst van de gastvrijheid. Deze week verscheen bij dezelfde uitgeverij Verzet. Het boek wordt op zondag 24 maart a.s. gepresenteerd bij Boekhandel van Noord op het Buikslotermeerplein in Amsterdam. Daar zal hij geïnterviewd worden door Massih Hutak. Hutak is rapper en schrijver, zet zich in voor leesbevordering en geeft rap- en schrijfworkshops.

     

    Verzet
    Auteur: Cris Keulemans
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Nu in november

    Met haar roman Nu in november die oorspronkelijk in 1934 in de Verenigde Staten verscheen won Josephine Johnson een jaar later de Pullitzer Prijs voor fictie. Ze was toen 24 jaar.

    Nu in november is het verhaal van een gezin – vader, moeder en drie dochters – dat van de stad naar het platteland verhuist om een nieuw leven op te bouwen.

    […] ‘We verhuisden onze bedden mee in de huifkar. De auto was verkocht, evenals het leeuwendeel van onze inboedel. We hadden ons andere leven achtergelaten alsof het nooit had bestaan. Alleen wat we vanbinnen met ons meedroegen, de dingen die we hadden gelezen en in ons geheugen hadden opgeslagen, reisde met ons mee, samen met de boeken die we drie generaties lang hadden verzameld maar niet konden verkopen omdat de aarde al tot haar knieën in de boeken waadde. We verruilden een wereld die in de knoop zat, in de war was en zichzelf overschreeuwde voor een omgeving die even hard was en mensen net zo goed kon dwarsbomen of verjagen, maar waar je er ten minste iets voor terugkreeg. Dat gold voor de oude dan weer niet.’ […]

    Het leven op het platteland is zwaar, en er breekt een tijd van grote droogte aan.
    Nu in november is niet alleen het verslag van die moeilijke tijd door de ogen van een van de dochters, maar vertelt ook over klasse, ras, en klimaat en is daardoor nog steeds actueel.

    Nu in november
    Auteur: Josephine Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    De Parelduiker, 2024/1

    In het eerste nummer van dit jaar van De Parelduiker is het de beurt aan Julien Ignacio (Goudjakhals) om antwoord te geven op de door De Parelduiker aan jonge schrijvers gestelde vraag welke boeken of schrijvers op hen van invloed zijn (geweest), en op welke manier.

    Reinjan Mulder beschrijft de Amsterdamse jaren van de Duitse exilschrijfster Grete Weil: haar pijnlijke ervaringen als fotograaf in de Beethovenstraat, en haar onderduik in de stad. Nu de Hollandse Schouwburg, waar zij bij de Joodse Raad werkte, weer als gedenkplaats zijn deuren opent, vraagt Mulder zich af: hoe heeft Grete Weil zich twaalf jaar lang in Amsterdam staande gehouden?

    Voorts o.a.:
    – Als je geen toekomst hebt, stem je op het verleden’. Bulgaarse dichters en een nabije oorlog in Sofia (Jan Paul Hinrichs)
    -‘Huizen storten in, liefde verbleekt’. Rolland, Zweig en Martin du Gard boven het strijdgewoel (Bart Slijper)
    – In de rubriek De Laatste pagina: John Albert Jansen, 1954-2024 (Anton de Goede)
    – In de rubriek ‘Schoon en haaks’: Jan Paul Hinrichs bespreekt marginale uitgaven van en over Hein van der Hoeven & Diederik Gerlach, Harry Mulisch, Frieda Koch & Lucebert, Thomas Rosenboom, Ramón Gómez de la Serna, Hans Kleiss, Maurice Gilliams en F.C. Terborgh.
    – En nog veel meer.

    De Parelduiker, Tijdschrift over schrijvers, literatuur en hun geschiedenis
    Uitgever Van Oorschot
    Losse nummers €14,50
    Jaarabonnement €59,50 (digitaal: €36,75).

     

    De Parelduiker, 2024/1
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Wat weet ik

    Wat weet ik

    ‘Het kon zomaar zijn dat vrouwelijkheid, in de vorm die mij geleerd is, aan haar eind is gekomen’, schrijft Deborah Levy in haar ‘Living autobiography’. Zelf denk ik, terwijl ik lees over de Indonesische schrijver Basuki Gunawan, dat het zomaar kon zijn dat de geschiedenis, zoals die zich aan mij voordeed, in zijn volledigheid onvolledig is. Wat weet ik van de onafhankelijkheidsstrijd vlak na de tweede wereldoorlog in Indonesië als ik enkel de boeken van Nederlandse schrijvers daarover gelezen heb? 

    Bij de kringloopwinkel vond ik laatst een dikke bundel autobiografische werken van Hella Haasse, Het dieptelood van de herinnering. Ik begon te lezen met Zelfportret als legkaart, dat als een uitvergroot equivalent van het kleine essay, Why I Write van Orwell kan worden gezien. In haar zelfonderzoek naar wat en hoe zij als vrouw wil schrijven, komt ze tot het inzicht dat schrijven ‘niet in de eerste plaats als doel op zichzelf, als roes, als emotioneel stofwisselingsproces bedoeld is (…) maar vooral om datgene uit te drukken dat belangrijker is dan het schrijven zelf: bewust leven.’
    Haasse schreef overigens drie maal een boekenweekgeschenk. Het eerste was Oeroeg, over het einde van het Nederlandse koloniale tijdperk in Indonesië. 

    Toen viel De Parelduiker op de mat met op de cover: ‘Basuki Gunawan schreef hét vervolg op Oeroeg’. Vijf jaar na Oeroeg schreef deze Indonesische schrijver en socioloog in opleiding Basuki Gunawan (1929-2014), een feuilleton getiteld Winarta voor literair tijdschrift De stem. Over diezelfde koloniale oorlog vanuit het perspectief van een Indonesische jongeman die wraakzuchtig streed tegen het Nederlandse leger. De novelle kreeg een eervolle vermelding bij de Reina Prinsen Geerligsprijs uitreiking in 1953. Hella Haasse zat dat jaar in de jury. De novelle zal haar zeker hebben aangesproken. Al is Alfred Birney, die in De Groene Amsterdammer schrijft over Winarta, van mening dat men er in die tijd ‘nog niet aan toe was’ dat deze koloniale strijd beschreven werd door een Indonesiër. En, gaat hij verder, ‘nu feitelijk nog maar half; liever beschrijft men die zelf dan simpelweg overgaan tot het vertalen van boeken van Indonesische historici.’ Birney is het die de novelle, ‘hét vervolg’ op Oeroeg noemt. Het van een ‘hogere literair orde’ vindt dan Oeroeg

    De Australische schrijver en vertaler David Colmer schreef een prachtige bijdrage voor De Parelduiker over deze schrijver en zijn novelle. Colmer raakte in de jaren negentig met zijn gezin, wonend in Amsterdam, bevriend met het gezin van de dochter van Gunawan. Hij kreeg via haar de novelle Winarta van haar vader in handen. ‘Bas, die ik vaak was tegengekomen op familiebijeenkomsten en kende als de stille, maar beminnelijke, toegeeflijke opa’. Het is een vreemd gemiste kans dat het manuscript toen niet werd uitgegeven, hoewel toenmalig Querido uitgever Alice van Nahuys grote belangstelling had. Nadat ze een deel van Winarta in De stem had gelezen, schreef ze aan Gunawan dat ze graag in aanmerking kwam een uitgave te overwegen. Deze brief, en ook een tweede brief waarin gerept wordt van het verhaal in boekvorm te laten verschijnen, waren verkeerd geadresseerd.

    Als de brieven hem eindelijk bereiken volgen er enkele ontmoetingen met Van Nahuys om redactionele wijzigingen te bespreken. Maar dan ontvangt Gunawan in juli 1955 een brief van de uitgeefster waarin ze schrijft: ‘Ik vrees dat ik U moet teleurstellen met de mededeling, dat wij, zelfs na veranderingen in Uw manuscript WINARTA, dit niet zullen uitgeven. Niet, dat wij vinden dat het manuscript er niet beter op is geworden, maar, ik geloof, dat gezien de gespannen verhouding tussen Indonesië en Nederland, het zomin voor U  als voor ons prettig is, dat het boek nu zou verschijnen.’

    Wat de reactie van Gunawan was, is niet bekend. Hij leek me een bescheiden, aardige man, te aardig misschien. Dan nog, Gunawan was geen veelschrijver. Maar stel, zoals Birney ook overweegt in De Groene, als zijn novelle wel in de jaren vijftig in boekvorm was verschenen, dan had zijn schrijverscarrière er wellicht anders uitgezien. Lees dit intrigerende stuk van David Colmer (vertaling Hans Kloos) in De Parelduiker, waar overigens nog veel meer moois in staat. Rest mij deze novelle aan te schaffen.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).

     

     

     

  • Oogst week 27 – 2021

    Een modern verlangen

    Hanna Bervoets (1984) is auteur van onder meer romans, scenario’s, korte verhalen, essays en toneelstukken. Haar boeken worden regelmatig genomineerd voor belangrijke literaire prijzen. In 2017 kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Dit jaar schreef zij het goed ontvangen boekenweekgeschenk Wat wij zagen, waarvan de vertaalrechten al voor het verschijnen aan zeven landen werden verkocht. Vrijwel gelijktijdig verscheen Een modern verlangen, een bundel met veertien korte verhalen over, op het eerste gezicht, gewone mensen, vaak met een licht ironisch tintje.

    Alles in deze verhalen draait om menselijke relaties terwijl de personages zoeken naar hun plek in de wereld.

    Een modern verlangen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Osebol

    De Zweedse journalist Marit Kapla (1970) woont in Göteborg, maar komt oorspronkelijk uit Osebol, een plaatsje dat vierhonderd kilometer bij Stockholm vandaan ligt. Als tiener verliet ze het dorp en als volwassen vrouw keert ze er terug om het leven van de inwoners in kaart te brengen. De meeste bewoners zijn naar de stad vertrokken, de winkels zijn gesloten en verkeer is niet welkom op de toegangsweg naar het dorp.

    In Osebol vertelt Kapla de verhalen van de volwassenen die er nog wél wonen. Het resultaat is een meeslepende, poëtische ode aan het Zweedse platteland. In Kapla’s thuisland werden meer dan twintigduizend exemplaren van Osebol verkocht.

    Osebol
    Auteur: Marit Kepla
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De Parelduiker

    Op de cover van De Parelduiker de prikkelende vraag: ‘Kreeg Elisabeth Eybers terecht de P.C. Hooftprijs?’ Dat zou je toch denken, voor wie hem toegewezen krijgt die ook verdient. Jurist en letterkundige H.U. Jessurun D’Oliveira vraagt zich af, met de uitreiking van de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse dichte Alfred Schaffer, die in het Nederlands schrijft, hoe het heeft kunnen gebeuren dat in 1991 de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eylbers deze prijs kreeg terwijl de reglementen dat eigenlijk niet toestonden; zij schreef in het Zuid-Afrikaans. En hoe het kan dat de P.C. Hooftprijs nooit aan een Vlaming, die toch in het Nederlands schrijft, werd toegekend.

    Van Lieneke Frerichs, waarvan onlangs de biografie van Nescio is verschenen een bijdrage over Japi, de hoofdpersoon in De uitvreter. Lang werd er gespeculeerd wie daarvoor model stond. Frerichs onderzoekt de verschillende speculaties, zoals die van Schrijver Eelke de Jong en K. Schippers, die in de Haagse Post van november 1971 de naam van ene Arie Rezelman noemden als zijnde ‘mogelijk model’ voor de uitvreter. Interessant stuk met verrassende uitkomst.

    Een stuk over een vergeten bloemlezing, UitverkorenVerhalen en gedichten over vervolgde mensen, (1979) samengesteld door onderduikster en verzetsstijdster Beccy de Vries. Ellen Krol vraagt zich af waarom deze bloemlezing met bekende en onbekende auteurs over de Jodenvervolging vergeten is. En wie was Beccy de Vries eigenlijk?

    Verder een stuk van Peter Daerden over de Waalse schrijver Conrad Detrez, die in de jaren zeventig als radioreporter in Lissabon belandde: het theater van een wedergeboorte, gedrenkt in verlangens naar gebronsde jongelui, de poëzie van Pessoa en de onoverkomelijke saudade. Jelto Drenth schrijft over de operaheldin en mannenverslindster Lulu van Frank Wedekind. Vic van de Reijt gedenkt journalist Igor Cornelissen (1935-2021). En enkele vroege gedichten van Doeschka Meijsing.

     

     

    De Parelduiker
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • De liefde

    De liefde

    Ach, de liefde, de zoete verwarrende liefde die kind noch kraai veelt. Het trof me zondag toen ik de nieuwe Parelduiker opensloeg. Buiten de geur van omgespitte aarde, in de keuken lagen twintig tuinbonen in een bakje water te ontkiemen. En daar was Frieda Koch, een mooie wat gesloten vrouw, strakke neus, golvend haar, een vrouw om verliefd op te worden. Terwijl ik over haar lees, foto’s bekijk, groeit een verlangen daar naast haar te lopen, haar van opzij gade te slaan. Het overkomt me wel eens, op afstand verliefd worden op een gebaar, een houding, een verhaal. Frieda is keramiste, ze heeft begeesterde handen, op het voorplat draait ze uit vochtige klei een vaas (die handen!). Ze is met Bert Schierbeek en hun twee kinderen als ze in 1950 verliefd wordt op Lucebert. Er vormt zich een ménage a trois, liefde in vrijheid. Wat niet lukte, het werd een gevecht, jaloezie van beide heren maakte het tot een ondoenlijke affaire. Als in 1951 de relatie op zijn einde loopt, gaat Frieda voor enkele weken naar Parijs.

    Ze schrijft Lucebert, ‘Als wij dus een ménage à trois zouden hebben, zou Bert aan mij absoluut niet mogen merken, dat ik meer om jou geef dan om hem en met dat geven om bedoel ik dan alles wat jij voor mij betekent. Ik zou die rol dan goed moeten vervullen (…)’. In het huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam waar ze allen wonen, heeft Frieda haar atelier. Ze overweegt Schierbeek te verlaten om bij Lucebert te zijn, maar blijft.

    Ik wil haar los van die mannen zien. Als ze in Parijs verblijft, zie ik haar aan een cafétafeltje brievenschrijven. Met Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy bezoekt ze de schilder Corneille in de rue Santeuil. Ik zie haar door de stad lopen, op een bankje in het park leest ze Nabokovs Laughter in the dark, koopt oude ansichtkaarten voor haar collectie thuis. En schrijft Lucebert, ‘In de liefde ben je zoals ik mij de liefde voorgesteld heb toen ik nog maar een klein meisje was. Daarom word ik nooit een mevrouw omdat ik deze dromen nooit vergeten heb (…)’.
    Ik zie een  vrouw die zich niet vast wil leggen. Ze schrijft, ‘(…) wel weet ik, dat ik toch nooit de poëzie van de minnaar op zal geven, wat de wereld ook zegt of doet, dat kan ik eenvoudig niet, omdat ik niet zo ben.’ Haar verzet tegen een burgerleven neemt me volledig voor haar in. Ach, de liefde, De Parelduiker, het vervoert me. 

    Over het bezoek aan Corneille schreef Frieda nog, ‘Hij is wel aardig en hij maakt mooie dingen. Bij zulke mensen merk ik dat Rudy toch wel een beetje een kleine snob is. Hij kocht een schilderij van Corneille en dong af op de prijs en hij kreeg het ook goedkoper. Daar hou ik helemaal niet van.’

    In de middag komt de zon door, op Spotify zingt Leonard Cohen ‘Dancing to the end of love / Lala lalalala lala / to the end of love…’, is het tijd voor een glas wijn.

     

     

    Graa Boomsma Boomsma werkt aan de biografie van Bert Schierbeek die op 9 juni 2021 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
    De Parelduiker / Eindredactie Hein Aalders / Uitgever Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, wordt soms verliefd op een verhaal, een ver weg figuur.

     

  • Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Oogst week 11 – 2020

    De vlakte

    De 81-jarige auteur van De vlakte, Gerald Murnane, is op zijn zachtst gezegd een enigmatische figuur. Zo zou hij nooit een computer hebben aangeraakt – dat wil zeggen: hij zou er in ieder geval nooit een manuscript op hebben getypt –, en zou hij nog nooit een voet in een vliegtuig hebben gezet. Hoewel hij oorspronkelijk van katholiek-Ierse afkomst is, woont en verblijft hij al zijn hele leven in Australië. Zijn fictie staat haaks op die persoonlijke werkelijkheid. In zijn romans overstijgt hij juist gebieds- en landsgrenzen. Ondanks of dankzij Murnanes zonderlinge levenshouding werd hij eens ‘de grootste auteur in het Engelse taalgebied (waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord)’ genoemd (in The New York Times). De vlakte is een heruitgave, oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1982, en bereikt nu voor het eerst een Nederlands lezerspubliek.

    In De vlakte strijkt een jonge filmmaker neer in Australië, waarmee een wisselwerking tussen werkelijkheid en fictie in gang wordt gezet. De beginzinnen zijn veelzeggend:

    ‘Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst op de vlakte aankwam, hield ik mijn ogen open. Ik zocht naar iets in het landschap wat leek te wijzen op een diepere betekenis onder het oppervlak.’

    De vlakte
    Auteur: Gerald Murnane
    Uitgeverij: Signatuur

    Hier zijn we

    Hier zijn we van de Britse schrijver Graham Swift gaat over drie jongeren die in een theater aan de pier van Brighton werken: Evie, Jack en Ronnie. Tegen de achtergrond van een voorspoedig, bruisend zomerseizoen komt de verhouding tussen de drie op scherp te staan. Die relatie tussen het algemene en het persoonlijke komt vaker terug in Swifts werk. Eerder schreef hij de historische novelle Moeders Zondag (Mothering Sunday), die in Nederland lovend werd ontvangen. Daarin speelt de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië een bepalende rol, maar wordt juist ook het particuliere perspectief van hoofdpersonage Jane Fairchild uitgediept in het tijdsbestek van één beslissende dag.

    Graham Swift schreef negen romans en schreef daarnaast korte verhalen, gedichten en essays. Hij won de Booker Prize met Last Orders (vertaald als Laatste ronde).

    Hier zijn we
    Auteur: Graham Swift
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Parelduiker, Louis Paul Boon

    In het nieuwste nummer van De Parelduiker staat Louis Paul Boon (1912-1979), ook wel de ‘Vlaamse Multatuli’ genoemd, centraal. Hij is wijd en zijd bekend dankzij zijn magnum opus De Kapellekensbaan (1953), waarop in 1956 het vervolg Zomer te Ter-Muren verscheen. Boon werd lange tijd getipt als belangrijke kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij was niet alleen schrijver, ook zijn productie beeldende kunst valt ontzagwekkend te noemen.

    Geheel in lijn met het thema van de Boekenweek 2020, ‘Rebellen en dwarsdenkers’, wordt in De Parelduiker Boons rebelse imago binnenstebuiten gekeerd en aan een kritische herziening onderworpen, onder anderen door Boon-kenner Jos Muijres. Hoe kijken we met de kennis van nu naar Louis Paul Boon – wás hij inderdaad een rebel of dwarsdenker, of is dat vooral een rol die hem in retrospectief is toegekend?

    De Parelduiker, Louis Paul Boon
    Auteur: Eindredactie Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt
  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • Oogst week 39 (2018)

    Een iets beschuttere plek misschien

    De oogst van deze week bestaat uit een nieuwe uitgave in de reeks Privé Domein, een literair tijdschrift, een kleine roman van de Noorse auteur Tomas Espedal en een ooit aan de keizer van Rome opgedragen boekwerk van de Romeinse letterkundige en amateur-wetenschapper C. Plinius Secundus.

    Schrijver en  publicist Cyrille Offermans (1945) werkte een jaar lang aan wat nog het best te omschrijven is als een intellectueel journaal. Een iets beschuttere plek misschien bevat een verzameling notities, beschouwingen, herinneringen, observaties alsook essayistische commentaren op gelezen boeken en gebeurtenissen in de wereld. Het boek (en dus het jaar) begint en eindigt met de doffe ellende in Syrië. Daartussenin worden vele onderwerpen gepresenteerd – van de Franse verkiezingen en de afnemende tekenvaardigheid van de schooljeugd tot en met uiteenzettingen over bibliomanie, de betekenis van carnaval, de eerste woordjes van een kleinkind of de ziekte van een vriendin. Er gebeurt veel in de wereld. En dat is te lezen in dit boek.

     

     

    Een iets beschuttere plek misschien
    Auteur: Cyrille Offermans
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    2018/3

    Vertaalster en publiciste Hein Groen schreef onder meer het mooie boekje De ruimte van Virginia Woolf (1998) over het scheppen van ruimte van de schrijfster om te kunnen schrijven. Op dit moment werkt Groen aan een literaire reisgids van Venetië waarover in deze Parelduiker een stuk over de Venetiaanse romanschrijver Pier Maria Pasinetti (1913-2006) getiteld, ‘Een vergeten Venetiaanse Proust’. Ze beschrijft de plekken waar hij geleefd en geschreven heeft. En daar schrijft ze mooi over, een wandeling die je graag met haar meeloopt. ‘Elke keer als ik in de wijk San Polo op de Ponte Bernardo langs het huis loop waar de schrijver (…) een groot deel van zijn jeugd heeft doorgebracht staat er wel ergens een raam open en kan ik de trillende reflectie van water op het plafond bijna zijn.’ Die bewegende weerschijn van water op het plafond noemen de Venetianen ‘La gibigiana’ en blijkt de meest veelzeggende metafoor in Pasinetti’s werk te zijn. Een reisgids om naar uit te kijken, en dan op naar Venetië.

    Ook besteedt de Parelduiker in drie afleveringen aandacht aan de Culturele hoofdstad Leeuwarden. In deze editie ‘Literair Leeuwarden (II)’. Teake Oppewal, redacteur op het gebied van Friese literatuur schreef,  ‘Onder het plaveisel van de stad’, een literaire wandeling door de stad. Een plattegrond is erbij opgenomen.
    In de rubriek ‘Laag water’ een reactie van Clara Eggink op het gedicht Jij, socialistisch meisje door Jac. van Hattum, een gedicht dat haar ‘kriegel’ maakte en ‘kwaadaardigheid’ bij haar opriep.

    2018/3
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Buiten de orde

    Tomas Espedal (Noorwegen 1961) verheft zijn eigen biografie – net als zijn landgenoot Karl Ove Knausgård – tot literatuur. Maar waar Knausgård zijn leven tot in detail weergeeft, is Espedal een minimalist in woorden en dat levert ingedikt proza op. Hoewel Espedal als een van de belangrijkste schrijvers van Noorwegen geldt, verscheen pas in 2017 een eerste vertaalde roman van hem in Nederland: Tussen april en september, een roman over het verlies van een vrouw en over rouw.

    Ook in Buiten de orde, is sprake van een gestorven geliefde en verwerking van verlies. De ik-figuur van de roman krijgt een relatie met een veel jongere vrouw. Zijn omgeving keurt hun relatie af en daarom trekken ze zich terug in het huis van de man. De man is gelukkiger dan ooit, tot hij na zes jaar wordt verlaten door de jonge vrouw. Ze wil de wereld in en laat de man gewond achter. De man wordt vervolgens overspoeld door herinneringen aan zijn jeugd, zijn eerste liefde, de jaren met zijn overleden vrouw. Beelden van gelukkige ogenblikken en moeilijke momenten trekken aan hem voorbij. Langzaam lost het verdriet van de man op. “Jij zegt voorbij, maar de liefde wil niet voorbij zijn.’ is uiteindelijk zijn bitterzoete conclusie.

    Buiten de orde
    Auteur: Tomas Espedal
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De wereld

    C. Plinius Secundus (23- 24 na Chr.) was een Romeins letterkundige en amateur-wetenschapper en had als doel in zijn leven zoveel mogelijk kennis (over wat dan ook) te verzamelen. Het blijkt dat hij geen oog dicht wilde doen omdat hij niets van het leven wilde missen. Om geen snippertje van het leven te verspillen, zou hij zich tijdens het eten en baden hebben laten voorlezen en liet hij aantekeningen maken. Alle feiten die hij ooit gedurende zijn leven had gevonden bracht hij samen in het boekwerk De wereld, Naturalis Historia.

    De wereld is een overzicht van antieke kennis: over alles wat de Romeinen en de Grieken wisten over de hemel, de aarde, mensen, dieren, planten, geneesmiddelen, stenen, metalen en kunstwerken. Plinius schrijft over insecten, vogels, exotische beesten, rare mensen, overstromende rivieren, ingepolderd land. Over honderdvijfentachtig soorten wijn en de opslag ervan, hoe je touw maakt, of papyrus, of glas, hoe je edelstenen vervalst. Honderden plantaardige en minerale geneesmiddelen somt hij op, tegen allerhande kwalen, vaak onzinnig, dikwijls effectief. Plinius is cynisch over zijn tijdgenoten die niet geïnteresseerd zijn in wetenschap. En hij lardeert zijn boek met anekdotes en sappige verhalen. Ook had hij graag verteld hoe een vulkaanuitbarsting er van dichtbij uitziet, maar dat experiment overleefde hij niet.

     

    De wereld
    Auteur: C. Plinius Secundus
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Louis Lehmann worden

    Louis Lehmann worden

    Alles speelt zich af in het hoofd, is imaginair. Ook dat ik honderden vrienden heb die allemaal aan leuke projecten werken. In het echt moet ik opletten die imaginaire vrienden niet als echte vrienden te bejegenen. Laatst gebeurde het dat ik tijdens een jubileum in een van de bekendste boekhandels van Amsterdam verschillende imaginaire vrienden tegenkwam. Ik zag een schrijver, ik kende zijn blogs. Nadat ik eens op een van zijn blogs had gereageerd, werd hij volger van mijn twitteraccount en ik van zijn twittteraccount. Want zo gaat dat. De schrijver stond met een bier in zijn hand vlak bij me. Hij keek me even aan en toen schudden we handen (ik geloof dat ik mijn hand opdrong) en ik sprak vaag: ‘We kennen elkaar niet maar eigenlijk wel. Ja, gek hé, zei ik nog. We volgen elkaar op Twitter. ‘Ah’, glimlachte de schrijver en knikte en bleef knikken terwijl zijn glimlach verkrampte en ik me uit de voeten maakte zonder gezegd te hebben wie ik was.

    En ik dacht: Kon ik maar een Louis Lehmann worden. De dichter en tekenaar die ook choreograaf en componist, zanger, danser, scheepsarcheoloog en musicus was en jurist en vertaler en prozaïst en collagist. De man die alles kon maar bovenal magistraal improviseren. Naar die man luisterde ik in de jaren negentig als hij zijn praatje over muziek of zangers of componisten hield bij de VPRO-radio. Met een stem die altijd wat haperend maar zo aandachtig klonk. Alsof het te bespreken onderwerp hem zojuist op een A4tje was toegeschoven en hij er kost wat kost wat van maken moest en er geen moment van stilte mocht vallen. Hoorbaar onderzocht hij zijn geest als zocht hij naar dat ene feitelijke gegeven tussen duizenden ongeordende informatie. Hij werkte zich al pratende naar de uitgang toe. Vond in zijn hoofd altijd wat hij zocht, ondanks het stamelen of het opnieuw beginnen van een zin nadat die in aanvang gesneuveld was. Altijd kwam het juiste boven.

    Louis Lehmann overleed in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd. In 2014 werd een dubbelnummer (4/5/) van De Parelduiker gewijd aan zijn leven en werk. Een prachtige editie. Daarin vertelt Wim Noordhoek de anekdote dat Lehmann, toen hij een psychiater consulteerde en die hem vroeg naar zijn ouders, er alleen maar vier lettergrepige woorden uit zijn mond kwamen. Nietsbetekenende vier lettergrepige woorden. Het werd een tic en ze kwamen op ongelegen momenten tijdens gesprekken zijn mond uit. Ten slotte tikte hij ze uit om ervan af te komen.

    Het leek me een vergevingsgezinde man. Een man die van zijn eigen onaffe gedichten zegt: ‘Hee… heb ik dit geschreven. Merkwaardig.’, moet wel vergevingsgezind zijn. Als ik dan Lehmann ben geworden, dan zou ik zoiets gezegd kunnen hebben als: ‘Ik heb nooit kunnen inzien waarom de maan iets poëtisch zou zijn.’ (Want zulke dingen zei Lehmann.) En dan zou de schrijver zeggen: ‘Nee, nu je het zegt. Ik ook niet.’

     

    Luister naar enkele van zijn radiomomenten op: www.louislehmann.nl/werk.