• De kracht van het vrouw-zijn

    De kracht van het vrouw-zijn

    Onder leiding van Ruhollah Khomeini wordt in Iran op 1 april 1979 de islamitische republiek geboren. Voor Abnousse Shalmani en haar familie betekent dit het einde van een zorgeloos en vooral vrij leven. Vanaf dat moment zijn vrouwen gedwongen gesluierd door het leven te gaan. En de doek die de vrouwen bedekt, weet Shalmani, zal voor velen van hen een schaduw werpen over de rest van hun leven.

    Abnousse Shalmani, die op 1 april 1977 in Teheran wordt geboren, groeit daar na de revolutie op. Ook al kent ze de wereld niet anders dan hoe hij op dat moment is – vrouwen bedekken hun haren, dragen geen make-up en zoeken geen oogcontact – ze heeft het gevoel dat er iets niet klopt en dat ze tegen de schenen moet schoppen van de ‘gangbare manier van leven’. Als jong meisje kan ze maar één ding bedenken: haar blote kont laten zien. Na school kleedt ze zich uit. De hoofddoek, de voorgeschreven jurk en de voorschreven broek doet ze stuk voor stuk uit. En dan begint het spannende gedeelte: de vlucht naar de auto. Ze rent zo snel mogelijk het schoolplein over om de auto te bereiken zonder dat de ‘zwartjurken’ haar te pakken krijgen. Dit alles om te provoceren, om haar afkeer van de hoofddoek duidelijk te maken. Hij is grijs, lelijk en zit niet lekker.

    Hiermee wordt het strijdlustige karakter van Abnousse op jonge leeftijd al duidelijk. Khomeini, Sade en ik is dan ook een boek over strijden. Het gaat over de strijd tegen Khomeini, tegen de hoofddoek, maar vooral tegen de onderdrukking van de vrouw.

    In 1985 ziet de familie Shalmani zich genoodzaakt om te vluchten uit Teheran. Ze hopen dat Parijs hun een beter, vrijer leven kan bieden. Om de taal te leren en de cultuur te begrijpen, verdiept de jonge Abnousse zich al gauw in de Franse literatuur. De boeken helpen haar niet alleen om de Franse taal en cultuur te leren kennen. Om haar ideeën vorm te geven en haar gedachten om te zetten naar een concrete mening, is daar de literatuur. En wel de libertijnse literatuur.

    Ik ben een paar keer geboren. Een keer op een dag in april, een andere keer toen ik mijn sluier aflegde en mijn naaktheid onder de aandacht bracht, een derde keer toen ik voet zette op Franse bodem, ten slotte nog een keer toen ik een boek van Zolan opensloeg en de libertijse literatuur van de Franse achttiende eeuw ontdekte.’

    Sade ‘de goddelijke markies’ doet zijn intreden in juli 1997. Waar Khomeini de grote slechterik is in dit boek, is Sade de held die Abnousse haar wapens aanreikt voor de strijd. Zijn buitensporige romans geven Abnousse een ongemakkelijk gevoel. Ze leest de boeken eerst alleen in de veilige omgeving van haar slaapkamer en met elke bladzijde die ze omslaat, groeit haar verlangen om het boek weer snel weg te leggen. Sade beschrijft het lichaam tot in detail zonder enige schaamte. Hij is een atheïst, hij moet niets hebben van moraal, van fatsoen of godsdienst. Nieuwsgierigheid helpt Abnousse de verleiding te weerstaan om het boek weg te leggen en na het lezen van de laatste bladzijde heeft ze het gevoel dat ze een ander mens is. ‘Ik was niet langer een slachtoffer van de baardmannen, ik was hun ergste nachtmerrie.’

    Khomeini, Sade en ik is een boek met een krachtige boodschap. Die boodschap is dat vrouwen en mannen elkaars gelijken zijn. Dat vrouwen niet onder doen voor mannen, dat ze dezelfde rechten zouden moeten hebben, en zelf moeten kunnen bepalen wat ze met hun lichaam doen en hoe ze zich kleden. ‘Ik vecht niet tegen mannen of vrouwen maar tegen opvattingen, de ongezonde traditie en de gewelddadigheid van het vooroordeel.’ Eén van die ongezonde tradities is volgens Shalmani de hoofddoek. De hoofddoek die er volgens de voorstanders voor moet zorgen dat vrouwen geen lustobject zijn voor mannen, maar die er paradoxaal genoeg voor zorgt dat elk stukje huid en elk stukje haar dat aan de sluier weet te ontsnappen, begeerte opwekt bij de man . ‘De hoofddoek is de scherpste veroordeling van de nieuwe tijd. Toon me duizend gesluierde vrouwen van welke leeftijd ook en laat ze herhalen dat ze vrij zijn, dat ze zich gelukkig voelen onder hun sluier. Ik zal ze niet geloven.

    Khomeini, Sade en ik komt langzaam op gang, maar na een paar hoofdstukken vindt het zijn ritme. Het boek neemt ons mee van Teheran in 1997 naar Parijs in 2013 en vertelt gaandeweg Abnousses verhaal met haar blote kont als leidraad door het boek. Het vertelt over de hoofddoek en de ongelijkheid die ze in Teheran achter heeft achtergelaten, maar waar ze weer mee geconfronteerd wordt in Parijs. Het vertelt over haar problemen als vrouw en als Iraanse vluchtelinge.

    Het boek is zo nu en dan een beetje ‘los-vast’. De onderwerpen die aangehaald worden ter ondersteuning van het hoofdverhaal lijken niet altijd helemaal op hun plek. Ook de formulering doet soms een beetje nonchalant aan. Maar uiteindelijk gaat het toch vooral om de inhoud van het boek en die maakt veel goed. De boodschap die Shalmani met dit boek probeert over te brengen is duidelijk. De boodschap dat vrouwen gelijk moeten zijn aan mannen kennen we, maar in combinatie met het verleden van Shalmani en de argumenten en de ondersteuning die ze uit de literatuur haalt, krijgt de boodschap een originele klank.

     

    Khomeini, Sade en ik

    Auteur: Abnousse Shalmani
    Vertaald door: Jan Versteeg
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 21,95

  • Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Achter in het achtste boek van de schrijfster Elif Shafak dat bij uitgeverij De Geus verschijnt, zit een verklarende woordenlijst die bij lange na niet voldoet. Dat zegt veel over de westerse onkunde wat betreft de oosterse wereld in het algemeen en de islam in het bijzonder. En evenveel over het optimisme van de uitgever dat de westerse lezer nu toch wel eens het één en ander over de niet-westerse cultuur zou mogen weten. Dat De Geus het werk van de van oorsprong Turkse schrijfster ondanks zeven eerder verschenen vertalingen toch ook weer niet als zó bekend veronderstelt, blijkt echter uit het omslag waarop de potentiële lezer(es) wordt gelokt met een: ‘Voor de lezers van Isabel Allende.’ Of deze vlag de lading dekt, is aan de lezer om te beoordelen. De associaties kunnen ook richting Charles Lewinsky gaan, met het vleugje new age van Dan Brown en de detective-stijl van Umberto Eco. Om nog maar te zwijgen van Orhan Pamuk. Maar die auteurs worden allemaal niet door De Geus uitgegeven, zodat Allende eerder voor de hand leek te liggen.

    Eerst in grote lijnen het verhaal. De hoofdpersoon van het lijvige boek is de jonge Jahan uit een dorp ‘zo hoog in de bergen dat ze boven de wolken sliepen, zwevend tussen hemel en aarde.’ Hij komt samen met de witte olifant Chota (= kleintje) aan in het 16e eeuwse Istanbul. De olifant is bestemd voor sultan Süleyman. Van de kapitein van het schip waarmee hij aankomt, krijgt Jahan de opdracht op dievenpad te gaan in het paleis van de sultan. Jahan meent ook in één moeite door wat juwelen voor zichzelf te kunnen houden.

    De olifant wordt beschreven als de sultan van de dieren, een halve heilige zoals een witte raaf met tal van buitengewone en ook antropomorfe trekken. De dochter van de echte sultan, Mihrimah, is dol op het kleine witte beest, ‘zo wit als gekookte rijst.’ Jahan verbeeldt zich, dat ze ook dol is op hem en vertelt haar zijn levensverhaal. Het kindermeisje van Mihrimah kan het – terecht, zo blijkt later – niet geloven. Dit zal hem berouwen, zegt ze.

    Chota moet binnen drie dagen leren hoe hij dieven, moordenaars en verkrachters moet vertrappen, zoals dat gebruikelijk is in Hindoestan (India), het land waar hij en naar het heet Jahan vandaan komen. De olifant vertikt het, net als het doen van kunstjes op verzoek van de sultane. Maar aan de krijgsdienst kan hij niet ontsnappen. Samen met Jahan helpt hij de christelijke timmerman, en latere architect Sinan met het bouwen van een brug over de Proet. Maar hij helpt ook weer met het afbreken ervan, nadat het Ottomaanse leger was overgebracht naar de andere oever. 
Na de oorlog met de Janitsaren volgt de pest, ‘overgebracht uit het Westen, zoals alle kwaad.’ Eerst krijgen de joden de schuld, dan de christenen, vervolgens de soefi’s en uiteindelijk ‘een dwergvrouw.’ Door deze onterechte aantijgingen ontsteekt Chota in woede en stormt op de mensenmenigte af …

    Jahans denken keert op het moment dat hij, met een gestolen bidsnoer in de hand, op de grond onder de koepel van de Süleymaniye-moskee ligt en ervaart dat ‘de koepel was versmolten met het uitspansel erboven.’ Hij bedenkt zich dat christenen, joden, moslims en andere mensen onder diezelfde hemelkoepel leven. Jahan begint te lezen: bij de joodse boekhandelaar en in Rome onder de koepel van de Sint Pieter.

    Wijsheden als die uit de mond van de sultan dat er geen verschil is tussen de eigen soldaten en die van de vijand, christenen en moslims, worden in het verhaal afgewisseld door grote en kleine (natuur)rampen, waarbij Chota – natuurlijk – Jahan uit barre situaties redt. Bijvoorbeeld uit een brandend huis waarin hij op zoek is naar schatten om te stelen, maar ook naar een achtergebleven baby. De lering die uit dergelijke episodes valt te trekken, is: de mens is zowel goed als kwaad.

    Het wordt Jahan op een gegeven moment toch te heet onder de voeten. Hij stapt, vermomd, op een boot en staat dan opeens tegenover een paard dat op hol slaat. De naam van het paard is Zwart. Het kan geen toeval zijn: het tegenovergestelde van de witte olifant. Een episode die slechts kort wordt aangesneden, maar binnen het verhaal van wezenlijk belang is en symbool staat voor de inborst van Jahan die, zoals overigens elk mens, slechte en goede kanten heeft, zwart en wit.

    Uiteindelijk komt Jahan via omzwervingen in Agra (India) aan wal en het leek ‘bijna alsof hij terugkwam op een plek, waar hij al eerder was geweest.’ Hij wordt in India één van de koninklijke hoofdarchitecten. Het verhaal kan bijna weer opnieuw beginnen. Maar met dit verschil, dat Jahan wijzer is geworden en hoopt dat ‘mensen meer zouden leven zoals dieren, zonder na te denken over het verleden of de toekomst.’

    Mooi is dat het karakter van Jahan onder de schrijvershand van Shafak gaandeweg het verhaal groeit, al blijft er een tweespalt in zijn wezen: in Turkije zowel gezel van de koninklijke hoofdarchitect Sinan als mahout (dierenoppasser) en later in India zelf koninklijke hoofdarchitect. 
Het is natuurlijk de bedoeling van het boek, dat die andere tweespalt, de goede kant van Jahan en zijn neiging om al dan niet in opdracht te stelen, tot een eenheid wordt samengevoegd. Dat kan pas als Jahan alles wat hem is toegevallen ook begrijpt. 
Actueel is het boek ook. Niet alleen door de verhouding tussen de godsdiensten die wordt beschreven, die dan weer ideaal en dan weer vijandig is, maar ook door de visie op (bouw)kunst. Sinan staat primair voor schoonheid, Jahan voor nut. 
De new age-trekjes waarmee het boek zijn gelardeerd, zoals de wat overdreven overkomende, bijna heiligverklaring van Chota, die na zijn dood Chota Baba heet, en het luisteren naar wat bomen willen vertellen, zullen niet alle lezers aanspreken. Toch zijn ze niet zo overheersend, dat het stoort. Rest een goed in elkaar vervlochten, poëtisch en in ieder geval beter dan Dan Browns boeken geschreven en mooi vertaald verhaal. Of liever: serie verhalen in de rijke oosterse verteltraditie.

     

  • Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Alphonse Badji, een vroegere Senegalese muzikant uit Brussel, werkt als zelfstandig klusser in een klein dorp aan de Belgisch-Franse grens waar hij met zijn (blanke) vrouw Kat sinds een jaar woont. Hoewel Kat af en toe droomt van teruggaan naar de stad, zijn ze er best tevreden. Aan werk heeft Alphonse geen gebrek. De ene klus – meestal schilderwerk – is nog niet achter de rug of de volgende dient zich alweer aan. De klanten bellen of mailen hem. Als hij voor de deur staat wordt hij een enkele keer plotseling geweerd, waarschijnlijk vanwege zijn donkere huidskleur.

    Meestal echter wordt hij verbazend snel in vertrouwen genomen over allerlei persoonlijke besognes van de klanten en vervolgcontacten hierover blijven niet uit. Al deze klanten, door de nuchtere Kat soms ‘patiënten’ genoemd, bellen Alphonse om ondersteuning, en de goedhartige schilder draaft braaf op om naar hen te luisteren, hen naar het ziekenhuis te brengen, hun hond in huis te nemen of de kinderen gerust te stellen. Hij laat zich de hulpvragen welwillend aanleunen, schept genoegen in de rol van reddende engel. Al snel is de klusser die de klanten nog maar een week of wat kennen hun grootste vertrouweling geworden.

    Het verhaal wordt luchtig verteld met mooie gedachten als: ‘Iedereen is een optocht, denkt Alphonse, en daarin neemt er een de leiding, of telkens een andere, afhankelijk van de situatie of van wie er per toeval een ruimte met je deelt. Er zijn tijden geweest waarin hij de wat ongezonde neiging had zich dommer voor te doen dan hij was, nieuwsgierig naar het soort leiders dat in andermans parade op zou staan. In zeldzame gevallen moet je je rug keren naar wat ze je tonen.’ En ironische frasen als ‘… en een café met een portret van de eigenaar die van het plafond op je neerkeek alsof hij in je bier wilde spugen.’ roepen een glimlach op.

    Verbeke heeft alles uit de kast gehaald om een levendig verhaal te schilderen. Achtergrond en interesses van de personages, zijweggetjes over bijvoorbeeld de tirailleurs uit de eerste wereldoorlog, het bezoek van vriend Amadou waarin de Brusselse periode wordt opgehaald en niet te vergeten de couleur locale van het stille dorp dat tegen het einde een onaangename hoofdrol blijkt te spelen, zetten een treffend verhaal neer. Ook de obligate seksscène, plastisch verbeeld met Alphonse in de hoofdrol, ontbreekt niet.

    Dat de klanten blijkbaar geen familie of vrienden hebben om hun problemen mee te bespreken, doet wat gekunsteld aan. De toevallige ontmoetingen van Alphonse met zijn beschermelingen wekken soms bevreemding en voor de lezer is het moeilijk te geloven dat hij als enige hen voor de ondergang kan behoeden. Sommige scènes, zoals die waarin een lompe journalist bij een geïnterviewde schrijfster thuis ‘zijn broek laat zakken’ en op het parket zijn behoefte doet, en, ja hoor, een zwangerschap binnen een ingewikkelde driehoeksverhouding, schieten wel erg door als het om geloofwaardigheid gaat.

    De situaties met de klanten doen aan een klucht denken die je niet al te serieus hoeft te nemen, net als het vechthuwelijk van Kats ouders dat geregeld uitmondt in Who’s afraid of Virginia Woolf-achtige situaties, maar dan lachwekkender. ‘Ze lusten elkaar rauw,’ schrijft Verbeke en zij laat Alphonse zich ‘operetteachtige taferelen’ herinneren ‘waarbij de twee elkaar verbaal en een enkele keer fysiek te lijf gingen’. Alphonse en Kat zelf daarentegen, hun vrienden en later de vluchtelingen die zij trachten te helpen doen wel weer waarachtig aan.

    Vele lijnen tekenen de gebeurtenissen in het dorp. Dertig dagen is een veelhoekige ster waarvan de punten vakkundig met elkaar zijn verbonden. Geen situatie blijft open en alle problemen vinden een soort happy end. Bijna alle, want Verbeke zou de affaires voor de romanlezer te onbevredigend gladjes hebben laten verlopen als er niet ergens iets behoorlijk mis gaat. Dat het noodlot volkomen onverwacht toeslaat, laat zien dat de auteur het plot tot het einde toe goed in de hand heeft. Ondanks de toevalligheden, de extremiteit en vergaande welwillendheid van Alphonse in de rest van het boek, heeft die gebeurtenis een honderd procent overtuigende logica in zich.

     

     

  • Oogst week 18

    door Carolien Lohmeijer

    Het vertellen van een verhaal is de beste manier om iets duidelijk te maken moet filosoof Jonas Lüscher gedacht hebben toen hij zich aan het schrijven van zijn debuut Het voorjaar van de barbaren zette. In deze novelle wordt een gezelschap van overwegend jonge, rijke Britten die in Tunesië een exorbitant huwelijksfeest vieren, in één klap geconfronteerd met de gevolgen van het Engelse staatsbankroet: middenin de woestijn, geblokkeerde creditcards, geen geld en geen baan meer, wel torenhoge schulden. Het is het begin van de barbarij. Deze parabel werd na verschijnen in Duitsland humorvol, bitterzoet en tegelijkertijd messcherp genoemd. Binnenkort een eigen recensie op Literair Nederland.
    Het voorjaar van de barbaren, Jonas Lüscher, vertaald door Gerrit Bussink, Wereldbibliotheek, 160 pagina’s, € 17,95

    De Arabier van de toekomstIn de autobiografische beeldroman De Arabier van de toekomst schrijft en tekent Riad Sattouf over zijn vroegste jeugdjaren (1978 tot 1984) die hij voornamelijk doorbracht in het Libië van Khadaffi en het Syrië van Assad. Hij is de zoon van een Franse moeder en een Syrische vader en valt door zijn blonde haren altijd op tussen de donkere Arabische kinderen.
    Zijn vader, geen overtuigd islamiet, maar wel gehecht bepaalde islamitische gebruiken, is hoogopgeleid aan de Sorbonne, maar kan in Frankrijk geen baan vinden en daarom vertrekt het gezin eerst naar Libië, later naar Syrië.

    De actualiteit van vandaag is waarschijnlijk mede bepalend voor het succes van De Arabier van de toekomst, al speelt dat dus zo’n 30 tot 40 jaar geleden. Volgens de uitgeverij geeft het de lezer wel ‘een kritisch en komisch inkijkje in de culturele achtergrond van de conflicten van vandaag.’
    Arabier van de toekomst, De Geus, Riad Sattouf, vertaald door Toon Dohmen en Mariella M. Manfré, 160 pagina’s, € 21,95

     

    Dit is geen theater meerDan is bij ons binnengekomen Dit is geen theater meer, de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor. Zij ontving in 2013 de Herman de Coninckprijs voor de beste bundel De oksels van de bok. Hoewel, bundel kan je het niet noemen: het boek bevat één lang gedicht.
    Estor is veelzijdig, samen met Lies van Gasse schreef en tekende ze ook het beeldverhaal Het boek Hauser. Aan het project Paradijselijke reizen van Paul van Gulick leverde ze een belangrijke bijdrage in de vorm van 8 gedichten.
    In Dit is geen theater meer ‘worden decors afgebroken en komt een uitgeteerde wereld tevoorschijn. Estor beschrijft de dromen, verlangens en dwaalwegen van de mens.’
    Estor is zowel in Nederland als in België actief. Op 13 mei a.s. vindt in Antwerpen in de Arenbergschouwburg een muzikale boekpresentatie plaats rondom Dit is geen theater meer.
    Annemarie Estor, Wereldbibliotheek, 64 pagina’s, € 19,95

     

     

  • ‘Modern’ zijn

    ‘Modern’ zijn

    ‘Modern’ zijn

    Mao Zedong, voorzitter van de Communistische Partij van China, zette in 1966 de Culturele Revolutie in gang, een sociaalpolitieke beweging die rampzalig zou zijn voor het land, zowel op politiek, economisch als sociaal terrein. Het was een door Mao georganiseerde chaos om zijn macht en positie veilig te stellen. Deze revolutie, en daarmee ook een ‘nieuw idee van moderniteit’, is een leidraad in het boek. Alle verhalen grijpen op de een of andere manier terug op de enorme invloed die de Culturele Revolutie heeft gehad op China en het trauma dat het zijn bewoners heeft bezorgd.

    De personages in Krekel krekel hebben allemaal hun eigen problemen: de één gaat scheiden, de ander wordt tegen zijn zin ingelijfd bij een bende, en weer een ander vergaart kilo’s lichaamsgewicht door te leven vanuit zijn luie stoel.

    Het boek is een bundel van twaalf korte verhalen die geschreven zijn tussen 1994 en 2005. Ze zijn allemaal door iemand anders vertaald. Het titelverhaal ‘Krekel krekel’ gaat over de krekelgevechten die in de Chinese plattelandsgemeenschappen massaal gehouden werden (en nog steeds worden). Het geloof is dat alle krekels in de wereld eigenlijk overleden mensen zijn. Zodra ze overlijden komt al hun wrok vrij en veranderen ze in agressieve krekels. De één nog gewelddadiger dan de ander en het is de kunst om de meest strijdbare krekel te vangen: ‘…het hangt helemaal af van je verhouding tot dolende zielen. Je oren moeten het zingen van de zielen kunnen horen. Daarom zullen stadsmensen nooit echt iets van krekelgevechten begrijpen.’ In dit verhaal gaat het om de impact van de revolutie op de gemeenschap.

    Vooral in het verhaal ‘Paradijs’ in de trein komt de dwang en daarmee ook de drang naar vernieuwing heel duidelijk naar voren. Een man zit in de trein op weg naar zijn ex-vrouw, van wie hij vier jaar geleden is gescheiden, om te gaan hertrouwen. ‘Goed gehoord? Niet trouwen, niet opnieuw trouwen, maar echt hértrouwen.’ In dit verhaal voel je tegelijk de verwarring die gepaard gaat met al de vernieuwing van de tijd. ‘Wat modern is? Ik weet het niet.’ De man weet niet precies wat het begrip inhoudt, maar weet wel dat het een belangrijk concept is, een manier om erbij te horen. Hij vond scheiden al redelijk modern, maar hertrouwen was weer een heel ander niveau van moderniteit.

    Ook in het verhaal ‘Witte nacht’ blijkt het ‘modern zijn’ moeilijkheden met zich mee te brengen. Een hoogleraar aan de universiteit komt in de problemen, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de revolutie, en wordt in een klein zeilbootje naar het platteland overgebracht. In het dorp waar hij aankomt, is geen school. Hij maakt het tot zijn missie de oude dorpsschool nieuw leven in te blazen en de kinderen daar onderwijs te geven. Dit wordt hem, maar vooral zijn zoon, niet in dank afgenomen. Vooral de kinderen zijn het niet eens met de bouw van de school: Hoe durft hij het in zijn hoofd te halen ons te verplichten naar school te gaan? In dit verhaal wordt het onderscheid voelbaar gemaakt tussen geletterdheid en ongeletterdheid, het leven op het platteland en in stad, en tussen een moderne en ouderwetse manier van leven.

    Bi Feiyu, de schrijver van het boek, wordt in China hoog aangeschreven. Hij heeft tweemaal de prestigieuze Lu Xun Literaire Prijs gewonnen, in 2010 heeft hij de Man Asian Literary Prize gewonnen en sinds 2011 is hij ook in het bezit van de Mao Dun Prize. Hij begon vooral met het schrijven van korte verhalen en novellen. Deze werden vaak goed ontvangen en veel bekroond, maar hij brak pas echt door in 2000 met zijn novelle Maanopera. Zijn volgende succes was Drie zussen (2003) dat eigenlijk bestaat uit een drieluik van novellen. Krekel krekel is een bevestiging van Feiyus voorliefde voor korte verhalen. Bi Feiyu doet echter meer dan korte verhalen schrijven: hij heeft het scenario geschreven voor de film Shanghai Triad, hij is journalist geweest voor de Nanjing Daily en ook het schrijven van poëzie is hem niet vreemd.

    Ook al ligt de Culturele Revolutie ten grondslag aan de verhalen in Krekel krekel, het is slechts een gegeven dat zich op de achtergrond afspeelt. Het gaat in de verhalen toch vooral om de persoonlijke angsten, gebreken en wensen van de personages. De thema’s die in het boek spelen staan dicht bij het echte leven, maar toch is het boek geen representatie van de werkelijkheid. De personages zijn vaak vaag in hun manier van doen, de gesprekken lichtelijk absurdistisch en de scènes komen daardoor soms een beetje karikaturaal over. Hierdoor weten de verhalen niet echt te raken. Het is duidelijk dat de personages zich niet op hun plek voelen, maar je voelt als lezer niet echt met ze mee. Bi Feiyu gebruikt veel gezegdes, maar die komen niet sterk over. Het kan zijn dat een deel van de kracht zoek raakt in de vertaling, maar ook dit draagt ertoe bij dat het boek soms een beetje geforceerd overkomt.
    Het bevat dan misschien niet alle elementen om er een fantastisch boek van te maken, maar er zijn zeker mooie passage te vinden, kleine wijsheden en confronterende ideeën, die het boek alsnog de moeite waard maken om te lezen. Daarbij werkt de structuur van het boek ook mee aan de snelle leesbaarheid.

     

    Krekel krekel

    Auteur: Bi Feiyu
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs:  19,95

  • Wat is herinnering en wat is verbeelding  

    Wat is herinnering en wat is verbeelding  

    In Uitval van Fleur Bourgonje (1946) kijkt een schrijfster, van ergens achter in de zestig, terug op haar leven. Zij heeft net haar manuscript ingeleverd bij haar uitgever. Op het Museumplein moet ze zich vastgrijpen aan een lantaarnpaal. Haar rechterbeen wil haar gewicht niet langer dragen. Een lange dag in het ziekenhuis met talloze onderzoeken volgt. Plotseling is de schrijfster zich enorm bewust van haar lichamelijke verval. En ze realiseert zich dat dit haar perceptie op haar leven heeft veranderd. Ze kijkt me andere ogen naar haar net voltooide manuscript. Jaren werk zit er in het optekenen van haar levensverhaal. Maar is taal wel toereikend om haar leven te vangen en vast te leggen? Ze betrapt zich erop dat ze veel gebeurtenissen van haar leven veelal onbewust en soms bewust gekleurd heeft weergegeven. Ze herleest haar manuscript en fileert daarmee ook haar eigen verleden.

    ‘De ervaringen waarvan ik meende dat ze mij hadden gevormd, stonden nu op papier. De afzonderlijke delen van mijn leven had ik tot een geheel geschreven waardoor ze de kracht verloren me te kunnen achtervolgen om te schokken, in verwarring te brengen of te ontroeren. Ik had, dacht ik, een of meerdere knopen ontward en de rode draad zo achteloos mogelijk door het verhaal laten lopen, een verhaal dat ik na lang aarzelen de dag tevoren in een gesloten envelop in vreemde handen had gelegd.’

    In cursief zijn delen van het manuscript weergegeven. Opvallend is de afstandelijkheid waarmee de schrijfster verslag doet van haar leven. Ze is geboren in een boerendorp als een van de vijf kinderen van een smid. Haar wereld is klein en benauwend.
    ‘Het afgezonderd zijn had me leren vechten, veroveren en afzien – maar ook inzien. Het was een inzicht dat me had geholpen zo autonoom mogelijk te leven. Voor het eerst verving ik – vragenderwijs – het woord “leven” door het woord dat er lijnrecht tegenover stond.’
    Juist die beperking zorgt voor een enorme vrijheidsdrang en zo gauw ze de kans krijgt verkent de schrijfster de wereld. Ze woont langere tijd in het buitenland samen met haar kind.

    Los van de verhaallijnen (het manuscript en haar commentaren daarop) bevat het boek een diepere onderlaag, een filosofisch vraagstuk. Wat is herinnering? Wat is verbeelding? En wat is subjectieve ervaring? Hoeveel ontkent ze? En wat vertelt ze niet uit zelfbescherming?
    Feit is dat elke beleving van wat er gebeurt in een leven altijd gekleurd wordt door de omstandigheden en dus niet anders dan een momentopname kan zijn. En om zo’n momentopname vast te leggen in een boek vraagt om inzicht in het eigen leven, in het verleden, maar ook in taal. Hoe zijn herinneringen te vangen in woorden om ze eeuwigheidswaarde te geven?

    In deze korte roman maakt Fleur Bourgonje fijnzinnig duidelijk dat geheugen én taal beide hun beperkingen hebben. Daardoor is het vrijwel onmogelijk de waarheid te achterhalen. En zelfs als dit gelukt is, hoe kun je deze, nog steeds subjectieve waarheid, in woorden vangen? De schrijfster worstelt met dit vraagstuk op een indringende, filosofische manier die ook de lezer tot nadenken aanzet. Zodra haar rechterbeen het toelaat, haast de schrijfster zich naar haar uitgever. Ze haalt haar manuscript terug. Vernietigen kan ze het niet, veilig opbergen wel.

    ‘Ik wilde het niet vernietigen, nee, ik zou het bewaren in dezelfde la als de fotoalbums van de beschreven jaren en de aandenkens die herinneringen en gevoelens belichaamden die ik was blijven koesteren. Wat en wie ik in het manuscript niet had kunnen, willen of durven noemen, verdienden in de schaduw te blijven, in de beschutting van het schemergebied tussen taal en zwijgen. Een volgend boek zou ik, nam ik me voor, niet vanuit de herinnerde werkelijkheid maar vanuit mijn verbeelding schrijven.’

     

     

  • Rake klappen

    Rake klappen

    Ik vind het best is één van de eerste boeken van Per Petterson (Oslo, 1962). Hij schreef het in 1992. Pas onlangs werd het vertaald in het Nederlands. Andere bekende boeken van hem zijn Twee wegen en Paarden stelen.

    Centraal in dit boek staat de verdrietige jeugd van Audun. Door middel van flashbacks komen we het verhaal van zijn jeugd te weten. Audun voelt zich vaak eenzaam te midden van de jongens uit zijn klas die opgroeien in doodnormale gezinnen. Hij komt namelijk  niet uit een normaal gezin. Zijn vader is geregeld dronken en schuwt niet hem en zijn broertje een portie slaag te geven. Ook Auduns moeder is niet bepaald het prototype van een lieve moeder: ze kan de situatie niet aan waardoor ze niet genoeg aandacht aan haar kinderen kan schenken. Bovendien wordt ze zelf ook mishandeld door haar man. Op een gegeven moment vertrekt de vader definitief uit huis (hij is al vaker zomaar opeens een paar dagen of weken weg), maar dit zorgt voor weinig verbetering in de relatie tussen Audun en zijn moeder; het tij is niet meer te keren. Het leed is al geschied, het gezin is verscheurd.

    In Auduns puberteit sterft ook nog eens zijn broer; Audun staat er voor zijn gevoel vanaf dat moment alleen voor. Gelukkig vindt hij troost in de vriendschap met zijn enige vriend Arvin. Samen komen ze de jaren 60 door. Toch bouwt hij naar iedereen (en ook naar Arvin) een muur van onverschilligheid op, daarachter huist een diepgewortelde angst. Audun is bang om zijn vriend te verliezen; hij is immers niet anders gewend dan dat de mensen om wie hij geeft uit zijn leven verdwijnen of hem teleurstellen. Deze gevoelens van angst toegeven of laten blijken zal hij echter nooit; hij heeft nooit geleerd om zijn gevoelens te uiten.

    Iedere ochtend, in de vrieskou, loopt Audun zijn krantenwijk; hij vindt het zo slecht nog niet. Hij loopt zijn vaste ronde en komt zo een beetje onder de mensen; hij maakt een praatje en is heimelijk verliefd op een getrouwde vrouw die altijd op hem staat te wachten.
    Op een dag volgt er een confrontatie met zijn vader, die hij tegenkomt wanneer hij zijn krantenwijk loopt. Hij heeft hem jaren niet gezien en het weerzien is indrukwekkend beschreven.

    Auduns vader weet af en toe rake klappen uit te delen, maar hij is niet de enige. De schrijver van deze ontroerende roman doet dit net zo goed door de manier waarop hij dergelijke situaties beschrijft. Zo’n scène laat geen lezer onberoerd. De geestelijke mishandeling en het hunkeren naar de liefde van hun vader door de beide broers worden door Petterson zeer emotioneel neergezet: zo beschrijft hij een scène waarin de vader dronken thuiskomst en de kinderen geld geeft nadat hij heeft gevraagd ‘of er nog brave kinderen zijn’. De broers pakken het geld aan en Egil, Auduns broertje, is razend blij en bedankt zijn vader uitgelaten en uitbundig: ‘”O, dank je wel, dank je wel,” riep Egil en begon in de rondte te rennen en op en neer te springen, “heel erg bedankt, pappa, jij bent lief!” riep hij.’ Audun echter is al wat terughoudender, en terecht: ‘Ik keek naar mijn vader, die midden in de kamer stond met zijn handen in zijn zij en zijn hoofd scheef, hij leek nu niet zo dronken, zijn ogen lieten ons geen moment los en er was iets in die ogen, een glinstering, die me niet aanstond. Plotseling begon hij hard te lachen, hij lachte en lachte, en opeens werd zijn gezicht strak en liep hij weer naar ons toe, griste de biljetten uit onze hand en zei: “Zo is het wel weer leuk geweest voor vanavond!.”’ Dit soort scènes vergeet je niet snel.

    Achter de onverschilligheid die de titel Ik vind het best uitstraalt – woorden die overigens meermaals in de roman worden geuit –  zit een uiterst beklemmend gevoel dat Audun altijd in zijn greep houdt. Een angst om alleen te zijn, om niemand meer te hebben. Zijn jeugd heeft hem vervreemd van de maatschappij, van het normale leven, iets wat ook blijkt uit het feit dat hij geen baantje weet te behouden. Wanneer hij rond zijn achttiende in een fabriek gaat werken wordt hij even zo snel weer ontslagen omdat hij met andere werknemers op de vuist gaat. Dit biedt weinig hoop op een goede toekomst.

    Het fraaie taalgebruik, in combinatie met het trefzeker neerzetten van de thematiek van een complex gezin, zorgt ervoor dat Petterson een knap en realistisch beeld weet te schetsen van een eenzame jeugd. Ook alle lof aan vertaalster Marin Mars, de zinnen lopen vlot en soepel en nergens valt het taalgebruik in negatieve zin op.

     

    Ik vind het best

    Auteur: Per Petterson
    Vertaald door: Marin Mars
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs: € 19,95

  • Ritmisch proza

    Ritmisch proza

    De roman Oogst van de veelbekroonde Engelse schrijver Jim Crace (1946) valt niet direct onder de categorie lichte kost. In een interview in Het Parool (6 november 2014) geeft Crace aan waar de schoen wringt: ‘De Britse criticus Adam Mars-Jones schreef ooit dat wanneer je ook maar één alinea in mijn boek leest, de migraine al op de loer ligt!’ Dat laatste lijkt wat overdreven, maar Crace bedient zich van zogenaamd ‘ritmisch proza,’ het soort proza dat de zangerigheid, de melodie en het ritme van gesproken taal wil terugbrengen in de geschreven vorm ervan. Dat moet voor de vertaalster Regina Willemse geen sinecure geweest zijn.
    ‘Twee rookpluimen in een tijd van het jaar waarin het te warm is om te stoken, verrassen ons bij het ochtendgloren, althans degenen onder ons die geen schelmenstreken hebben uitgehaald in het donker.'(…)

    Plotseling is er brand in het kleine dorp, de plaats van handeling van Oogst. Later zal blijken dat het een metafoor is voor onrust in deze besloten gemeenschap. En Crace heeft goede redenen gehad om dit dorp -gesitueerd op het platteland van Engeland ergens rond 1750- af te schilderen als buitengewoon intolerant. Hij vertelt in het eerder aangehaalde Parool-interview dat zijn vrouw en hij meewerkten aan een opvangproject voor asielzoekers in hun eigen dorp, maar dat in de betrokkenheid van de gemeenschap op den duur scheurtjes kwamen toen de terreur van bepaalde groepen binnen de islam toenam.

    Brand als voorbode voor onrust. De boerenbevolking in The Midlands, het decor van het boek, wordt gedwongen mee te werken aan verplichte onteigening van hun landbouwgrond. Deze wordt ten faveure van rijke stedelingen in gebruik genomen voor schapenteelt.

    Dat het boek zich in de 18e eeuw afspeelt kunnen we aflezen aan de kleding van de personen, de verhoudingen, het eten en de vorm van de huisjes. Wat dat betreft is het vreemd dat op de omslag een arbeider uit het begin van de 20e eeuw is gezet. Dat wekt verwarring bij de lezer.

    De verteller van het drama, dat zich ontrolt, is ene Walter Thorsk. Hij blijft voor een groot gedeelte een buitenstaander, registreert, maar houdt zich afzijdig. Bovendien heeft Walter zijn hand verbrand en is hij vrijgesteld van het hooien. Als de oogst binnen is deelt de Meester, een broer van Walter, bier uit en een wilde braspartij met zang en dans kan beginnen. Deze Master Kent zal een gedeelte van het landgoed erven als de bevolking uit hun huisjes is verjaagd. Hij draagt een hoge hoed en rijdt op een prachtige volbloedhengst en komt uit de stad en hij erft het landgoed omdat de vrouw van Walter -de beoogde erfgename- vroegtijdig is overleden. De hoed is teken van stand.

    ‘Een arbeider zou nooit zo’n zware hoed of een hoed met zo’n brede rand dragen of willen dragen of willen hebben. Zulke hoeden horen bij heren die zelden het hoofd hoeven te buigen of een stuk gereedschap hoeven te hanteren.'(…)

    De zaken nemen een dramatische wending. Plotseling verschijnen er drie vreemdelingen ten tonele. Een vrouw, die uitzonderlijk mooi is, een jonge en een oudere man. Heimelijk zijn de mannen van het dorp verliefd op de vrouw, maar ze beschuldigen haar na enige tijd van hekserij. Wat men niet kent is van de duivel. De mannen worden in schandpalen gezet omdat ze de brand zouden hebben aangestoken, terwijl het gehele dorp weet dat drie jonge knapen dat gedaan hebben. Tot overmaat van ramp is het paard van Master Kent plotseling gestolen. Daar krijgen de vreemdelingen ook de schuld van, hoewel ieder bewijs voor de diefstal ontbreekt.

    De vrouw verdwijnt wijselijk. Maar dan komen we letterlijk in een schimmenspel terecht. Dezelfde vrouw brengt de mannen aan de schandpalen ’s nachts of in de schemering eten en Thorsk verstopt zich in de bosjes om haar te vangen. Dat mislukt, want de vrouw is de dorpelingen steeds te slim af. Inmiddels is een van de twee mannen gestorven aan de schandpaal en aangevreten door varkens, die in die tijd nog vrij rondscharrelden. De bevolking heeft de mannen bekogeld met drek en rottend fruit. Het lijkt een soort kruisiging, want dit dorp heeft geen kerk maar van godsdienstwaanzin en daaruit voortvloeiende vreemdelingenhaat is volop sprake. Master Kent heeft een leidende rol gekregen, voltrekt huwelijken en leidt begrafenissen.

    De mysterieuze meneer Ganzeveer heeft opdracht gekregen, een kaart te maken van het landgoed. Hij kan als een van de weinige dorpelingen schrijven, maar hij loopt slecht, hij strompelt. Walter moet hem assisteren en deze hulp bestaat uit het noemen van namen van de plekken, die in kaart worden gebracht. De plek waar de bevolking zijn behoefte doet, doopt hij snel ‘Bloesemwater, ‘ want hij ziet zijn kans schoon deze naamloze rommelplek een poëtische naam te geven.

    Het verhaal neemt een tragische wending wanneer een neef van de vrouw van Master Kent, Edmund Jordan, ten tonele verschijnt. Hij kent de dorpelingen en hun gewoontes helemaal niet, heeft nimmer in het dorp gewoond, maar paait de dorpelingen met de belofte dat hij een kerk zal laten bouwen. Zonder hem te noemen zet hij zich af tegen Master Kent, hij vindt hem te slap en appelleert aan de gevoelens van de dorpelingen met een ‘zero-tolerance-avant la lettre.’ Om dat beleid kracht bij te zetten heeft hij knechten meegenomen. Een meisje wordt opgepakt, ze was koningin van de oogst, maar kan niet verklaren hoe ze aan een dure zijden sjaal komt. Vrouwen zijn vogelvrij bij Jordan en zij wijzen op hun beurt naar meester Ganzenveer. Een prachtige Shakespeariaanse verwijzing. Wie onder druk staat verraadt een ander om buiten schot te blijven.
    Meester Ganzenveer schildert, speelt viool en kan schrijven. In de bekrompen dorpsleer is hij dus een leerling van de duivel.
    Walter Thorsk begint zich ongemakkelijk te voelen, hij is bang ten prooi te vallen aan de woede van het dorp. De weduwe Gosse, waar hij regelmatig mee naar bed is geweest wil niets meer met hem te maken hebben. Het net sluit zich.

    Hoe zal dat aflopen? De 7 dagen waarin de handelingen van het boek zich afspelen zijn als een droom voorbijgetrokken. De dorpelingen rapen hun spulletjes bij elkaar. Onverwachts haalt Thorsk, de buitenstaander, nog eenmaal uit, maar de lezer vraagt zich af of het allemaal nog zin heeft. Wat een prachtig boek. Mooi vertaald, een sieraad!

     

  • Negen verhalen rondom een plein

    Negen verhalen rondom een plein

    Recensie door Margo Zuidema

    Op het eerste gezicht lijken het willekeurige mensen, de personages uit de verhalenbundel van Marian Boyer. Maar er is een bindende factor; alle hoofdpersonages wonen aan, of bezoeken het plein met de fontein. Het plein in het kleine stadje in de verhalenbundel Een kleine storm van Marian Boyer is ‘het punt waarop levens samenkomen, zich kortstondig verknopen en weer uiteen gaan, om geen andere reden dan dat het plein ze daar heeft gebracht’, laat Boyer een personage in haar verhalenbundel zeggen.

    In de bundel Een kleine storm staan negen korte verhalen over bijzondere momenten in het leven van bewoners of bezoekers van het plein: een kioskeigenaar die een tijdje terug zijn vrouw verloren heeft, twee anorectische meisjes, een vrouw die als escortdame werkt, een eigenaar van een Grieks restaurant, twee voormalige kindsoldaten die spullen verkopen op de weekmarkt op het plein, een dochter van een alcoholica, een jonge vrouw die op het kind van haar vriendin past, een jong meisje uit een chaotisch gezin en een zwerfster die elke dag bij de fontein zit.

    Naast de centrale locatie is er een thematische overeenkomst tussen de verhalen. De personages zijn kwetsbare mensen, die in hun omgeving de nodige ellende hebben meegemaakt; zoals het overlijden van een partner, hebben een aan alcohol verslaafde moeder of hebben een oorlog meegemaakt. In ieder verhaal komt voor het hoofdpersonage van dat verhaal een moment dat er een belangrijke beslissing genomen moet worden. Vaak wordt een niet alledaagse keuze gemaakt. Ook zijn de gebeurtenissen soms bizar en vervreemdend.

    Een verhalenbundel over bewoners van een stadsplein; een prachtig gegeven! Maar helaas zijn niet alle verhalen even overtuigend. Bijvoorbeeld: waarom is de lappenvrouw zwerfster geworden? Wat is haar achtergrond? Is een niet werkende fontein op dat moment nu echt het belangrijkste in het leven? Ook blijven de beweegredenen van de eigenaar van het restaurant en het blinde meisje en haar moeder en Daphne erg vaag.

    Sommige figuren zijn bijzonder knap geschetst, met een paar zinnen is een rake typering neergezet. “Marthe is lid van een contactgroep op internet die informatie uitwisselt over de opvoeding van kinderen van nu. Ze zit uren achter de computer en vergeet dat ze soep zou opzetten of luiers kopen.” […] “Over haar ouders bijvoorbeeld: waarom ze van die blikken werpen naar elkaar, alsof ze ieder moment met een speer kunnen gaan gooien.”

    Ontroerend is de passage over de kioskeigenaar: “Hij heeft de foto van zijn vrouw met haar gezicht naar de zon gezet en vlak voor hij wegging weer omgedraaid, zodat ze naar de ondergaande zon zou kijken als hij thuiskwam. En straks zal hij zijn tas in de hal zetten en samen met haar naar dezelfde zon kijken, precies als toen ze nog leefde.”

    Boyer gebruikt niet alledaagse omschrijvingen: “De laffe kou die hij in haar achterliet”, “Spullen zijn verlengstukken van de bezitter”, “De doden zijn de doden niet die ze waren tijdens hun leven”. Maar niet alle beeldspraak is overtuigend: “In een parallelle werkelijkheid, die tot zijn spijt de echte heette”, “Tom zag muren als kauwgum achter zijn vingers wijken”, Een laurierstruik wordt Daphne niet”.

    Marian Boyer, 1954, actrice, regisseuse en schrijfster van 14 toneelstukken, debuteerde in 2001 met de roman Het engelentransport. In 2005 schreef ze Fantastisch lichaam, een roman waarin de schrijfster haar ervaringen met het overwinnen van de ziekte kanker verwerkte.

    Na twee romans komt Boyer nu met een verhalenbundel. De schrijfster zegt zelf een liefhebster van het korte verhaal te zijn. Zij vindt een verhalenbundel goed in onze hectische tijd passen: “Perfect om te lezen voor het slapen gaan of voor een treinreis. En interessanter dan de tv!” Verder ontbrak het haar ook aan tijd en spankracht om een hele roman te schrijven.

    Een kleine storm is een aanrader voor de liefhebber van het korte verhaal. De bundel bevat prettig leesbare verhalen, die ervoor zorgen dat de lezer nooit meer onbevangen naar een stadsplein kijkt.