• Oogst week 14

    Asja en de astrologe

    Deze week in de oogst drie vertaalde romans en wel vanuit het Bulgaars, Amerikaans en Russisch en reisverhalen van een Nederlandse auteur.

    De Bulgaarse journaliste en schrijfster Ina Vălčanova, won met haar derde roman Asja en de Astrologe in 2017 de EU-Literatuurprijs. Een boek in twee (geestige) monologen van twee vrouwen wier levens elkaar voor korte tijd kruisen. Asja is slordig en impulsief vrouw. Al joggend breekt ze zich het hoofd over hoe ze haar leven een andere wending kan geven. Dan krijgt ze een raadselachtig telefoontje van een collega.

    De tweede brouw, Radost is net gescheiden en woont weer in een flat in Sofia waar ze opgroeide. Ook zij gooit haar leven om. Ze mediteert, loopt hard, maakt haar eigen beautyproducten en verdiept zich in de astrologie. Met haar collega Asja, zo blijkt, heeft ze een speciale astrale band. Asja hangt iets boven het hoofd en Radost moet ingrijpen.

     

    Asja en de astrologe
    Auteur: Ina Valcanova
    Uitgeverij: De Geus

    De zwijguren

    In De zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag volgt E. de Haan de voetsporen van wereldberoemde schrijvers en dichters. Aan de hand van briefwisselingen, notities en dagboeken traceert hij hun leven en sterven. Door tijdelijk dezelfde paden te bewandelen haalt hij het verleden naar zich toe. De ene keer betreft het Samuel Beckett in Hamburg, waar hij het Duits leerde spreken, of John Keats in Winchester, mijmerend over zijn geliefde Fanny Brawne. Lord Byron maken we in Genua, Venetië en Navarino mee. Joseph Brodsky, Ezra Pound en Frederick Rolfe treffen we aan op een Italiaans eiland. Maar ook minder grote goden als Trakl, Klopstock en Choukri of vergeten talenten als Mohr, Waggerl en Blecher komen aan bod. De Zwijguren rakelt geschiedenissen op die anders ongehoord zouden blijven. Elk verhaal wordt voorafgegaan door een foto van een historische plek, gemaakt door de schrijver zelf en door Judith Heinsohn. 

    E. de Haan (1957) is het pseudoniem van Peter de Rijk, redacteur en docent Creatief schrijven. De Haan debuteerde in 1996 met de novelle Vonk en schreef later ook gedichten. Ik belde mijn muze (2003) was zijn debuutbundel. De tweede, Scheren zonder spiegel verscheen in 2011. Gedichten dan hem werden opgenomen in De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, door Ilja Leonard Pfeiffer samengesteld.

    De zwijguren
    Auteur: E. de Haan
    Uitgeverij: Knipscheer,

    Een zekere vrijheid

    Margaret Wilkerson Sexton is geboren in New Orleans waar ook haar debuutroman Een zekere vrijheid speelt. Ze studeerde Creative writing en Rechten.

    Een verhaal over drie generaties te beginnen in de jaren veertig in New Orleans met Evelyn, oudste dochter uit een welgestelde familie, gaat met de zoon van een conciĂ«rge – wiens dromen groter zijn dan zijn mogelijkheden – in zee. Ze krijgen een dochter, Jackie, die eenmaal volwassen de carriĂšre van haar man ziet ontsporen door de economische crisis in de jaren tachtig tijdens de Reagan-jaren. Haar man raakt verslaafd en Jackie staat alleen voor de opvoeding van hun zoon T.C.
    In 2011 worstelt New Orleans met de nasleep van orkaan Katrina en T.C. wil een nieuwe start maken. Maar dat blijkt zelfs in de eenentwintigste eeuw niet eenvoudig voor een zwarte jongeman in het zuiden van Amerika.

    ‘This luminous and assured first novel shines an unflinching, compassionate light on three generations of a black family in New Orleans, emphasizing endurance more than damage.’ Zegt de  New York Times Book Review.

    Een zekere vrijheid
    Auteur: Margaret Wilkerson Sexton
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Voorbij het geheugen

    Dichteres en schrijfster Maria Stepanova is een belangrijk persoon binnen de literaire scene in Rusland. Voorbij het geheugen is een familiegeschiedenis, over haar joods-Russische familie die bestond uit artsen, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs. In de twintigste eeuw, waarin jodenvervolging, onderdrukking en moord schering en inslag waren, bleef haar hele familie ongedeerd. Haar voorouders overleefden alle verschrikkingen van de twintigste eeuw. Dit verbaasde haar en deed haar zich afvragen: Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden wel te bewaren? Hoe slaan de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw neer in het geheugen van de mensen van nu? Op welke manier moet Stepanova zichzelf verhouden tot de voorbije levens die ze bestudeert?

    Met Voorbij het geheugen schreef Maria Stepanova een bijzonder boek dat wel doet denken aan het werk van auteurs als Nabokov, Sebald en Sontag, maar vooral een zeer eigen stem heeft.

    Een mooie lijst met boeken waar we de komende week weer mee voort kunnen.

     

    Voorbij het geheugen
    Auteur: Maria Stepanova
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poĂ«ziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geĂŻnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poĂ«zie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beĂŻnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (
) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten Ă©n hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Oogst week 8 – 2019

    Een leven zonder einde

    In de oogst van deze week een roman van de Franse schrijver Frédéric Beigbeder, waar ik nog nooit iets van gelezen heb maar wiens werk, nu ervan gehoord is, gelezen zal gaan worden. Dan  een roman over collaboratie met de bezetter door Kristien Hemmerechts, een nieuwe dichtbundel van Tomas Lieske en een klein, doch fijn boekje van Bert Wagendorp.

    Bij De Geus verschijnt Een leven zonder einde van journalist, literair criticus en romancier Frédéric Beigbeder (1965). Beigneder werkte jarenlang als tekstschrijver op een reclamebureau. Als schrijver brak hij door met de roman 99 francs (2000), waarin hij de reclamewereld kritisch beschrijft. Internationale aandacht verkreeg hij met zijn boek Windows on the World (2003), waarin hij afwisselend het verhaal beschrijft van een man en zijn zoontjes die in het restaurant van het World Trade Center aan het ontbijt zitten op de ochtend van de aanslag en van een schrijver die op hetzelfde moment aan een verhaal werkt in de Tour Montparnasse.

    Van de cover van Een leven zonder einde de volgende tekst:

    ‘Vroeger dacht ik één keer per dag aan de dood. Sinds ik de vijftig gepasseerd ben, denk ik er elke minuut aan. Dit boek vertelt hoe ik me voornam te stoppen met dat stomme sterven. Creperen zonder te reageren was geen optie.
    F.B.

    PS: Al heeft het er alle schijn van, dit boek is géén science fiction.’

    Dat klinkt berustend en uitdagend, maar vooral opstandig; dit moet gelezen worden om te kunnen duiden wat de betekenis van dit boek is.

    Een leven zonder einde
    Auteur: Frédéric Beigbeder
    Uitgeverij: De Geus

    Het verdriet van Vlaanderen

    De Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts (1955) maakte naast haar vele romans, reisverhalen en verhalenbundels ook naam met haar autobiografische essays. Daarvan is Taal zonder mij (1997) wel de bekendste.
    Hemmerechts weet de meest ingewikkelde thema’s op een invoelbare manier te verwoorden. Haar roman De vrouw die de honden eten gaf (2014) over de vrouw van Dutroux, Michelle Martin, deed veel stof opwaaien, maar werd ook geprezen om zijn kwaliteit.

    Haar nieuwe roman Het verdriet van Vlaanderen (wat onvermijdelijk doet denken aan dat andere ‘verdriet van’, door Hugo Claus) gaat over een lange traditie van zwijgen over de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Belgie. De vader van de tweelingbroers Hein en Toon Van den Brempt was een SS’er, hun moeder werkte als secretaresse voor het hoofd van de Belgische SS. Er werd lang over gezwegen maar nu willen zij die stilte doorbreken. Samen met Kristien Hemmerechts gingen ze op zoek naar de waarheid achter de taboes, de leugens en de mythes die na de Tweede Wereldoorlog aanbleven.

    Het verdriet van Vlaanderen
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus

    Keto Stiefcommando

    PoĂ«zie: Deze week verscheen de nieuwe dichtbundel van Tomas Lieske, Keto Stiefcommando. ‘Een knots en Lieskiaans theatraal verhaal van een serie bendeleden uit Saint Denis die zich met levens bemoeien’, liet tijdschrijft Terras op Facebook weten. ‘De kindertijd van hertogin Anna Amalia’ uit de bundel werd online voorgepubliceerd in op Terras.

    Er zijn Afrikaanse jongens, die onder leiding van ene Keto Stiefcommando gedichten schrijven op helden. ‘Die gedichten brengen ze stuk voor stuk naar de basiliek van Saint-Denis. Zingend en bier in hun droge kelen gietend lopen ze achter de vuilniswagens aan door Parijs. Ze dragen foto’s mee van hun bezongen held en spuiten met rode verf de naam op een monumentale graftombe. Wie zijn die helden van wie zij de kindertijd bezingen? Ze vormen een uiterst eigenaardige verzameling van personen uit de westerse cultuurgeschiedenis: van Garibaldi en Don Quichot tot Eiffel en Thatcher.’‹ De bundel wordt als ‘actueel, rauw en verwarmend’ gekwalificeerd.

    Keto Stiefcommando
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Querido

    Fictie moet de sport redden

    Columnist en schrijver Bert Wagendorp (1956) schrijft al sinds jaar en dag voor de Volkskrant en schreef verhalen, een roman en een novelle.
    Fictie moet de sport redden is zijn nieuwste publicatie. Over wielrennen als een literair genre om het uit het dal van de nutteloze activiteiten te halen. Wagendorp haalt daarbij de literaire criticus Kees Fens aan, die dol was op wielrennen. Er werd gezegd dat Fens wielerkoersen las, zoals hij  boeken las. Het koersverloop als een verhaal. Fens wenste tijdens het wielrennen kijken dan ook niet te worden gestoord, zoals een lezer niet uit een verhaal wenst te worden getrokken.

    Wagendorp onderzoekt in Fictie moet de sport redden de indruk dat sport in de loop der jaren een dimensionaler is geworden, dat werkelijkheid en verbeelding steeds meer zijn samen gevallen, en de verbeelding verdwenen is. ‘Het is alsof de kale wedstrijd een waarde op zich vertegenwoordigt en we geen fictionalisering meer nodig hebben. Kees Fens zou in een sportcolumn wel raad hebben geweten met deze ontwikkeling.’

    Fictie moet de sport redden
    Auteur: Bert Wagendorp
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Naar adem snakken

    Naar adem snakken

    ‘Het kostte me jaren om alle vuil dat mij over mijzelf was ingeprent, enwat ik voor de helft geloofde, uit te kotsen, voordat ik in staat was om op aarde rond te lopen alsof ik er recht op had hier te zijn’, schrijft James Baldwin in 1960 in een artikel over het studentenprotest in Tallahassee, Florida, naar aanleiding van de rassenscheiding. Hetzelfde artikel opent met de vaststelling dat je als zwarte altijd op je hoede moet zijn in het contact met de blanken. Voor je het weet heb je een  onzichtbare grens overschreden met (vaak) catastrofale gevolgen.
    Die wetenschap komt je niet alleen van pas in het zuiden van de Verenigde Staten, maar ook in het noorden, bijvoorbeeld in Harlem, New York, waar Baldwin zijn roman Als Beale Street kon praten uit 1974 situeert en waar hij ook opgroeide.

    Een jaar nadien kwam de roman in Nederlandse vertaling uit. Nu is er een nieuwe vertaling van deze tamelijk onbekende roman van Baldwin. Afgelopen najaar kwam in de VS de gelijknamige film uit en als het aan de critici van The New York Times ligt, zou die voor een Oscar genomineerd moeten worden.
    De titel van de roman verwijst naar een regel uit Beale Street Blues van W.C. Handy uit 1917, een bitter-zoet nummer dat sindsdien door talrijke artiesten op de plaat is gezet, onder wie Louis Armstrong en Lena Horne, schitterende versies die bijvoorbeeld op YouTube zijn te beluisteren.
    Als Beale Street kon praten is een verhaal over de liefde tussen twee jonge mensen Tish en Fonny, dat zich afspeelt tegen de boven beschreven achtergrond. De ontwikkelingen worden in flashback beschreven vanuit het perspectief van de ik-verteller Tish, de vrouwelijke hoofdpersoon. Dat vertelperspectief is door Baldwin niet voor niets gekozen. Op deze manier drukt hij de lezer met de neus op de ontstellende feiten. Er is geen ontkomen aan. Daarmee zet hij de lezer op één lijn met de zwarte hoofdpersonages, voor wie er in een wereld waarin op elke hoek van de straat valstrikken worden gespannen, ook geen ontkomen aan is.

    Fonny belandt in de gevangenis omdat de buurtagent nog een rekening met hem heeft te vereffenen. Want als Tish bij een groentewinkel wordt betast door een blanke junk en Fonny deze vervolgens neerslaat, meent de buurtagent te moeten optreden en spreekt Fonny hierop aan. De Italiaanse groenteverkoopster springt als enige voor Fonny in de bres. De agent druipt af. Zijn ego heeft een gevoelige deuk opgelopen. En, zo weet iedere zwarte, dan wordt zo’n agent gevaarlijk.
    Later wordt Fonny beschuldigd van verkrachting. Fonny is onschuldig. Dat weet agent Bell net zo goed als Fonny zelf. Maar het systeem, waarin je als zwarte per definitie schuldig bent, heeft daar maling aan.
    Intussen is Tish zwanger van Fonny. We volgen de ontwikkelingen van de baby in de buik van Tish op de voet, net als de pogingen van de beide families om Fonny met behulp van een advocaat uit de gevangenis te krijgen.

    De werkelijkheid die Baldwin in zijn roman beschrijft en die hij in talrijke essays en artikelen heeft beklemtoond, maakt van Als Beale Street kon praten nog geen diep treurige roman. Integendeel, er is hoop, uit gesproken door de hoofdpersonages, met een prominente rol voor Sharon, de moeder van Tish: ‘zolang we het hoofd koel houden en ons voor ogen houden welke belangen er voor ons op het spel staan, niet in de laatste plaats de toekomst van de baby die op komst is’.
    Dan is er nog de ontmaagdingsscĂšne van Tish. Zo huiveringwekkend mooi en liefdevol beschreven dat het je als lezer de adem beneemt.

    Kortom, een opzienbarende roman. Maar dat wisten de Nederlandstalige lezers in 1975 natuurlijk ook al. Desondanks is de heruitgave in een prachtige nieuwe vertaling van Harm Damsma – wat is levend Nederlands toch mooi – een bijzondere gebeurtenis, al was het maar vanwege de opmerkelijke ‘waarschuwing’ aan de lezer.

    ‘Uitgeverij De Geus heeft ervoor gekozen het woord ‘white’ te vertalen als ‘wit’ in plaats van ‘blank’. Het woord ‘nigger’ is onvertaald gelaten. Middels deze keuzes hebben we geprobeerd recht te doen aan de auteur in de taal van het Nederland van nu, met inclusiviteit als uitgangspunt. Dit ondanks nadrukkelijk protest van de vertaler.’
    Deze ‘belijdenis’ staat boven het colofon van het boek. Is dit nu een poging van de uitgeverij om de geschiedenis achteraf ‘wit’ te poetsen, om tegenstellingen van destijds in Amerika (en in Nederland) met terugwerkende kracht te verzachten?

    Als in het Amerikaans ‘black’ tegenover ‘white’ staat (‘for whites only’), is het Nederlandse equivalent ‘blank’ tegenover ‘zwart’. Slegs vir blanke’ kennen wij Nederlanders nog maar al te goed in de Afrikaanse zustertaal, de taal die ons en de rest van de wereld met het woord ‘apartheid’ heeft opgezadeld.
    Dus waarom ‘wit’ in plaats van ‘blank’? Vanuit het perspectief, we zijn nu beter geworden, we gaan op een humanere manier met elkaar om? Dat laatste is wat de heersende ‘witte’ ideologie graag iedereen wil doen geloven, waarmee echter een nieuwe valse mythe wordt gecreĂ«erd.

    De zwarte Pietendiscussie in ons land wordt vooral belicht vanuit het perspectief van Nederlanders die het gevoel hebben dat hen hun ‘cultuur’ wordt afgepakt. Maar je zou de controverse ook kunnen benaderen vanuit het gegeven dat zwarte mensen in ons land zwarte Piet niet alleen associĂ«ren met het slavernijverleden en alledaags racisme, maar ook en vooral met het gegeven dat dit verleden en het racisme in de heersende ‘witte’ ideologie, hoegenaamd niet voorkomt. Het is altijd weggepoetst. Zwarte mensen die dit thema aanroeren worden weggezet als aanstellers. En dĂĄt is wat pijn doet.
    Zolang de heersende ‘witte’ gemeenschap niet in staat is om het slavernijverleden als onderdeel te zien van de ‘witte’ cultuur, hoe pijnlijk ook, kun je wel een woordje ‘blank’ vervangen door ‘wit’, maar daarmee is aan de werkelijke situatie niets veranderd. Die is ook met newspeakniet uitgewist.
    Zolang een zwarte of gekleurde Nederlander nog betiteld moet worden als Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse, Turkse of Ghanese Nederlander, in plaats van Nederlander, zo lang is er nog apartheid in dit land.

    In de documentaire I am not your negro uit 2016 heeft Baldwin zelf het laatste woord. Wat hij zegt zou evengoed op de Nederlandse verhoudingen kunnen slaan als op de situatie in de Verenigde Staten, in Baldwins tijd en in de huidige.
    ‘Wat blanke mensen moeten doen is proberen bij zichzelf te rade te gaan, waarom het ĂŒberhaupt nodig is om een ‘nikker’ te hebben, want ik ben geen nikker. Ik ben een mens. (
) Als ik hier niet de nikker ben en jullie hebben hem uitgevonden, jullie blanken hebben hem uitgevonden, dan moet je proberen uit te zoeken waarom. En de toekomst van ons land hangt daarvan af, of het al dan niet in staat is zich die vraag te stellen.’

    De context waarin James Baldwin dit liefdesverhaal plaatst, gaat overigens verder dan de rassentegenstellingen van de jaren zestig en begin zeventig in Harlem en omgeving. Na terugkeer uit Puerto Rico waar Sharon, de moeder van Tish, heeft geprobeerd de vrouw die Fonny beschuldigde van verkrachting, over te halen haar verklaring in te trekken, schetst ze Tish hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de Puertoricaanse zwarte bevolking en de Amerikaanse.
    ‘Ik had het nog nooit zo bekeken. Nog nooit. Ik spreek geen Spaans, en zij spreken geen Engels. Maar we leven op dezelfde vuilnisbelt. Om dezelfde reden. (
) Om dezelfde reden had ik er nog nooit eerder zo over nagedacht. Wie Amerika ook ontdekt heeft, ze hadden hem geketend en wel terug moeten sturen om in eigen land te creperen.’

    Baldwin sluit het manuscript af, zo staat aan het slot van de roman, met: ‘Saint-Paul-de Vence. Columbusdag, 12 oktober, 1973.’ In Spanje werd die dag traditioneel –Franco leefde nog – Día de la Raza gevierd, het superieure blanke ras, wel te verstaan.

     

     

  • Over de donkerste jaren van Peru en een moeilijke vader-zoon relatie

    Over de donkerste jaren van Peru en een moeilijke vader-zoon relatie

    De Zuid-Amerikaanse militaire dictaturen uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn vaker onderwerp van romans en films. Op zich niets nieuws. In De afstand die ons scheidt krijgt de lezer wel een nieuwe inkijk op deze staatsvorm. Renato Cisneros is dichter, schrijver, radio- en televisiepresentator in Peru, maar vooral ook zoon van  Luis Cisneros Vizquerra (1926-1995), bijgenaamd El Gaucho, een van de spilfiguren van de militaire dictatuur in Peru.
    ‘Het is een roman over hem, of over iemand die erg veel op hem lijkt, geschreven door mij, of iemand die erg veel op mij lijkt. Geen biografische roman. Geen historische roman. Geen documentaire roman. Een roman die zich bewust is dat de werkelijkheid eenmalig is en dat elke weergave daarvan gedoemd is tot vertekening en verdraaiing, tot schijngestalten’, schrijft Renato Cisneros op een van de eerste bladzijden. Een roman over zijn vader; de kijk van een jonge zoon op de publieke en meedogenloze figuur die zijn vader was.

    Therapie

    De roman ontwikkelt zich als een soort therapeutisch geschrift. Na een mislukte relatie komt Renato Cisneros in een depressie terecht. De psychiater ontdekt al gauw dat er iets schort aan de vroegere vader-zoonrelatie. Er wordt ingezoomd op de familiegeschiedenis. De familiekroniek begint met hier en daar een komische noot. Zo schetst Cisneros hoe zijn voorvaderen het niet zo nauw namen met de huwelijkse trouw en overal bastaardkinderen hadden verwekt. Daarmee probeert hij ook het gedrag van zijn vader goed te praten. Hijzelf is een kind van de tweede vrouw van El Gaucho. Later leert hij dat zijn ouders nooit getrouwd waren en dat hij dus ook een bastaard is, geheel passend in de familietraditie.

    Cisneros verloor zijn vader op zijn achttiende en wil meer te weten komen over zijn leven en daden. Hij gaat op zoek naar mensen die hem gekend hebben, oud-minnaressen, oudere broers en zussen en bouwt langzaam een beeld op van de man die hij op een andere manier en nooit echt goed gekend heeft. Hij krijgt toegang tot geheime archieven en leert zo zijn vader beter kennen.

    Meedogenloze dictator

    In het middengedeelte van het boek krijgt de lezer een inkijk op de rol van El Gaucho in de militaire dictatuur waar hij de functie minister van Binnenlandse Zaken en later minister van Oorlog opneemt in opeenvolgende juntaregeringen. Het pleit voor de auteur dat hij de vreselijke onthullingen die hij over zijn vader leert niet uit de weg gaat of verbloemt. Zijn vader nam geen blad voor de mond en doet ook in de pers openlijke uitspraken over hoe hij de tegenstanders van het regime wil aanpakken. Hij deinsde er niet voor terug om mensen te (laten) liquideren, met als gevolg dat hijzelf en zijn gezin ook vaak het doelwit waren van bedreigingen en aanklachten. Hij dweepte met andere ‘sterke’ figuren van militaire regimes in Zuid-Amerika als Augusto Pinochet en Jorge Videla en was overtuigd van het grote gelijk van het regime. Vooral de aanhangers van Sendero Luminoso (Lichtend Pad) en zijn leider Guzman moesten het ontgelden. Alles paste natuurlijk in de geheime operatie ‘Condor’ waarin Zuid-Amerikaanse regeringen, gesteund door de VS, het opnamen tegen communistische groeperingen. De vele namen en details over het leven als generaal en politicus geven de roman iets minder vaart, maar zijn broodnodig om het volledige beeld te schetsen van de man die Cisneros kende als zijn vader.

    Dubbele persoonlijkheid

    Het beeld van El Gaucho is niet helemaal negatief. Cisneros laat zien dat zijn vader een dubbele persoonlijkheid was: de man die thuis met hem speelde en terechtwees, hem ’s avonds naar bed bracht, maar overdag veranderde in een volksbeul. Op het einde van zijn leven werd El Gaucho ziek. Hij probeerde nog tevergeefs een rol te spelen in de politiek, maar verloor de verkiezingen. Na zijn dood probeert Cisneros zich te focussen op enkele positieve herinneringen aan zijn vader. Hij is zich bewust van het feit dat hij nog te jong was om de volledige draagwijdte van zijn vaders daden in te schatten en dat hij dus onmogelijk kon zien wat voor iemand zijn vader was. Voor hem was het een vader als een ander, die slecht was met woorden en die enkel in zijn brieven naar zijn zoon zijn intieme gedachten en gevoelens kon uitdrukken.
    De afstand die ons scheidt
    is een aangrijpende poging van een zoon om in het reine te komen met (de daden van) zijn vader. Het biedt een fantastische inkijk op de donkerste jaren van de Peruaanse geschiedenis, maar blijft bovenal een intiem verhaal over een moeizame vader-zoonrelatie.

     

  • Een verloren generatie in een surrealistisch landschap

    Een verloren generatie in een surrealistisch landschap

    De roman Vorosjylovhrad kreeg als ondertitel mee Terug naar de woeste velden van Oost-Oekraïne. Auteur is de Oekraïense poëet Serhi Zjadan, een ster in eigen land, niet alleen omdat hij de frontman is van een rockband, maar ook omdat hij publiekelijk uitkomt voor zijn politieke ideeën. Hij speelde een actieve rol in de Oranjerevolutie van 2004-2005 en stond vooraan op de barricaden om te demonstreren tegen de corruptie in de regering Janoekovytsj van 2013-2014. Als pro-Westerse demonstrant raakte hij ook slaags met pro-Russische betogers, via de sociale media werd zijn naam een statement. Ondertussen begint hij ook buiten Oekraïne bekendheid te krijgen.

    Naast zijn populaire gedichten worden zijn romans gretig vertaald in verschillende talen en won Vorosjylovhrad, oorspronkelijk verschenen in 2010, de BBC Book of the Year Award. Uitgeverij De Geus kon dit niet zomaar voorbij laten gaan en kaderde de uitgave van dit boek in het grootschalige project Reading Europeans: Strengthening Cultural Identity through Literature. Opzet van het project is een betere verstandhouding van de gedeelde Europese identiteit. Door elkaars literatuur te lezen komen de verschillende landen dichter bij elkaar, en dat is ook nodig in een tijd dat de Europese Unie onder druk staat en kampt met grote problemen als vluchtelingenstromen en economische ongelijkheid.

    Gezamenlijke herinneringen

    Vorosjylovhrad is een veelgelaagd verhaal dat het midden houdt tussen een coming-of-age roman, een natuurdocumentaire en een politiek-filosofische roman. Alles draait rond protagonist Herman die weggetrokken is uit zijn geboortestad, geschiedenis heeft gestudeerd en nu in Charkiv een dubieuze job deelt met zijn zogenaamde vrienden Bolik en Ljolik. Wanneer hij het bericht ontvangt dat zijn broer, die een tankstation runt aan de rand van hun geboortestad Vorosjylovhrad, vertrokken is naar Amsterdam en hij dus de zaak moet komen runnen, keert hij terug naar huis. De stad heet sinds de onafhankelijkheid Loehansk, maar de inwoners vergeten hun band met het verleden niet. Precies met dat verleden probeert Herman in het reine te komen. Samen met de verlopen figuren Manke en Kotsja probeert hij op te boksen tegen de maïsbaronnen en oligarchen die het gebied onder controle trachten te krijgen. Herman maakt opnieuw kennis met de figuren uit zijn verleden die sinds de onafhankelijkheid  gebukt gaan onder de verwaarlozing van het gebied.

    Herman geeft zich over aan drank en vrouwen, luistert naar de wilde verhalen van Kotsja en Manke, van Ernst – die relicten uit de Tweede Wereldoorlog opgraaft op het oude vliegveld – en beleeft wonderlijke avonturen waarvan de lezer vaak niet weet of ze realiteit zijn of belevenissen in een of andere roes. Alles speelt zich af tegen een verwoest en mistig landschap waarin verlaten fabrieken, een verlaten vliegveld en een schimmige rivier de hoofdrol spelen. De overheersende kleur is zwart en weerspiegelt het  leven dat de inwoners leiden. Het enige wat hen nog verbindt, is het gevecht om hun gezamenlijke verleden te bewaren. Een gevecht dat constant door politieke en culturele veranderingen uitgewist wordt. Dat beschrijft Zjadan fenomenaal in een eindscĂšne op het verlaten vliegveld waarin de oude bewoners regelrecht tegenover de nieuwe heersers komen te staan.

    Poëtische stijl van een visionair

    Sehri Zjadan kan zijn oorspronkelijk schrijfgenre niet verloochenen. De stijl is op zijn minst poĂ«tisch te noemen. Hij wordt dan ook niet voor niets de ’bard van Oost-OekraĂŻne’ genoemd. De beschrijvingen van het dorre landschap, het verwoeste rurale hinterland van OekraĂŻne, zijn zeer donker ( op elke pagina komt het woord zwart voor), maar ook aangrijpend. Die beschrijvingen lopen parallel met de vaak verlopen figuren die ronddwalen in dat surrealistische landschap. Niet alleen het Jeroen Bosch-achtige uiterlijk van de figuren wordt zeer gedetailleerd beschreven, ook de karaktertekening is nauwgezet uitgewerkt, al lijken de vrouwen nogal vast te zitten in hun stereotype rol.

    De grootste krachttoer van Zjadan zit in de beschrijving van Oost-OekraĂŻne zelf. Naast het woeste landschap schetst hij ook op zeer nostalgische wijze de sfeer van het Donbas-gebied dat na de onafhankelijkheid een soort van anarchistisch niemandsland werd waarin de strijd om de macht volop losbarst. De oorspronkelijke bewoners, die krampachtig vasthouden aan het glorieuze verleden en de oude sovjetbussen als gouden koetsen zien, boksen op tegen maĂŻsbaronnen en oligarchen die het gas- en olierijke gebied willen ontginnen. Hiermee lijkt hij wel een visionair want de problemen in OekraĂŻne en het uitroepen van de autonome republiek Loehansk gebeurde drie jaar na het verschijnen van zijn boek. Daarmee is de geschiedenis van Herman tegelijk de geschiedenis van OekraĂŻne, een land dat worstelt met zijn Sovjet-verleden en moeite heeft met de toekomst.

     

  • Oogst week 48 – 2018

    De zwarte heer Bazetub

    Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een Duitse schrijver die tijdens de oorlogsjaren zijn land ontvluchtte en vriendschappelijke banden onderhield met Nederlandse schrijvers als Albert Helman en Hendrik Marsman. Van 1947 tot 1954 woonde hij met zijn vrouw in Amsterdam. Zijn debuut Het eiland van het tweede gezicht werd in vertaling van Wil Boesten, in 2004 een zogenaamde culthit. In De zwarte heer Bazetub (Der schwarze Herr Bahßetup, uit 1956) en onlangs ook vertaald door Wil Boesten, is een omvangrijke autobiografische roman. Thelen was namelijk ook vertaler vanuit het Portugees en in de jaren na de oorlog krijgt hij de opdracht als tolk en gids op te treden voor de Braziliaanse professor Da Silva Ponto. Deze professor moet een toespraak houden bij het Vredespaleis in Den Haag.

    Thelen loodst deze ‘heer en meester Bazetub’ door het naoorlogse Amsterdam en Den Haag.
    Ondertussen raakt de vredesconferentie van de professor steeds verder uit het zicht en worden er honderden zijpaden bewandeld, waarmee Thelen zijn opdrachtgever gerust wil stellen. Waar ze komen laten ze een spoor van verwarring na. Professor ‘Bazetub’ heeft zijn missie al lang uit het oog verloren. Thelen loodst hem door het verregende Amsterdam, zorgt dat hij anarchistische fietsers overleeft en regelt voor de professor een extra trein naar Den Haag voor een zitting in het Vredespaleis. Kortom, Thelen doet vreselijk zijn best om zijn rol als privĂ©secretaris tot het slot dapper te volbrengen.
    De heer Bazetub – de rechtsgeleerde en minister Manuel Francisco Pinto Pereira (1889-1956) – heeft inderdaad met tolk Albert Vigoleis Thelen door de randstad gedwaald.

    De zwarte heer Bazetub
    Auteur: Albert Vigoleis Thelen
    Uitgeverij: Cossee

    Simeliberg

    Onlangs was de Zwitserse schrijver Michael Fehr (1982) in Nederland en maakte nogal indruk op het Crossingborderfestival met zijn enthousiaste vertelkunst. Naast schrijver is Fehr ook performer en woont sinds kort in Londen. Hij publiceerde drie boeken. Voor hij de roman Simeliberg af had, won hij in 2014 met een fragment uit Simeliberg al twee literaire prijzen: de Kelag-Preis en de Preis der Automatischen Literaturkritik in Klagenfurt.
    Simeliberg wordt omschreven als een poëtische krimi. Er komt een berg in voor waar lijkwagens af en aan rijden. Er is sprake van een geldschat in de la van een vereenzaamde oude boer. Diezelfde boer wordt verdacht van moord op zijn vrouw. Er is de gemeentesecretaris Anatol Griese, die als taak heeft de vereenzaamde boer in te rekenen. Hij wordt met zijn jagershoed en buitenmodel emigrantengeweer door de plaatselijke bevolking argwanend bekeken en door de betreffende instanties van het kastje naar de muur gestuurd.
    Een afspraakje bij een bevriende boerin vormt het begin van een fatale kettingreactie, waarbij Griese zich meer en meer verstrikt in zijn taak en de intrige zich (volgens de achterflap) ontrolt als een tragikomische zwart-witfilm.

    Simeliberg
    Auteur: Michael Fehr
    Uitgeverij: Koppernik BV

    Kluger Hans #35

    Literaire tijdschrift Kluger Hans kiest voor veelstemmigheid in de editie Denkmal. Met fysiek-beeldend werk: ‘Fleeting Parts’ van Milena Naef, bestaand uit marmeren beeldhouwwerken waaruit gaten zijn gehouwen die perfect rond lichaamsdelen passen (zie ook de cover). Veel bijdragen in deze editie waarin tekst en beeld een relatie met elkaar aangaan, zoals het werk van schrijfster Marjan de Ridder dat zich verbindt met het werk van kunstenares Femme ter Haar.
    Er is werk in opgenomen van jonge dichters en schrijvers die aan elkaar gekoppeld werden tijdens een residentie van een week. Mooi beeldend werk met eenvoudige, maar sterk sprekende teksten als: ‘hun kind schrijft op de muur van een toilet: ‘Bel mij als je eenzaam bent’ gaat naar huis en vergroeit daar verder met de muren(
)’. Een zeer veelzijdige editie die in de kern het thema draagt: ‘onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin’.
    Verhalen van Annelies Leysen, Dennis Pauwels en Felix Sandon. Een editie waar je niet gauw op uitgekeken en in uitgelezen raakt.

    Kluger Hans #35
    Auteur: redactie

    Hoop over been

    De titel van de derde bundel van Joep Kuiper Hoop over been ligt dicht tegen ‘Vel over been’ aan. Dat laatste duidt op uitputting, schraalte het einde nabij en zo meer van alles wat te weinig is. ‘Hoop over been’ geeft het tegenovergestelde aan: er is hoop. Hoop, om kaalslag te omhullen, te vervullen met woorden, met poĂ«zie.
    Hierbij een gedicht uit de bundel:

    jij was het

    ja! ik dacht dit ben jij, en jij was het
    die woord noch bon teruggaf, nooit reageerde
    op de bekentenissen van mijn wegmisbruik,
    de lijst met doden,

    jij was het
    die mij niet wilde arresteren;
    ik smeekte je, dan toch op zijn minst een
    proces-verbaal,

    een nachtje in een warme cel
    een chocolademelk eventueel, en als het echt
    niet anders kon,
    een executie hier en nu, in de sneeuw

     

    Hoop over been
    Auteur: Joep Kuiper
    Uitgeverij: Karaat
  • Onder vuur genomen door zijn eigen mensen

    Onder vuur genomen door zijn eigen mensen

    Robert Haasnoot schreef met Het laatste vaarwel een roman over liefde die opvlamt in oorlogstijd. Of over liefde die verstikt wordt door een bekrompen gemeenschap. En over de tijd, die niet alles ongedaan maakt. Met merkwaardig pratende en voelende hoofdpersonen.

    Het boek begint zo: ‘Deze roman schetst onder andere de toestand in Valkenburg, Zuid-Holland, na de Duitse inval in mei 1940. De in dit boek beschreven gebeurtenissen uit die dagen zijn gebaseerd op ooggetuigenverslagen.’ Hoe realistisch ook, het Valkenburgse oorlogsdrama had aanvankelijk iets van een klucht. Toen de Duitsers op 10 mei 1940 binnenvielen stuurden ze een contingent vliegtuigen naar het militaire vliegveld Valkenburg (bij Katwijk). Dat zou een fijne uitvalsbasis kunnen zijn voor de volgende stap: de verovering van Engeland. Maar het vliegveld was nog niet af, hoewel de verkeerstoren er stond en de hangars fris waren geverfd. Het terrein was onvoldoende bemalen, zodat de Duitse toestellen tot over hun assen in de prut zakten. Einde Engelandvaart, hoe lollig. Maar er was een keerzijde: Valkenburg kwam klem te zitten tussen twee vijandige linies waar weinig lijn in zat. Een school werd noodhospitaal en een kerk krijgsgevangenenkamp, maar rode-kruisvlaggen werden genegeerd en ze werden beschoten door Duitsers Ă©n Nederlanders. Slachtoffers vielen met onthutsende willekeur. Burgers die op de vlucht sloegen werden onder vuur genomen door hun eigen mensen, omdat men zei dat Duitsers zich vermomden als Nederlandse vrouwen om hun hachje te redden.

    Misgelopen geluk
    Het doet bijna vertrouwd aan; de Nederlandse Tweede Wereldoorlog als een optelsom van bordkartonnen heroïek, stupide amateurisme, achterdocht en verraad. Zie Vestdijks Bevrijdingsfeest en Pastorale ’43, en Zwartboek, de film, van Paul Verhoeven. Haasnoot pakt het echter anders aan. Het laatste vaarwel begint in 1968 als de organist Albert op een avond laat achter het kerkorgel klimt om zijn frustraties van zich af te spelen. Hij blikt terug op de voorbije weken waarin Evie, zijn grote jeugdliefde uit de oorlog op bezoek kwam en weer vertrok. Hij overpeinst hun ontmoetingen, die draaiden om onomkeerbare beslissingen en misgelopen geluk. Veel gesprekken over ‘hoe het zo gekomen was’ en herinneringen aan oplaaiende liefde in een vijandige omgeving. Op 11 mei 1940 zijn Albert en Evie, samen met andere Valkenburgers, gedwongen beschutting te zoeken in het afgelegen huis van een oud-officier. Er zijn gewonden en stervenden. Dagenlang zitten ze opgesloten tussen strijdende partijen. Albert en Evie vallen voor elkaar. Maar onzekerheid, honger en verveling slaan toe. En ook de roddel over Alberts moeder, de weduwe, en de achterklap over zijn prille relatie met Evie (een dochter uit fabrikantenkringen). Zelfs als de twee een heldhaftige poging doen om hulp te halen wordt dat achteraf als verdacht gezien. Uiteindelijk bloedt de liefde dood – en leest u zelf vooral waarom. Evie vertrekt naar Utrecht en Canada, Albert ontwikkelt zich tot eigenheimer binnen de Valkenburgse gemeenschap, als bibliothecaris en organist. Hij neemt stiekem kritische boeken op in de bibliotheekcollectie en speelt bij het uitgaan van de kerkdienst orgelwerken die de dominee afkeurt. Niet echt de voorhoede van de tegenbeweging.

    Aanleiding en uitwerking
    Haasnoot doet geen pogingen ‘onze jongens’ belachelijk te maken of voor wandaden aan te klagen. Het laatste vaarwel draait om twee mensenlevens die worden gekraakt tussen oorlog en achterklap. De zorgvuldig uitgewerkte constructie van het boek moet helpen om dat waar te maken. Het is in feite een lange terugblik vanuit één enkel perspectief (dat van Alfred) en door de sprongen in de tijd schuren aanleiding en uitwerking van de gebeurtenissen steeds langs elkaar. Een tweede kunstgreep (in de goede betekenis van het woord) is de herhaling. Albert voelt zich opgesloten in huis met zijn beroddelde moeder, in de villa tussen de vuurlinies met roddelende dorpsgenoten, en uiteindelijk in de marge van de dorpsgemeenschap. En er is de parallel tussen de blikvernauwing van de dorpelingen en die van de Nederlandse strijdkrachten die liever een vrouw uit eigen volk doden dan een vermomde Duitser laten ontsnappen. Ook Albert gaat niet vrijuit, – maar laten we het spannend houden.

    Afstand of inzoomen
    Een realistisch achterdoek, een knappe compositie en een consistente uitwerking: Haasnoot beheerst zijn vak. Toch gaat er iets mis in Het laatste vaarwel  en dat zit hem in de stijl, vooral van de gedachten en dialogen van de hoofdpersonen. De confrontaties tussen Albert en zijn moeder en zijn geliefde zweven ergens tussen streekroman en emo-tv. Twee voorbeelden, geplukt van één bladzijde: ‘Zijn moeder begreep wel wat de oorzaak van zijn stugheid was, maar ze leek zich er nauwelijks iets van aan te trekken, ze hield zich zoveel mogelijk van den domme. Alleen zo heel af en toe werd het haar toch te veel en kwam het tot een uitbarsting. Wat bezielde hem toch? Waaraan had ze het verdiend dat hij zo bits tegen haar deed? Nou? Hij ging haar geen antwoorden geven die ze toch niet kon verdragen. Evenmin als hij haar ongeloofwaardig weerwoord wilde horen.’ De tweede, tussen Alfred en Evie: ‘Ze is achter hem gaan staan en legt een hand op zijn schouder. “Sorry van daarnet. Niet meer boos?” “Ik was niet boos,” zegt hij. “Fijn, want ik wil dat het goed blijft.” “Dat blijft het.” Ze geeft hem een verzoenende kus op zijn slaap. “Zullen we gaan? We maken er een mooie avond van, goed?”’ Je weet niet wat beter zou zijn geweest: iets meer afstand en ruimte voor de verbeelding, of juist verder inzoomen, totdat het pijnlijk wordt voor alle partijen, inclusief de lezer.

  • Getekend leven

    Getekend leven

    Riad Sattouf is striptekenaar en cartoonist. Dus ligt een autobiografie in stripvorm voor de hand. In twee delen geeft de Franse tekenaar-schrijver (en filmer) een inkijkje in zijn eerste zes levensjaren die zich voornamelijk in het Libië van Khaddafi en het Syrië van Hafez al-Assad afspelen. Het succes van deze boeken (bestsellers in Frankrijk, internationale uitgaven) zal niet helemaal toevallig zijn, want het onderwerp Arabische wereld is mede dankzij IS en de situatie in Syrië actueler dan ooit.

    In 1978 in Parijs geboren uit een Franse moeder en een Syrische vader die aan de Sorbonne moderne geschiedenis studeerde wordt Riad al jong in twee werelden geplaatst.

    In deel 1 van De Arabier van de toekomst (de jaren 1978-1984) kiest vader Abdel, geobsedeerd door zijn doctorstitel waarmee hij in het Midden-Oosten op aanzien kan rekenen, voor een baan aan de universiteit van Tripoli. Het gezinnetje verhuist naar LibiĂ«. Maar na een tijdje wordt bekend dat ‘Khaddafi nieuwe wetten had afgekondigd die mensen verplichtten van baan te wisselen. Leraren moesten boer worden en boeren leraar.’ De Sattoufs gaan vervroegd terug naar Frankrijk. Daarna wordt Abdel hoofddocent aan de Universiteit van Damascus. ‘Alle andere posities waren al bezet door mensen met de juiste connecties,’ vertelt hij zijn vrouw. Ze gaan wonen in het dorp van de familie Sattouf waar Riad in deel 2 (1984-1985) ook naar school gaat.

    Kind zonder oordeel
    Sattouf tekent de scĂšnes zoals hij ze zich herinnert. Wel heeft hij die momenten en beelden ingevuld met verbeelding en onderzoek, legt hij in interviews uit. In de boeken is het het kind dat zonder oordeel waarneemt, dat iets leuk of vreemd vindt of ergens bang voor is. Tekeningen met tekstballonnen geven de scĂšnes weer. Erboven vertelt Sattouf in tekstblokjes over de politieke achtergrond van dat moment en in de tekeningen attenderen klein gedrukte woorden de lezer op een gezichtsuitdrukking, een gevoel of een geur. Ze geven het verhaal een volledigheid die in een grafische autobiografie anders minder snel tot uiting komt. De cartooneske stijl maakt de tekeningen vrolijk. Ook de humor ontbreekt niet.

    Moslim in een moslimland
    Abdel is een moderne man die in Frankrijk net als anderen varkensvlees eet. Eenmaal terug in zijn dorp vervalt hij in traditionele gewoontes en is hij van mening dat je in een moslimland gewoon moslim moet zijn. Als hij thuiskomt van zijn werk verwisselt hij zijn pak snel voor een djellaba.  Languit ligt hij op de grond televisie te kijken met zijn hoofd opgeheven en de handen als steun eronder. Zijn zoon ziet het met verwondering aan. Maar Sattouf laat hem in zijn tekeningen nergens bidden.

    Onontwikkelden
    Het is geen groot spannend jongensverhaal dat Sattouf vertelt. Hij geeft wel een uiterst interessant zicht op de cultuur van het platteland. De wreedheid is die van de onontwikkelden. Jongens vangen kikkers, binden ze aan hun fietsband en gaan ermee fietsen – om daarna te constateren dat de ogen er echt helemaal uit liggen. De dochter van een familie wordt door haar vader en broers vermoord omdat ze ongehuwd zwanger is geraakt. Aan vrijwel iedere zin voegen de Arabieren ‘Als God het wil’ of ‘God is groot’ toe.

    Moeder verloochent zich niet
    De vrouwen hebben een simpel leven binnenshuis. Riads Franse moeder schikt zich naar haar mans wensen, tenminste, voor zover we tot nu toe hebben kunnen lezen. Volgende delen zullen moeten uitwijzen of dat zo blijft. Voorlopig past Clementine zich aan, al verloochent ze zichzelf en haar meningen nooit, rent bijvoorbeeld naar buiten als ze jongens met een pup ziet voetballen. Ze verafschuwt primitiviteit en draagt ook geen lange jurken of een hoofddoek over haar blonde haren. Soms lijkt ze Abdels moreel kompas. Abdel doet voor haar wat hij kan om het leven gemakkelijker te maken, zoals zorgen voor een wasmachine en een gasfornuis. Deze komen via Libanon en de zwarte markt Syrië binnen.

    Werkelijkheid
    Hoewel het kijken in vreemde levens altijd wel weer nieuwe informatie oplevert, zullen westerse lezers niet echt verbaasd zijn over wat ze voorgeschoteld krijgen. Daarvoor is de informatiestroom waaruit wij hier voortdurend kunnen putten te groot. We weten al dat voor veel Arabieren joden en Amerika vijand nummer één zijn en dat ongeveer iedere westerling daaraan gelijk wordt gesteld. Dat de kleine blonde Riad door andere jongens voor jood wordt uitgemaakt werkt echter toch bevreemdend. Alsof je ontdekt dat iets wat je van tv-beelden gewend bent, ook werkelijkheid kan zijn. De statische tekeningen lijken op een of andere manier harder aan te komen. We zien dat het kind het gedrag van de jongens niet begrijpt en dat de kleine Arabiertjes het zelf waarschijnlijk evenmin begrijpen.

    Vermakelijke tekeningen
    Het is even wennen aan de tekeningen. Wellicht komt dat door het allereerste plaatje waarop vooral de tekst suggereert dat we hier met een beeld van een kind te doen hebben: ‘Lang, platinablond haar, Goudglanzend, Doordringende en zeer sprekende ogen’ (deel 1), ‘Smachtende lippen, Zich iets te goed bewust van zijn aantrekkelijke verschijning, Stem van een klein meisje’ (deel 2) en nog een paar kenmerken. Wat we zien is echter eerder een wat boertig aandoend ventje met teveel haar en een grote neus, dan een knappe peuter en kleuter. Dat hoeft ook niet, maar gezien de tekst en de eerste plaatjes in deel 1, waarop iedere volwassene smelt bij het zien van het kind, word je op het verkeerde been gezet. In deel 2 pakken ook de Arabische moeders hem vertederd op om hem te kussen. Alle zijn het vermakelijke mensenfiguurtjes, geen oogstrelende personages. De gezichtsuitdrukkingen zijn niet altijd herkenbaar. Een dreigend gezicht is niet altijd dreigend, angst staat niet steeds als angst op een gezicht. Dan moet je het van de context en de rest van de tekening hebben, die overigens aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Sattouf vertelt een goed verhaal.

    Prijzen
    Hij tekende en schreef al meer stripboeken en regisseerde tot nu toe drie films terwijl hij aan andere meewerkte als acteur of scenarist. Voor zijn stripboeken ontving hij diverse prijzen, waaronder tweemaal de Fauve d’or van het stripfestival in AngoulĂȘme, de laatste keer (2014) voor De Arabier van de toekomst. Verder tekent hij onder meer voor Charlie Hebdo en Le Nouvel Observateur.

    Hoe beeldbewust Sattouf is blijkt uit het feit dat hij de regie houdt over alle uitgaven van De Arabier van de toekomst. ‘Ik wil dat het boek eruitziet zoals ik het wil’ zegt hij. De landen waar hij afwisselend woont hebben hun eigen steunkleur gekregen. De kleuren worden door hem bepaald, net als het lettertype en het papier, wat ook geldt voor de publicaties buiten Frankrijk. Met dit beheer heeft Sattouf de productie voor honderd procent in eigen hand. Persoonlijker kan een autobiografie niet zijn.

  • Verder leven

    Verder leven

    Nora zou ‘in de rust van deze winteravonden bedenken hoe ze ging leven’ na de dood van haar man, Maurice, een leraar. Het is het soort zinnen dat je kunt verwachten in een groots en meeslepend epos. De lezer van dit door Anneke Bok mooi vertaalde boek van de grote Ierse schrijver Colm Tóibín komt niet bedrogen uit.

    Stilte
    Nora leeft aan het begin van het boek lichamelijk in het heden, en laat haar haar – tot ontsteltenis van veel mensen – in een jeugdig aandoende kleur bruin verven, terwijl ze qua gedachten in het verleden verkeert. Ze vraagt zich af wat haar beide zoons zo veranderde: de dood van hun vader, iets anders of meer dan dat. De één, Donal, stottert na de dood van Maurice meer en de ander, Conor, plast tijdens een logeerpartij bij een tante weer elke avond in bed. Ze zijn allebei bang. Dat hun moeder óók dood zal gaan, bang als er een stilte valt, dat er geen geld is voor hun studie of voor vakantie. Terwijl Nora juist van die stilte geniet, wanneer ze lid is geworden van een koor en ze zangles krijgt, ‘het gevoel had dat ze in de stilte zong; ze was zich net zo bewust van de stiltes als van de noten’.
    Allerlei mensen uit het verleden doemen na de dood van Maurice plotseling weer op, zoals oud-leerlingen van hem en haar vroegere werkgever. Nora bekijkt ze met enige verwondering. De auteur beschrijft de personages binnen de context van hun sociale omgeving die door alle rangen en standen heen loopt en van rooms-katholiek – zoals zij – tot protestant. Wat ze veelal gemeen hebben, is dat het lijkt of ze allemaal een toneelstukje voor Nora opvoeren. Alleen haar zoons zijn ‘echt’: Donal ‘verstond de kunst om haar gedachten te lezen en een situatie in te schatten, iets wat Conor nog niet had en misschien wel nooit zou ontwikkelen (
). Ze voelde zich soms angstig in gezelschap van Donal, maar in gezelschap van Conor kon ze zich nog angstiger voelen, angstig door zijn onschuld, zijn lieve loyaliteit en zijn openlijke behoefte om verzorgd te worden’.

    Eenzaamheid
    Bij haar twee dochters, Fiona en Aine, die allebei het huis uit zijn, voelt Nora zich buitengesloten. ‘Of misschien had zij hen buitengesloten’. Het gevoel van eenzaamheid dat haar bekruipt na de dood van Maurice, het vertrek van de dochters uit het ouderlijk huis en ten aanzien van de opgroeiende jongens, blijkt uit een observatie als: ‘Ze ging een eind wandelen, maar kwam niemand tegen die ze kende, omdat ze met niemand over Derry van gedachten kon wisselen’. Derry slaat op de ongeregeldheden in Noord-Ierland, eind jaren zestig van de vorige eeuw, die het boek ongemerkt binnensijpelen.
    Nora komt, in het klein, net als in Derry in het groot gebeurt, voor haar rechten op. Dat doet ze op het kantoor waar ze werkt, en waar ze wordt overgehaald lid van een vakbond te worden. Haar parttime baan geeft haar tijd zangles te nemen bij een ex-non die is getrouwd met een a-muzikale man. Ze oefenen in een geluiddichte kamer om hem niet te storen, ‘afgesloten van wat er werkelijk gebeurde’. Van Derry, van de twee jongens en  hun angst of er bijvoorbeeld nog genoeg geld is om het leven voort te zetten zoals ze dat voor de dood van hun vader gewend waren, van de overheersende herinneringen aan Maurice.

    Muziek
    Door de muziek leert Nora meer mensen kennen, zoals Eilis in TĂłibĂ­ns roman Brooklyn in vergelijkbare zin door dansavonden open bloeit. En ‘toen de muziek klonk (
), voelde Nora hoe eenzaam’ sommige mensen waren. Een rooms-katholieke vrouw die zich openstelt voor kunst Ă©n de mensen om zich heen. Ze groeit hierdoor. Zozeer zelfs dat ze ingaat tegen een besluit van het hoofd van de school waarop Conor zit. Hij wil Conor zonder overleg en om onduidelijke redenen overplaatsen naar een andere klas, en dit neemt ze niet. Ze gaat naar de kloosterschool waar Conor op zit en wordt nu overvallen door een andere, beangstigende stilte, het tegenovergestelde van de stiltes die ze tijdens haar zangles heeft leren kennen.
    Door haar aandacht voor muziek heeft ze minder oog voor de problemen van Donal, die naar zijn oudste zus, tante en oom trekt. Er wordt besloten dat Donal de laatste twee jaren van een kostschool gaat doen, waar hij zijn draai eerst niet kan vinden, maar op het moment dat ze elkaar meer toegang tot hun gevoelsleven geven, gaat het beter met hem en neemt zelfs zijn gestotter af.

    De toekomst
    Een zwak punt in het boek is dat vanaf het begin een zekere dreiging voelbaar wordt gemaakt, waarbij de ontknoping in het niet valt: dochter Aine neemt enkele dagen haar telefoon niet op en blijkt te demonstreren in Dublin. Aan het eind krijgt alles geen noodlottige wending, maar juist één richting het geloof. Donal leert van een pater dat het geloof ‘n-niet is als twee plus twee, maar meer of je licht toevoegt aan w-water’.
    Nora’s zangdocente stelt een koor samen om in Wexford Brahms’ Ein deutsches Requiem te zingen. Door middel hiervan maakt Tóibín een statement: een dodenmis van een protestants componist in het verdeelde Ierland. Het is een nieuw begin, waarin de dood van Maurice verwerkt lijkt te zijn. Niet alleen voor Nora, maar ook een visioen voor een leefbaar Ierland. Het geeft iets aan van de subtiliteit die Tóibíns stijl kenmerkt. En van de doordachtheid die tussen de regels doorschemert, zodat het nooit melodramatisch of sentimenteel wordt. Tóibín biedt zo als het ware levenslessen over hoe om te gaan met angst, verlies en tegenslag. Muziek speelt daarin een grote rol. En stilte.

  • Gewetenloze psychotherapeut

    Gewetenloze psychotherapeut

    Robert Hamilton is professor in de taalfilosofie aan de Universiteit van Californië in Los Angeles en zijn baanbrekende theorie over de semantiek zal zijn vakgebied compleet veranderen. Hij wordt echter vermoord.
    Het personage Robert Hamilton in De logica van het moorden is gebaseerd op Richard Montague, een Amerikaanse wiskundige en filosoof die grote invloed heeft gehad op de semantiek. Hij werd in ’71 vermoord. Zijn moord is tot op de dag van vandaag niet opgelost. Ook de gewelddadige moord op Hamilton blijft in de roman onopgelost.

    De hoofdrol in dit boek is echter weggelegd voor Jay Hamilton, de broer van Robert. Zij groeien samen op in een vaderloos gezin. Hun moeder heeft vooral oog voor haar lieveling Robert, wat Jay bezighoudt laat haar koud. Daarom probeert Jay erkenning en goedkeuring te krijgen van zijn broer Robert.

    Jay’s keuze om carriĂšre in de psychotherapie te maken, kan echter niet de de goedkeuring dragen van zijn broer. Robert spoort Jay aan om te stoppen met die ‘psychologische ongein’ en zich bezig te gaan houden met echte wetenschap. Dit zit Jay dwars. Hij wil dat Robert begrijpt dat zijn beroep en zijn interesses helemaal niet zo veel verschillen van die van zijn broer. Maar Robert is koppig en Jay kan hem niet van zijn ideeĂ«n overtuigen.

    Toch houdt Jay vast aan zijn eigen plan. Hij wordt een gevestigd psychotherapeut met een eigen goed draaiende praktijk. Hij heeft zijn cliĂ«nten voor het uitzoeken en doet dat zeer selectief. Jay gelooft in het samengaan van wetenschap en kunst. Of beter gezegd: het voortkomen van kunst uit wetenschap. De casussen van zijn cliĂ«nten dienen als basis voor de (succesvolle) boeken die hij onder een pseudoniem uitgeeft. Hij is bezig met zijn derde boek Vertellingen uit de veilige kamer. Het boek zal elf verhalen bevatten die als thema moederlijke verwaarlozing hebben. Een onderwerp dat Jay niet vreemd is. Met de boeken die hij schrijft laat hij feit en fictie versmelten. ‘De waarheid was dat schrijvers van fictie beter gekwalificeerd waren om de mensheid te verklaren dan psychiaters en filosofen.’

    Jay lijkt weinig medeleven voor zijn cliënten op te kunnen brengen. Hij is niet zo zeer geïnteresseerd in hun herstel als wel in een interessant verhaal. Hij manipuleert zijn cliënten, drijft ze tot het randje en hoopt dat dat een mooi verhaal oplevert. Wanneer ze hem niet meer kunnen boeien, stuurt hij ze door naar een andere arts.

    Zijn gebrek aan emotie lijkt in eerste instantie handig bij het uitvoeren van zijn beroep, maar zal hem later nog duur komen te staan. Het boek begint met een sessie met zijn patiënte Cora. Ze heeft vroeger een abortus gehad en het enige wat ze nu wil, is een kind krijgen. Haar verhaal is het laatste dat hij wil opnemen in de bundel en daarom wil hij in deze sessie snel vorderingen maken. Hij gaat echter te ver en Cora verlaat de sessie voortijdig, wanhopig en boos.

    Waar het in het begin van het boek nog zo goed gaat met Jay, zie je hem langzaam afglijden. Cora blijkt in al haar wanhoop een kind ontvoerd te hebben. De gebeurtenissen  ontvouwen zich precies zoals hij het in zijn boek had geschreven. Had hij dit allemaal kunnen voorkomen? En dan komt ook nog biografe Dana Flynn bij hem langs om met hem te spreken over de moord op zijn broer. Aangezien Jay degene is die hem heeft gevonden, hoopt ze van hem belangrijke informatie te krijgen. Ze is flink aan het graven, wat zal ze vinden?

    Aifric Campbell laat in dit boek haar eigen opleidingen goed gelden. Ze studeerde eerst linguïstiek en doceerde semantiek aan de universiteit van Göteborg. Later heeft ze zich om laten scholen tot psychotherapeut. Na De logica van het moorden heeft Campbell nog twee romans geschreven. Haar roman On the floor was genomineerd voor de Orange Prize 2012.

    Campbell weet vanaf het begin de nieuwsgierigheid van de lezer te wekken. Ze geeft steeds een opzetje naar het verhaal, maar vervolgens vertakt ze dit naar andere gebeurtenissen. Dit houdt de spanning er in, maar soms gaat ze teveel in op details waardoor het hoofdverhaal uit zicht raakt.

    Toch is dit een goede roman. Het karakter van Jay komt op een subtiele manier naar voren. Terwijl hij andere mensen analyseert, wordt steeds duidelijker hoe hij zelf in elkaar zit. Het hele boek is een psychologisch drama waarin de belevingswereld van Jay centraal staat. Uiteindelijk gaat het niet over de moord op zijn broer of over de ontvoering van het kind. Het gaat over hoe Jay in de situatie terecht is gekomen waarin hij zich aan het einde van het boek bevindt, hoe hij is geworden wie hij is. Eigenlijk is het boek een psychoanalyse van de psychoanaliticus Jay Hamilton.

     

    De logica van het moorden

    Auteur: Aifric Campbell
    Vertaald door: Nan Lenders
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 286
    Prijs: € 21,90