‘Heks!’, riepen de kinderen Henne Vuur na, een personage uit Manon Uphoffs Vallen is als vliegen. Henne Vuur was ‘oud, ik vond haar oud. Ze was arm, alleenstaand, had geen baan (…) en koolzwarte haarstrengen tot op haar billen’, zodat vrijwel alle kinderen uit de buurt ‘daar is de heks’ scandeerden. Inderdaad, lijkt Henne Vuur het prototype van een heks, maar ze was géén heks. ‘Ze was op zichzelf, gesloten. Is dat niet keurig? Wie houdt er van een hysterica? Van een nasty woman?’ Omschrijvingen die een-op-een passen op de de personen die Mona Chollet, feministisch essayist en journalist van Le Monde diplomatique, beschrijft in haar boek Heksen. Eerherstel voor de vrouwelijke rebel. Die ondertitel maakt het verschil.
Rebellen en dwarsdenkers was het thema van de Boekenweek dit jaar. Niet iedereen kon zich daarin vinden. Filosoof Ger Groot bijvoorbeeld vroeg zich tijdens een algemene inleiding tijdens een collegedag van Filosofie Magazine af, waaróp je dan dwars denkt. De enige dwarsheid die hij ziet zitten, is humor. Een authentieke dwarsheid, noemt Ger Groot het, die al vanaf Erasmus appelleert aan het absurde van het bestaan.
Het anti-rebelse werd werkelijkheid
Chollet zou het antwoord wel geweten hebben op de vraag ‘dwars waarop?’ Dwars op een denken dat dominant is en anders denkenden minacht en bestrijdt. Zoals een heks dwars en rebels is, ‘bevrijd van alle overheersing en beperking’. Zij wijst de weg, dwars door alles heen. Met één ding zal ze het wel met Groot eens kunnen zijn: het anti-rebelse werd werkelijkheid. Groot wees in dat verband indirect op het antisemitisme uit Mein Kampf, Chollet op De Heksenhamer (1487) van twee inquisiteurs, Heinrich Kramer en Jacob Sprenger, ‘dat ongeveer vijftien maal werd herdrukt en in dertigduizend exemplaren door heel Europa [werd] verspreid’ tijdens de heksenjachten. Overigens ziet Chollet in ‘de demonisering van de als heks bestempelde vrouwen (…) veel overeenkomsten met het antisemitisme’.
De auteur nuanceert bij wijze van spreken ook Uphoffs omschrijving van een heks die op zichzelf leefde, want het was óók weer ‘verdacht om regelmatig met vrienden samen te komen’. Dat is de ‘bekende logica voor vrouwen van alle tijden’. Een omschrijving als ‘hysterica’ legt Chollet uit als iets neerbuigends. In positieve zin omgebogen, is ‘heks’ iets van de toekomst. Chollet schrijft dat, wanneer ‘alles verloren lijkt, de heks opdoemt in de schemering. Zij is degene die sprankjes hoop vindt te midden van de wanhoop’. Hekserij als spiritualiteit en, schrijft ze, ‘politieke praktijk’, al gaat het daar in haar boek niet echt over.
Zelfstandige vrouwen
Waar het na een uitgebreide inleiding uiteindelijk in vier hoofdstukken wél over gaat, zijn verschillende aspecten uit de geschiedenis alsook het hier en nu van de heks. Ze herneemt aspecten die ze eerder behandelde, zoals de aanslag op alle vormen van vrouwelijke onafhankelijkheid van alleenstaanden en weduwen en de negatieve beeldvorming van oudere vrouwen. Wat deze dagen door sommigen als ‘Dor hout’ wordt aangeduid.
Per onderwerp geeft Chollet voorbeelden van grote en kleine zaken die soms te gek voor woorden zijn, maar wel diep ingrijpen. Neem bijvoorbeeld de medische wereld, waar een ‘vrouwelijke chirurg vertelt, dat haar leidinggevende op het moment dat ze aan het begin van haar carrière zijn afdeling verliet, haar toevoegde: ‘Er is in dit vak misschien wel een toekomst voor je weggelegd, meisje. Je bent de eerste gleuf die ik in de operatiezaal niet aan het huilen heb gekregen.’
Verder komt ze met voorbeelden uit het bedrijfsleven (van American Cynamid, nu Cytec Industries), films (Fatal Attraction), televisieseries (Grey’s Anatomy) en boeken (zoals Toni Morrisons Beminde), krantenartikelen die ze allemaal haarfijn ontleed, alsmede persoonlijke ervaringen die er niet om liegen. Alle aspecten gaan over zelfstandige vrouwen, die zich niet door mannen laten onderdrukken. De informatie buitelt over elkaar, geschraagd door diepgaand bronnenonderzoek, waarvan in een uitgebreid notenapparaat verantwoording wordt afgelegd.
Dit boek is niet alleen voor vrouwelijke feministen bedoeld, maar voor iedereen die een beetje dwars en rebels is en stroomopwaarts wil zwemmen.
Het nieuwste boek van Alfred Birney, vooral bekend van zijn prijswinnende De tolk van Java, zal stof doen opwaaien. In In de wacht ligt zijn hoofdpersoon Alan Noland in een ziekenhuisbed te wachten op een operatie. Politieke correctheid is Noland niet gegeven en zonder scrupules geeft hij zich over aan het becommentariëren van mensen met een multiculturele achtergrond. Maar dat is niet het centrale thema. Birney liet zijn hoofdpersoon fantaseren over het loslaten van een ziekte om het grote taboe onder de taboes aan te snijden: de overbevolking. De auteur dacht dat hij een toekomstboek had geschreven, getuige de zin: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal China, dat tikt lekker aan. Die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolf totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’ Het manuscript was al persklaar toen covid-19 uitbrak. Birney schrok en stond op een voetnoot bij de zin die door de realiteit is ingehaald.
Auteur: Alfred Birney
Uitgeverij: De Geus
De republiek of de dood
Van de beroemde redenaar, politicus, filosoof en advocaat Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is een omvangrijke briefwisseling bewaard gebleven. Staatsman Cicero correspondeerde met veel andere invloedrijke Romeinen, en deze brieven plus fragmenten daaruit dienen in De republiek of de dood als context voor de veertien vlijmscherpe redevoeringen die bekend staan als de Philippicae. Cicero zag de republiek als de beste staatsvorm en beoogde met deze redevoeringen de senaat op te zetten tegen Marcus Antonius die na de moord op Caesar de macht en alleenheerschappij naar zich toe poogde te trekken. Cicero’s bedoelingen faalden en hij moest zijn optreden met de dood bekopen. Uit de brieven blijkt dat Cicero helemaal niet zo zeker van zichzelf was als hij in zijn venijnige redevoeringen deed voorkomen.
Auteur: Cicero
Uitgeverij: Athenaeum
Jaag je ploeg over de botten van de doden
De Poolse Olga Tokarczuk (1962), oorspronkelijk psycholoog, staat bekend als feministisch schrijfster. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur 2018, wat in 2019 bekend werd gemaakt.
Vertaler Karol Lesman introduceerde Tokarczuk in de jaren negentig in de Nederlandstalige literatuur. En nu is daar haar eerste thriller boek, Jaag je ploeg over de botten van de doden. Dat de schrijfster bij Poolse nationalisten niet geliefd is ligt misschien aan het feit dat haar personages bepaald niet alledaags zijn. Haar huidige hoofdpersoon Janina is een oudere nogal buitenissige vrouw, vertaalt poëzie van William Blake, is geïnteresseerd in astrologie en houdt van de natuur. In het afgezonderde dorp waar ze woont vinden vreemde gebeurtenissen plaats, zoals de dood van haar buurman waar ze vraagtekens bij zet. Ze raakt betrokken bij het politieonderzoek dat start als enkele leden van de lokale jachtvereniging dood worden gevonden.
Deze week een scherpzinnige roman van de Amerikaanse Jenny Offwell, een trilogie in toneelteksten van Judith Herzberg en de eerste roman van de Zambiaans/Amerikaanse Namwali Serpell.
De Amerikaanse schrijver Jenny Offwill (1968) wordt na haar laatste roman Verbroken beloften – over een vrouw die kunstenaar wil worden maar zichzelf verliest in het (ook bij Rachel Cusk een leidend thema) moederschap – op een lijn geplaatst met de Britse Anne Enright en Rachel Cusk. Dat Offwell een scherp observator is en dit in prachtige zinnen beschrijft, blijkt ook uit haar derde roman Weersverwachting. Een roman over een jonge vrouw, met een bijbaantje in de bibliotheek van de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Maar haar zorgen om haar broer, een exverslaafde en voor het eerst vader geworden, leidden haar af van dat doel. Ze voelt zich verantwoordelijk voor hem, wat ten koste gaat van haar eigen leven en dat van man en kind. Als ze door haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, gevraagd wordt te helpen bij het verwerken van een groeiende stroom aan brieven en mails, begint ze vragen te beantwoorden van klimaat- en religieuze doemdenkers. Het verdiepen in deze rampenpsychologie maakt dat ze steeds minder goed in staat is een overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, om te kunnen ontsnappen aan een leven dat ze niet gewild heeft.
Auteur: Jenny Offill
Uitgeverij: De Geus
Leedvermaak trilogie
Vorig jaar ontving Judith Herzberg de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren. Herzberg is vooral bekend als dichter, minder bekend is dat ze ook een van onze belangrijkste toneelschrijvers is. In 1982 schreef ze het stuk Leedvermaak dat als een mijlpaal wordt gezien in de toneelgeschiedenis en in 1989 verfilmd door Frans Weisz. Een weergave van hoe de oorlog doorwerkte in de levens van latere generaties. Dertien jaar later schreef Herzberg Rijgdraad (1995), en nog weer zes jaar later Simon (2001). Hoofdrol spelen Nico en Lea, haar ouders Ada en Simon, Dory (de ex van Nico), Lea’s onderduikmoeder Riet, Nico’s vader en stiefmoeder Zwart en Duifje, kinderen en kleinkinderen.
Als geen ander weet Herzberg In schijnbaar terloopse en zo eigen aan Herzberg, luchtige dialogen vorm te geven aan het ongemakkelijke leven van onderduik- en kampoverlevers na de oorlog. De toneelteksten kenmerken zich door een zwijgend wegkijken, een niet kunnen (of willen) begrijpen van de ander.
De trilogie is een klassieker en al lange tijd uitverkocht. Dat er een nieuwe editie van Leedvermaak Trilogie verschijnt, heeft te maken met de opvoering van alle drie de toneelstukken in een marathonvoorstelling dit voorjaar door Het Nationaal Toneel, een bijzonderheid, want niet eerder werd de trilogie in zijn geheel uitgevoerd. De nieuwe editie van deze klassieker is het begin van een integrale uitgave van het hele toneeloeuvre van Judith Herzberg. Iets om naar uit te kijken.
Auteur: Judith Herzberg
Uitgeverij: De Harmonie,
De rook die dondert
Professor Engels en schrijver Namwali Serpell (1980, Zambia) woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, verschillende daarvan werden bekroond, zoals in 2015 met de ‘Caine Prize for African Writing’. Haar roman De rook die dondert (The Old Drift) verscheen onlangs in vertaling van Linda Broeder bij AtlasContact.
Een ingenieuze roman over het lot van drie vrouwen die om verschillende redenen in Zambia wonen. Agnes, de blinde dochter van een Britse parlementariër wordt verliefd op een ingenieur. Ze gaat er met hem vandoor naar zijn thuisland Zambia, dat op het punt staat onafhankelijk te worden. Sibilla groeit als buitenechtelijk kind op in een gehucht in Italië, ze is van top tot teen bedekt met haar. Ze vlucht met haar geliefde naar Zambia om een nieuw leven op te bouwen. Wiskundige Matha, is in Zambia geboren, en wordt overvallen door een eindeloze tranenvloed nadat ze ongewenst zwanger bleek en gedwongen werd een veelbelovende carrière op te geven. De levens van de kinderen en kleinkinderen van deze vrouwen raken in de daarop volgende decennia onvermijdelijk verbonden met het lot van een hele natie.
Jens Meijen (1996) is de eerste Jonge Dichter des Vaderlands van België. Hij publiceerde in verschillende literaire tijdschriften, zoals De Revisor en Hard//hoofd. Hij is journalist bij Humo en De Morgen en redactielid bij DW B. Ook stond hij op diverse literaire podia, zoals het Tilt Festival. Meerdere uitgeverijen wilden zijn poëziedebuut uitgeven, maar uiteindelijk tekende hij bij De Bezige Bij. Het resultaat is Xenomorf, met verrassende poëzie over de ondergang van de aarde.
Niet alleen de aarde sterft, ook taal gaat ten onder. In zijn gedichten observeert Jens Meijen dit verschijnsel. Hij beschrijft hoe dictators worden verkozen en hoe luchtverontreiniging onze longen bruin maakt. Xenomorf is echter geen deprimerende bundel: vol passie en taalplezier gaat Meijen in verzet tegen onverdraagzaamheid in de wereld.
Auteur: Jens Meijen
Uitgeverij: Bezige Bij, De
Het internet is stuk
Marleen Stikker (1962) is internetpionier en leider van Waag, het onderzoeksinstituut voor creatieve technologie en sociale innovatie. Deze maand bestaat Waag vijfentwintig jaar en naar aanleiding daarvan schreef ze Het internet is stuk. In dit boek behandelt ze de geschiedenis van het internet van de begintijd tot nu. Vroeger was het internet bijvoorbeeld een manier om kennis toegankelijk te maken voor een groot publiek, maar tegenwoordig kleven er gevaren aan het wereldwijde web.
Niet alleen benoemt Stikker deze gevaren, zoals de aantasting van onze identiteit en democratie, ook onderzoekt ze waar het precies misging en hoe we de macht over ons digitale leven kunnen terugkrijgen. Het is nog niet te laat om onze data te beschermen en de mens centraal te stellen in plaats van de economie.
Auteur: Marleen Stikker
Uitgeverij: De Geus
Barracoon
Al in 1931 schreef Zora Neale Hurston (1891-1960), belangrijk vertegenwoordiger van de Harlem Renaissance, dit waargebeurde verhaal, maar geen enkele uitgever had belangstelling voor het boek. In 2017 verscheen het alsnog en kreeg het de status van een uniek historisch document. Voor dit boek interviewde Neale Hurston Oluale Kossola, die in 1860 op negentienjarige leeftijd vanuit West-Afrika naar de Verenigde Staten werd verscheept.
Tijdens deze interviews groeien Kossola, die dan al ver in de tachtig is, en Neale Hurston naar elkaar toe. Hij vertelt haar over zijn jeugd, hoe hij gevangen werd genomen, de verschrikkelijke tocht op het slavenschip De Clotilda, de Amerikaanse Burgeroorlog en zijn leven na de slavernij. Het bijzondere aan deze vertaling is dat de oorspronkelijke Engelstalige tekst naast de Nederlandse is afgedrukt, zodat de stem van Kossola niet verloren gaat.
In september 2014 reed in Haaksbergen bij een demonstratie van monstertrucks, er een het publiek in. Er kwamen drie mensen om bij dit ongeluk. Dit gegeven inspireerde Bart Smout tot zijn tweede roman De geboorte van schuld, een intrigerend en boeiend verhaal. Het is alweer tien jaar geleden dat hij debuteerde met Lege Lijnen. Smout mag dan misschien niet zo bekend zijn bij het grote publiek, maar hij heeft wel verschillende literaire paden bewandeld. Zo was hij redacteur van het literaire tijdschrift Titaan en stond op het podium van verschillende festivals waaronder Lowlands.
Het ongeval
De geboorte van schuld is opgebouwd rond het klassieke thema van schuld en boete, maar ondanks dat klassieke gegeven is het een verrassend fris en degelijk verhaal. Alles draait rond Dylan Rutven, monteur bij een garage die bijklust als chauffeur bij evenementen. Bij een demonstratie met een monstertruck gaat het mis. De rem hapert en hij rijdt in op het publiek. De balans is zwaar: vijf doden. Daarna begint het psychologische steekspel over schuld. De maatschappij acht de chauffeur schuldig en rechercheur Tahiri, belast met het onderzoek doet er alles aan om Dylan achter de tralies te krijgen. Waarom drukte hij niet eerder op de noodknop? Was hij niet te vermoeid van zijn nachtclubbezoek de avond voordien? Voor Dylan is het aanvankelijk een ongeval waaraan hij geen schuld heeft. De veelheid aan beschuldigingen en – valse – bewijzen zorgen echter voor een knagend gevoel, waardoor hij gaat twijfelen aan zichzelf.
Universele schuld
Alles en iedereen laat hem in de steek, hij kan alleen nog terecht bij de Bulgaarse nachtclubdanseres Leda. Op dat moment neemt de auteur een zijweg en in de vele nachtelijke gesprekken die Leda en Dylan met elkaar voeren en krijgen we een overzicht van hun beide levens. Beiden lijken het slachtoffer te zijn van een ongelukkige jeugd en van de keuzes die ze eerder in hun leven maakten. Zijn ze schuldig aan de situatie waarin ze zich nu bevinden? Dylan vraagt zich luidop af of je niet met een soort schuld geboren wordt die op de een of andere manier later in je leven tot uiting komt. Feit is dat de tragische achtergrond van beide protagonisten absoluut een groot aandeel heeft gehad in hun huidige situatie. In het achtergrondverhaal komen nog veel meer thema’s aan de orde waarin schuld en boete een hoofdrol spelen zoals misbruik, mensensmokkelaars, prostitutie, drugshandel.
Verrassende wendingen
Smout slaagt erin verrassend uit de hoek te komen. Het eerste hoofdstuk opent met een jonge moeder en haar zoontje Jonathan die zich klaarmaken om naar een demonstratie van monstertrucks te gaan kijken. Het vervolg laat zich al snel raden. De lezer echter krijgt het gevoel dat de moeder het hoofdpersonage wordt van het boek, maar niets is minder waar. Vanaf hoofdstuk twee stapt Smout over op de ik-figuur, Dylan en verschijnt de moeder slechts sporadisch nog in het verhaal. Het feit dat hij haar op de achtergrond aanwezig houdt, zorgt er wel voor dat het schuldgevoel de hele tijd latent aanwezig blijft. Aan het eind van het boek lijkt Dylan de keuze te hebben gemaakt een andere weg in te slaan, het leven opnieuw te beginnen, ver weg van alles en iedereen die hem ooit lief was. Hij gaat daar heel ver in, maar verrassend genoeg laat Smout hem op zijn stappen terugkeren in een aangenaam, maar bizar en open einde.
Rake karakterisering
Smout schrijft in korte, eenvoudige zinnen. Daardoor leest het boek zeer vlot en ben je als lezer nauw betrokken bij het gebeuren en de personages. De karakterisering is uitstekend en de empathische identificatie met de tragische hoofdpersonages verloopt probleemloos. Net als Dylan, gaat de lezer zich vragen stellen bij de onorthodoxe manier waarop rechercheur Tahiri absoluut zijn gelijk wil halen en hoe hij manipulatief omgaat met de gedachten van Dylan.
De worsteling met het ongeluk en de schuld die Dylan met zich meedraagt, is loodzwaar en doet hem verrassende keuzes maken. Precies die wendingen maken het verhaal uiterst interessant. Ook na het lezen ga je als lezer nog verder met de vraag over schuld en boete. Wie is nu eigenlijk schuldig? Is er wel iemand schuldig? Moeten we het noodlot niet als onderdeel van het leven gaan beschouwen? Allemaal vragen die Smout in zijn boek opwerpt en waarover hij, zonder expliciet te zijn, de lezer laat nadenken. Net als rechercheur Tahiri, gaat ook Smout manipulatief te werk en kruipt hij in het hoofd van anderen, het hoofd van de lezer.
De Brit Richard Burton (1821 – 1890) leefde in een eeuw waarin reizen nog avontuurlijk was. Hij was officier, diplomaat, schrijver, vertaler, spion en ontdekkingsreiziger. Hij bereisde India, het Midden-Oosten en Oost-Afrika. Anders dan veel van zijn koloniale landgenoten stelde hij zich open voor andere culturen en godsdiensten. Hij mengde zich anoniem met de lokale bevolking en was permanent op zoek naar nieuwe inzichten. Burton vertaalde onder meer Duizend-en-een-nacht en de Kamasutra. De Duits-Bulgaarse schrijver Ilja Trojanow (1965) schreef over zijn grote held De wereldverzamelaar, waarvoor hij in zijn voetspoor reisde.
Het is een van de redenen waarom het zo’n geloofwaardig boek is, ondanks de ongelooflijke avonturen die erin worden beschreven. Daarbij beschikt Trojanow over een groot inlevingsvermogen en een enorme verbeeldingskracht. Burtons reizen naar onder meer Mekka en de bronnen van de Nijl lezen als een jongensboek. Het bevat levende personages tegen zinderende decors. Door de verschillende vertelperspectieven en de prachtige, kleurrijke stijl is het boek ook een grote literaire prestatie. Het zijn reizen die je zelf nooit had durven maken. Vooral de tocht door het Afrikaanse oerwoud is huiveringwekkend vanwege de verschrikkelijke ontberingen. Dankzij Trojanow kun je deze net zo intens vanuit je veilige stoel meemaken. Naast oog voor sfeer heeft Trojanow ook aandacht voor persoonlijke tragiek. De wereldverzamelaar is niet alleen een roman die de geest verruimt en je dagen achtereen geboeid houdt, het is er een die ook ontroert.
Auteur: Ilija Trojanow
Uitgeverij: De Geus (2008)
Het meten van de wereld
Deze roman van Daniel Kehlmann (1975) speelt ook eind negentiende eeuw en gaat over twee wetenschappers die volhardend en fanatiek hetzelfde doel nastreven. Twee grote genieën: Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss. Beiden willen de wereld opmeten. De eerste door met zijn meetapparatuur naar onbekende streken te trekken, de laatste zonder zijn geboorteplaats te verlaten, aan de hand van wiskundige formules. Von Humboldt is de avonturier, Gauss heeft een hekel aan reizen. Beiden laten zich leiden door de sterren. Kehlmann schrijft de pogingen van zijn beroemde landgenoten luchtig en met humor op. Met oog voor sprekende details weet hij het verleden tot leven te wekken. Door zijn hoofdpersonages om en om te beschrijven houdt Kehlmann het verhaal boeiend en accentueert hij het onderlinge contrast. De personages zijn geen kille wetenschappers, maar mensen van vlees en bloed.
De gedreven Von Humboldt weet letterlijk van geen ophouden en neemt de meest krankzinnige risico’s. Tot afgrijzen van zijn verstandige reisgezel, de Fransman Bonpland, een onvergetelijk personage. Met zijn grenzeloos gedrag zet Von Humboldt hun gezondheid meer dan eens op het spel. Gauss worstelt zijn hele leven met de liefde. De roman laat niet alleen hun bevlogenheid, maar ook hun eenzaamheid zien en roept vragen op over mislukking en succes. Tenslotte komt de vraag of al dat reizen wel ergens goed voor is.
Auteur: Daniel Kehlmann
Uitgeverij: Rainbow (2006)
Lipari
Dat een ideaal reisboek niet dik hoeft te zijn, bewijst deze novelle waarmee Robbert Welagen (1981) debuteerde. Je moet gewoon wat trager lezen. Er hoeft ook niet per se vreselijk veel in te gebeuren. Welagen geeft je alle ruimte om te fantaseren. Zijn boeken zijn dromerig en raadselachtig. Het verleden speelt er een belangrijke rol in. In Lipari ontmoet hoofdpersoon Robbert op dit Italiaanse eiland een opzienbarend echtpaar: ‘Ik was gefascineerd door Gerard en Chaphine’. Het leven leek hen niet aan te raken.’ Hij observeert hen en probeert achter hun geheim te komen. De novelle speelt zich af op een verlaten plek:
‘Hotel Cavazzoni was een voormalig landhuis met slechts zeven kamers, opgetrokken in Palladiaanse stijl. Aan de zeezijde van het hotel lag een groot verhoogd terras met een balustrade eromheen. Aan de achterkant bevond zich het zwembad in de weelderige hoteltuin. Daar kwam vrijwel niemand.’
Met eenvoudige zinnen roept Welagen een sterke sfeer op. Uiteraard die van Italië, waardoor je vanzelf in vakantiestemming komt. Lipari is verkrijgbaar in een uitgave met een andere mooie novelle, Philippes middagen, waarin de hoofdpersoon in de zomer gewoon thuis blijft. Welagen heeft net weer een nieuw boek uit, ‘Antoinette’, 112 pagina’s ‘dik’. Ik denk dat ik dit deze vakantie maar eens ga lezen.
Op nummer drie in de lijst van populaire vakantiebestemmingen voor Nederlanders prijkt Spanje, na Frankrijk en Duitsland. Het is er nu toch veel te heet om iets anders te doen dan de schaduw op te zoeken met een goed boek, dus hierbij drie tips waarvoor u vast nog wel een plekje vindt in uw koffer, naast de zonnecrème.
Kenners van de Spaanse literatuur weten dat Rafael Chirbes (1949-2015) niet de bekendste, maar misschien wel de grootste van zijn generatie was. Als u iets wilt begrijpen van het moderne Spanje, mag u hem niet missen. Misschien is het u wel eens opgevallen dat er sinds de instorting van de Spaanse vastgoedmarkt overal aan de Spaanse costa’s half afgewerkte bouwprojecten staan te verkommeren? Welkom in de wereld van Esteban, hoofdpersonage van Chirbes’ Aan de oever, die het geld van zijn vaders bescheiden meubelmakerij investeert in een bouwonderneming in de hoop mee te profiteren van de vastgoedhausse die aan de verwoestende crisis voorafging. Uiteindelijk wordt de meubelmakerij meegesleurd in de ondergang van Estebans vastgoedproject, staat het personeel op straat en kan hij de verpleegster die voor zijn dementerende vader zorgt, niet langer betalen. Chirbes geeft u een kijkje achter de schermen van de Spaanse bouw- en toerismesector, waar louche zakenlui, corrupte politici en andere onfrisse figuren rijk proberen te worden over de rug van de Spanjaarden onder aan de sociale ladder. Geef de ober die uw paella opdient straks dus maar een mooie fooi, want hij/zij moet rondkomen van een hongerloon.
Auteur: Rafael Chirbes
Uitgeverij: Meridiaan
De nacht der tijden
Een andere sterkhouder van de Spaanse letteren is de Andalusiër Antonio Muñoz Molina. Een van zijn mooiste boeken is ongetwijfeld De nacht der tijden, over een onmogelijke liefde tussen een Spaanse architect en een Amerikaanse schrijfster aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog. Dat klinkt sentimenteel, maar niets is minder waar. Slechts weinigen verstaan de kunst om over liefde te schrijven zonder te vervallen in stereotypen of melodramatische clichés, maar Muñoz Molina draait zijn hand er niet voor om en toont met succes hoe lastig en tegelijkertijd hoe mooi el amor kan zijn.
Auteur: Antonio Muñoz Molina
Uitgeverij: De Geus
Andalusisch logboek
Over de derde Spanje-tip hebben ik nog even getwijfeld. Andrés Barba, die met Republiek van licht een verbluffende roman schreef, was zeker een goede kandidaat, maar het boek speelt eigenlijk meer in een fictieve Latijns-Amerikaanse stad. Bovendien stellen ik u graag voor aan een Vlaming die al jaren in Spanje woont: Stefan Brijs. Misschien kent u hem als romancier, maar zijn Andalusisch logboek is zeker niet te versmaden. Brijs woont in een afgelegen dorp in de bergen bij Málaga en beschrijft in zijn logboek over het leven aldaar, van de cultuur tot de mensen, maar ook de natuur. Wist u bijvoorbeeld dat er een dramatisch watertekort dreigt in Andalusië omdat de lokale boeren massaal zijn overgeschakeld op het telen van aardbeien en avocado’s? Vroeger verbouwden ze gewassen die minder moesten worden besproeid en beter waren bestand tegen de droogte. Reken daar nog bij dat de Spaanse costa’s in de zomer worden overspoeld door toeristen die de schaarse watervoorraad nog meer uitputten, en er dreigt echt een milieuramp. Geniet van uw vakantie, maar sta daar misschien toch even bij stil voordat u het zwembad induikt.
Per Petterson is zonder twijfel een van de beste Noorse auteurs van deze tijd. Wie Mannen in mijn situatie openslaat wordt vanaf de eerste pagina meegezogen in het verdriet van Arvid Jansen, 38 jaar oud, schrijver van enkele romans en vader van drie dochters, de oudste Vigdis is twaalf. Zijn vrouw Turid besloot een jaar geleden dat ze niet meer van hem hield. Ze vertrok en nam de dochters mee. Arvid vermoedt dat ze liever optrekt met wat hij de kleurrijken noemt, de bourgeois die weten hoe je voortvarend moet leven. Zelf is hij een binnenvetter met een communistische achtergrond en hij heeft – voordat hij schrijver werd – uit solidariteit als arbeider gewerkt. Dat Turid hem niet meer wil accepteert hij als een onontkoombaar gegeven.
Zwarte gat
Bij Arvis Jansen zien we niet de woede en het zelfverwijt die bij echtscheidingen zo vaak voor komt. Hij is wel blij dat zijn dochters af en toe bij hem mogen zijn en probeert dan met hen iets te doen wat ze leuk vinden. Maar als hij ze een keer ophaalt en door onhandigheid en aangeschotenheid een auto-ongelukje veroorzaakt willen ze niet meer bij hem zijn.
Hij aanvaardt ook dát lot, maar belandt wel in een onpeilbaar verdriet en eenzaamheid. In zijn oude Mazda maakt hij lange tochten om zichzelf bezig te houden. ’s Avonds trekt hij Oslo in om dronken te worden en hopelijk een vrouw te ontmoeten die hem Turid laat vergeten. Soms komt hij in de buurt van dat doel, maar als het dan toch weer niets wordt valt hij opnieuw in dat grote zwarte gat.
Onstuitbaar proza
Arvid Jansen is Per Petterson’s alter ego, en zijn leven verloopt in grote trekken net zoals dat van de schrijver zelf. Na Kielzog en Ik vervloek de rivier des tijds is Mannen in mijn situatie de derde roman waarin Petterson de lezer meevoert in Arvid’s leven. Ditmaal met zijn echtscheiding. Het proza waarmee dat gebeurt is tomeloos verdrietig, de lezer zij gewaarschuwd.
‘Maar het was waar dat de dagen en nachten het laatste jaar dat we samenwoonden zo langzaam in elkaar waren overgegaan dat ze helemaal tot stilstand waren gekomen en alles in de wacht stond, en het gebeurde steeds vaker dat ik het ’s avonds niet op kon brengen om in het bed te gaan liggen waar zij al een uur of langer daarvoor in was gaan liggen. We waren magneten geworden met gelijke polen naar elkaar gericht, plus naar plus, min naar min, het gebeurde dat ik naar haar toe wilde en op het moment dat ik een voet over de drempel zette de slaapkamer uit werd geslingerd en door een krachtige slag tegen mijn borst ruggelings weer de woonkamer in schoot, over de grond gleed en tegen de muur aan de andere kant knalde, en dat keer op keer, en uiteindelijk bleef ik liever op de bank platen zitten draaien, waarvan ze door de muur heel goed kon horen welke het waren. Het was muziek van toen we net bij elkaar waren en ik nog niet wist wie zij was, wie er in haar lichaam school, en zij niet wie er in het mijne school, wie ik was, en het enige wat we wilden was het ontdekken, want ik werd er totaal door opgeslokt, ik sneed mezelf af van degene die ik was geweest, ik was verliefd, vandaar, en die platen draaide ik.’
Verborgen droefheid
Dit onstuitbare proza, prachtig vertaald door Marin Mars, laat de lezer tot het einde van de roman niet meer los. Behalve de scheiding van vrouw en kinderen wordt Arvid achtervolgd door de naweeën van een scheepsramp van twee jaar geleden waarbij hij zijn ouders en twee van zijn drie broers verloor. Deze ramp trof ook Petterson zelf. Zijn eigen ouders en broers kwamen in 1990 om het leven tijdens de brand op de ‘Scandinavian Star’. Als Arvid voor het eerst na de begrafenis het graf van zijn ouders en broers bezoekt komt hij op de begraafplaats een jonge vrouw tegen die hem – opkomend schrijver – herkent.
‘Ik heb je boeken gelezen, zei ze. Ik vind ze mooi. Maar waarom zijn ze zo droevig. Dat weet ik niet, zei ik, ze worden gewoon zo, dat doe ik dus niet bewust, eigenlijk. Dat is merkwaardig, zei ze. Ja, zei ik, dat is een beetje merkwaardig. En toen knikte ze naar de graven, naar dat van haar en naar dat van mij. Is dat van het afgebrande schip. Ze noemde de naam van het schip. Het was een beetje moeilijk om iemand die naam te horen uitspreken. Ja, zei ik. Zijn je boeken daarom zo droevig. Dat weet ik zo net nog niet, zei ik, waarschijnlijk was het daarvoor al begonnen, dat de boot is afgebrand is immers nog niet zo lang geleden, twee jaar, iets langer. Dat is waar, zei ze, daar had ik niet aan gedacht. En ik draaide me om en keek dezelfde kant op als zij, over de rij grafstenen heen.’
Als aan het eind van de roman zijn oudste dochter Vignis psychische problemen krijgt en hem nodig heeft, ziet het er naar uit dat Arvid zich ter wille van haar uit zijn depressie kan trekken. Desondanks heeft de roman een open einde en men moet niet vreemd opkijken als in Petterson’s volgende roman toch weer het verdriet zal overheersen. Het zij hem vergeven, want het levert prachtig proza op. En, zoals hij zelf zegt: ik doe het niet bewust, eigenlijk.
In de oogst van deze week de debuutroman van Almar Otten en een roman van de Noor Per Petterson; een autobiografisch/biografisch boek over Barbara Loder door Nathalie Léger en een verhalende zoektocht naar de verstandhouding van de mens tot het donker onder het aardoppervlak door Robert Macfarlane.
Gevallen engelen is de eerste literaire roman van misdaadromanschrijver Almar Otten (1964). Een roman in vier delen die begint met een proloog waarin een notaris, Frederik Corbijn het woord voert: ‘Ik ben namelijk notaris en in die hoedanigheid maakte ik in de herfst van 2016 kennis met de vijf hoofdpersonen in dit boek.’ De vijf hoofdpersonen hebben elkaar sinds vijfentwintig jaar niet meer gezien.
In 1986 wonen vijf studenten samen in een vervallen landhuis. Hun buurman is filosoof en daagt hen uit op zoek te gaan naar de waarheid. Hij verleidt de studenten (twee vrouwen en drie mannen) tot experimenten gebaseerd op de ideeën van Michel Foucault. Gevolg is dat ze geconfronteerd worden met jeugdtrauma’s en seksualiteit waarbij ze gevaarlijk dicht bij elkaar komen. Tot er een laatste, niet te verdragen experiment volgt. De groep valt uit elkaar. Na vijfentwintig jaar ontmoeten ze elkaar opnieuw. Wat in eerste instantie op een traditionele reünie lijkt, loopt uit op een dramatische apotheose. Een rijke roman, met verschillende verhaallijnen.
Auteur: Almar Otten
Uitgeverij: AFdH Uitgevers
Aanvulling op het leven van Barbara Loden
Barbara Ann Loden (1932 – 1980) was een Amerikaanse actrice en regisseur. Ze regisseerde welgeteld één film, Wanda (1970), een cultklassieker waarin ze zelf de titelrol vervulde.
De Franse schrijfster Marguerite Duras zei over de film: ‘Ik geloof dat er een wonder gebeurt in Wanda. (…) Normaal gesproken is er een afstand tussen uitbeelding en tekst, onderwerp en handeling. Hier is die afstand compleet uitgewist.’
Een film waar kunstenaars als Isabelle Huppert, Rachel Kushner en Kate Zambreno door gefascineerd werden. Voor schrijfster Nathalie Léger vormden de mysterieën in de film Wanda het begin van een zoektocht door archieven, over continenten en een bezoek aan de mijnstadjes van Pennsylvania. Alles in een poging dichterbij de film en degene die hem gemaakt heeft te komen.
Aanvulling op het leven van Barbara Loden bevindt zich dan ook ergens tussen een biografie en autobiografie, filmkritiek en anekdotiek en is een beschouwing over kennis en zelfkennis, leven en kunst en over waarheid en verbeelding.
Auteur: Nathalie Léger
Uitgeverij: NBC – Koppernik
Mannen in mijn situatie
Per Petterson (1952) werkte als boekhandelaar en later ook als vertaler om vanaf de jaren negentig als fulltime schrijver verder te gaan. Hij is uitgegroeid tot een van de grootste hedendaagse Noorse schrijvers. Bij De Geus verschenen eerder van hem Kielzog, Heimwee naar Siberië, Ik vervloek de rivier des tijds, Ik vind het best en de internationale bestseller Paarden stelen. In 2014 brak hij in Nederland door met de roman Twee wegen, dankzij De Wereld Draait Door. Knut Hamson en de Amerikaanse korte verhalenschrijver Raymond Carver noemt hij zijn grote voorbeelden.
Mannen in mijn situatie gaat over de achtendertigjarige Arvid. Net gescheiden en ’s nachts eenzaam door de stad zwervend. In de kroegen van Oslo zoekt hij troost bij verschillende vrouwen. Hij leeft roekeloos en zet daarmee de omgang met zijn drie dochters op het spel. Vooral zijn oudste dochter heeft hem nodig. De vraag is of hij in staat is haar te helpen. Arvid verlangt enkel naar het einde van zijn eenzaamheid.
Auteur: Per Petterson
Uitgeverij: De Geus
Benedenwereld
De Britse schrijver Robert Macfarlane (1976) schrijft over landschappen en natuur. Met Benedenwereld schreef hij boeiende verkenningen van onderaardse ruimten in de mythologie, de literatuur, het geheugen en het fysieke landschap. Hij duikt onder het aardoppervlak en onderzoekt de verstandhouding van de mens tot het donker, leven en dood in de aarde. Macfarlane beschrijft begraafplaatsen uit de bronstijd en ondergrondse schimmelnetwerken waarlangs bomen onderling communiceren en nog meer.
Zijn reis voert hem van prehistorische Noorse zeegrotten naar een ondergrondse ‘verstopplaats’ waar de komende honderdduizend jaar kernafval opgeslagen zal liggen, alsook voert het hem van het ontstaan van het heelal naar de toekomst van het antropoceen (het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteiten) tot het huidige tijdperk waarin de mens domineert. Benedenwereld gaat over de ingewikkelde relatie van de mens tot de wereld onder zijn voeten. Door Macfarlane beeldend beschreven met veel aandacht voor actuele problemen.
Frédéric Beigbeder is in Frankrijk een bekende tv-persoonlijkheid en schrijver: non-conformistisch en kritisch. In Een leven zonder einde voert hij zichzelf op als hoofdpersoon in, wat hij noemt, een ‘science-non-fiction’-roman, d.i. een roman waarin alle genoemde wetenschappelijke ontwikkelingen, in het tijdschrift Science of Nature zijn gepubliceerd.
De ontwikkelingen in de natuurwetenschappen en de genetica hebben zo’n duizelingwekkende vlucht genomen dat de science fiction van vandaag gisteren al achterhaald was. Prachtig voorbeeld hiervan is te zien in de documentaire ‘Dokteren met DNA’, in maart vorig jaar uitgezonden in het onvolprezen VPRO-programma Tegenlicht. Daarin wordt de nieuwe CRISPR-technologie behandeld waaraan ook Beigbeder in zijn boek refereert. In antwoord op de opmerking van zijn tienjarig dochtertje, Romy, dat zij het niet leuk vindt dat papa ooit dood zal gaan, belooft Beigbeder haar dat dat ook niet zal gebeuren en dat er vanaf nu niemand meer dood gaat. Deze roman is het resultaat van zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid.
Brave New World Deze zoektocht leidt Beigbeder langs alle gezaghebbende wetenschappelijke instituten ter wereld op het gebied van de genetica en de biotechnologie en brengt hem in contact met de meest prominente onderzoekers aldaar. Ethische vragen, bijvoorbeeld omtrent het sedert de experimenten van nazi’s als dr. Mengele besmette begrip eugenetica, komen daarbij wel aan de orde, maar worden weinig uitgediept. Ze passeren hooguit de revue. Er wordt wereldwijd volop geëxperimenteerd onder het motto: ‘Als wij het niet doen, doet een ander het wel. Zo komt de Brave New World van Aldous Huxley wel erg dichtbij in de woorden van dokter André Choulika, befaamd pionier van de ‘DNA-schaar’ en één van de geleerden die door Beigbeder met een bezoek worden vereerd. Als Romy hem vraagt of er binnenkort een mens geprint kan worden, antwoordt Choulika daarop bevestigend en vervolgt hij met: ‘De voortplanting onder medische begeleiding met reparatie en verbetering van het embryo zal de norm worden.’
Houellebecq In Israël brengt Beigbeder, samen met Romy een bezoek aan dokter Buganim, een specialist op het gebied van onderzoek naar stamcelvernieuwing. In hun vrije tijd bezoeken zij religieuze hoogtepunten als de Klaagmuur en het graf van Jezus. In zijn gesprekken met haar komt hij steeds dichter bij de vraag naar het waarom van zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid. Bijvoorbeeld als Romy op haar smartphone de tien geboden heeft opgezocht en hem daarmee confronteert:
‘Gij zult niet echtbreken…’. ‘Heb jij echtbreking met mama gedaan?’ ‘O nee. Nee. Nooit.’ ‘Papa, mag ik wel even zeggen dat in het achtste verbod staat dat liegen verboden is?’ Moeilijke vragen. ‘Jezus is dood gegaan, maar ook weer opgestaan uit de dood, als ik het goed begrijp….., toch?’ ‘Ja schatje.’ ‘Eigenlijk wil jij net zo doen als Jezus.’
Romy wordt gegrepen door de mystiek van de eredienst, van de onleesbare inscripties en de religieuze overgave van pelgrims, zelfs zodanig dat zij later bekent dat zij in de kerk in Jeruzalem een ontmoeting met Jezus heeft gehad. Beigbeder refereert aan een uitspraak van Houellebecq: ‘Steeds meer mensen zijn niet meer in staat om zonder God te leven. Het consumeren is hun niet meer genoeg, evenmin als persoonlijk succes.’ De aanblik van de vervoering van zijn dochtertje, breng zijn atheïsme aan het wankelen. Toch zet hij zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid door en blijkt hij bereid zichzelf daarvoor ter beschikking te stellen. Dit voert hem naar het medisch welzijnscentrum Viva Mayr in Oostenrijk waar hij zijn bloed laat zuiveren door middel van een geavanceerde lasertechniek. Tussen de behandelingen door geeft hij zich over aan droefgeestige bespiegelingen over het verleden, bedenken van formats voor absurdistische tv-shows en relationele onderonsjes met zijn dochtertje.
Het brengt hem tot bespiegelingen over het vaderschap, verantwoordelijkheid voor de kinderen die je lief zijn, over zijn leeftijd van 50-er en, in relatie daarmee, natuurlijk over de dood.
Age Reversal Degene die Beigbeder uiteindelijk het dichtste bij zijn verlangen naar het eeuwig leven brengt, is Georg Church van het Human Longevity Institute in San Diego, befaamd op het gebied van het antiverouderingsonderzoek. Deze werkt aan een project genaamd ‘Age Reversal’, waarbij het gaat om omkering van de veroudering en bijvoorbeeld een levend wezen van zestig weer twintig kan worden. Dit is wat Beigbeder zoekt. Als zijn vrouw, Leonore, zegt dat zij zwanger van hem is en Church c.s. voorstellen het DNA van de toekomstige baby te perfectioneren door een mutant gevrijwaard van genetische ziekten te genereren, gaat Beigbeder daar graag in mee, maar Leonore niet. De knallende ruzie die hieruit ontstaat blijft niet zonder gevolgen.
Oproepen van verbazing Frédéric Beigbeder heeft een lekker boek geschreven dat vlot wegleest. Hij weet zijn fascinatie voor de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden van de biotechnologie en de genetica goed over te brengen. Toch blijft het boek steken in het oproepen van verbazing over die verbluffende mogelijkheden. Het stemt bijna nergens tot nadenken over de waarde van het leven. Dit is te wijten aan het vrij oppervlakkige liefdesverhaal dat als leidraad dient voor zijn bezoeken aan de diverse wetenschappelijke instituten. Je kunt je ook afvragen in hoeverre hier nog sprake is van een roman of meer van een documentaire. Het boek roept het verlangen op het prachtige Niemand is onsterfelijk van Simone de Beauvoir te gaan herlezen, een boek dat wel stemt tot nadenken over de waarde van het leven.
Eind jaren negentig werd de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962) in de Nederlandstalige literatuur geïntroduceerd door vertaler Karol Lesman. Inmiddels zijn er drie romans en een verhalenbundel van haar bij De Geus verschenen. Haar laatste boek, De Jacobsboeken in vertaling van Lesman, behelst een geschiedenis van maatschappelijke en religieuze omwentelingen eind achttiende eeuw in Midden-Europa, een tijd waarin de verlichting zich aandiende maar oude waarden en geloven nog sterk leefden. De Jacobsboeken volgt het waargebeurde verhaal van sekteleider en zelfverklaard messias Jacob Frank (1726-1791), gesitueerd in de achttiende-eeuwse Poolse samenleving. Voor het boek reisde Tokarczuk in de voetsporen van Jacob Frank door Midden-Europa en doorzocht vele papieren archieven. Aan de hand daarvan reconstrueerde ze Jacob Franks leven en een deel van de assimilatie geschiedenis van Midden-Europa.
Jacob Frank is de oprichter van een egalitaire commune en bekeerde vijftienduizend joden tot het frankisme, een door hemzelf bedachte mix van joodse en christelijke elementen. Hij was een omstreden figuur, naast zijn charismatische uitstraling was hij arrogant, een ruziezoeker en een manipulator. De Jacobsboeken kent vele verhaallijnen en vertelt een complexe Poolse geschiedenis. Gelukkig is het in een dusdanig heldere en open stijl geschreven dat je met gemak met de schrijfster mee de geschiedenis in gaat.
Het is een boek dat Tokarczuk moest schrijven, zo vertelt ze, omdat de mengkroes aan culturen en religies gelijkenissen laat zien met de tijd waarin we nu leven. Voor wie het boek leest, zal op verschillende punten de overeenkomsten gewaar worden.
In Polen was De Jacobsboeken een groot succes (ruim 150.000 verkocht), al volgde er ook een haatcampagne naar aanleiding van Tokarczuks optreden voor de Poolse tv waar ze openlijk kritiek uitte op de Poolse samenleving. Hoe de Polen hebben bijgedragen aan de jodenvervolging. Daarbij verwees ze naar de pogroms tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De bedreigingen vanuit Pools nationalistische hoek namen dusdanige vormen aan dat haar uitgever het nodig achtte haar enige tijd te beveiligen.
Maar dit is niet waar de schrijfster om bekend wil staan. De bedreigingen, die hoofdzakelijk online geuit werden, vindt ze het noemen niet waard. Ze spreekt liever over hoe zich steeds weer een nieuw boek aandient en hoe ze met haar schrijven mensen in beweging wil brengen. Eind maart was Olga Tokarczuk in verband met de publicatie van De Jacobsboeken in Nederland. Literair Nederland sprak met haar op een zonnige vrijdagmiddag in het Ambassade hotel in Amsterdam.
Er is weinig over Jacob Frank bekend, hoe kwam u hem op het spoor?
‘Dat was heel toevallig, in een kleine boekhandel in het noorden van Polen vond ik een oud boek en ik realiseerde me direct, toen ik het begon te lezen, dat ik iets heel belangrijks in handen had. De eerste vraag die ik mezelf stelde, toen ik over hem gelezen had, was: Waarom ken ik dit verhaal niet, heb ik nooit over deze man gehoord? Waarom werd deze man niet in de geschiedenisboeken genoemd? Tijdens mijn zoektocht naar zijn leven, ontdekte ik drie redenen waarom er niet over Jacob Frank gesproken en geschreven is. De orthodoxe joden, waar hij vanaf stamde, waren er niet in geïnteresseerd, voor hen was Jacob Frank een verrader. Voor de katholieke Poolse geschiedenis was het ook geen prettig geschiedenis want de katholieke kerk speelde een nogal belangrijke rol in het drama van de sekte van Jacob Frank. De derde reden is dat de nazaten, de achter- achterkleinkinderen van deze gemeenschap met succes assimileerden in de Poolse samenleving. Ze waren er niet happig op om te weten of ze van joodse afkomst waren in het licht van het heersende antisemitisme in Polen. Een geschiedenis dus die met succes onder het kleed geveegd werd.’
U bent geen historicus, waarom dan toch een historische roman?
‘In eerste instantie wilde ik er een essay over schrijven. Maar er zaten zoveel verhaallijnen in, zoveel avonturen dat ik besloot een historische roman te schrijven. Ik heb heel veel onderzoek moeten doen voor dit boek en moest mezelf ook voorbereiden op het schrijven van een historisch boek. Het was niet alleen nodig me in het leven van Jacob Frank te verdiepen, maar ook in de achttiende eeuw van Europa en Polen, het begin van de verlichting. Het boek gaat dus ook over de verlichting, het verhaal van sociale emancipatie, een idee dat me erg aantrok.’
Wat trok u aan in Jacob Franks levensverhaal ?
‘Jacob Frank en zijn volgelingen waren textielhandelaren tussen Europa en Turkije. Het waren arme mensen maar ze klommen op tot aan de top van de samenleving. Toen hij stierf was Jacob Frank een Baron van Offenbach. Hij had zich de titel gekocht, het was dus niet legaal, maar hij werd wel behandeld als een aristocraat. Dat idee, te komen vanaf de bodem van de samenleving en te eindigen aan de top, is zeer ongebruikelijk voor die tijd. Dat vond ik een interessant uitgangspunt. Net als de religieuze context van het verhaal. Je moet je voorstellen dat deze mensen eind achttiende eeuw leefden tussen twee beschavingen, drie religies en vele talen. Het doel van Jacob Frank was uiteindelijk te assimileren tot de katholieke gemeenschap van Polen.’
Over Jacob Frank bestaan verschillende beelden, de een omschrijft hem als een verschrikkelijke man en anderen vinden hem zeer sympathiek. Er zijn zelfs fysieke verschillen, hij wordt omschreven als een klein lelijk mannetje en als een imposante knappe verschijning.
‘Ik vond in de archieven vele verschillende beschrijvingen van Jacob Frank. Veel beschrijvingen zijn vanuit verschillende zienswijzen gemaakt. En dat is ook het wonder van de literatuur, over hetzelfde onderwerp wordt heel anders geschreven. Een goed boek laat zien dat de realiteit vanuit verschillende oogpunten gezien kan worden, wat aantoont dat de werkelijkheid gecompliceerd is. Er is niet één werkelijkheid en ook niet zoiets als een zwart/wit situatie. Het is heel zelden dat je kunt kiezen tussen zwart en wit. Het is altijd gecompliceerder, het verhaal van Jacob Frank is zeer veelzijdig.’
Wat was uw relatie tijdens het schrijven tot Jacob Frank.
‘Ik had een zeer ambivalente relatie tot hem. Aan de ene kant voelde ik me tot hem aangetrokken, maar hij was ook een psychopaat, manipuleerde zijn mensen, noemde zichzelf de messias en vertoonde zelfs crimineel gedrag. Psychologisch gezien een uiterst gecompliceerd figuur. In het boek heb ik hem nooit direct beschreven, altijd indirect door de ogen van de ander.’
Als sekteleider onderhield Jacob Frank openlijk seksuele relaties met zijn volgelingen en propageerde de vrije liefde, voor die tijd een nogal opmerkelijk gegeven.
‘Tijdens het schrijven van dit boek heb ik ook een studie gemaakt van de psychologie van de sekte. Om te begrijpen hoe dit in zijn werk ging, wat de mechanismen van een sekte zijn. Gedeelde seksualiteit in een sekte is bedoeld om iedereen met elkaar te verbinden en te vermengen om zo een eigen groep van mensen, een soort van consistentie te creëren. Veel van de volgelingen van Frank waren slim, intelligent maar ze verafgoodden hem ook. Ze gaven hun leven voor hem, en dat is een van de mechanismen van een sekte. Ze konden niet meer zonder hem. Dat was vooral te merken toen Jacob Frank in Offenbach verbleef en een van de aristocraten hem daar een kasteel schonk om ook daar een gemeenschap te vormen.’
Was er aan het begin van dit omvangrijke project direct een uitgever geïnteresseerd?
‘Het was een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven. Als ik nu terugkijk, weet ik niet meer hoe ik het deed, het was een zware taak. Ik schreef er zes, zeven jaar aan. Met een onderbreking, want toen ik er middenin zat, diende zich een persoonlijke crisis aan. Voor het schrijven van zo’n omvangrijk boek heb je tijd en geld nodig. Vooral aan geld ontbrak het me. Ik heb toen ik halverwege de roman was een detective geschreven om aan geld te komen. Ik had nog nooit een detective geschreven, het was een prettige afwisseling. Daarna kon ik weer verder met De Jacobsboeken.’
U was in 2007 in Amsterdam als Writer in Residence waar u het laatste stuk van De rustelozen schreef, ook een boek over verscheurde levens. Is er een overeenkomst tussen dat boek en De Jacobsboeken?
Ze kijkt verheugd. ‘Inderdaad, ik heb hier het einde van De rustelozen geschreven. Voor dat boek heb ik ook veel onderzoek gedaan. Ik heb goede herinneringen aan die tijd, op de vloer van het appartement spreidde ik alle bladzijden uit om een overzicht te krijgen. De rustelozen en De Jacobsboeken zijn wel twee heel verschillende boeken, maar een kiem voor het boek is daar ontstaan. De rustelozen is een constellatieroman en door de verschillende verhaallijnen is het ook wel een complexe roman.’
In De Jacobsboeken worden karakters als ooggetuigen opgevoerd. Zijn alle karakters aan de geschiedenis ontleend of zijn er ook die door u bedacht zijn?
‘Het boek kent drie vertellers die door mij bedacht zijn. Sommige karakters, die al bestonden, heb ik uit de geschiedenis gehaald, zoals Jacob Frank uiteraard. Als schrijver paste ik een methode toe om tussen de historische figuren en feiten mijn eigen karakters te kunnen creëren. Om de afstand en de ruimte ertussen te vullen. Maar het hele boek is gebaseerd op historische feiten. Alleen om het verhaal verteld te krijgen, heb ik nieuwe karakters gecreëerd.’
Zoals Jenta, die in de proloog wordt opgevoerd en die zich door tijd en ruimte kan verplaatsen. Het lezen over haar voelt als een ingenieuze zet om het boek te kunnen beginnen.
‘Zonder Jenta had ik het verhaal niet kunnen vertellen, ik ben haar veel verschuldigd ook al is ze een door mijzelf bedacht karakter. Ze is mijn favoriete verteller en in de proloog overkomt haar iets waardoor ze bijna doodgaat maar weer terugkeert met als gevolg dat ze dan de gave bezit uit zichzelf te kunnen treden. Zo kan ze door de tijd reizen en krijgt ze het overzicht over heden en verleden. Jenta weet alles van iedereen, kan de gedachten van de andere karakters lezen. Ze was een grote hulp bij het schrijven.’
Leven er in Europa nog nazaten van Jacob Frank?
‘De sekte viel uit elkaar na de dood van Jacob Frank in 1791 en veel van zijn volgelingen emigreerden naar Polen. Ze assimileerden daar en leefden als Polen. Veel van ons, de Polen, zijn geworteld in die gemeenschap van Frank. Voor zover ik weet ontmoeten ze elkaar nog wel eens maar alleen in het geheim. Er wordt gezegd dat er tot aan de twintigste eeuw een grote bibliotheek van frankisten zou zijn die tijdens de oorlog vernietigd is. Er is wel bewijs dat de nazaten van Frank vrij actief waren tot aan het begin van de twintigste eeuw.’
Wat heeft u het meest geïntrigeerd in deze geschiedenis?
‘Dat in Europa volkeren, religies en landsgrenzen constant in beweging zijn geweest, iets waar we nu niet zo bij stilstaan. Mijn eigen familie komt uit Podolië, een streek in Oost-Europa dat in 1945 in handen kwam van Rusland, en waar ook Jacob Frank geleefd heeft. Alle Polen werden gedwongen hun huizen te verlaten en kwamen in Neder-Silezië terecht waar tot dan toe alleen Duitsers woonden die daar verwijderd werden en de Polen die uit uit Podolië verdreven waren, trokken weer in die verlaten huizen. Dat laat De Jacobsboeken ook zien, dat het niet alleen van deze tijd is dat culturen en volkeren zich vermengen. Het boek gaat ook over assimilatie. ’
Hoe is het om over dit boek te praten nu het al zo lang uit is?
‘In zekere zin is dit boek oud voor mij. Na dit boek heb ik een bundeling met korte verhalen gepubliceerd, ik schrijf nu compleet andere dingen. Ik herinner me dat toen ik dit boek af had, ik compleet leeg was. Het voelde als was het mijn laatste boek en dat ik nooit meer zou schrijven. Ik voelde me werkelijk uitgeput. Nu na vijf jaar is die verbondenheid niet meer zo groot en dat vind ik prima.’
Achterin het boek schrijft u dat het spoor van de nazaten van Jacob Frank die naar Polen trokken, stof is voor een volgend boek. Is dat te verwachten?
‘Dat was mijn idee, om over de negentiende eeuw te schrijven en het spoor te volgen van de nazaten van Jacob Frank. Maar ik was ook wel helemaal klaar met het onderwerp en ik denk niet dat ik er nog op terugkom. Ik had tijd nodig om van dit boek los te komen. Ik heb vorig jaar een boek met korte verhalen gepubliceerd in Polen en dan is er nog de detective die ik tijdens De Jacobsboeken heb geschreven.’
Waardoor bent u gaan schrijven?
‘Door te lezen! Ik heb altijd veel gelezen. Na mijn werk als psycholoog besloot ik rond mijn dertigste het schrijven uit te proberen. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik in mijn levensonderhoud kan voorzien met wat ik het liefste doe. Ik ben altijd op zoek naar verhalen om te vertellen, zo ben ik ook het verhaal van Jacob Frank tegengekomen. Het opnieuw creëren van karakters, ontwikkelingen, het houdt mijn geest open, all the time.’
De Jacobsboeken Olga Tokarczuk / 920 pagina’s / vertaling Karol Lesman / De Geus
Noot: De detective en haar laatste verhalenbundel waren op het moment van dit interview nog niet vertaald. De rustelozen, vertaling Greet Pauwelijn en De laatste verhalen, vertaling Karol Lesman verschenen bij De Geus.
Er heerst een mazelenepidemie in New York. Burgemeester Bill de Blasio kondigde de noodtoestand af. De ziekte concentreert zich in de orthodox-joodse gemeenschap in de wijk Williamsburg. Het is waar de joods-Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman vandaan komt. Door haar boek Onorthodox heb ik de wijk op mijn persoonlijke kaart kunnen bijtekenen. Feldman werd geboren in het jaar 1986, vijf jaar na de geboorte van mijn oudste zoon en vijf jaar vóór de geboorte van mijn tweede dochter. Dit haal ik erbij om de realiteitszin van haar levensverhaal enigszins in perspectief te brengen.
Feldman groeit als enig kind op bij haar grootmoeder (Bobie) en grootvader (Zeidy). Haar vader is verstandelijk beperkt. Haar moeder wordt uit Londen overgevlogen om met haar vader te trouwen en is onwetend over de verstandelijke vermogens van haar aanstaande. Het huwelijk houdt geen stand. Na haar geboorte verlaat haar moeder de gemeenschap. Haar vader zwerft over straat, debiele lach om de mond. Op een nacht wordt er door leden uit de gemeenschap een klopjacht ingezet op een inbreker. Haar vader wil laten zien dat hij er ook bij hoort. Nadat de inbreker is ingerekend, waar hij geen enkel aandeel in had, klopt hij bij zijn ouders aan.
“’Ik ben ze achterna gegaan!” verkondigt hij. Bobie zucht. “Waarom heb je geen schoenen aangetrokken toen je ging rennen, Shia?” Er sijpelt bloed van zijn tenen op de deurmat, maar mijn vader merkt er niets van; de idiote uitbundigheid straalt van zijn gezicht. “Ga naar huis, Shia,” zegt Zeidy op trieste toon. “Ga naar huis toe, slapen.” Hij duwt de deur dicht in mijn vaders gezicht, zachtjes, bijna eerbiedig, en zijn hand blijft op de knop rusten terwijl mijn vaders voetstappen zich verwijderen in de gang.’
De schrijfster groeit op in een wereldstad maar heeft geen idee. Als op 11 september 2001 even na acht uur in de ochtend twee gekaapte passagierstoestellen zich in de Twin Towers van het World Trade Center boren, is het feit dat de ramen op school gesloten zijn (terwijl ze in de zomer altijd open staan) aanvankelijk het enige dat de dag anders maakt. Rond het middaguur worden de kinderen naar huis gestuurd. In de loop van de middag dringt de impact van de ramp door. Volgens haar grootvader zullen de joden, zoals altijd, de schuld krijgen. Haar grootmoeder gelooft dat de joden niet genoeg boete hebben gedaan en er weer een holocaust komt.
Op haar zeventiende wordt de schrijfster uitgehuwelijkt, daar is niets romantisch aan. Op tweeëntwintigjarige leeftijd verlaat ze de gemeenschap. Ze volgt literatuurlessen, leert Engels en begint met schrijven. Als haar levensverhaal Onorthodox is verschenen, wordt ze door de gemeenschap verketterd. Ze vinden haar erger dan Goebbels en ze zou met haar daad een volgende holocaust veroorzaken. Tegenwoordig woont de schrijfster in Berlijn en schreef inmiddels drie boeken.
Ik ben er nog niet over uit wat de betekenis van een orthodoxe gemeenschap voor de joodse mensheid is. Onorthodox is een boek over ultra-orthodoxe joden, niet te verwarren met zionisten. Over een gemeenschap die jaarlijks de Israëlische vlag verbranden. Ik had geen idee.