• Wie schrijft de geschiedenis van Latijns-Amerika?

    Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling van een nogal spraakmakende ‘reactie-roman’ getiteld Moussa, of de dood van een Arabier, waarmee debutant Kamel Daoud een literair weerwoord probeert te geven aan Camus’ klassieker De Vreemdeling. Een aantal jaar eerder deed de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez iets soortgelijks in zijn boek De geheime geschiedenis van Costaguana. Costaguana is de naam van de fictieve, Latijns-Amerikaanse republiek waarin Joseph Conrad zijn klassieke roman Nostromo situeerde.

    Nostromo
    De Pools-Britse schrijver Conrad (geboren Józef Teodor Konrad Korzeniowski) publiceerde Nostromo in 1904, slechts een paar jaar nadat hij Heart of Darkness en Lord Jim had uitgebracht. Het boek speelt zich af rond het begin van de 20e eeuw in een land ergens in Zuid-Amerika. Volgens Vásquez is het de gefictionaliseerde geschiedenis van Colombia, dat in 1903 Panama van zich af zag scheiden. Dit gebeurde mede op instigatie van de Verenigde Staten, die belang hadden in het aanleggen van het Panamakanaal. In het woord ‘Costaguana’ kunnen inderdaad de beginklanken van Colombia en Panama herkend worden.

    De tijd waarin Nostromo speelt is er een van toenemende industrialisatie en daarmee samenhangende globalisering. Spil van het boek vormt de zilvermijn die in handen is van Charles Gould, een Brit die samen met zijn vrouw naar de havenstad Sulaco in Costaguana is geëmigreerd om de mijn te kunnen exploiteren. Het zilver uit de mijn wordt echter middelpunt van allerlei politiek oproer, en dat is precies waar het personage Nostromo om de hoek komt kijken. Deze Nostromo is een Italiaanse havenopzichter wiens belangrijkste kapitaal bestaat uit zijn onkreukbare reputatie, en die daarmee de rechterhand vormt van de Westerse gezagsdragers van de stad.

    Merkwaardig genoeg komt de protagonist die de roman aan zijn titel helpt in het eerste deel van het boek nauwelijks voor. Conrad begint met beschrijvingen van de plek van handeling, vol levendige natuurbeelden in een prachtige taal, en met het voorstellen van andere personages die van belang zijn voor de verhaalontwikkeling. De plot is zelf niet verbonden aan een specifiek personage noch aan een specifieke setting: het is de schrijvershand van Conrad die de verhaallijn telkens verlegt, die bepaalt waar je als lezer bij bent en waar niet. Daarmee verschuift ook de aandacht tussen de personages. Charles Gould bijvoorbeeld neemt aanvankelijk een prominente plek in maar hij verdwijnt steeds meer naar de achtergrond, waarmee ook zijn onderwerping aan de zilvermijn gesymboliseerd wordt, die hem uitholt en uiteindelijk opslokt. Andere personages die een belangrijke rol gaan spelen worden in het begin slechts vluchtig vernoemd, alsof hier zaadjes voor hun karakter worden gezaaid die pas tegen het slot tot bloei zullen komen.

    Ook de chronologie is niet rechtlijnig. Het meest duidelijk wordt dit wanneer Conrad op het beslissende moment in het verhaal ineens een paar jaar overslaat en vanuit het perspectief van een verder onbetekenende kapitein terugkijkt op de gebeurtenissen die volgden. Zoiets kunnen maar weinig schrijvers zich veroorloven, maar Conrad is een van die schrijvers. Het trage verteltempo dat eigenlijk afleidt van de plot, de wisselingen van personages en de vervreemdende chronologie doen begrijpen waarom Joseph Conrad grote invloed heeft gehad op de schrijvers uit de 20e eeuw. Net als bijvoorbeeld het werk van Knut Hamsun vormt ook het oeuvre van Conrad een brug tussen de 19e-eeuwse roman en de modernisten.

    Inhoudelijk is Nostromo even rijk als de taal waarin het boek geschreven is. Veel van die inhoud zit in de personages, die ambigu zijn maar ook duidelijke karakteristieken vertonen en daarmee algemene zeggingskracht krijgen. Niet voor niets beschouwde Joseph Conrad zijn held als een representant van ‘the People’. In dit personage zit een hele sociale klasse vervat. De protagonist komt tijdens het verhaalverloop tot het besef dat de overwegend Europese machthebbers wel profiteren van zijn diensten maar dat hij er zelf nauwelijks beter van wordt. Dit is één van de manieren waarop Conrad in dit boek zijn kritiek verpakt op het internationaal kapitalisme als vorm van voortgezet kolonialisme.

    Een ander thema van het boek, nauw verwant aan de thematiek van Lord Jim, is dat van zelfontmaskering. De roman behandelt de strijd om als mens trouw te blijven aan jezelf en laat zien dat dit sterk afhangt van de omstandigheden waarmee je geconfronteerd wordt. De voornaamste corrumperende factor hier is rijkdom. Het zilver uit de mijn trekt Nostromo steeds verder omlaag, onverenigbaar als het bezit ervan is met de smetteloze reputatie die, vanuit een schoon geweten, voorheen het fundament vormde van zijn wezen. Ook Charles Gould wordt zoals reeds gezegd door de zilvermijn beheerst en tot een ander mens gemaakt. Een derde personage vindt zijn einde niet door geld (overigens wel met behulp van) maar doordat hij de ultieme zinloosheid van zijn denken onder ogen moet zien, en vervolgens niet meer met zichzelf kan leven. De vrouwen die van hem houden blijven met lege handen en een overlopend hart achter.

    De geheime geschiedenis van Costaguana
    Terug naar het heden, naar Juan Gabriel Vásquez en zijn literaire repliek in De geheime geschiedenis van Costaguana. De verteller die in dit boek wordt opgevoerd claimt dat zijn levensverhaal gebruikt is door Joseph Conrad en dat daarmee geen recht is gedaan aan de geschiedenis. Al was het maar omdat het treurig lot van Colombia versluierd wordt achter het fictieve Costaguana.

    De verschillen tussen de twee romans, Nostromo en De geheime geschiedenis van Costaguana, zijn op het eerste gezicht immens. Dat ligt vooral aan de schrijfstijl. Vásquez schrijft in dit boek met veel vaart en een toon die tegen het jolige aan zit. De sfeer van zijn roman is daardoor zo anders dan die van Conrads klassieker dat de overeenkomsten gemakkelijk over het hoofd kunnen worden gezien. Maar die zijn er wel degelijk en gaandeweg wordt dat steeds duidelijker.

    Allereerst natuurlijk de geschiedenissen zelf, in de literaire betekenis van het woord, waarin dezelfde sleutelelementen voorkomen: een kapitalistische onderneming, zogezegd in dienst van de vooruitgang (de zilvermijn bij Conrad, het Panamakanaal bij Vásquez), in een Latijns-Amerikaans land dat wordt verscheurd tussen conservatieve en liberale krachten, waarbij de belangrijkste spelers niet behoren tot het land waarvan ze wel het lot bepalen.

    In tweede instantie echter ook de opzet van het boek, vooral als het aankomt op de wisselingen in tijd- en plaats, maar misschien nog wel belangrijker de manier waarop de personages ondergeschikt worden gemaakt aan (en ten onder gaan in) het grotere verhaal over een land, een volk, een manier van leven.

    De geheime geschiedenis van Costaguana bereikt niet het niveau van Nostromo. Het boek is niet helemaal in balans en de humor neigt soms naar het puberale. Aan de andere kant schrijft Vásquez met lef en probeert hij niet krampachtig bij de roman te blijven die zijn uitgangspunt vormt. Het lijkt erop dat de Colombiaan, die vijftig boeken zegt te hebben gelezen van en over Joseph Conrad voordat hij deze roman schreef, zichzelf een stuk minder serieus neemt dan zijn Franse collega Daoud dat doet in Moussa, of de dood van een Arabier. Dat blijkt onder andere uit de expliciet subjectieve interrupties van de verteller, die, wanneer hij in Londen Conrad confronteert met het verwijt dat die zijn geschiedenis heeft ontvreemd, eigenlijk direct met de mond vol tanden komt te staan. Het boek eindigt symbolisch terwijl Conrad de verteller voorleest uit het manuscript van Nostromo. Alsof Vásquez zijn lezers uitnodigt de klassieker van Joseph Conrad te (her)lezen, met nieuwe ogen.

     

     

  • Geschiedenis, niet aan te ontkomen

    De Colombiaanse geschiedenis kent in de tweede helft van de negentiende eeuw een bloedige periode waarin de aanleg van de Panama Railroad en het beroemde Panamakanaal samen duizenden doden eisen. Met zijn nieuwste roman, De geheime geschiedenis van Costaguana, wil Juan Gabriel Vásquez (1973) deze gebeurtenissen aan de vergetelheid onttrekken. Of hij daarin slaagt hangt af van de hoeveelheid moeite die de lezer hiervoor wil doen.

    Vásquez’ vertelling is gegoten in de vorm van een pleidooi: volgens verteller en hoofdpersoon José Altamirano, Colombiaan van geboorte, is dìt boek het ware verhaal over de geschiedenis van Colombia, niet de leugen die de grote schrijver Joseph Conrad (1857-1924) heeft gepubliceerd in zijn roman Nostromo (1904). Om zijn gelijk te bewijzen vertelt José de ‘Lezers van de Jury’ hoe geschiedenis en politiek zijn leven op de meest vreselijke manieren hebben beïnvloed, hoe hij er uiteindelijk toe gekomen is Colombia te ontvluchten en zijn levensverhaal te delen met Conrad – en hoe die laatste hiervan, in Josés ogen, schromelijk misbruik heeft gemaakt.

    De literaire vorm waarvoor Vásquez gekozen heeft, houdt het midden tussen een avonturenverhaal en een familiekroniek. Tegen het dramatische decor van grote projecten die gebouwd worden op de fundamenten van duizenden mensenlevens, volgen we de lotgevallen van de familie Altamirano, vader Miguel, zoon José en diens gezin. Door Josés ogen zien we hoe de haast tastbare Engel der Geschiedenis en de wrede Gorgo van de Politiek hun levens regisseren, alle verzet ten spijt: ‘En zo drong de Gorgo van de Politiek uiteindelijk huize Altamirano-Madinier binnen. Zo boorde de Geschiedenis […] mijn pogingen me afzijdig te houden, mijn met moeite geforceerde apathie, de grond in. De les die de Grote Gebeurtenissen me leerden was helder en duidelijk: je ontkomt er niet aan, zeiden ze, je kunt er onmogelijk aan ontkomen.’

    Een van de zaken die De geheime geschiedenis van Costaguana wil laten zien is dat Grote Geschiedenis gedefinieerd wordt door kleine momenten. Dat plaatst de verteller echter voor een lastig dilemma: ‘ […] al die kleine geschiedenissen die […] ongemerkt het angstaanjagende fresco van de Grote Geschiedenis vormen, verhouden zich in juxtapositie tot elkaar, raken elkaar, kruisen elkaar; geen enkel verhaal staat op zichzelf.’ Hoe spring je daarmee om in een lineair verhaal? Omdat zaken verzwijgen volgens José gelijkstaat aan liegen, kiest hij ervoor àlles te vertellen. Deze keuze maakt het boek echter moeilijk toegankelijk: enerzijds ontstaat een overvloed aan gegevens die het verhaal weliswaar ergens raken, maar die verder geen betekenis hebben, anderzijds zwalkt de verteller hierdoor soms als een aangeschoten zestienjarige door tijd en ruimte. Beide zaken vragen een behoorlijke inspanning van de lezer.

    Dat geldt ook voor de wijze waarop de auteur omspringt met geschiedschrijving. Vásquez combineert literaire technieken als schrijven in scènes en het neerzetten van levensechte personages met een journalistieke documentatiedrang. Als een historicus die een romanvorm gebruikt, verweeft hij Josés levensverhaal zo kunstig en gedetailleerd in de feitelijke geschiedenis, dat feit en fictie haast niet van elkaar te onderscheiden zijn. Het resultaat is een realistisch verhaal dat best zo gegaan zou kunnen zijn. Het vraagt echter ook een voortdurende alertheid van de lezer: wat is feit en wat is fictie?

    Van goede literatuur groei je een beetje en word je wijzer. De geheime geschiedenis van Costaguana heeft het in zich om beide waar te maken. Het boek vult het wereldbeeld van de lezer op aangename wijze aan met geschiedkundige kennis en nuanceert dat beeld bovendien door een moderne visie op diezelfde geschiedenis: deze wordt pas achteraf geschreven. Neem er de tijd voor: man, kinderen, iedereen de deur uit, poes op schoot en een grote pot thee erbij. Of liever nog: een week ongestoord lezen – en herlezen – in het donkere binnenste van de bibliotheek. Pas als je er echt voor wilt gaan zitten, heeft De geheime geschiedenis van Costaguana kans zijn potentie waar te maken.