• In de donkere krochten van de kroeg

    In de donkere krochten van de kroeg

    Recensie door Vincent Kupers

    De Vlaamse schrijver Frederik Willem Daem (1988) debuteerde vijf jaar geleden met de verhalenbundel Zelfs de vogels vallen. Vorig jaar verscheen zijn debuutroman Tekens van leven. Voor het schrijven daarvan ging hij drie jaar lang Belgische kroegen af, wat leidde tot een roman waarin feit en fictie in elkaar overlopen. Het boek kan opgevat worden als een ode aan de wegkwijnende volkskroeg, maar komt meer tot zijn recht als een weergave van de dubbelzinnige betekenis van het café voor zijn bezoeker. In de kroegen van Daem mag men nog ouderwets zaniken en hun zorgen verdrinken, zorgen die de volgende dag gewoon weer terugkeren. Het café staat daarom ook symbool voor stilstand, want achterliggende problemen van de stamgasten blijven onopgelost.

    Wat moet een man met liefdesverdriet doormaken voordat hij weer verder kan met zijn leven? In het geval van Andreas, hoofdpersonage uit Tekens van leven, is het nodig om voor onbepaalde tijd onder te duiken in een bruin café. In de donkere krochten van deze kroeg speelt de roman zich af. Af en toe gaat Andreas naar buiten om een luchtje te scheppen, maar kort daarna neemt hij weer plaats aan de toog, zich onderdompelend in de ellende van de andere stamgasten.
    Voordat Daem de lezer opsluit binnen de muren van het café, lezen we over de aflopende relatie van Andreas. Door de nostalgische toon van Andreas is duidelijk dat de relatie in verval is. Er wordt een wanhopig beroep gedaan op koosnaampjes en verkleinwoorden, maar deze leiden niet meer tot geborgenheid. Het enige dat zich nog laat gelden, is de voortdurende erectie van Andreas, die, hoewel minder vaak dan vroeger, nog wel wordt beantwoord door zijn vriendin ‘Hertje’. 

    In plaats van het zinkende schip rustig te verlaten, besluit Andreas tot een seksuitstapje met zijn collega. Dit wordt hem vergeven, maar toch besluit hij omwille van zijn schaamtegevoelens te verdwijnen. Op dat moment duikt hij onder in het café De Kauw, waar hij op zoek is naar een omgeving van herkenning. Later in het verhaal komen er nog enkele scènes uit zijn relatieperiode voor. Wat het verhaal van Andreas des te tragischer maakt, want weer later hangt hij opnieuw straalbezopen in de kroeg. De twee op zichzelf staande verhaallijnen over een relatie die ten einde loopt en het leven van stamgasten in een bruine kroeg, zijn met elkaar verweven, ook al worden ze nauwelijks expliciet met elkaar in verband gebracht. De lezer wordt gedwongen om de emotionele lading van het ene verhaal mee te nemen naar het andere verhaal, zonder dat Daem de lezer bij de hand neemt. 

    Groepsgebeuren in de kroeg 

     Vanaf het moment dat Andreas de kroeg binnenstapt, doet hij zijn best om zich te mengen met de hechte groep stamgasten. De toenadering verloopt echter moeizaam, wat leidt tot geestige innerlijke monologen: ‘Een deel van hem fantaseerde al over tegen wie hij het wel en niet zou opnemen en, belangrijker nog, op welk weloverwogen tijdstip hij dat zou doen. Voorlopig was hij van plan om het moment af te wachten waarop Greet dronken werd, wat ze altijd werd, en ze dan, zoals ze haar verweten, steeds zin had om te poolen.’ Monologen die beginnen bij de pooltafel als hij in z’n eentje aan het oefenen is – hij meent dat als hij goed kan poolen, hij geaccepteerd zal worden. Langzaam weet hij zich in de groep te werken, toch blijft hij een buitenstaander. Een echte stamgast geeft zich volledig aan het kroegbestaan. Andreas is in gedachten nog te veel verbonden met de buitenwereld.

    Wat de bezoekers van De Kauw met elkaar gemeen hebben, is het weemoedig delen van verhalen uit hun vroegere levens die nooit door hun toedoen tot een einde zijn gekomen. Ook Andreas is uit zijn waardesysteem gerukt, maar hij houdt zich nauwelijks bezig met de schuldvraag. Hij lijkt vooral behagen te scheppen in het aanhoren van andermans ellende, waardoor er een goed beeld van de steeds terugkerende cafébezoekers ontstaat. Buiten De Kauw is er maar weinig dat hen omhelsd, vandaar dat ze met man en macht hun kroegbestaan verdedigen. De stamgasten van De Kauw kunnen het dan ook maar met moeite verteren dat Visse, een voormalige stamgast, heeft besloten niet meer naar de kroeg te gaan. Visse stond vooral bekend om zijn agressieve gedrag, maar omdat hij, net zoals de anderen, een vaste gast was, praatten ze zijn gedrag goed. Deden ze dit niet, dan zouden ze wel eens vragen over hun eigen gedrag kunnen verwachten. 

    Verlangen naar het burgerlijke 

    In de donkerte van de bruine kroeg hebben de bezoekers kritiek op nagenoeg alles. Tegelijkertijd heerst er de behoefte om hetgeen waar ze kritiek op hebben te omarmen. Ze hebben zich er alleen dusdanig ver van verwijderd dat ze moeite hebben om dit in te zien of te erkennen. Wat ze het liefst willen is het rustige, burgerlijke leven, maar door het voortdurende gezanik, wordt dit verlangen bedekt met een flinke laag pessimisme. 

    Opvallend is dat dit burgerlijke leven door Frederik Willem Daem niet ter discussie wordt gesteld, of beter gezegd, het wordt niet onder de postmoderne loep genomen. Hij besteedt weinig aandacht aan het constructieve aan verhalen over het burgerlijke leven, waardoor hij afstand neemt van een hedendaagse trend onder jonge auteurs. Deze stellen vaak de rol van verhalen op een veel fundamentelere wijze ter discussie. Andreas lijdt aan een gevoel van leegte, alleen is dit eerder een gevolg van zijn relatiebreuk, dan twijfels aan betekenis gevende narratieven. Hij heeft niet de behoefte om buiten de gebaande paden te treden, zoals de personages in Een goede nachtrust van Peter Buurman. In de roman spelen beklemmende kaders nauwelijks een rol. Er is eerder sprake van een afstand tot een gezond waardesysteem, die Andreas en de andere stamgasten eigenlijk graag willen overbruggen, maar hiervoor hebben ze niet de kracht. 

    Naast de verhaallijnen over de Kauw en Andreas’ relatie, zijn er twee zijverhalen over een Tsjetsjeense terroriste die een vliegtuig tot ontploffing brengt en een huisfeestje waar Andreas voor het eerst Hertje ontmoette. Het is toevallig dat deze gebeurtenissen tegelijkertijd plaatsvinden, zeker, maar het verband tussen de twee verhalen is nogal vergezocht. Het is ietwat overdreven om de sensuele explosie die vrijkomt bij twee zoenende pubers te vergelijken met een aanslag op een vliegtuig. Daem heeft geprobeerd om de zijverhalen aan elkaar te rijgen, maar misschien was het beter geweest om het te laten bij de ontmoeting tussen Andreas en Hertje.

    Los van het verdwaalde verhaal over een terroristische aanslag, geeft Daem een uitgebreid literair portret van een ouderwets bruin café. Hier floreren verhalen over vervlogen dromen en kan nog eindeloos gezanikt worden over van alles nog wat. Het is een plek waar je niets hoog hoeft te houden en de verdorvenheid van het leven mag uitspreken. Dit werkt bevrijdend, maar ondertussen blijft er op de achtergrond iets sudderen. Iets dat alleen buiten de muren van de kroeg bestaat.

     

     

  • Legende

    Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Oogst week 8 – 2021

    De leeuw van Alpi

    In maart 1785 werd in Gent middels een strooibiljet bekend gemaakt  ‘dat d’Heer Alpy in dese Stad is gekomen; hij komt van Lapland, en heeft met sig dry REENDIEREN, te weten: Het Manneken, het Wyfken en een Jong (…) Hy ho(o)pt dan van aen de Heeren der Natuer-kundige het vernoegen aen te doen van hun levendig te laeten sien, aengesien het meeste deel die maer door afbeeldsel, en door hooren seggen gezien en hebben. Hy versoekt de Heeren Liefhebbers van hunne natuerlyke Historie mede te brengen om het afbeeldende tegen het levende te vergelyken’.

    Giovanni Antonio Alpi moet rond 1755 geboren zijn, waarschijnlijk in Parma. Hij reisde kermissen af met wilde dieren en verkocht ze ook. In De leeuw van Alpi beschrijft Arie van den Berg het leven van de man, die onder andere beesten leverde aan de keizer van Oostenrijk en Lodewijk Napoleon.

    De leeuw van Alpi
    Auteur: Arie van den Berg
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld is niet stuk te krijgen

    Maxim Osipov (1963) is een Russische cardioloog en schrijver, vooral van korte verhalen. Daarover zei hij twee jaar geleden in een interview met de Los Angeles Review of Books: ‘Ik denk dat korte verhalen, zelfs lange korte verhalen (waaraan ik persoonlijke de voorkeur geef), dichter bij poëzie kunnen staan dan bij romans. In korte fictie staat voor mij niet het onderwerp centraal, maar stijl en vorm; die zijn veel belangrijker dan de inhoud. Diepgaande kennis van je materiaal – in mijn geval van geneeskunde en in mindere mate van godsdienst, muziek, theater, politiek en zelfs schaken – is, hoezeer het ook kan helpen, niet essentieel. Ik schrijf het liefst over onderwerpen waarmee ik vertrouwd ben’.

    Osipov (zijn vrouw is pianiste) vergelijkt het lezen van korte verhalen met luisteren naar een sonate van maximaal 40 minuten: ‘Net als een sonate moet een kort fictiewerk veel elementen comprimeren en worden opgebouwd uit veranderingen in ritme, tonaliteit, enz. Dat zijn de aspecten die het verhaal drijven- niet het onderwerp’. De wereld is niet stuk te krijgen is Osipovs eerste verhalenbundel die in het Nederlands verschijnt. Het zijn stukken vol compassie en ironie.

    De wereld is niet stuk te krijgen
    Auteur: Maxim Osipov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Gedachten over onze tijd

    ‘Rond de Saksische boerderij waar ik eens met mijn vader woonde worden de oude, glooiende essen langzaam maar zeker door landbouwmachines afgevlakt en verdwijnen de houtwallen in hoog tempo. Het betoverende coulissenlandschap maakt plaats voor graswoestijnen ten dienste van de intensieve landbouw, het bodemleven is zo goed als dood. Meststoffen en glyfosaat vervuilen het grondwater en driekwart van de insecten is verdwenen.

    Wie in Twente weidevogels wil horen kan ze het best beluisteren op waarneming.nl, want in het vrije veld zijn ze zowat uitgestorven’. Een typische Tommy Wieringaformulering die hij vorig jaar schreef in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad. Wieringa is bezorgd over onze omgang met cultuur, natuur, democratie en vrijheid. Gedachten over onze tijd geeft een indruk van het brede veld van cultuur, natuur, (misbruik van) vrijheid en democratie waarover de zorgen van Tommy Wieringa zich uitstrekken.

    Gedachten over onze tijd
    Auteur: Tommy Wieringa
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Fotosynthese 20 – Bedrog

    Fotosynthese 20 – Bedrog

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Dat hier iets zeer ernstigs, ja iets catastrofaals is gebeurd, is in één oogopslag duidelijk. Het totaal gestripte kerkje, waarvan niet alleen het dak is weggeblazen, maar waarbinnen ook niets van het interieur behouden is gebleven. Het zo te zien verkoolde struikgewas op de helling vooraan. Ook de huizen verderop staan er even verlaten als onbewoonbaar bij. Over de rivier die bovenin de foto stroomt lag vroeger een brug. Op de beide oevers zie je daar nog een restant van, maar van de overspanning zelf is niets over. Wat hier aan menselijk leven woonde is compleet weggevaagd. Maar door wat?

    Toen ik deze foto voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik aanvankelijk aan vuur denken. Het hele tafereel ziet eruit alsof er een vlammenzee overheen gegaan is. Deze desolate resten associeer je met foto’s van Hamburg, na het massale Britse bombardement in de zomer van  1943 of met Dresden, Coventry of Rotterdam, maar dan op de schaal van een klein dorpje, ergens in… ja waar? In Europa, zou je zeggen, met dat geraamte van een christelijk kerkje op de voorgrond. Het is alsof je gevraagd wordt iemand te identificeren aan de hand van een skelet. Alle sporen van herkenbaarheid zijn verdwenen.

    De krachten die daar in deze foto voor hebben gezorgd zijn niet die van vuur, maar van water. Dit is wat er overbleef van het Zuid-Franse dorpje Nauzenac, gelegen aan de rivier de Dordogne op de grens van de Corrèze en de Cantal. In de jaren veertig van de vorige eeuw wilde men een stuwdam met een waterkrachtcentrale bouwen, teneinde de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. De 95 meter hoge stuwdam, de ‘Barrage de l’Aigle,’ verrees volgens plan in de buurt van het plaatsje Soursac, en kon na voltooiing een massa van 220 miljoen kubieke meter water tegenhouden. Dat betekende wel dat een aantal dorpjes aan de bovenloop van de rivier ontvolkt moest worden, omdat het waterniveau daar tientallen meters zou stijgen. En zo verdween het hele dorpje Nauzenac onder water.

    Eenmaal per tien jaar moet aan zo’n stuwdam groot onderhoud worden gepleegd en dan laat men het daarachter liggende stuwmeer geheel leeglopen. Na een dergelijke ‘vidage’ is deze foto genomen. En zo kijken wij ineens weer naar Nauzenac, nadat het een jaar of  70 lang onder water heeft gestaan. Wat voor een vreemde gewaarwording moet dat zijn voor mensen die in dat dorpje werden geboren en daar als kind nog hebben rondgelopen, naar school zijn gegaan, de mis hebben bijgewoond in het kerkje?

    Die vraag stelde de Franse filmmaakster Gertrude Baillot zich ook en samen met Nicolas Duchêne wist zij drie mensen op te sporen die in Nauzenac ter wereld kwamen en daar hun jeugdjaren doorbrachten. Met die drie maakte zij in 2002 de fascinerende documentaire Les Enfants du Fond du Lac. Gedurende het eerste halfuur van de film doen de drie voormalige dorpsbewoners hun verhaal, aan de hand van foto’s, oude ansichtkaarten en plattegronden, afgewisseld met beelden boven en onder water van het bosmeer dat door de aanleg van de stuwdam is ontstaan. Gekleed in een roze mantelpakje vertelt Rolande Lamarche over haar grootmoeder, die naast de rivieroever de Auberge Raymond exploiteerde. De familiefoto’s waarop de intussen circa 65-jarige mevrouw Lamarche als meisje staat afgebeeld gaan tijdens het gesprek van hand tot hand.

    Maar dan, op 25 minuut en 49 seconden van de documentaire, kijken we van het ene moment op het andere ineens naar het leeggelopen rivierdal, en zien we Nauzenac na de Apocalyps. Afwisselend volgt de camera de drie hoofpersonen, terwijl zij in verbijstering naar hun vroegere geboortehuis lopen. Er staat nauwelijks iets van overeind. Zelfs de kelders blijken ingestort. Als souvenir wrikt een van hen een leisteen los uit het stoepje voor de verdwenen voordeur van zijn ouderlijk huis. ‘Il ne reste que ça?’ mompelt Rolande Lamarche, terwijl ze naar een troosteloze steenmassa kijkt. Alles waar ze in het eerste halfuur herinneringen aan hebben zitten ophalen blijkt verdwenen of onherkenbaar met de grond gelijk gemaakt: de school, de boerderijen, de herberg, de weg die tussen de huizen doorliep, de hangbrug over de rivier.

    Tegen het einde van de film – om precies te zijn in de 44ste minuut – gebeurt het onvermijdelijke. De onderhoudsbeurt aan de stuwdam zit erop, en de sluizen worden opengezet. In een angstaanjagend tempo komt het rivierwater weer omhoog om Nauzenac andermaal in de vergetelheid onder te dompelen. Misschien kunnen Rolande Lamarche, Georges Bordes en Gilbert Ternat met zijn vrouw Antoinette over tien jaar nog eens een kijkje nemen in deze onderwereld van hun autobiografische geheugen. Maar voorlopig – en dat is het slotbeeld van de film – zijn hun herinneringen weer diep weggestopt onder het oppervlak van het grote bosmeer. Daar zien we kinderen aan de waterkant spelen, mensen zwemmen, iemand gooit een hengel uit. Wat een lieflijk bedrog is het heden.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

    Portret: Sacha de Boer

  • Niet langer de schijn ophouden

    Niet langer de schijn ophouden

    Recensie door Klaas Zandstra

    Op de begraafplaats van het fictieve, Duitstalige plaatsje Paulstadt liggen 29 doden die ieder hun verhaal vertellen. De lokale groenteboer, de burgemeester, een gokverslaafde, ze komen allemaal aan bod. De verhalen gaan over hun tijd in Paulstadt waar elk van de vertellers is gestorven. Het Veld is de eerste verhalenbundel van de Oostenrijkse schrijver Robert Seethaler (1966). Eerder verschenen van hem de succesvolle romans De Weense Sigarenboer en Een Heel Leven.

    Paulstadt is op het eerste gezicht een ‘kleinstadt’ zoals ieder andere stad. Er is een marktplein, een kroeg, een kerk en wat winkels. Net buiten het hart van de stad is zelfs een nieuw winkelcentrum opgetrokken. Maak een rondrit door Duitsland of Oostenrijk en je zult legio dergelijke plaatsjes aandoen. In het Duitstalige plaatsje Paulstadt worden alle gestorvenen gekenmerkt door hun openhartigheid. Uit hun verhalen wordt al gauw duidelijk dat ze dingen vertellen die ze bij leven niet hebben geopenbaard. Toen hebben ze nagelaten hun misstappen en die van de ander te benoemen. Eenmaal dood lukt dat hen wel. Seethaler geeft hiermee een beeld van een stadje waar alleen de doden in staat zijn de onderliggende spanning in het stadje te benoemen. 

    De doden spreken

    Neem het echtpaar dat samen een schoenenwinkel runde. Zij stoorden zich aan elkaar en pas na hun dood, lukt het hen dat te vertellen. Of denk aan de vrouw die allang bleek door te hebben dat haar vriend al zijn geld verspeelde aan de fruitautomaat. Zij zweeg en hij meende succesvol zijn verslaving te verdoezelen. Kort nadat ze hem verliet, spiegelde ze hem voor een fijn leven te leiden. Dit bleek niet te kloppen. Ook dit vertellen ze pas nadat ze gestorven zijn.

    Zo geeft Seethaler een kleurrijk maar ook deprimerend beeld van Paulstadt. Het is een stadje waar veel gezwegen of verzwegen wordt, en als het moet gelogen. Onderhuidse spanningen regeren in Paulstadt en alleen de doden lijken in staat deze spanningen uit te spreken. Het draait er bij de levenden voornamelijk om zo goed mogelijk de schijn op te houden. 

    De verhalen zijn duidelijk gekaderd. De meeste gestorvenen vertellen over hun leven in Paulstadt. Je vraagt je af hoeveel van zulke verhalen de lezer aankan voor verzadiging intreedt of het concept gaat vervelen. Seethaler laat door middel van een kunstgreep zien zich daar bewust van te zijn. Soms heeft een verhalenbundel namelijk een foefje nodig om te zorgen dat een volgend verhaal niet gaat aanvoelen als nog meer van hetzelfde. In het beste geval past zo’n foefje goed en wordt het ritme in het verhaal niet verstoord, vaak zorgt het een voor verfrissing.

    Het verhaal van Sophie Breyer zou je kunnen zien als zo’n foefje. Het is net voorbij de helft van het boek, op zo’n punt waar je bang bent dat je weet wat er gaat komen. Maar het uiterst korte verhaal neemt dat gevoel weg. Dit zeer korte verhaal van Sophie Breyer zorgt ook voor een hernieuwde nieuwsgierigheid naar de nog komende verhalen. Natuurlijk is het een kunstgreep die maar een keer gebruikt kan worden.

    Geen definitief einde

    Uit de verhalen spreekt een groot vertelplezier. Seethaler neemt je schijnbaar moeiteloos mee in de levens van gestorven bewoners van Paulstadt. Hiermee creëert hij unieke personages. Geen van de gestorvenen is gevrijwaard van tekortkomingen en allemaal praten ze onverholen over hun leven en dat van hun naasten. 

    Openhartigheid is een van de redenen waarom deze bundel waarin de dood in elk verhaal aanwezig is, zo licht van toon blijft. Seethaler laat de dood niet het definitieve einde zijn en ook geen gebeurtenis waar met droefheid op terug wordt gekeken. De doden zijn nog steeds in staat de wereld te observeren en te beschouwen. Seethaler laat op een bijna potsierlijke wijze het contrast zien tussen levenden en doden. Het werkt soms komisch en stemt zeker tot nadenken. Het Veld geeft een beeld van een stad waar levenden de voorkeur geven aan de lieve vrede, een juk dat de doden maar al te graag van zich afwerpen. Een bijzonder geslaagde verhalenbundel.

     

     

  • Enige betekenis

    Enige betekenis

    Als ik over rellen, plunderen en vernielen hoor denk ik, sukkels. ’s Nacht zet ik me in een gemakkelijke stoel in mijn kamertje, lees Rachel Cusk alsof dat het enige is dat telt. Als kind ben ik wel eens tegen geldende regels in gegaan. Op de leeftijd waarop je nog denkt dat niemand je ziet, stopte ik in een winkel een zakje snoep in mijn jaszak. Ik weet nog hoe het knisperde, voelde me een houtenklaas, weet niet meer hoe ik buiten ben gekomen. Ik nam wel eens een schriftje weg bij de Hema. Eén keer een boek in een antiquariaat op een grijze januaridag. Januaridagen zijn sowieso dagen die het best zo snel mogelijk voorbij gaan. Er was niemand die me tegenhield, ik stak het onder mijn jas, eenmaal daar kon het niet meer terug. Er is nooit een weg terug. Vraag me niet wat me bezielde. Toegegeven, ik was in een bepaalde stemming, had teveel Strindberg en Büch gelezen, was beïnvloedbaar. 

    Ik heb ook wel eens het fietsen van een ander gesaboteerd, draaide het ventiel van de fiets van een buurjongetje open. Dat gaf een bepaald gevoel van macht. Daarop volgde een gevoel van ontheemding, ik kon er niet van slapen. In een interview zei Rachel Cusk dat in haar schrijven alles eindigt met de thuiskomst. Als je een geliefde verliest door dood of scheiding, ben je iets kwijt. Ze zei, ‘mij interesseert het Griekse idee dat het lijden eervol is. Dat je iets wint. De waarheid. Wat dat ook is.’ In die zachte stoel in de hoek van mijn kamertje, lees ik het laatste deel van haar scheidingstrilogie, Kudos. Over haar alter ego Faye die in het eerste deel van de trilogie gescheiden is, in het laatste hertrouwd. Ze omringt zich met verhalen van anderen, mensen die even met haar mee oplopen. Zoals de jongeman die op het literair festival schrijvers begeleidt haar vertelt dat het Griekse woord Kudos, ‘eerbewijzen’ betekent. 

    Een medepassagier in een vliegtuig vertelt over zijn dochter, als kind overgevoelig voor clichés. Wanneer er gasten waren, rende ze gillend het huis door. Ze speelde als kind hobo. Hij kon het niet aanhoren, vond het aanstellerig klinken. Tot hij haar bij een optreden op het podium ziet, perfect in balans. Hij begint te huilen, niet om haar spel, maar omdat hij nooit in haar geloofd heeft. Er is de eens gelukkige vrouw die haar vertelt dat haar leven in puin ligt, omdat ze moeilijkheden ontliep. ‘Als kind zag ik dat mijn zus, twee jaar ouder dan ik, altijd de ergste klappen opving, terwijl ik alles aankeek vanaf de veilige schoot van mijn moeder, en elke keer dat zij in de fout ging of iets verkeerds deed nam ik me voor het anders te doen als het mijn beurt was.’
    Ik lees Rachel Cusk alsof ik er enige betekenis in kan vinden over deze tijd. Zo die er is, is een ‘veilige schoot’ wel iets voor oproerkraaiers, thuis een gelegenheid tot beschouwen.

     

     

    Kudos / Rachel Cusk / 200 blz. / De Bezige Bij (2018) / vertaling Marijke Versluys


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Oogst week 48 – 2020

    De reparatie van de wereld

    De Kroatische auteur Slobodan Šnajder (1948) won in zijn vaderland verschillende literaire prijzen, maar is in het Nederlandse taalgebied nog onbekend. Daar komt nu verandering in, want zijn grote historische roman De reparatie van de wereld is door Roel Schuyt naar het Nederlands vertaald.

    Deze roman draait om Vera en Kempf, die elkaar na de Tweede Wereldoorlog ontmoeten, een zoon krijgen en voor elkaar bestemd lijken te zijn. Tijdens de oorlog vocht Kempf echter bij de SS, terwijl Vera als partizaan ten strijde trok tegen de nazi’s. Hoewel ze zielsveel van elkaar houden, dreigt het verleden hen in te halen.

    De reparatie van de wereld
    Auteur: Slobodan Šnajder
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Jaguarman

    Raoul de Jong (1984) was columnist voor onder meer NRC Handelsblad en Het Parool. Voor zijn boeken won hij meerdere prijzen, zo werd De grootsheid van het al het Beste Rotterdamse Boek.

    Recent kwam Jaguarman uit, waarin De Jong zijn reis naar Suriname beschrijft. Nadat hij op volwassen leeftijd zijn vader ontmoet, die hem vertelt over een voorouder die zichzelf kon veranderen in een jaguar, raakt De Jong gefascineerd door het land. Tijdens zijn reis ontmoet hij Surinaamse auteurs en helden. Hoewel Jaguarman gebaseerd is op verhalen uit De Jongs familie en wat de mensen in Suriname hem vertelden, is het boek geschreven als een avonturenroman.

    Jaguarman
    Auteur: Raoul de Jong
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    De Vriendt keert terug

    Jeruzalem, 1929, er wordt een aanslag gepleegd op Jitschak Jozef de Vriendt, een Thora-geleerde en schrijver. Hij overleeft dit niet. De Joodse internationale media geven de Arabieren vrijwel meteen de schuld, maar de baas van de geheime dienst, Irmin, gelooft dat niet. Hij start een onderzoek dat wordt belemmerd door religie, politiek en tradities van duizenden jaren oud.

    Hoewel deze roman in 1933 voor het eerst werd gepubliceerd, zijn de conflicten nog steeds actueel. Dat is het verhaal van De Vriendt keert terug, geschreven door Duitse auteur Arnold Zweig (1887-1968). Zweig woonde onder meer in Zwitserland, Frankrijk en Palestina. Jantsje Post en Lilian Caris zijn verantwoordelijk voor deze nieuwe vertaling van De Vriendt keert terug.

    De Vriendt keert terug
    Auteur: Arnold Zweig
    Uitgeverij: Cossee
  • Het verdriet van Vlaanderen

    Het verdriet van Vlaanderen

    In de maatschappijbrede discussie omtrent racisme staan nogal wat concepten onder druk. Nationalisme wordt met argwaan bekeken, het verleden moet onbenoemd blijven en de trots op afkomst kent een hoop mitsen en maren. Je zou kunnen verdedigen dat de Nederlandse geschiedenis niet eerder zo kritisch bevraagd is als de afgelopen maanden. Met zijn besluit om geen excuses aan te bieden voor het Hollandse aandeel in de slavernij zal premier Rutte de kritiek nauwelijks verstommen. Ook in het door de NPO uitgezonden racismedebat kreeg het zelfbewustzijn geen millimeter ruimte om tot wasdom te komen, laat staan een betekenisvol besef voort te brengen. 

    Erwin Mortier toont in zijn huzarenstuk De onbevlekte hoe het anders kan. De 55-jarige Marcel duikt in het verleden van zijn oudoom, eveneens Marcel geheten, een rabiate SS-er: ‘Waarom trekt een boerenzoon met een melksnor naar een front in het Oosten om zich in de strijd tegen het communisme op te offeren en schijnbaar terloops zijn lot te verbinden aan een bende roofdieren? Zou ik hetzelfde hebben gedaan, in die tijd? Of vandaag? Ben ik even vatbaar voor de lokroep van de wolven?’ Waar onze minister-president langs het verleden lijkt te fietsen over het asfalt van de nonchalance, sleurt Mortier zijn verleden als een veldrijder door de Vlaamse modder. 

    Zwijgcultuur 

    Tijdens de reconstructie van zijn familieverleden verblijft Marcel bij grootmoeder Andrea Ornelis, hoogbejaarde zuster van SS-er Marcel Ornelis. Haar leven was één bron van misère: ze onderging miskramen, verloor haar ouders én broer op vroege leeftijd en begroef haar dochter Lieve, Marcels moeder. Normaliter doen woorden zelden recht aan het onuitsprekelijke verdriet een kind te overleven, maar dat is buiten Mortier gerekend: ‘Zevenenvijftig jaar later zoende ik voor het laatst haar koude voorhoofd. Mijn wervels krompen. (…) Ik heb haar kin in mijn handen genomen, haar mond dichtgeduwd en haar een zoen gegeven terwijl mijn hartkamers in hun voegen kraakten.’ Deze ontboezemingen deelt Andrea niet met haar kleinzoon. Ze zijn opgetekend in aparte hoofdstukken en onthullen de pijn die zij voor haar nazaat halsstarrig verbergt:

    ‘Moe’, zei ik.
    -‘Begin niet, ik weet het ook niet.’
    ‘(…) Ik wil weten hoe het gaat.’
    -‘De rest moogt ge laten staan,’ zei ze en ze liep de woonkamer in.

    Oma Andrea bezit een rijk arsenaal aan gebaren die haar gevoelsleven barricaderen. Ze kruist haar armen, haalt haar schouders op, deelt een sneer uit en laat de televisie brullen; een eerbetoon aan haar overleden echtgenoot die aan het eind van zijn leven stokdoof was: ‘’’Vijf kinders, uit zo’n fijngebouwd meiske, daar staat mijn verstand bij stil’’, zei Va soms. Zijn verstand stond bij veel dingen stil, eerlijk gezegd.’ Kleinzoon Marcel verbaast zich erover dat hij met zijn grootmoeder haast alleen maar via pesterige kwinkslagen converseert. De pijn is te groot, het verleden te beladen, het trauma te vers. 

    De zoon als idool

    Mortier laat onbeantwoord wie nu werkelijk de onbevlekte is. De moeder van Andrea Ornelis wilde haar eerstgeborene Maria, de Onbevlekte, noemen. Vader dacht daar anders over en vond Andrea – ‘sterk als een vent’ – een passender naam: ‘Ik was de vergissing, de gemiste kans. De dochter die een zoon had moeten zijn.’ Het godsgeschenk komt alsnog in de gedaante van Marcel, de zoon die geenszins een onbevlekte levenswandel zal kennen. Hij kan zich alles veroorloven, wordt voortdurend uit de wind gehouden en de vrouwen in het huishouden behandelen hem als prinsje. Onheilspellend als in een donderpreek vervloekt de verteller het verhulde seksisme, dat op zowel zoon als dochter een verlammende uitwerking heeft: ‘Zonen worden met verwachtingen beladen, dochters met erfzonde.’ Wanneer de jongen ‘speels’ zijn kruis tegen de billen van zijn zus duwt, krijgt Andrea een vermaning, terwijl Marcel wordt opgedragen zijn klompen niet te vergeten. Zijn hele leven is een voorbereiding op de strijd voor Volk & Vaderland. Eén van de eerste zinnen die Andrea aan haar thuiskomende broer wijdt, klinkt als een oorlogsmars: ‘het gestamp van een kalf dat de kracht in zijn poten beproeft.’ 

    In De Onbevlekte strooit Mortier met meer van zulke literaire vondsten. Waar menig auteur scheutig omspringt met tierelantijnen, gebruikt hij ze doeltreffend en vervelen zijn kunstgrepen geen moment. Dat maakt zijn stijl van een verbluffend niveau. Bovendien wisselt hij liederlijke zinsneden af met voldongen feiten, droge afkondigingen die evenveel zeggen als verzwijgen: ‘Moeder zei dat hij zich moest vermannen. Hij heeft zich vermand.’ Dit zichzelf verharden kent een hoge prijs; Marcel sterft als SS-soldaat aan het Oostfront. 

    Tegengif voor onwetendheid

    Bij de rouwplechtigheid in het dorp hemelt de dienstdoende kapelaan de gestorvene flink op, als een heldhaftige Dietsche strijder, een sterke kameraad, een groots, tuchtvol soldaat. De verdiensten van de behulpzame zuster worden volkomen genegeerd:
    ‘…, elke zin knauwt naar mijn enkels. Wie zou er die laarzen hebben opgeblonken, wie het metaal van zijn gesp hebben gepoetst, wie zijn woorden voorgekauwd voor hij ze glimmend met een bek vol ijzer in mijn aangezicht spuwde? (…) Levenslustige kameraad. Ik beet op mijn tong. Hij was een knaap die over sloten sprong. Zijn klompen bleven liggen in het gras.’

    Uit Marcel Ornelis’ correspondentie vanaf het slagveld valt op te maken dat zijn wederwaardigheden alles behalve heroïsch waren: één van zijn hoogtepunten is een voetbalwedstrijd van de ene tegen de andere compagnie. 0-0. Bijna achteloos vertelt Andrea het echte verhaal achter Marcels toetreding tot de nazi’s: ‘We waren melkmuilen, zonder vader of moeder. En als ge die gasten zag marcheren, met hun vaandels en hun uniformen, ik vond dat schoon. (…) Nog niet recht kunnen piesen en peinzen dat ge met uw blote handen de wereld op zijn kop kunt zetten…’

    Acceptatie als besluit

    Andrea blijft ondanks deze zuinige onthullingen zo gesloten als een oester. Wel ziet ze schoorvoetend in dat de generatie na haar anders met trauma omgaat; het is tijd dat ze haar kleinzoon alle brieven nalaat die ze van haar broer, zijn oudoom bewaarde. Ze voelt haar einde naderen en geeft haar kleinzoon alle ruimte door het verleden te grasduinen. Hoe immers kan de pijn worden opgelost, de geschiedenis ooit worden onthouden, als de zwijgcultuur voortduurt? Zelfs Andrea’s woning gaat gebukt onder het juk van ondraaglijk zwijgen: ‘Ik draai me om. Het kromgetrokken huis, de ruggengraat van pannen tussen de dronken schoorstenen van de haarden. Alles zakt in, verlangt naar kruk of stok.’

    Zonder oordeel, zonder zelfhaat vraagt de kleinzoon zich af in hoeverre het verleden voortleeft in hemzelf. Vragen die zo weinig mensen zich durven te stellen, maar die – mits onbeantwoord – de fundamenten van het bestaan aantasten. De onbevlekte, dat is niemand. En dat besef slaat in als een mortiergranaat.

     

     

  • Oogst week 29 – 2020

    Suikerbastaard

    Jaap Frederik Scholten (1963) is een echte romancier en woont sinds 2003 in Hongarije waarover hij jarenlang columns schreef voor het NRC. In 2011 won hij de Libris Geschiedenis Prijs voor Kameraad Baron, een verslag van de gevolgen van het communisme voor de Hongaarse aristocratie in Transsylvanië. In 2014 verscheen Horizon City en dit jaar zijn meest omvangrijke roman Suikerbastaard.

    Hoofdpersoon Frederik vertrekt met zijn jeugdliefde Mila naar Ethiopië om het verleden van zijn grootvader te achterhalen en Mila gaat op zoek naar haar vader, die voor Frederiks grootvader in Ethiopië werkte en nooit terugkwam naar Nederland. Deze grootvader was leidinggevende bij een internationale machinefabriek die machines leverde om suikerfabrieken in Ethiopië te laten bouwen.

    Niet alleen Frederik en Mila vertellen een verhaal: ook hun families en de Twentse jongens die in de jaren vijftig en zestig voor drie jaar naar Ethiopië vertrokken, maken deel uit van deze grootse roman.
    Suikerbastaard is een mengeling van feit en fictie en werd uitgeven in een samenwerkingsverband tussen AFdH Uitgevers en Uitgeverij Pluim.

    Suikerbastaard
    Auteur: Jaap Scholten
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim en uitgeverij AFdH

    Houd afstand, raak me aan

    Onlangs verscheen er nog een publicatie als reactie op de coronacrisis: de Vlaamse hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe (1955) richt zich in Houd afstand raak me aan op het leven na deze crisis. Hij pleit voor het maken van andere keuzes op het gebied van economie, milieu, omgang met elkaar en onderzoekt welk effect dit heeft op onze mentale gezondheid.

    Paul Verhaeghe publiceerde ruim tweehonderd artikelen en verschillende boeken. Met Liefde in tijden van eenzaamheid (1998) brak hij door naar een algemeen en internationaal publiek. In zijn werk is de wisselwerking tussen de maatschappij en het individu een terugkerend thema. Houd afstand raak me aan bevat een hoopvolle boodschap: de coronacrisis biedt een kans voor verandering, het leven na de crisis kan beter worden dan het leven daarvoor.

     

    Houd afstand, raak me aan
    Auteur: Paul Verhaeghe
    Uitgeverij: Bezige Bij

    De man van nu

    Sara Berkeljon (1982) werkt bij De Volkskrant en maakt al negen jaar portretterende interviews voor Volkskrant Magazine. Het viel haar op dat ze meer mannen interviewde dan vrouwen. In De man van nu zijn twintig van haar beste interviews met mannen gebundeld. De interviews geven een beeld van hoe de ander zich door het leven slaat. Voor haar is een goed interview een portret dat door iedereen anders gelezen wordt: ze is tevreden wanneer de ene lezer de geïnterviewde sympathiek vindt en de andere lezer huivert van afschuw.

    De man van nu gaat uit van de stelling dat de man zichzelf opnieuw moet uitvinden. De interviews geven de lezer de kans om zelf een oordeel te vellen over zowel de geportretteerde personen als over mannen in het algemeen.

    De man van nu
    Auteur: Sara Berkeljon
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Dichten met de moed der wanhoop

    Dichten met de moed der wanhoop

    Af en toe wordt in de literatuur de vraag gesteld of deze geëngageerd moet zijn. Dichters als Tsead Bruinja en Peter Verhelst vinden dat ze in hun poëzie kritische vragen moeten stellen over de politieke actualiteit. Jens Meijen (1996), een bewonderaar van Verhelst, trad eind vorig jaar in hun voetsporen met zijn debuutbundel Xenomorf. Hij won er op 26 juni jl. de C.Buddingh’-prijs mee. In zijn debuutbundel stelt hij uitgebreid de klimaatproblematiek aan de orde en het effect daarvan op zijn generatie. Meijen verklaart de titel in het gelijknamige gedicht heel eigentijds aan de hand van Google. Xenomorf betekent ‘niet de gebruikelijke vorm hebbend’. De titel slaat zowel op de alarmerende toestand van onze planeet als op de experimentele vorm van de gedichten: ‘Jij landschap gebloemschikt naar mijn adem / Jij xenomorf’.

    In rijke beelden beschrijft Meijen de wereld van vroeger en nu en werpt hij een blik in de toekomst. Over dat laatste is hij ronduit somber, meteen al in de eerste regels van de bundel: ‘De mens kreeg de natuur om het lichaam open te plooien: vet en groot en naakt werden we.’ We zijn verveemd van de natuur: ‘met elke cirkel van de seizoenen maken we onszelf vreemder’. De dichter moet ‘kneuzen’, de ‘zachte blauwe plekken stollen tot inkt’. Een mooi beeld. Hij moet zijn verontwaardiging uiten: ‘Pas in taal krijgt dit woord een zin’. ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien: gedachte werd wereld, wereld werd gedachte’. De taal is echter vaak krachteloos: ‘Deze woorden kwijnen weg, vergrijzen/rotten op de rank’. ‘Wat van ons overblijft is plastic’.

    Met taal het tij keren

    Met Xenomorf doet Meijen toch een poging om met taal het tij te keren, of in ieder geval een bijdrage te leveren aan het inzicht dat het zo niet goed gaat met de aarde. ‘Een bewoonbaar huis is niet / te verzoenen met de verlangens / die je koestert: wildgroei van klimop, een tuin vol diepzeemeren, gletsjers, vol neushoorns, octopi, koraalduikers. Het huis in de tuin zal snel opgeslokt zijn / met de welgemeende excuses van een outsourced pr-team’, schrijft hij in de eerste van drie ‘Puinsonnetten’. Het hoeft niet te verbazen dat deze met de sonnetvorm niets te maken heeft: ook deze vaste vorm is tot puin vervallen. De regels zijn onregelmatig op de badspiegel geplaatst, rijm ontbreekt. Meijen schrijft sowieso losse, vrij vertellende poëzie.

    De dichter beschouwt zichzelf als een aanjager, hij kan het niet alleen: ‘Help me / om woorden weer genoeg te maken, / deze explosie te bevatten / deze tijden te bevolken’ schrijft hij in ‘Vlees zonder bloed / Tijdnood’. En in ‘De god zichtbaar de god’: ‘We zijn mysterie verschuldigd / aan moeder aarde / ook hier en nu, / op deze bank, in dit park. / Schep zorgen voor jezelf / als een kind in Kruidvat suikerkersen’.

    De gedichten schieten in de tijd heen en weer.‘In ‘Een Back To The Future-remake in 2040’ verplaatst Meijen het perspectief, heel origineel, naar de toekomst:

    ‘Iedereen is vertrokken naar koelere plekken,
     waar mensen elkaar niet de kop inslaan voor een glas water.

     Het zal niet lang meer duren
     of ook de bergen zullen vluchten
     naar landen waar ze niet welkom zijn.

     De laatste archeologen graven nog naar sporen,
    de laatste biologen documenteren
    de planten die nog overleven in deze woestijn,
    maar ook zij
    houden het niet lang meer uit.’

     Het was allemaal te voorzien, zegt de dichter in de laatste strofe:

    ‘Maar ik vraag me af:
     wat is het punt van tijdreizen
     als je weet hoe het eindigt?’

    Herinneringen aan vroegste jeugd

    Even later duikt de dichter in ‘Nul’ weer in het verleden en beschrijft een herinnering aan zijn vroegste jeugd, waarin de aanslag op de Twin Towers opduikt:

    ‘Het verleden herneemt zich , wil breuken opsporen
     zoals een computer zichzelf herstelt. Ik zie:
     fluwelen broeken, sandalen met witte sokken,
     veel te grote surfshirts
     en vooral elf september tijdloos
     het ontkiemen van een nieuw millennium
     gladiolen omringen een doodgevroren dier.
     Ik was nog kind. Proefde bloed die nacht.’

    De regels zijn vaak elliptisch van vorm en dat heeft een reden. Meijen geeft deze letterlijk weer in het gedicht ‘Waanbeelden van een omgevallen boomstronk’: ‘Ik vul mijn zinnen met ellipsen / omdat de woorden door mijn vingers glippen / een ontwrichte wereld verdient geen mooie dingen’.
    Het was sterker geweest dit impliciet te laten. De titel van het gedicht verwijst naar Meijens gevoel van ontwrichting door de snel veranderende wereld: ‘ik kan het niet aanzien, / de verandering die betekent / dat ik ook onherroepelijk veranderd moet zijn’. ‘dit gevoel van onbehagen / lijkt op wanneer je door een telescoop kijkt / naar een lege plek in de lucht / waar je zou gezworen hebben dat er net nog / een licht brandde.’
    De dichter vraagt zich meermaals af wie hij nog is, wat hem definieert.

    Het zijn maar stijlfiguren

    Om zijn boodschap kracht bij te zetten gebruikt hij veel herhalingen, opsommingen en parallellismen. De poëzie krijgt hierdoor iets bezwerends:

    ‘Mijn galblaas is een luchtballon

     en ik heb watervrees. Malawi niets meer dan een mooie naam
     en ik heb watervrees. Nooit een punt van homeostase
     en ik heb watervrees. Balans van vloeistoffen, energie, chakra’s.’

    Dat dit ook maar stijlfiguren zijn, blijkt uit de volgende passage waarin de kracht van taal weer wordt gerelativeerd:

    ‘Ik tel mijn leeftijd in seconden en
     mijn naam draagt enkel betekenis in een lang verzonken taal.
     Er zijn skeletten gevonden in de Marianentrog
     met in hun botten gekerfd:
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     herhaal het genoeg en alles wordt waarheid. (‘Ochtendzang van een slaapwandelaar’).

    Citaten uit muziekteksten en Wikipedia

    Heel opvallend zijn de citaten die los van de gedichten worden geplaatst, cursief, aan de rechterzijde van de bladzijde. Vooral citaten uit de muziek, van Britney Spears, rapper Drake tot Spinvis, waarbij hij het citaat van de laatste in de tegenwoordige tijd zet. Verder citeert hij uit Wikipedia. Moderne media (Google, Skype en Snapchat) komen regelmatig in zijn gedichten voor. We bevinden ons overduidelijk in de wereld van de millennial die zijn informatie voor een groot deel van het scherm haalt. Ook dit maakt zijn poëzie heel authentiek. Verder bestaat het onderscheid tussen hoge en lage cultuur voor hem niet. De poëzie bevat zowel verwijzingen naar Sylvia Plath en Kafka als naar Harry Potter en Game of Thrones.

    Doordat het merendeel van de gedichten over dezelfde problematiek gaat, weet je het echter op een bepaald moment wel. Meijen draaft een beetje door, ook al is hij inventief in het variëren op het thema en schrijft hij soms sterke regels (‘vogels kunnen niet vliegen in cyberspace’). Xenomorf geeft vooral een indringend beeld van de kopzorgen van een nieuwe generatie, waarvan de talentvolle Jens Meijen een van de spreekbuizen is: 

    ‘Het mag niet vergeten worden
     zweer me dat ze lezen
     hoe het voelt
     om weggegeven te worden.
     Hele levens lang.’

     

     

  • Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Met zijn nieuwe boek Zonder de top te bereiken pakt Paolo Cognetti de draad op van zijn roman De acht bergen, waarmee hij in 2017 internationaal is doorgebroken. Niet dat dit boek een rechtstreekse voortzetting is van de reis van de twee vrienden Pietro en Bruno  door Nepal, maar thematisch sluit het er naadloos op aan. Ook in dit boek stelt hij zich vragen als ‘wat betekent vriendschap’ ‘wat is eenzaamheid’ en ‘waarin schuilt levensgeluk’ Maar hier is het Cognetti zelf die met deze vragen worstelt, zonder een romanpersonage als intermediair. Misschien dat het daarom lijkt alsof hij dichtbij een bevredigend antwoord komt.

    Het kristallen klooster

    Deze autobiografische roman beschrijft een trektocht door het Himalaya gebergte in Dolpo, een regio in Nepal, grenzend aan China. Paolo Cognetti, die sinds een jaar of tien teruggetrokken leeft in een dorpje in het Aosta-dal in Noord-Italië en zich voornamelijk aan zijn schrijverschap wijdt, weet twee vrienden, Nicola en Remigio, te bewegen om mee te gaan. Zij zullen gedurende de reis, ieder op hun eigen manier, een klankbord vormen voor Cognetti in zijn zoektocht naar inzicht. Zij gaan op pad met een zevenenveertig- koppige karavaan, inclusief keukenploeg, gidsen, dragers, muildieren en een tiental Westerse toeristen. De rondreis van zo’n vijfhonderd kilometer voert door het Himalaya gebergte met als uiterste punt en hoofddoel van de expeditie de Shey Gompa, het kristallen klooster, dat het laatste overblijfsel van het oude, verdwenen Tibet zou zijn. Tijdens de veeleisende tocht wordt Cognetti regelmatig gekweld door de hoogtedemon, zoals hij zijn hoogteziekte noemt en die hem boven de 3000 meter zwaar op de proef stelt. Maar ook zijn grote gevoeligheid voor het niet tastbare houdt hem in zijn greep. 

    De Sneeuwluipaard

    Zo is er Peter Matthiessen,  voor Cognetti een soort spirituele leider. Matthiessen schreef in 1978 zijn bestseller  De Sneeuwluipaard naar aanleiding van een expeditie die hij samen met een bevriende bioloog ondernam om de hoog in de Himalaya levende bharal, de blauwschaap, te bestuderen. Hij beschrijft de reis als een ‘pelgrimstocht naar de laatst overgebleven enclave van pure Tibetaanse cultuur op aarde’, precies datgene wat Cognetti fascineert en hem  tot zijn reis geïnspireerd heeft. Matthiessen wordt voor hem de belangrijkste reisgenoot, al heeft hij hem nooit ontmoet. Hij leest en herleest diens boek als een reisgids voor zijn eigen leven en inspireert zijn eigen notitieboek met kaarten, tekeningen en dagboek op dat van zijn inspirator.

    Het ongrijpbare en onbepaalde is misschien wel het hoofdthema van dit boek. Uit alles om hem heen maakt Cognetti op dat niets vast ligt, alles in beweging is, voorbij gaat en dus vluchtig is. De eeuwenoude bergen van Dolpo ontstijgen tijd en ruimte. De sneeuwluipaard, een solitair en mysterieus dier, staat soms voor het boek van Peter Matthiessen, dan weer voor de auteur zelf, hoewel deze zich evengoed kan openbaren in de zwerfhond Kanji, die zich bij de karavaan aansluit. De Nepalezen begrijpen niets van ‘die vreemde, geconcentreerde, dik ingepakte, met uitrusting beladen wezens die ervoor betaalden om zwoegend te voet [hun] land te doorkruisen’. Zij glimlachen en lijken hun lot te aanvaarden, zonder hogere doelen te willen bereiken. Dat maakt ze wederom ondoordringbaar voor de Westerlingen. Er schuilt een diepe melancholie in het ongrijpbare.

    In het lopen zelf ligt de essentie

    Cognetti beseft dat in het accepteren van deze ongrijpbaarheid juist de diepe wijsheid ligt waarnaar hij op zoek is. Niet het bereiken van een doel – of, letterlijker, van een top – brengt geluk, maar de (wandel)tocht ernaar toe. In het lopen zelf ligt de essentie van het bestaan. De westerse zienswijze staat tegenover de boeddhistische met illustratieve tegenstellingen als bergtop bedwingen – door bergen wandelen, alpinist – reiziger, winnen -verliezen, vinden – zoeken. Raadsels als “hoe klinkt één klappende hand? ” behoeven geen antwoord, maar nodigen uit tot meditatie.
    De pelgrims naar de Gompa van Shey, het belangrijkste klooster en spirituele centrum van Dolpo  lopen met de wijzers van de klok de rituele kora rondom de Kristalberg . Door deze cirkelende beweging, vol aandacht voor het moment, bereiken ze een versmelting met de omgeving en een gevoel van puurheid. Dat geldt ook voor de reiziger die met het stijgen en dalen tijdens zijn bergtocht en ‘zonder de top te bereiken’ doordringt tot een diepere waarheid, dichter bij levensgeluk.

    Gelukkig zijn omdat je geen keus hebt

    Paolo Cognetti heeft de neiging om stilistisch erg volledig te willen zijn, waardoor zijn proza soms aan vaart en helderheid verliest. Inhoudelijk echter weet hij de essentie van zijn verhaal pakkend over te brengen. En die is zeer de moeite waard.
    Zodra de daling inzet en daarmee de puurheid van de bergen en helderheid van denken verlaten wordt, vertroebelt alles, de kracht ebt weg en de betovering is verbroken. Dat is ook het moment waarop er bij de lezer een gevoel van heimwee opkomt. Heimwee naar een avontuur dat op zijn einde loopt, heimwee krijgt naar het zojuist gelezen boek. De schrijver raakt een herkenbare snaar en slaagt erin te ontroeren.

     

  • Het vorstendom van een taalkoningin

    Het vorstendom van een taalkoningin

    Je leert er nog eens wat van, van de roman Een wereld binnen handbereik van de gevierde Franse schrijfster Maylis de Kerangal. Het is een prachtig boek, laat dat meteen maar gezegd zijn. De kracht ervan is dat de nadruk op het visuele ligt, op de overtuigend in beeld gebrachte omgeving, waarmee de activiteiten van de personages doeltreffend zijn verweven. Het verhaal trekt voorbij als een film met schitterende beelden en aandacht voor de kleinste details.

    Hoofdpersoon Paula, aan het begin van het boek twintig jaar en woonachtig in Parijs, stapt het Instituut voor Decoratieve Schilderkunst aan de Metaalstraat in Brussel binnen, nadat ze twee jaar lang van de ene opleiding in de andere rolde om het allemaal snel weer op te geven. Dit ‘doorsnee meisje […] een die het grootste deel van haar tijd op een cafébankje slijt tussen soortgenoten en bij wie elk moment in het bestaan een mengsel is van elegantie en leegte,’ vindt haar roeping in het decorschilderen en deelt haar verraste ouders mede: ‘Ik ga trompe-l’oeil-technieken leren, de kunst van de illusie’.

    Materialen

    De opleiding duurt zes maanden en is zwaar. Het is de hele dag door studeren op de materialen, niet alleen op die welke nodig zijn om te schilderen maar ook op de materie die de studenten natuurgetrouw moeten weergeven: marmer, houtsoorten, water, stof, patina, bladgoud. Ook ’s avonds gaat het door, soms tot in de nacht, om de opdracht van die dag af te maken of te oefenen. Paula is stug, in zichzelf gekeerd, bang dat ze faalt. Pas na een paar weken begint ze fysiek aan het werk te wennen, krijgt ze oog voor haar medeleerlingen en durft ze hen ’te zien schilderen […] haar blik vermengt zich eindelijk met de blikken die elkaar hier ontmoeten’. Zeven jaar later, tegen het einde van het boek, is ze een succesvol decorschilder en stort ze zich op de ultieme opdracht: meewerken aan de reproductie van de grot van Lascaux – waarvan de geschiedenis door de auteur uitgebreid wordt verteld.

    In de tussenliggende jaren blijft zij contact houden met de onverstoorbare Jonas en de extraverte Kate, de vrienden die ze op het instituut maakte, al zien ze elkaar vaak lange tijd  niet. Die contacten zijn de ijkpunten van de tweede laag in het verhaal: naast de vriendschap ook het liefdesverhaal tussen Jonas en Paula. Ze deelden de studie, een appartement, hun leven en de liefde. Na de opleiding gaan ze ieder hun weg, werken in verschillende landen. Totdat ze elkaar via ‘Lascaux’ weer ontmoeten.

    Schoonheid van de materie

    Maylis de Kerangal vertelt niet zomaar een verhaal over een paar mensen. Ze zet een relaas neer over de schoonheid van de materie, waarin personen zich óók mogen bewegen, moeten bewegen omdat mensen, kunst en natuur samenkomen in de cultuurgeschiedenis. Want dat is waar de auteur het over heeft: cultuurgeschiedenis. Zo moeten de leerlingen behalve marmer leren schilderen ook weten wat voor marmersoorten er bestaan, waarvoor ze het handboek geomorfologie (‘de Derruau’) raadplegen. Dit detail alleen al geeft aan hoe precies De Kerangal te werk gaat. ‘Hout imiteren is geschiedenis schrijven met het bos […] Er zindert plantaardig leven in het atelier, dat zijn verlengstuk krijgt op de panelen, […] hout dat dosse of kwartiers is gezaagd, wat te zien is aan de knoest, de vlammingen en de vlekken, de vezel, het parenchym en de vaten.’ Opsommingen als deze zijn er het hele boek door. Eerst is het struikelen daarover, maar al gauw openbaart zich in de vele details het vorstendom van De Kerangal. Ze heeft een scherp oog voor hoe kleinigheden een geheel vormen en samen met haar verfijnde formuleringen heerst hier de koningin van de taal.

    Schildpad

    Aan de enorme hoeveelheid onderzoek die de auteur heeft verricht geeft ze een gevoelsmatige interpretatie. Voor het examen laat ze Paula kiezen voor het uitbeelden van het schild van een karetschildpad en vertelt en passant hoe haar protagonist als kind werd gefascineerd door het dier: ‘het geweldige moment waarop de schildpad eindelijk tevoorschijn kwam, met zijn voorhoofd vlak boven de grond en ver naar voren, de nek uitgestrekt zodat de soepele, elastische huid die zijn kop en poten met het schild verbond, zichtbaar was […] een monster in het klein maar heel echt, dat uit de schaduw van een steen kwam zetten als uit een plooi in de tijd om contact met haar te leggen.’

    Stoet dieren

    In de ‘digitale kloon’ van Lascaux probeert Paula zich in te leven in de stervelingen van twintigduizend jaar geleden en ‘stelde zich de ondergrondse grot voor, de geïsoleerde schoonheid, de stoet dieren in de nacht van het Magdalénien’. Even daarvoor heeft ze zich al verdiept in de kleuren waarmee ze zal gaan werken: ‘de natuurlijke pigmenten die de pigmenten van de grot benaderen, mangaanoxide voor zwart, okers voor de bruinen (limoniet), de roden (hematiet) en de gelen (goethiet).’

    De vaktaal ontbreekt evenmin. In het instituut wordt geschilderd met ‘de glanzende ferule, […} een petit-grisvan varkenshaar, een stompe épointé, […] een Kolinski-effilé’. Ook specifieke benamingen hebben De Kerangals voorkeur. Licht is zenitaal licht, een motorboot een Boston Whaler, een pistool een Colt, scheelzien (wat Paula doet) is exotropie. Als de auteur een technische term kan gebruiken zal ze het niet laten.

    Encyclopedie in razend proza

    Daardoor kan het soms lijken alsof de lezer een encyclopedie voor zich heeft, maar in de veelzijdige taal van De Kerangal krijgt het verhaal door de knap geïntegreerde details grote intensiteit. De stijl sleept je mee. In razend proza, voortsnellende zinnen met veel komma’s en puntkomma’s en weinig punten, is het zelfs naar adem happen. Er is geen ontsnapping mogelijk, afdwalen is er niet bij, de lezer wordt constant bij de les gehouden. De vele komma’s, die behalve in de opsommingen ook tussen de gebeurtenissen en handelingen zijn geplaatst, doen tegen het einde van een zin het begin ervan nogal eens vergeten. Eenentwintig regels met gedachtestreepjes en puntkomma’s is wat veel van het goede. De remedie hiertegen is zelf hier en daar een denkbeeldige punt plaatsen.

    Zintuiglijke sfeer

    Prettig is om met een computer naast het boek op te zoeken of het ook echt klopt wat er allemaal geschreven staat. En het klopt altijd. Bijvoorbeeld wanneer Paula en Jonas het hebben over ‘de aap van de ander’ en ze een filmpje van chimpansee-onderzoeker en primatologe Jane Goodall bekijken. Zo terug te vinden op het wereldwijde web. Ook over filmdecorstad Cinecittà in Rome, waar Paula een tijdje werkt, is de informatie gemakkelijk te verifiëren. De Kerangal gebruikt alle beschikbare informatie en sommige gegevens lijken rechtstreeks uit Wikipedia te komen. Maar de schrijfster heeft al deze feiten zo knap verweven met het verhaal, zo een zintuiglijke sfeer meegegeven dat het de betrokkenheid bij het boek alleen maar groter maakt. Een wereld binnen handbereik is zowel qua inhoud als taal een rijk, vorstelijk rijk boek.