• Een emotioneel familieportret

    Een emotioneel familieportret

    ‘De taalvirtuositeit springt van de pagina’s,’ schreef Literair Nederland in januari 2020 over De menselijke maat, de debuutroman van de Italiaanse auteur Roberto Camurri (1982). Dat boek draait om een groep inwoners in het stadje Fabricco. In Camurri’s tweede roman De naam van de moeder vormt Fabricco opnieuw het decor. In plaats van schetsen van het leven van de inwoners draait dit verhaal om een vader en een huilbaby die door de moeder in de steek zijn gelaten. 

    Ettore, zoals de vader heet, bedoelt het goed als hij na enkele jaren zijn zoontje Pietro meeneemt om een puppy uit te zoeken. Een lief idee, tot de moederhond vastgeketend blijkt te zijn en de jonge Pietro de staart van de vluchtende puppy plet tijdens een poging deze te vangen. Onder begeleiding van het gejank van zowel de moederhond als de puppy stappen vader en zoon in de auto: ‘Stap in, zegt hij, kom op we gaan, je hoeft je geen zorgen te maken, als we thuis zijn voelt hij zich prima, dat beloof ik je, vertrouw je papa maar, het is normaal dat hij nu jankt, maar dat gaat zo over. Pietro kijkt omhoog en haalt zijn neus op. Beloof je dat? vraagt hij. Ja, antwoordt zijn vader.’ 

    Taal die ademt

    De verwijzingen naar de personages zelf zijn gauw gevonden: net als de puppy mist Pietro zijn moeder en de verbinding tussen stoppen met janken en een huilbaby is ook duidelijk. Het is jammer dat Camurri deze verwijzing expliciteert: ‘… of ook bij hemzelf die pijn ooit over zal gaan, het gemis van zijn moeder.’ Net als Ettore bedoelt Camurri het goed, maar door deze zin wordt het beeld bijna een onbedoeld cliché, al schrijft Camurri in deze roman net zo betoverend als in zijn debuut. 

    We volgen Pietro terwijl hij opgroeit, een vriendin krijgt, naar de grote stad trekt. De taal in De naam van de moeder lijkt bijna te ademen, zelf een personage te worden. Zo bestaat een ruzie tussen Pietro en zijn vriendin Miriam uit één zinderende zin: ‘Ze schreeuwen, ze slaan met hun vuisten tegen de muren en de meubels, ze worden rood, spugen elkaar scheldwoorden toe die ze nog nooit hebben geroepen, het is de eerste keer dat Pietro haar zo ziet, haar tanden ontbloot door haar strakgetrokken lippen, haar gezicht vooruitgestoken alsof ze hem wil bijten, hij is bang voor haar en hij is bang dat hij zich misschien niet zal kunnen bedwingen.’ 

    Roberto Camurri schrijft niet over mensen, hij schrijft over iets groters, over het leven zelf. Zijn zinnen roepen zwartwitbeelden op van zomervakanties die je nooit hebt meegemaakt, appartementen waar je nooit hebt gewoond, herinneringen die bijna van jou worden. Vertaler Manon Smits weet heel knap een Italiaans aandoend ritme in de zinnen te behouden. De relatie tussen Pietro en Miriam, die grillig verloopt, is compleet geloofwaardig, zelfs wanneer zij hem vertelt dat ze zwanger is en hij zonder iets te zeggen wegloopt. 

    Praten over gevoelens

    Bij de relatie tussen Pietro en zijn vader Ettore is dit anders. Ettore verwijt Pietro dat hij precies zoals zijn moeder is, waarna Pietro hem probeert te wurgen en Ettore zijn eigen zoon in elkaar slaat. Een pagina later ‘pakken ze elkaar vast in de omhelzing die ze elkaar nooit hebben gegeven’. Hoe fijn deze uitkomst ook is en hoe prachtig Camurri het ook beschrijft, het is niet realistisch dat de breekbare band tussen vader en zoon zich juist na zo’n heftig moment verstevigt. 

    Naast vaders, moeders en kinderen spelen grootouders een rol in De naam van de moeder. Een van de mooiste scènes speelt zich af in het huis van Ester en Livio, de ouders van de afwezige moeder. Livio biecht op dat hij hoopte dat Ettore stierf en Pietro wees werd, zodat zij de kans zouden krijgen om nog een keer ouders te zijn: ‘[Ester] pakt Livio’s gezicht tussen haar handen, ze zegt stil nou, dat hij niet dat soort dingen moet denken, dat het niet hun schuld is. ‘Ze streelt hem en dan kust ze hem, op die bank, in het blauwe schijnsel van de tv die hun een volmaakt licht schenkt.’ 

    Ettore wilde zijn eigen vader vermoorden toen die een varken had geslacht, maar haalt de puppy die hij met zijn zoon kocht niet naar binnen wanneer het sneeuwt. Een generatie later, op de verjaardag van zijn eigen zoontje, wil Pietro het liefst alles platbranden. Pietro’s moeder schreef in haar dagboek dat het vandaag een goede dag was, ‘want hij heeft maar zestien uur gehuild’. Deze drie mensen hebben net zo hard troost nodig als Livio, maar weten niet hoe ze erom moeten vragen of hoe ze moeten reageren als een ander emoties toont. Dat levert juist een verhaal vol emotie op, vol kleine tragedies die fantastisch zijn uitgewerkt. Maar als Camurri het klein had gehouden, had zijn tweede roman de eerste zelfs overtroffen. 

     

  • Praten tegen de doden

    Praten tegen de doden

    Begin oktober van dit jaar zal in het Musée Nissim de Camondo in Parijs de tentoonstelling van de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal van start gaan. Het is voor het eerst dat een hedendaagse kunstenaar op deze –  in meerdere betekenissen van het woord –  gedenkwaardige plek mag exposeren. De tentoonstelling is nauw verweven met zijn laatste boek Brieven aan Camondo en daarmee opgezet als een dialoog tussen De Waals porseleinen objecten en installaties en het historische meubilair en andere kunstvoorwerpen die al bijna een eeuw in dit pand gehuisvest zijn. Het herenhuis liet graaf Moïse de Camondo, vader van Nissim, in 1911 in de rue de Monceau in Parijs bouwen als een soort juwelendoosje voor zijn collectie Franse toegepaste kunst uit de 18e eeuw. In 1935 heeft hij het geheel ter nagedachtenis aan zijn zoon Nissim, voor Frankrijk gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog, geschonken aan de Franse staat. En zo ontstond dit museum, dat valt onder Le Musée des Arts Décoratifs. 

    Zo Frans als maar kan

    De Waals Joodse voorvaderen (over wie hij in zijn vorige boek De haas met ogen van barnsteen schreef) delen met de De Camondo’s een vergelijkbare familiegeschiedenis. Beide families kwamen in de jaren 70 van de 19e eeuw naar Parijs, de eerste uit Wenen, de andere uit Constantinopel. De in het bankwezen rijk geworden, kunstminnende Joodse elite, assimileert volkomen in de hoge kringen van die tijd, niet in de laatste plaats door haar gulheid en loyaliteit tegenover het nieuwe vaderland: ‘Hier hadden ze de kans hun familie naar het seculiere, republikeinse, tolerante, beschaafde Parijs over te hevelen en iets met zelfvertrouwen op te bouwen’, schrijft De Waal over deze welgestelde nieuwkomers. Een zekere zweem van vijandelijkheid en antisemitische geluiden die Joden een gebrek aan authenticiteit verweten en ze als hebberige parvenu’s neerzetten, waren er al eind 19e eeuw (Dreyfus affaire). Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keert het lot zich onafwendbaar tegen hen en worden ook deze families gedecimeerd of zelfs totaal uitgeroeid. 

    Zoeken naar de perfecte compositie

    Op basis van deze ‘verwantschap’ wil De Waal de grotendeels parallelle familiegeschiedenis onderzoeken en besluit dit te doen door brieven te gaan schrijven aan graaf Moïse de Camondo. Hij begint aan een langdurig, minutieus speurwerk in archieven, inventarissen, correspondentie, notities, allerlei instructies en foto’s en ontdekt gaandeweg meer overeenkomsten tussen hen beiden, zoals hun bijna obsessieve precisie en hang naar volledigheid. Moïse de Camondo was een man van de wereld en werd een echte Parijzenaar, gepassioneerd door snelheid – van auto’s, zeiljachten, paarden – door de jacht, gastronomie, reizen, maar bovenal door het verzamelen van Franse kunstnijverheid uit de 18e eeuw. De Waal beschrijft met bewondering en herkenning De Camondo’s aandacht voor voorwerpen en het plezier om ze tot hun recht te laten komen in evenwichtige composities, waarin onderdelen het beste in elkaar naar boven halen en er samenklanken ontstaan. Het nieuwe neoclassicistische ‘hôtel particulier’ dat hij tegen het Parc Monceau aan laat bouwen is een functioneel, comfortabel en van alle gemakken voorzien, modern huis en moet het juiste kader zijn voor zijn collectie, die Moïse de Camondo tot aan zijn dood in 1935 zal blijven perfectioneren en completeren, strevend naar volmaakte harmonie.  

    Zonder aanhalingstekens

    Terwijl de briefvorm in zekere zin afstand schept, probeert De Waal, vaak beginnend met ‘Beste vriend’ of ‘Cher Monsieur’, dichter bij Moïse de Camondo te komen. Hij filosofeert met hem over het tijdloze en het vergankelijke. De Camondo vecht tegen ‘verstrooiing’, het verloren gaan van herinneringen en voor het ‘fixeren’, verstillen van wat is. Zo stijgt een voorwerp, een huis, een mens boven de tijd uit en wordt van alle tijden en dus aan vergetelheid onttrokken. Het Musée Nissim de Camondo is een museum, maar ook nog steeds een herenhuis, een ‘citaat zonder aanhalingstekens’. Verleden en heden vormen één doorlopende lijn. Dat is geschiedenis, af- en aanwezigheid tegelijkertijd. De Waal volgt hem hierin, al voelt hij een meningsverschil als het gaat om ‘stof’ dat door de tijd heen voorwerpen bedekt. Voor hem is het een ‘indicatie van tijd’ , terwijl  Moïse de Camondo dat stof lijkt te willen weren om spoorloos het tijdloze te bereiken. Het zijn deze melancholische mijmeringen die dit boek zo bijzonder maken. De Waal komt met onverwachte associaties, laat technische uitleg – bijvoorbeeld die van ‘de kunst van het fineren’ –  als een gedicht klinken, stelt vragen aan De Camondo en gist naar mogelijke antwoorden. 

    Visite théâtralisée

    Enkele laatste brieven, die trouwens veel minder brieven zijn, maar vaak eerder staccato opsommingen van tragische gebeurtenissen die Joodse families troffen – zo ook de familie De Camondo en die van de schrijver – beschrijven de planmatige vernietiging en benadrukken de verwantschap tussen beide families. In zekere zin is dit overbodig. Het stille drama van de poëtische overpeinzingen over vergankelijkheid en geheugen is prachtig en raakt diep. Het nauwkeurig gedocumenteerde, dramatische feitenrelaas voegt daar niet veel aan toe. Maar misschien spreekt pracht en praal die door onrecht en bruut geweld verwoest wordt, directer tot de verbeelding van lezers en beklijft daardoor beter. Net als foto’s.

    Het Musée Nissim de Camondo biedt zijn bezoekers tegenwoordig een rondleiding aan door Pierre Godefin, maître d’hôtel van graaf Moïse de Camondo. De acteur die de butler Godefin speelt, leidt de bezoekers rond door het huis inclusief de dienstvertrekken aan de rue de Monceau tijdens een receptie die plaatsvond op 3 juni 1930. Dit verrassend anachronisme is een mooie illustratie van het thema van de tijdloosheid die in dit boek gevierd wordt en geeft een soort droste-effect aan het boek van De Waal en het leven van de De Camondo’s.

     

  • Oogst week 28 – 2021

    Tot de dood ons scheidt

    De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver is ook in Nederland al lang geen onbekende meer. Vooral haar We moeten het even over Kevin hebben werd een bestseller. Daarin liet ze een moeder reflecteren op levensvragen naar aanleiding van door haar 16-jarige zoon gepleegde moorden. Zojuist is van Shriver Tot de dood ons scheidt verschenen. Het echtpaar Cyril en Kay, dat de martelgang heeft meegemaakt van een (schoon)vader die aan Alzheimer is overleden, neemt zich voor om zelf op tijd, als Kay tachtig wordt, uit het leven te stappen. Cyril, die arts is begint erover: ‘Ik heb genoeg geriatrische patiënten zien komen en gaan om vrij overtuigend te kunnen stellen dat heel weinig mensen de “kwaliteit van leven” die we tegenwoordig zo vanzelfsprekende vinden na hun tachtigste nog behouden (…) Het is een mooi rond getal. Dus ik stel me zo voor dat tachtig de grens is’. Hoe dichter die leeftijd nadert, hoe meer vraagtekens het echtpaar bij die keuze stelt. Wat voor mogelijkheden gaat de geneeskunde bieden? Wanneer is leven voltooid? Wat is ‘kwaliteit van leven’?

    Tot de dood ons scheidt
    Auteur: Lionel Shriver
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia is de derde roman van de Georgische schrijver Dato Turashvili die in het Nederlands werd vertaald. Deze nieuwste heeft als plaats van handeling Amsterdam. Zijn grootvader Melenti is daar kort na de Tweede Wereldoorlog vanuit een Russisch strafkamp naar toegevlucht, maar wat hij daar precies heeft uitgevoerd is nooit bekend geworden. Turashvili probeert het te achterhalen. Eén van de thema’s die in de roman aan bod komen is de beruchte opstand van de Georgiërs op Texel (ook wel ‘de Russenoorlog’ genoemd) in 1945. Was zijn grootvader daarbij betrokken? Had hij daar zijn verbanning naar het strafkamp van Stalin te danken?

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia
    Auteur: Dato Turashvili
    Uitgeverij: Cossee

    Het laatste kind

    Het laatste kind in de roman Het laatste kind van Philippe Besson is jongste zoon Théo. De roman doet verslag van de gevoelens die moeder Anne-Marie bestormen als ze hem mee helpt verhuizen. Ze beseft dat haar leven er vanaf nu anders uit zal zien. Als Théo voor de laatste keer voor het ontbijt naar beneden komt lezen we: ‘Ze kijkt naar hem terwijl hij op zijn plekje gaat zitten: zijn haar is ongekamd en zijn gezicht is nog slaperig, hij draagt alleen een onderbroek en een vormeloos T-shirt en loopt op blote voeten over de tegelvloer. Niet op z’n voordeligst, en toch met een schoonheid die haar blijft verbluffen en met trots vervullen. En meteen denkt ze, terwijl ze zichzelf had bezworen dat niet te doen, terwijl ze tegen zichzelf had herhaald: nee vooral niet aan denken, ja, nu denkt ze, op gevaar af dat het pijn doet, op gevaar af dat ze een hik, een snik niet kan onderdrukken: het is de laatste keer dat hij zo verschijnt, het is de laatste ochtend’.

    Het laatste kind
    Auteur: Philippe Besson
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Sherlock Holmes van de klassieken

    Sherlock Holmes van de klassieken

    ‘Op 27 juni 1598 vertrok Erasmus uit de haven van Rotterdam’. Dat lijkt geen spetterende openingszin. Behalve wanneer je weet dat Erasmus in 1598 al 62 jaar dood was. Sandra Langereis begint met die zin de Proloog van haar biografie van de Rotterdamse humanist, waarin ze de ontdekkingsreis beschrijft van vijf schepen met aan boord van één ervan een houten beeld van Erasmus. Het wordt een rampzalige tocht in de sporen van de Portugese ontdekkingsreiziger Magellaan. Alles zit tegen onderweg, de meeste opvarenden komen om en er komt uiteindelijk maar één schip aan op de bestemming. Op juist dat schip staat het beeld van Erasmus, die zo, zou je kunnen zeggen, overleeft. Het is een mooie metafoor voor wat de biografie ons nog zal voorschotelen over een man die ondanks een leven vol tegenslagen tot aan verkettering toe, volhardt in zijn ontdekkingstocht en triomfeert.

    Erasmus: dwarsdenker is de zeer toepasselijke titel van Langereis’ levensverhaal. Erasmus ging volkomen zijn eigen weg, tegen heersende stromingen in. En hij betoonde zich een vechtjas. Bijna zijn hele leven bleef hij verstoken van een vast inkomen en moest hij voortdurend passen en meten om boeken aan te kunnen schaffen en ook nog te kunnen eten. Hij zwierf door Europa van kamers bij vrienden naar morsige herbergen; pas in zijn laatste jaren in Bazel beschikte hij over vaste eigen woonruimte.

    Naar de bron

    Erasmus moest bovendien lang vechten tegen de gevolgen van zijn ‘illegale’ geboorte (hij was zoon van een priester en een ongehuwde vrouw), die voor hem, toen hij een jonge monnik was, de weg blokkeerden naar hogere functies. Hij verliet het klooster toen hij daar geen enkele ruimte kreeg voor zijn grote passie: het herschrijven van het Nieuwe Testament. Daarvan werd al eeuwenlang de zogenaamde Vulgaatvertaling van kerkvader Hiëronymus (door hem rond 400 in ‘volks’ Latijn geschreven versie) gebruikt. De (katholieke) kerk praktiseerde die versie enorm star, maar Erasmus realiseerde zich dat de Vulgaattekst al eeuwenlang niet was getoetst aan de bron. Het oorspronkelijke Nieuwe Testament was in het Grieks geschreven, een taal, die niemand van Erasmus’ tijdgenoten beheerste. Bovendien vonden boekvermenigvuldigingen vóór de uitvinding van de drukpers slechts plaats door kopiisten, ook dat al eeuwenlang. Het kon niet anders of daar moesten schrijffouten in zijn geslopen die door een volgende kopiist braaf werden overgenomen of – godbetert – naar eigen inzicht werden ‘gecorrigeerd’. Simpel gezegd: de Vulgaat die Erasmus in zijn jonge jaren ook gebruikte zou wel eens ver afgedreven kunnen zijn van wat er ooit in den beginne had gestaan.

    Taalkundige

    Zeg Erasmus, en menigeen zegt Lof der zotheid. Toch is dat lang niet het belangrijkste van de projecten die Erasmus bezighielden. Eigenlijk waren dat er vooral drie: (1) de toetsing van het Nieuwe Testament (de evangeliën, de brieven en het boek Openbaring) aan de bronnen, (2) een studie naar de werkwijze en commentaren van Hiëronymus, de samensteller van de Vulgaat, en (3) een verzameling citaten van klassieke auteurs die bekend werd als Adagia. Die drie projecten komen in de biografie van Langereis dan ook voortdurend terug.
    De voertaal van Erasmus was Latijn, de taal waarin hij zich zowel schriftelijk als mondeling uitdrukte. Erasmus leerde zichzelf Grieks om het Nieuwe Testament in de oorspronkelijke versie te kunnen lezen. Hij was in zijn bronnenonderzoek geen Bijbeluitlegger, maar een taalkundige. Hij keek alleen wat er werkelijk in de bronnen stond en toetste dat aan de gebruikte Latijnse tekst. Zo herschreef hij de Vulgaat tot zijn eigen Novum Instrumentum, een alsmaar uitdijend boekwerk dat hij pas laat Novum Testamentum ging noemen.

    George W. Bush

    Het leverde hem vanaf het begin kritiek op van halsstarrige kerkleiders, vooral als zijn bevindingen ertoe leidden dat eeuwenlang gehuldigde interpretaties niet klopten met het oorspronkelijke Grieks. Langereis noemt tal van voorbeelden die er bij zijn tijdgenoten (ze noemt die critici met een aan het Engels ontleende term ‘theologasters’) niet in wilden. Daaronder waren inderdaad schokkende fundamentele kwesties (voor de drievuldigheidsleer was geen steun te vinden in de Bijbel en de erfzonde was daar al evenmin in te vinden; het waren leerstellingen van respectievelijk concilies en kerkvader Augustinus). Maar er werd zelfs fel gedimdamd over de kleinste details.  Een amusant voorbeeld daarvan geeft Langereis met de kwestie ‘mumpsimus – sumpsimus’. Erasmus ontdekte dat de kerk ten onrechte in een formule bij de uitreiking van de hostie het woord ‘mumpsimus’ (‘wat wij in onze mond nemen’) werd gebruikt. Hij corrigeerde het tot wat er oorspronkelijk stond: ‘sumpsimus’. Maar de geestelijkheid bleef ‘mumpsimus’ zeggen (de anekdote heeft zelfs tot een lemma geleid in hedendaagse Engelse woordenboeken met als standaardvoorbeeld van een ‘mumpsimus’ George W. Bush die ‘nucular test’ bleef zeggen in plaats van ‘nuclear test’).

    Gummbah

    Daarmee zijn we meteen bij Langereis’ verteltrant. Ze schrijft bijzonder levendig waardoor de ingewikkeldste kwesties zeer behapbaar zijn voor een breed publiek. Ze kruidt haar verhaal met humor: een paragraaf die gaat over de tekens die werden gebruikt om aan te geven of een gebruikte passage in een manuscript authentiek was (die kreeg een sterretje) of verdacht (die kreeg een  bijltje) krijgt bij Langereis de titel ‘Asterisken en Obelisken’. En ze schrikt er niet voor terug om de moderne lezer aan boord te houden met herkenbare beelden. Zo zet ze Erasmus, die naast Bijbelvorser, vertaler was van Griekse klassiekers neer als ‘de Sherlock Holmes van de klassieken’.

    De tekst van Langereis is op meer plaatsen anachronistisch. Ze gebruikt termen als framen, sophisticated en cutting edge, met als toppunt een formulering als (ze heeft het dan over de kostumering in een stuk van Aristofanes) ‘acteurs in gummbahriaanse uitdossingen inclusief reuzevoorbindpenis’. Je ziet meteen het plaatje van de Volkskrantcartoonist voor je.
    Minder opvallend, maar niet minder amusant is dat Langereis in haar eigen tekst vaak citaten verwerkt uit Adagia van Erasmus, dat andere project waaraan Erasmus zijn hele leven werkte en dat alsmaar vermeerderde nieuwe drukken opleverde. Hij hield erg van de geschriften van de Griekse auteur Loukianos (Lucianus van Samosata), die in Erasmus’ tijd volkomen onbekend was. De man was met zijn taalgebruik en in zijn onderwerpen in zijn wereld al net zo’n dwarsdenker als Erasmus. De publicaties van de vertalingen door Erasmus van diens spotternijen over alles en iedereen die dacht anderen de maat te moeten nemen, zorgden vooral in kerkelijke kringen voor grote opschudding.

    Breed taalpalet

    Lof der zotheid, de satire waardoor Erasmus bij de meesten van ons bekend zal zijn, heeft wel wat weg van Loukianos. Hij bedacht zijn scherts over de eigenwaan en dommigheid van kerkleiders en vorsten toen hij logeerde bij zijn vriend Thomas More. Maar het boek was geen tussendoortje. Er verschenen, zo komen we bij Langereis te weten, vele varianten van die allemaal door Erasmus zelf zijn bewerkt en uitgebreid. De uitgaven van de Lof der zotheid die wij lezen (en wie dat nooit deed moet het beslist alsnog doen) zijn allemaal gebaseerd op de laatste versie uit 1532. Maar de eerste schreef Erasmus al in 1511. Langereis vergelijkt de eerste en de laatste versie met elkaar. Ook hier laat ze ons zien hoe fris en modern Erasmus eigenlijk was door hem ‘de oervader van het Nederlandse cabaret te noemen’.

    Erasmus: dwarsdenker is zeer gedetailleerd. Langereis beschrijft bijvoorbeeld uitvoerig hoe de vroegste drukkerijen werkten en wat er allemaal kwam kijken bij de verkoop van een boek (auteursrecht bestond niet zodat gemakkelijk roofdrukken ontstonden waarvoor de auteur geen cent zag). Niet verwonderlijk: ze is ook de biograaf van de befaamde drukker Christoffel Plantijn. Zeer gedetailleerd zijn verder haar weergaven van de oeverloze discussies tussen de gevestigde theologen en Erasmus. Daarin worden argumenten nogal eens herhaald en dat zou kunnen gaan vervelen. Maar Langereis weet met haar brede taalpalet die discussies steeds weer in nieuwe verfrissende bewoordingen te schilderen waardoor ze de spanning vasthoudt.

    Lieve God

    Erasmus had veel vrienden, maar daarvan waren er aan het einde van zijn leven al heel wat gestorven. Hij kwam zo steeds meer alleen te staan en de geluiden van degenen die hem verguisden klonken alsmaar luider. Toch was hij volgens Langereis geen martelaar: ‘Hij stierf als mens. In zijn eigen bed’.
    Erasmus kreeg nog wel een trap na toen het Concilie van Trente (in 1559) hem na zijn dood tot auctor damnatusverklaarde en al zijn boeken in de ban deed. Het kon niet voorkomen dat in Engeland (waar de Anglicaanse kerk zich afscheidde) en in de Republiek der Nederlanden Erasmus’ oeuvre al snel weer legaal werd. De Statenbijbel en de King James Bible zijn gebaseerd op diens levenswerk aan het Nieuwe Testament.
    ‘Lieve God!’ had de leerling-bediende Lambert Erasmus horen zeggen toen hij de laatste adem uitblies.

     

     

  • Een slang in het paradijs

    Een slang in het paradijs

    De elfde roman van Rachel Cusk (1967) heet De tweede plaats. Het boek is vertaald door Marijke Versluys. Cusk geniet veel bekendheid door haar Contouren-trilogie, waarin ze het plot ondergeschikt maakte aan een bijzondere melange van essayistische uitweidingen en autofictie. Lezers ervaren de trilogie als observerend en objectief. Haar eerdere werk (autobiografisch werk over moederschap en echtscheiding) is veel traditioneler van aard. In haar nieuwste boek heeft ze een aantrekkelijke tussenvorm gevonden.

    Vertelster M, die schrijfster is, neemt de lezer mee in een lange monoloog, waarin ze zich richt tot een zekere Jeffers. Alhoewel de precieze relatie tussen M en Jeffers onbekend blijft is wel duidelijk dat M in het verleden al veel details over haar leven aan hem heeft toevertrouwd. De eerste bladzijden van De tweede plaats zijn nogal omineus: de vertelster beschrijft aan Jeffers hoe ze ooit tijdens een treinreis vanuit Parijs de duivel ontmoette en dat alle aspecten van haar leven vanwege die ontmoeting doortrokken raakten van een kwaad dat gewoonlijk onder de oppervlakte blijft. De onsmakelijke verschijning met zijn groenige en bloeddoorlopen ogen, pafferige voorkomen en gore gebit met in het midden een zwarte tand achtervolgt haar door de trein. De angst die ze aan die ontmoeting heeft overgehouden draagt ze al jaren met zich mee. Vlak voordat ze uit Parijs vertrok blijkt ze een expositie bezocht te hebben van schilder L. Diens schilderijen (met name de landschappen) spraken haar op een bijzondere manier aan. Ze zorgden niet alleen voor een bepaalde sensatie die beeldende kunst kan oproepen, maar ze ‘vonden’ ook woorden in haar.

    Gesprekken over kunst en literatuur

    Vijftien jaar later woont M met haar echtgenoot Tony in een zeer afgelegen streek aan de kust. Aan Jeffers beschrijft ze Tony als praktisch, zwijgzaam en schaamteloos. Tony en M hebben op hun terrein een tweede huisje gebouwd dat soms dienst doet als inspirerend gastenverblijf voor schrijvers, schilders en musici. Op een dag besluit M om het gastenhuisje aan schilder L aan te bieden omdat ze vermoedt dat hij onder de indruk zal zijn van het paradijselijke maar ook desolate gebied waar ze woont. Daarnaast is het overduidelijk dat ze graag binnen het aura van een gevierd kunstenaar wil vertoeven. Ze verheugt zich op diepgaande gesprekken over kunst en literatuur en fantaseert over de aandacht die ze van L zal krijgen tijdens diens verblijf. L reageert direct enthousiast en kondigt aan snel te willen komen. M en Tony doen veel moeite om het huisje in gereedheid te brengen, maar L annuleert het verblijf op het laatste moment. M reageert haar frustratie daarover af op Tony. 

    Irritatie

    Een jaar later blijkt L alsnog te willen komen, wederom tot grote vreugde van M. De lezer voelt inmiddels wel aan dat de verwachtingen van M veel te hooggespannen zijn. Justine, M’s dochter, woont inmiddels met haar vriend Kurt in het gastenhuisje. Zij moeten plaats maken voor L, die tot grote teleurstelling van M arriveert met een ‘verblindend mooi wezen van ergens achter in de twintig, een vrouw die met haar zelfverzekerde, modieuze verschijning detoneerde in deze omgeving en die me haar gelakte vingertoppen toestak alsof we elkaar niet ontmoetten in een uithoek van de wereld maar op een cocktailparty aan Fifth Avenue!’ Dat Cusk haar personages krachtig en beeldend weet neer te zetten moge duidelijk zijn.
    Aan het gezelschap van vriendin Brett went iedereen snel, maar L wordt al snel een bron van irritatie, niet in de laatste plaats voor M. Hij kondigt aan het portretschilderen ter hand te nemen, maar alhoewel M op allerlei manieren laat merken dat ze graag als model in aanmerking komt (en zelfs vindt dat ze daar als gastvrouw alle recht op heeft) kiest hij op het pesterige af steeds voor anderen. Wanneer M na lang aandringen uiteindelijk aan de beurt is en zich nota bene in haar trouwjurk naar het gastenverblijf haast, is er inmiddels al zo veel voorgevallen dat zelfs voor de aimabele Tony de maat vol is. Het portret dat uiteindelijk dan toch tot stand komt is ook nog eens verre van flatteus.
    Ondertussen legt Kurt, de schoonzoon van M, zich in de inspirerende aanwezigheid van zijn schrijvende schoonmoeder en kunstenaar L toe op het schrijven van een roman. Tijdens wat bedoeld was als een gezellig avondje leest hij zijn tot dan toe geschreven werk (een centimeters dikke stapel papier) integraal voor, gekleed in een zwartfluwelen housecoat. De scène vormt een humoristisch hoogtepunt in het boek, maar laat ook de angst zien van iedere kunstenaar die zijn werk aan de wereld toont.

    Slang

    Bij monde van M worden het uiterlijk en karakter van alle personages op minutieuze wijze weergegeven. Als lezer krijg je het gevoel dat je de personages zou kunnen herkennen op straat. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende bewoners en gasten van de uithoek komen steeds meer op scherp te staan. M vormt daarbij haar eigen blinde vlek. Ze ziet dat L ongelukkig, humeurig of veeleisend is en bedenkt daar in haar ogen plausibele verklaringen voor. Zelf blijkt M vooral bang dat mensen niet van haar houden. Interessant zijn haar gedachten over ouderschap (‘voor de meeste mensen komt het ouderschap het dichtst bij de gelegenheid om tirannie uit te oefenen’), over taal versus beeld en over kunst die ‘een slang was die in ons oor fluistert’. Het beeld van een slang komt verderop in het boek nog een paar keer terug; het is duidelijk dat de roman op meer niveaus te lezen is. Cusk heeft genoeg puzzelstukjes gebruikt om de lezer in dat opzicht langdurig geboeid te houden. 

    Een zoektocht om het onwerkelijke te vangen

    Al met al schreef Cusk met De tweede plaats opnieuw een interessant boek dat meer dan genoeg stof tot nadenken geeft. Omdat M zich richt tot Jeffers, voelt het bij vlagen wat voyeuristisch om haar leven te volgen. Vanwege de weinig kritische houding van M concludeert de lezer soms vroegtijdig dat zaken uit de hand gaan lopen en dat de dreigende apotheose met rasse schreden naderbij komt. De vooruitwijzingen die M af en toe hanteert (‘Had ik maar beter opgelet tijdens de periode die ik je beschrijf, Jeffers, …’), zorgen ervoor dat de spanning goed opgebouwd wordt. Tussen de verhaallijn door onderzoekt Cusk de wat abstracte stelling dat kunst ons zowel kan redden als vernietigen, terwijl de menselijke ziel worstelt met duistere demonen. Dat doet ze niet alleen in theoretische zin; voor enkele personages wordt de reddende dan wel vernietigende kracht van kunst werkelijkheid. Ze concludeert ten slotte dat ware kunst een zoektocht betekent om het onwerkelijke te vangen. 

     

  • Oogst week 23 – 2021

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek

    ‘Niemand is waterdicht’, de regel van Bert Schierbeek, sierde in 2002 al eens het omslag van een boekje van Karin Evers over de jonge dichter en het literaire experiment. Nu is het ook de titel van ‘de’ grote biografie door Graa Boomsma. De titel ‘Keizer der Vijftigers’ komt alleen Lucebert toe, maar Schierbeek was er ook een voorman van. Hij was lang met Lucebert bevriend en Schierbeeks huis in Amsterdam was volgens Boomsma ‘een zoete inval’ voor de groep dichters. Lucebert noemde Schierbeek eens ‘de gewiekste waterrat met klompen aan en een goddelijke misthoorn in het achterhoofd’. Boomsma haalt deze waterrat in zijn Niemand is waterdicht uit de schaduw van Lucebert en andere Vijftigers.

    Tegelijk met de biografie wordt een opgefriste herdruk van Schierbeeks Het boek Ik uit 1951 uitgegeven.

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek
    Auteur: Graa Boomsma
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

    Een biografie waarnaar al lang werd uitgekeken is Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Lieneke Frerichs werkte er 25 jaar aan. De Neerlandica schreef haar proefschrift over de ontstaansgeschiedenis van Nescio’s De uitvreter. Dat een biografie zo lang uitbleef had onder meer te maken met de terughoudendheid van de dochters Miep en Nel Grönloh als het ging om de openbaarmaking van het persoonlijke leven van hun vader.

    In verschillende interviews naar aanleiding van haar publicatie zei ze onder andere: ‘Dat hij zo worstelde met het bestaan, dat wist ik niet’ (de Volkskrant) en ‘Ik vond dat zo’n ontdekking: hoe Nescio eigenlijk altijd over zichzelf schreef. In later jaren doet hij een poging om zijn levensgeschiedenis te schrijven. Hij zet dat woord tussen aanhalingstekens en zegt dat zijn ware “ik” in zijn werk te vinden is.’ (NRC Handelsblad).

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh
    Auteur: Lineke Frerichs
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het woord en het beeld

    Toen Jacq Vogelaar in 2006 zijn omvangrijke essay Over kampliteratuur publiceerde, was zijn grootste wens om een bibliotheek op te zetten waarin alle oorlogs- en kampliteratuur wereldwijd in het Nederlands zou worden opgenomen. Vogelaar (overleden in 2013) heeft zo’n bibliotheek niet meer mee mogen maken.

    Toch is er nu een bescheiden begin gemaakt met de verschijning van Het woord en het beeld, een essay van Henk Pröpper. Het is het eerste deel van ‘De literaire getuige. Verhalen van de Holocaust’, een reeks  waarin jaarlijks een essayistisch of literair werk verschijnt waarin de Holocaust centraal staat. Het boekje van 40 pagina’s gaat in op zowel het boek als de film Shoah en zoekt naar een antwoord op de vraag of de Holocaust wel in beeld en taal te vatten is.

    Het woord en het beeld
    Auteur: Henk Pröpper
    Uitgeverij: Tijdschrift Terras
  • Oogst week 18 – 2021

    De vrouw in de bontjas

    ‘Er is geen leeftijd waarop een vrouw alleen hoort te leven. Zolang ze jong is, heeft ze een chaperon nodig. Later een bewaakster. Ik leef alleen. Dat komt door juni 1940, want op de weg van die juni ben ik de mensen kwijtgeraakt dankzij wie ik niet alleen was. Alles is volledig in elkaar gestort. Dus hier sta ik, in Nice, met mijn laatste briefjes van honderd frank. En mijn jeugd aan een zijden draadje. Waarom komt alles altijd tegelijkertijd?’ Al op één van de eerste pagina’s lezen we deze verzuchting van een vrouw die zojuist een tafereel heeft meegemaakt in een kruidenierswinkel waar een morsige grijsaard kaviaar kocht. Weer buiten voelt ze dat de man haar achtervolgt.
    Het is het begin van de novelle De vrouw in de bontjas van Elsa Triolet over een jonge vrouw die in het begin van de oorlog haar minnaar is verloren. Ze ziet wat er om haar heen gebeurt maar het voelt voor haar alsof ze er nauwelijks nog deel van uitmaakt.
    De Frans-joodse schrijfster Elsa Triolet (1896-1970) werd geboren als Ella Joerjevna Kagan in Moskou. Ze was (na een mislukt huwelijk met een Franse officier Triolet) de vrouw van Louis Aragon. De vrouw in de bontjas uit 1944 is het eerste verhaal dat van haar in het Nederlands is vertaald.

    De vrouw in de bontjas
    Auteur: Elsa Triolet
    Uitgeverij: Vleugels

    Winnetou

    Hoeveel jongens zijn in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw niet opgegroeid met de vijftien Prisma-pockets over de helden Winnetou en Old Shatterhand? De originele Duitse versie van Karl May verscheen in 1893 in drie delen. Het was knap werk want May was nooit in Amerika geweest; hij baseerde zijn verhalen louter op persoonlijke studie. We zijn nu bijna 130 jaar verder. Blijven de verhalen over de vriendschap tussen het opperhoofd van de Apachen, Winnetou, en de Duitse landmeter die om de kracht van zijn vuist Old Shatterhand werd genoemd, nu nog overeind? Uitgeverij IJzer vindt van wel. In een nieuwe frisse vertaling verscheen het eerste deel van de trilogie. De vertalers verklaren in hun nawoord hun keuzes in onze tijd waarin het kolonialistische en racistische vocabulaire ter discussie staat. Zo leggen ze uit waarom ‘roodhuid’ is gehandhaafd en waarom niet ‘blanke’ maar ‘withuid’ wordt gebruikt.

    Winnetou
    Auteur: Karl May
    Uitgeverij: IJzer

    Op de schouders van de natuur

    De Noorse Anne Sverdrup-Thygeson is hoogleraar ecologie. Van haar is in Nederlandse vertaling verschenen Op de schouders van de natuur. Het is een prachtig geïllustreerd boek over biodiversiteit en het belang ervan voor ons voortbestaan als mens. In haar voorwoord schrijft ze: ‘Ik had het geluk op te groeien in een gezin waarin het vanzelfsprekend was om veel tijd buiten door te brengen en waarvan de leden geïnteresseerd waren in verhalen en taal die de relatie tussen ons en de natuur beschrijft in het verleden en het heden. Waarin het geen probleem was dat ik graag alles wilde weten en waar werd geprobeerd mijn eeuwige vragen over hoe alles eigenlijk met elkaar samenhing te beantwoorden’. Maar ze is niet alleen de bevlogen wetenschapper. Ze kan ook schrijven. Geen wonder, want ‘Als kind verzamelde ik mooie woorden, woorden die feestelijk in je mond golfden en rolden als ik ze las, zoals onomatopoetikon of woorden die van je huig over je tong huppelden voor ze op het puntje van je tong belandden, zoals trigonometrisch punt. Mijn opa leerde me dat het klein hoefblad in het Latijn Tussilago farfara heette’.

    Op de schouders van de natuur
    Auteur: Anne Sverdrup-Thygeson
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 17 – 2021

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw

    Mensje van Keulen (1946) is al vijftig jaar niet meer weg te denken uit de literatuur. Ze stond verschillende keren op de longlist en shortlist van de Libris Literatuurprijs, kreeg in 2014 de Constantijn Huygens-prijs en won ruim twee maanden geleden de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van het afgelopen jaar. De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw is een bundeling van Van Keulens drie recentste romans. De laatste gasten gaat over een landhuis aan de Amstel vol kunstenaars, waar de komst van hoofdpersoon Florrie de onderlinge verhoudingen op scherp zet. In de laatste gasten vermoedt een weduwe dat haar eigen zoon betrokken is bij de overval op een bejaarde vrouw. Ook Schoppenvrouw gaat over een overval, maar deze keer denkt een moeder haar dochter te herkennen wanneer beelden van het misdrijf bij Opsporing Verzocht worden vertoond.

    Ter ere van vijftig jaar schrijverschap en de vijfenzeventigste verjaardag van Mensje van Keulen organiseert uitgeverij Atlas Contact in samenwerking met Hebban een schrijfwedstrijd. De deadline hiervoor is 1 juni. Meer informatie over deze wedstrijd is hier te vinden.

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De tas

    Een man laat zijn tas achter in een stationshal. In de eerste instantie lijkt hij hem te zijn vergeten, maar al snel blijkt dat het een bewuste actie was. Dit kleine voorgeval wordt in De tas door Désanne van Brederode (1970) groots uitgewerkt: in plaats van antwoorden te geven stelt de man juist meer vragen.

    Niet alleen hij doet dat, ook het verhaal zelf verrast met vragen. Is de man met de tas eigenlijk wel de hoofdpersoon? En horen voorwerpen, zoals de tas, eigenlijk ook een stem te krijgen? Dat Van Brederode behalve schrijver ook filosoof is, komt duidelijk terug in De tas. Eerder publiceerde ze al meerdere romans en essays.

    De tas
    Auteur: Désanne van Brederode
    Uitgeverij: Querido

    Philip Roth

    Philip Roth (1933-2018) was een Amerikaanse schrijver en kind van tweede generatie Joods-Amerikaanse ouders, een thema dat vaak terugkomt in zijn werk. Hij schreef tientallen romans en won onder meer de Pulitzer-prijs en de Man Booker International Prize.

    Hij gaf biograaf Blake Bailey (1963) toestemming om zijn levensverhaal in boekvorm te gieten. Bailey kreeg toegang tot Roths archief en sprak met talloze belangrijke mensen in diens leven. Niet alleen Roths literaire carrière komt uitgebreid aan bod, ook duikt Bailey in het turbulente liefdesleven van de auteur en onthult nieuwe inzichten. Het resultaat is een uitgebreide biografie die ook nog eens uiterst leesbaar is, vertaald door Lidwien Biekmann en Frank Leken. In de Verenigde Staten is deze biografie niet meer in productie bij uitgeverij W.W. Norton omdat Bailey wordt beschuldigd van seksuele intimidatie en verkrachting. Of een andere uitgeverij met hem in zee wil gaan, is nog niet bekend.

    Philip Roth
    Auteur: Blake Bailey
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Tragisch mislukte feministe

    Tragisch mislukte feministe

    De biografie van Philip Roth is uit,  een geweldig werk, ruim 1000 pagina’s. Twee weken  terug stond er al een recensie van Joost de Vries in de Groene Amsterdammer.  De Vries heeft Roth hoog zitten, dat was uit het hele stuk wel op te maken, gelukkig. De focus op het werk van Roth ligt vaak op zijn vermeende vrouwonvriendelijke gedrag, de seksuele maniakken die hij opvoert in zijn romans, maar dat klinkt teveel als oude koek. Ik las gretig door de recensie heen, over zijn eerste vrouw Maggie, die een zwangerschap gefaked had, waarom hij haar trouwde, na drie jaar scheidde. Over dat hij een serieuze schrijver wilde worden, dat opsluiting en bevrijding terugkerende thema’s in zijn werk en leven zijn. Ik las over de ophef over Portnoy’s klacht, zijn boeken over Amerika. Ik las door zonder een zin over te slaan. Ha, daar stond de titel waar ik op scande, When she was good. ‘Letting go en When she was good behoren tot de minst geliefde romans in zijn oeuvre.’ schreef De Vries. Daar moest toch meer over te zeggen zijn, ik heb dit boek stuk gelezen. 

    Vorige week vrijdag kwam Michel Krielaars met een groot stuk in het NRC, ook daaruit spreekt bewondering voor de schrijver, wordt als eerste de relatie met Maggie Martinson eruit gelicht. Hoe Roth met haar in een vechtscheiding terechtkwam, tot ze in 1968 dodelijk verongelukt. Krielaars schrijft, ‘In de roman When she was good zou hij over Maggie schrijven.’ Ha, dit is interessant, een feitje dat als een kruimeltje van een broek geveegd wordt, vang ik dankbaar op. In een ander boek over Roth lees ik dat hij in 1965 met een roman begon waarin hij zich baseerde op de verhalen die Maggie hem over haar jeugd had verteld, op zijn eigen ervaringen met haar familie. Zo vormde hij zich een beeld van Maggie, haar geboorte in de jaren dertig, opgegroeid in de jaren veertig en volwassen wordend in de jaren vijftig. Roth had zich geweldig goed ingeleefd in het gevoelsleven van een weerbaar Amerikaans meisje in de jaren vijftig in Amerika. In 2010 concludeerde Karin Stabiner in The Huffington Post dat Lucy Nelson een ‘onervaren en tragisch mislukte feministe is’, dat lezers zelfs hadden kunnen denken dat de auteursnaam ‘Philip Roth’ het pseudoniem voor een vrouwelijke auteur zou kunnen zijn.

    Een braaf meisje is lang mijn favoriete boek van Roth geweest, nog steeds eigenlijk. Al is het inderdaad van een ander kaliber dan Amerikaanse Pastorale, Portnoy’s klacht of Sabbaths theater, anders dan Patrimonium, Nemesis. Het is zijn meest doorwrochte, meest empathische boek dat ik van hem ken. Hij beschrijft een wereld waarin mensen gevangen zitten in familierelaties, in een huwelijk. Een stikbenauwd verhaal, met grote compassie geschreven. Ik heb het boek weer opgeslagen, vanaf de eerste zinnen ben ik opnieuw verkocht. ‘Niet rijk zijn, niet beroemd zijn, niet machtig of zelfs gelukkig zijn, maar beschaafd zijn – dat was zijn levensideaal.’
    Een zin om nog eens te lezen, herkauwend ervan doordrongen te raken wat een geweldig schrijver hij was.  

     

     

    Dat andere boek is: Roth, Een schrijver en zijn boeken / Claudia Roth Pierpont / 425 blz. / Uitgeverij De Bezige Bij (2041)


    Inge Meijer leest boeken van begin tot eind.

     

     

     

  • Heden en verleden zijn één

    Heden en verleden zijn één

    ‘Wij zeggen in winti: het verleden verschilt niet van vandaag, het is dezelfde werkelijkheid, met een ander gezicht. Dat is logisch toch? Als er ergens een overstroming is geweest, dan werkt dat door, tot op de dag van vandaag. Zo werkt het ook voor mensen. Het heden van opa, dat ben jij.’ Aan het woord is Juliën Zaalman. Overdag werkt hij op Bureau Burgerzaken, ’s avonds schrijft hij boeken over het winti-geloof. Hij is één van de vele bijzondere mensen die Raoul de Jong (1984) in Suriname ontmoet en in zijn boek Jaguarman portretteert. Een boek dat laveert tussen reisdagboek, geschiedenis, betekenisgeving en mystiek. Er is sprake van een familievloek. De grootvader van De Jong zou de gave hebben gehad om zich te veranderen in een jaguar, ‘het sterkste en, volgens sommigen, wreedste dier van het Zuid-Amerikaanse regenwoud’.

    Zoutloos dieet

    Of de kleinzoon deze voorvaderlijke kracht in zijn eigen leven hervindt, is één van de vragen die De Jong in deze zoektocht naar zijn roots uitwerkt. Zijn eigen vader, die lang uit zijn leven is gebleven, plots opduikt en ook weer even plotseling het contact verbreekt, raadt hem af om zich met winti bezig te houden, die duistere kracht. Maar De Jong bekommert zich niet om dit advies. Hij zet zichzelf op een zoutloos dieet, vermijdt seks en genotsmiddelen, voorwaarden die nodig zijn om contact te leggen met deze voorouderlijke magische krachten. De dagen van dit ritueel zijn de basisstructuur van het boek, dat op een maandag aanvangt en een week later op dinsdag eindigt. De hoofdstukken zijn als brieven aan zijn grootvader, want telkens wordt die als Jaguarman aangesproken en ter afsluiting gegroet. Amen. Heden en verleden zijn in ieder hoofdstuk ingenieus met elkaar vervlochten. Het citaat van Zaalman maakt duidelijk vanuit welke inspiratie De Jong werkt, want dat is de grondtoon van het boek. De zoektocht die De Jong aangaat is die van een mysticus en historicus. Op beide vlakken heeft hij de lezer veel te vertellen.

    Beschamend

    Om met het historische gehalte te beginnen: het is beschamend hoe weinig kennis er in Nederland bestaat over Suriname, hoe weinig er in het openbaar debat gesproken wordt over het gedeelde verleden, de kolonisatie van het land, de plantages, de slavernij. Suriname was de pinpas waarmee enkele vooraanstaande Hollandse handelshuizen en families een rijk leven konden leiden. Komt heden ten dage Suriname ter sprake dan gaat het over Desi Bouterse, de Decembermoorden. Pas de laatste jaren lijkt daarin een kentering te komen. Opeens stond bijvoorbeeld vorig jaar Wij slaven van Suriname van Anton de Kom in de bestsellerslijst, en is er in publicaties interesse in het leven van De Kom en de strijd die hij voerde. Ook De Jong laat zich inspireren door dit baanbrekende boek uit 1934. Het wordt zijn gids om de geschiedenis van Suriname, van zijn voorvaderen, te leren kennen, om op reis te gaan.

    Woordeloos contact

    In het woensdaghoofdstuk vertelt De Jong over zijn deelname aan een expeditie in het Surinaamse regenwoud: ‘een dertig meter hoge muur van planten, felgroen afstekend tegen de rode weg’.  Het is het meest zintuiglijke en diepzinnige deel van Jaguarman, met sterke passages over de andere deelnemers aan deze expeditie, over de mystiek van het oerwoud. Just en Johannes, twee Caraïben die als gidsen mee zijn, ontroeren door hun woordeloze aanwezigheid: ‘Ze leken te praten zonder woorden, ze maakten gebaren, langzame, ronde gebaren (…) waarmee ze niet alleen met elkaar communiceerden, maar, zo leek het, ook met het bos.’ Een vogel fluit, Johannes fluit terug en de vogel antwoordt hem weer.  De Jong observeert de twee mannen scherp. Steeds ketsten zijn vragen af op hun zwijgen. Pas wanneer hij stilstaat bij wie de ander werkelijk is, verschuift er iets, ontstaat er meer contact.

    Toch stuiten lang niet alle vragen die De Jong stelt op een muur van zwijgen.  In zijn ontmoeting met Cheryl White, hoofd van de archeologie-afdeling van de Anton de Kom Universiteit, vraagt hij haar wat het meest waardevolle is dat zij van de marrons heeft geleerd. Marrons, letterlijk weggelopen vee, zijn tot slaaf gemaakten die na in verzet te zijn gekomen, de regenwouden in waren gevlucht om uit handen te blijven van de slavenhouders. Whites antwoord mag in elke kantoortuin of andere plek waar een mens zich wel eens onveilig en geknecht voelt op een tegeltje komen: ‘A strong person knows when to move. Het leven staat aan jouw kant. (…) Als je op een plek bent waar je moet vechten of op anderen moet gaan staan om te overleven, dan verplaats je je gewoon.’

    Portretten

    Tot slot iets over de vormgeving. Wie goed kijkt ziet op het omslag de snuit van de jaguar. Er is meer dat verrast: de zeer verdienstelijke portretten in (gewassen) inkt van de vele mensen die De Jong heeft ontmoet of wier werk hem inspireerde tijdens zijn zoektocht. Het maakt Jaguarman nog persoonlijker. Iedereen krijgt een gezicht, om de verbondenheid tussen heden, verleden, tussen mens en natuur, tussen de doden en de levenden te bevestigen.  ‘Als het lijkt alsof er tussen het ene en het andere een verband bestaat, dan is dat omdat dat verband er is. Zo praat de schepping’.

    Reislust is een terugkerend thema in het werk van de Jong. Hij schreef over uitstapjes naar New York, Marseille, Zuid-Italië. Maar Jaguarman is meer dan een uitstapje, eerder een queeste, het voltooien van een levenstaak. Het is een moedig en wijs boek geworden. Moedig wat betreft het blootleggen van de eeuwenoude pijn die slavernij heeft veroorzaakt en die in het heden doorwerkt, en wijs wanneer hij inzet op het vermogen van de mens om zich in de ander te verplaatsen en ook stem geeft aan het onzichtbare en onzegbare. En zijn vader en grootvader, de Jaguarman? ‘Ik weet wie ze zijn, ik ken ze. Ik ben ze zelf.’ Na zo’n zoektocht kon hij niet tot een andere conclusie komen.

     

     

  • Oogst week 9 – 2021

    Schemervluchten

    Schemervluchten bevat de mooiste natuuressays van Helen Macdonald, wetenschapshistoricus, natuuronderzoeker, schrijver en professioneel valkenier. ‘Veel dingen waar ik van houd zijn niet-menselijk, ik merk ze op en wil iedereen erover vertellen’, zegt ze in een interview. Uit haar bestseller H is van havik bleek haar grote liefde voor de natuur al. In de diepzinnige essays van Schemervluchten maakt de auteur de lezer deelgenoot van onder meer de massale trek van zangvogels vanaf de top van het Empire State Building, van een zonsverduistering in Turkije, een rommelende vulkaan in de Chileense woestijn en de Australische droogte die haar hart breekt.

    Macdonald schrijft over onweer, mieren, bessen, paddenstoelen en herten voor koplampen. Haar observaties zijn persoonlijk en invoelend. Zo praat ze in het eerste essay, Nesten, door de schaal van een roofvogelei heen ‘met iets wat nog geen licht of lucht had ervaren, maar dat weldra met honderd kilometer per uur in één ontspannen glijvlucht zou meegaan met de door hem waargenomen draaiingen en kolken van een westelijke bries […] om vervolgens met scherp gepunte vleugels te gaan rondcirkelen, hoger en hoger, zo hoog dat het in de verte de Atlantische Oceaan kon zien schitteren.’
    De titel Schemervluchten is ontleend aan de vluchten in de schemering van gierzwaluwen, tot wel drie kilometer hoogte, vanwaar ze zich perfect kunnen oriënteren en kunnen zien wat voor weer het aan de horizon is. Met dezelfde blik verhaalt Macdonald over de natuur en de plaats van de mens daarin.

     

    Schemervluchten
    Auteur: Helen Macdonald
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Erasmus

    Sandra Langereis is historicus en biograaf en oogstte in 2014 veel lof met haar biografie De woordenaar over drukker en uitgever Christoffel Plantijn die in zijn tijd, medio de zestiende eeuw, al een beroemdheid was. Eerdere boeken over de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waaronder Breken met het verleden uit 2010, werden geprezen om Langereis’ toegankelijke stijl en wetenschappelijke waarde.

    Nu is er Erasmus, dwarsdenker, waarin de auteur aan de hand van duizenden brieven van deze sleutelfiguur in het tijdvak tussen middeleeuwen en moderne tijd, zijn leven beschrijft en tevens zijn literaire erfenis in het licht zet. Veel van Erasmus’ werk en leven is tot nu toe nauwelijks geboekstaafd. Erasmus was van grote betekenis voor de literatuur- en wetenschapsgeschiedenis. Hij was een groot en onafhankelijk denker, vooral bekend door zijn Lof der zotheid, en wist zowel de paus als Luther  tegen zich in het harnas te jagen omdat hij van beide kanten tolerantie voor elkaars standpunten verwachtte en een afkeer had van religieus fanatisme. Erasmus bepleitte intellectuele vrijheid en vrede. Met onderwerpen die binnen de culturele, ethische en godsdienstige vorming vielen besloeg zijn werk het gehele gebied van het menselijk leven in zijn tijd. Sandra Langereis biedt daar met haar rijke biografie groot inzicht in en toont het belang van culturele geschiedenis.

     

    Erasmus
    Auteur: Sandra Langereis
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De geheugenpolitie

    Op een eiland gebeuren vreemde dingen. Een politiemacht moet erop toezien dat zaken als hoeden, vogels of rozen uit het menselijk geheugen verdwijnen. Steeds meer dingen verdwijnen uit het straatbeeld en uit het collectieve geheugen. Als er weer iets ‘weg’ is gooien de mensen deze ‘vreemde’ dingen gewoon bij het afval of op een brandstapel. Degenen die zich de verdwenen voorwerpen nog wel herinneren proberen onder de radar van de geheugenpolitie te blijven, omdat ze weten vervolgd te zullen worden en vrezen voor hun leven. De redacteur van een jonge schrijver wordt door de geheugenpolitie gezocht en krijgt onderdak bij de schrijver. Ze verbergt hem in een ruimte onder de vloer. Zal haar schrijven hun beider redmiddel zijn? Ze werkt aan een verhaal over een vrouw die haar stem verliest en een man die haar laat communiceren door te schrijven.

    Maar langzamerhand sluit deze man haar af van de wereld. Zijn er parallellen tussen de schrijver en haar redacteur en de personages in haar verhaal? Deze uitmuntende vertelling doet denken aan totalitarisme en gaat vooral over de ontreddering die ontstaat als het geheugen het laat afweten.
    De Japanse Yoko Agawa (1962) schrijft romans, novellen en essays en won vele prijzen met haar werk. Voor De geheugenpolitie ontving ze de American Book Award. Twee van haar eerdere boeken zijn ook in het Nederlands vertaald: De huishoudster en de professor en Het zwembad.

     

    De geheugenpolitie
    Auteur: Yoko Ogawa
    Uitgeverij: Cossee
  • Personages zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel 

    Personages zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel 

    De roman Wil van Jeroen Olyslaegers uit 2016 werd overladen met lof en tal van literaire prijzen en elke rechtgeaarde literatuurkenner van het werk van Olyslaegers zag het als zijn magnum opus. Zijn nieuwste roman Wildevrouw overstijgt echter deze roman en zorgt voor een nieuw ijkpunt in de Vlaamse literatuur. Net als in Wil, dat focust op het Vlaamse collaboratieverleden, speelt in Wildevrouw de stad Antwerpen de hoofdrol in al zijn geuren en kleuren, en dat mag men vrij letterlijk nemen. Alleen is de setting in de stad vierhonderd jaar vroeger: het begin van de Tachtigjarige Oorlog, de Beeldenstorm, de hagenpreken.

    Als een schilderij van Bruegel, die ook als personage opduikt in deze roman, evoceert Olyslaegers het Antwerpen van toen. De stad gaat gebukt onder ijskoude winters met alle gevolgen van dien. Dit heeft een grote impact op de bewoners. Naast de stad Antwerpen is het tweede hoofdpersonage de imposante Beer, die een populaire herberg runt in de stad. Beer is getekend door het lot. Zijn drie vrouwen stierven in het kraambed, en lieten hem alleen een zoon na, Ward, die van top tot teen behaard is, en die zal uitgroeien tot een mysterieuze, maar populaire prediker. Beer wordt in zijn dagelijkse leven bijgestaan door Margreet, de vroedvrouw die hem na het overlijden van zijn laatste vrouw is blijven steunen en hem helpt in de herberg. 

    Een grote flashback

    Het verhaal is eigenlijk een grote flashback. We schrijven tien jaar later. Beer, verraden en getekend door verkeerde keuzes, heeft een nieuw leven opgebouwd in Amsterdam waar hij ook een kleine herberg runt. Hij geeft zich over aan drank om zijn demonen uit het verleden onder controle te krijgen. Hij blikt terug op zijn Antwerpse verleden in een poging te begrijpen waar het fout is gelopen.

    Enerzijds kan Wildevrouw een historische roman genoemd worden. Het verhaal van Beer wordt geschetst tegen de achtergrond van het woelige Antwerpen van die tijd. Elke factie probeert zijn eigen waarheid kracht bij te zetten: de Spanjaarden, geuzen, lutheranen, joden, vrijdenkers. Elk richten ze hun eigen ‘tempels’ op en gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Daarnaast is er de mysterieuze ‘Familie’, een geheim genootschap van kunstenaars, wetenschappers en welstellende handelaars die de wijsheid in pacht menen te hebben en Beers herberg als vergaderplaats hebben gekozen. Historische figuren zoals de cartograaf Abraham Ortelius of de humanist John Dee maken er deel van uit. Het is duidelijk dat verraad en jaloezie ook een rol spelen in deze geschiedenis.

    Maar anderzijds is Wildevrouw zoveel meer dan een historische roman. In de beschrijvingen van de heersende onderlinge relaties en het reilen en zeilen van het Antwerpse alledaagse leven met zijn politieke en religieuze intriges, trekt Olyslaegers duidelijke lijnen naar de huidige samenleving. Religieuze perikelen, xenofobie, het in pacht hebben van de eigen waarheid, fake nieuws en de dreiging van andersgezinden. Het lijkt of er niets nieuws onder de zon is en dat is eigenlijk wat Olyslaegers ons duidelijk wil maken. Dat doet hij in een taal die hij geheel de zijne heeft gemaakt. De Vlaamse ‘ge’-aanspreking komt zeer direct over. Zijn zinnen spatten van het papier zonder bombastisch of overladen te zijn. Bij enig ander auteur zouden we gewagen van gezocht taalgebruik, maar bij Olyslaegers lijkt alles te kloppen. De taal komt natuurlijk, vloeiend en ritmisch over. De lezer wordt meegenomen in een poëtisch taalgebruik dat nooit verveelt en perfect gedoseerd lijkt. 

    Maatschappelijke relevantie

    De personages in Wildevrouw spreken sterk tot de verbeelding. Beer vervalt soms van evenwichtige herbergier tot melancholische dronkaard, van bezorgde vader tot carnavaleske wildeman die de stad onveilig maakt. Maar telkens blijft hij de stoere bink met het kleine hart, getekend door het verleden, vechtend met zijn duivels en zorgend voor zijn geliefden. Ook vroedvrouw Margreet, de blinde Jeroom of medewildeman de Schrale komen goed uit de verf. Ze lijken zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel  en dragen bij tot de evocatie van die tijd. 

    Naast de verschillende maatschappelijke thema’s speelt aanvaarding een grote rol in de roman. Het motief zelf wordt een aantal keren letterlijk aangehaald en Beer moet door de zure appel heen bijten tot hij aan het einde van de roman zijn lot aanvaardt. Aanvaarding is een boodschap die Olyslaegers lijkt mee te geven in Wildevrouw. Niet alleen Beer worstelt daarmee, de meeste personages voeren een strijd: met het leven, met anderen, met zichzelf. Alleen aanvaarding lijkt soelaas te kunnen bieden.

    Olyslaegers schiet zichzelf met Wildevrouw tot in de hoogste regionen van de Vlaamse en Nederlandse literatuur. De combinatie van historische roman en maatschappelijke relevantie, de schitterende taal en de tot de verbeelding sprekende personages maken Wildevrouw tot de roman van 2020.