• Verhalen als waardevol document

    Verhalen als waardevol document

    De tien korte verhalen in Milde Klachten van Sanneke van Hassel hebben één ding gemeen: corona. Tegen de achtergrond van de coronapandemie beschrijft Van Hassel het isolement van haar personages. Met oog voor detail en een heldere stijl komen de verhalen vanzelfsprekend en ongedwongen uit de verf. Voor iedereen zo herkenbaar en tegelijkertijd is het nog moeilijk voor te stellen dat de hele wereld ‘in de ban van’ was. De glimlach achter het mondkapje, de perspexschermen op de toonbank, het niet handen geven, buiten afspreken of wachten tot je een winkel binnen mag. Maar ook eenzaamheid, angst, bedreigingen en bezorgdheid voor verlies van dierbaren zijn emoties die in de verhalen worden opgeroepen.

    In niemand die het ziet wonen het ik-personage en Toby samen in een studentenhuis. Het meisje, de ik, houdt in een fluorescerend roze dagboek haar dagen bij. ‘In dit schrift wil ik vooral schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben beland. Van het ene op het andere moment zitten we met zijn allen thuis door een of ander virus.’ Het dagboek is geschreven in de typerende associatieve stijl van een twintigjarige, die haar dagen slijt met afwachten. Haar baantje in de plaatselijke kroeg is gestopt. Ze gaat hardlopen en geeft het typische straatbeeld weer van een Rotterdamse stadswijk (veel van de verhalen spelen in dezelfde wijk in Rotterdam) tijdens corona. Maar eigenlijk gaat het verhaal over haar schuldgevoel, omdat ze niet heeft gezien hoe haar huisgenoot Toby eraan toe is. Hij gaat veel uit en lijkt nogal onbereikbaar, ze slapen een keer samen en daarna ontwijkt hij haar. Totdat hij geheel onverwacht door zijn ouders wordt opgehaald.

    Personages komen terug

    In het tweede verhaal, 1 April, lezen we over het gezin Vuursteen tijdens de lockdown: vader, moeder, twee dochters en de cavia’s die iedere ochtend door de meisjes worden begroet. Vader Arjen houdt zich vooral bezig met het nauwgezet volgen van het coronanieuws, de doden en de regels. Moeder Colet verveelt zich en ergert zich ziek nu de souvenirwinkel waar ze werkt gesloten is. Om de jeu erin te houden bedenkt zij dat iedereen een 1 aprilgrap moet verzinnen. ‘Het is stil in huis. Zonnestralen vallen de diepe gang in waaraan de slaapkamers liggen. De deuren van de meisjeskamers staan een stukje open. Meneer Vuursteen heeft er een beker water opgezet. Zodra zijn dochters hun deuren verder opentrekken, zullen ze een flinke plens over zich heen krijgen. Haha, 1 april!’ Mevrouw Vuursteen heeft een nog veel ziekere grap bedacht.

    In sommige verhalen komen dezelfde personen langs, wat de bundel een mooie eenheid geeft. Zo komt de studente terug in Zwevend balkon. Ze wil haar opa verrassen die in een verpleeghuis zit en dat was geen pretje tijdens de pandemie. Kleindochter mag hem niet bezoeken, dus huurt ze een hoogwerker met een bakje dat tot de derde verdieping reikt. Opa verschijnt op zijn balkon en zo kunnen ze even praten. Wat volgt is een ontroerende, maar ook nietszeggende dialoog en daarom veelzeggend. ‘”Mooi uitzicht heb je, opa,” zei ik. Tegenover het verpleeghuis stond een kerk, op de hoek van een laan met grote huizen en veel bomen. ”Laatst liep er een teckel, die wilde niet naar huis,” zei opa. “Die man had duidelijk haast en sleepte het beest over de grond mee. Kostelijk.”’

    Ingeslopen gelatenheid

    In het verhaal Geduld gaan drie oudere mensen, Marja, Hans en Renske, naar de Matthäus Passion in theater De Doelen in Rotterdam. Het mag weer, de regels zijn versoepeld. Uit de dialoog blijkt dat Marja en Hans de grootouders zijn van Toby uit In niemand die het ziet. Renske heeft haar man kort geleden verloren. Bijzonder aan dit verhaal is de perspectiefwissel, die steeds begint met een zin vanuit een (niet aanwezige) ik-verteller, om dan over te gaan in een van de drie anderen. ‘Er was veel jong publiek, wat ons verheugde. De afgelopen twee jaar hadden we onze kinderen en kleinkinderen minder gezien en het contact met de jeugd gemist. Toen Karin moest thuiswerken wilde Marja voor de jongens zorgen, maar haar dochter durfde het niet aan, hoewel ze bijna overspannen was geraakt.’ Zelfs buurvrouw Vuursteen uit het verhaal met de cavia’s loopt langs, uit het commentaar van de anderen blijkt dat ze niet dol op haar zijn.

    In Haarden gaat een jonge vrouw vrijwilligerswerk doen in het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos waar ze hele heftige dingen meemaakt. Na terugkeer logeert ze bij haar broer, maar het contact verloopt ongemakkelijk. Hij heeft weinig aandacht voor haar ervaringen en reageert pragmatisch en gevoelsarm. Illuminati gaat over twee jonge vrouwen die worden uiteengedreven door verschillende meningen over het coronabeleid. De Italiaanse Elissa in Berensporen wordt verteerd door heimwee naar Italië. Haar familieleden en vrienden sterven bij bosjes en zij is alleen. Ze werkt thuis, haar man is op reis en ze heeft de zorg voor haar zoontje. Ondertussen verlangt ze hevig naar lichamelijk contact. Het laatste verhaal, Panic Room, is het schrijnende voorbeeld van een huisarts in Oostenrijk die wordt bedreigd vanwege haar uitspraken in de media over vaccinatie.

    Covid-19 is de verbindende protagonist op de achtergrond, maar in Milde klachten gaat het om de personages die in een onzinnige tijd hun leven zo goed mogelijk trachten voort te zetten. Er hangt een sfeer van gelatenheid over de mensen, wat de titel misschien verklaart. Dat maakt de verhalen niet hoogdravend, maar wel heel herkenbaar. Duidelijk wordt dat de impact van de pandemie bij iedereen sporen heeft achtergelaten. Wellicht zullen kinderen die in deze tijd geboren zijn, de verhalen over 25 jaar met interesse lezen. In die zin is deze bundel een waardevol document.

     

  • Oogst week 29 – 2024

    All Fours

    Dit is de laatste Oogst van de week voor de zomervakantie, in de eerste week van september verschijnt de volgende ‘oogst’.

    ‘Wervelend en geestig,’ noemt de Volkskrant de onlangs bij De Bezige Bij verschenen vertaling van de roman All Fours, in het Nederlands verschenen onder dezelfde titel. De veelzijdige Amerikaanse Miranda July is regisseur, screenwriter, acteur en schrijver, All Fours is haar tweede roman.

    Een 45-jarige kunstenares neemt in Los Angeles afscheid van man en kinderen om per auto naar New York te rijden. Nog geen twintig minuten later neemt ze een afslag en boekt ze een kamer in een eenvoudig motel. Voor één nacht, maar dat worden er al snel meer. Ze begint zelfs een affaire met een jongere, getrouwde man. Wanneer ze beseft dat ze vlucht van haar realiteit als moeder, echtgenote en het ouder worden, neemt ze opnieuw een afslag in haar leven. Dat blijkt het begin te zijn van een heel andere reis.

    Miranda July bewijst opnieuw haar unieke benadering van fictie. Wrang, komisch en met een ongegeneerde nieuwsgierigheid naar menselijke intimiteit en tastbaar plezier in het verleggen van grenzen. July kaapt het bekende om dat te veranderen in iets nieuws en opwindends.

     

    All Fours
    Auteur: Miranda July
    Uitgeverij: De Bezige Bij 2024

    Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd

    Bij uitgeverij Lucht verscheen Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd, het debuut van Martin Koot (1968). Werkzaam bij onderzoeksbureau MoneyView, daarnaast is Koot muziekproducent, organisator van culturele evenementen en schrijver.

    In Boreling schrijft Martin Koot een kwetsbaar en persoonlijke verhaal, over hoe zijn eenzame kindertijd hem heeft gevormd voor de rest van zijn leven. Toen Koot als tiener steun en kameraadschap zocht bij een leraar van zijn lagere school werd hij misbruikt. Wanneer jaren later Martins huwelijk op de klippen loopt en de grond onder hem en zijn kinderen lijkt te verdwijnen, vindt hij de moed om op te staan en het juk van zijn jeugd en de pijnlijke gebeurtenissen te verwerken. Naast die narigheid heeft de auteur ook veel oog voor schoonheid en die schoonheid raakt. Een openhartig en toegankelijk geschreven boek.

     

    Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd
    Auteur: Martin Koot
    Uitgeverij: Lucht 2024

    Kairos.

    Kairos. van de (Oost-)Duitse auteur Jenny Erpenbeck (1967) was dit jaar de winnaar van The International Booker Prize van de in 2023 verschenen vertaalde literatuur. Erpenbeck wordt gezien als een krachtige stem in de hedendaagse Duitse literatuur.

    Veel DDR-romans gaan over het repressieve regime en de periode voor de val van de Muur. In Kairos. schetst Erpenbeck het gewone leven van gewone mensen die liefhebben, uitgaan, gelukkig en ongelukkig zijn door hun zorgen in de privésfeer. Maar op de achtergrond speelt de ingrijpende maatschappelijke en politieke omwenteling van de jaren ’80.

    Katharina is een studente van 19, Hans is 34, schrijver, radiomaker en getrouwd. Ze ontmoeten elkaar in de bus en voelen meteen een sterke aantrekkingskracht. Een wervelende affaire is het gevolg, maar gaandeweg verschuift er iets tussen hen. Katharina wordt volwassen en gaat meer haar eigen weg, wat bij Hans jaloezie en agressie oproept, zelfs met sadistische en paranoïde trekken. Een superieure roman over dimensies en lagen in de liefde, macht, verraad en de waarheid.

     

    Kairos.
    Auteur: Jenny Erpenbeck
    Uitgeverij: De Geus 2024
  • Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Sombere boodschap in prachtig proza

    Sombere boodschap in prachtig proza

    De Franse titel Crépuscule van de roman Schemering van Philippe Claudel drukt iets nauwkeuriger de essentie uit. Crépuscule betekent schemering als overgang tussen dag en nacht (of nacht en dag), maar betekent ook datgene wat op het punt staat te verdwijnen. En deze betekenis is helemaal van toepassing op het verhaal dat Claudel in deze roman vertelt. Claudel neemt de lezer mee naar een uithoek van een fictief keizerrijk, naar een klein dorpje, waar een moord heeft plaatsgevonden op de pastoor, vlak voor het invallen van de duisternis. Politieman Nourio en zijn Plaatsvervanger Baraj (overheidsfuncties en belangrijke begrippen in het boek worden met een hoofdletter geschreven) zetten alles op alles om de moord op te lossen. Nourio wordt gezien als de slimme vreemdeling in het dorpje, terwijl Baraj de autochtoon doorgaat voor dom. Samen bemannen ze de politiepost van het dorp.

    Nourio beschouwt het leven als een stompzinnig spel waaruit geen winst of verlies te behalen is. Hij heeft een zekere intellectuele nieuwsgierigheid, maar graaft niet erg diep. Hij maakt er het beste van, al valt dat niet mee met een altijd zwangere vrouw, een huis vol kleine kinderen en een immer opspelende seksuele drift. Zijn vrouw ondergaat de toenaderingen door haar man gelaten. ‘Als een uitgehongerd varken drong hij in haar binnen, hijgend en grommend, en zij liet hem begaan, zwijgend, onderdanig en vreugdeloos, ging verder met het snijden van de groente als ze daarmee bezig was.’ 

    Moord een uitdaging

    Baraj is tevreden met zijn bestaan. Hij is als kind enorm gepest en heeft zich min of meer genesteld in een solitair bestaan met twee honden in een huisje buiten het dorp. Hij denkt dieper na dan de mensen op het dorp weten, krijgt flarden van gedichten door en is in zijn eentje domweg gelukkig. De moord op de pastoor is voor de Politieman een uitdaging, een kans om te laten zien wat hij waard is en een kans op promotie. Baraj ziet in de moord een aankondiging van het einde der tijden, maar Nourio ziet het als een begin van ‘een weg, geplaveid met hoogachting en eerbetoon.’ Maar dan moet hij wel de moordenaar vinden en dat valt niet mee. Al zet hij zich volledig in, hij komt geen stap verder. Daarbij geplaagd door de angst dat het onderzoek hem uit handen zal worden genomen. 

    Het dorp bestaat voor het grootste deel uit christenen en een kleine moslimgemeenschap. Achter de grens, waar het dorp vlakbij ligt, zijn de moslims wel in de meerderheid, een bedreiging voor het keizerrijk. Door behoedzaamheid en discretie in combinatie met het talent om onzichtbaar te zijn, kunnen de moslims in het dorp overleven. Ze worden getolereerd als ze niet al te nadrukkelijk tonen dat ze moslims zijn. Zij zijn de buitenstaanders, de christenen de gevestigden.

    De wijze imam van het dorp beseft meteen de mogelijke explosiviteit van de moord. Hij laat in een gesprek met de Politieagent doorschemeren dat de moord een potentiële bedreiging is voor ‘zijn’ gelovigen. ‘Mensen die anders zijn, worden getolereerd zolang de wereld soepel loopt als touw door een katrol,’ zegt hij beeldend. Maar er hoeft maar iets mis te gaan en dan beginnen de vingers al te wijzen. Nourio zegt dat het hem om gerechtigheid gaat. ‘De dader zal gevonden en bestraft worden, dat beloof ik u. Of het nu een christen of een moslim is. Zijn daad valt alleen hem aan te rekenen, niet zijn geloofsgemeenschap. (…) stelt u uw gelovigen gerust en laat mij mijn werk doen.’ De imam is hiervan onder de indruk. ‘U spreekt als een heilige, en dat verbaast me niet van u, want u hebt het gezicht en de ziel van een goed en rechtvaardig mens.’

    Een wenselijke waarheid

    Na de moord wordt er in het dorp een processie georganiseerd waarin met de vinger naar de moslimgemeenschap als schuldige wordt gewezen. Er wordt een varken gekeeld en bij de deur van de moskee opgehangen. De autoriteiten weten niet wat ze moeten doen. De Rapporteur van het Keizerlijk Gezag stelt voor om een waarheid te zoeken die voor het grootste deel van de dorpsgemeenschap acceptabel is. Nourio stemt hiermee in. Al kan hij de gevolgen van deze positiebepaling niet onder ogen zien. Hij is minder heilig dan de imam gehoopt had. Hij lijdt onder wat Sartre ‘mauvaise foi’ noemde. Hij durft geen eigen keuze te maken omdat hij bang is voor de consequenties voor zichzelf.

    Politieagent Nuorio is niet zo heilig als hij zou willen zijn. Door zijn ijdelheid valt hij ten prooi aan de mensen bij wie hij in loondienst is. Hij haalt vreemde strapatsen uit om in het gevlei te komen, het is om te lachen en te huilen. Als Nourio op een dag bij de Rapporteur wordt uitgenodigd, voelt hij zich gestreeld, al heeft hij een lage dunk van de man. Hij gaat mee in de strategie van de Rapporteur en zegt heel gewichtig dat hij en de Rapporteur deel uitmaken van het grandioze mechaniek van het Keizerrijk. Aangemoedigd door de Rapporteur komt hij tot de formulering dat het niet om de werkelijke waarheid gaat in deze kwestie, maar om de werkbare waarheid. Een waarheid die wenselijk is om de bedreigde stabiliteit van het dorp, en daarmee van het keizerrijk, te handhaven. De Rapporteur is het daarmee eens.

    Schemering is geen whodunnit, maar een verhaal over de manier waarop in alle tijden en plaatsen van de geschiedenis wordt omgegaan met buitenstaanders. Zij worden ontmenselijkt omwille van de breekbare sociale eenheid. En dat allemaal verguld met een term die mooi klinkt, ‘werkbare waarheid’. Populisme in de hoogste graad. Van de Jodenvervolging tot het bij voorbaat als verdacht beschouwen van een bepaalde etnische of religieuze groeperingen dat leidt tot toeslagenschandalen, tot het ‘minder-minder’. Alle gezagsdragers creëren geverfde vogels die vervolgens worden doodgepikt. En de waarheid komt bij het oud vuil te staan. De ambtenaar is degene die het beleid, nolens volens, uitvoert. In deze roman is dat Nourio, een lachwekkende ijdeltuit die langzaam meedrijft met de populistische stroom. Kan je hem dat kwalijk nemen? Zijn ogenschijnlijk domme en eenzame Plaatsvervanger Baraj komt er veel sympathieker vanaf. Hij doorziet alles, maar trekt zich terug in wat de Duitsers noemen een ‘innere Emigration’. 

    Sombere boodschap 

    De roman eindigt somber. Het Keizerrijk is ten dode opgeschreven en is in staat van ontbinding. ‘de Grens zal week worden, er zullen gaten en scheuren in komen en dan zal hij de honderdduizenden op elkaar geplakte mensen doorlaten die het Rijk uiteen zullen doen spatten als een notendop onder de hak van een schoen. Uit die natuurramp zullen allerlei Staten geboren worden (…) waarin men elkaar zal doden in naam van God of de Profeet, en op de bestaande haat zal nieuwe haat worden gelegd, en samen zal dat een onuitputtelijke, vruchtbare voedingsbodem zijn voor het kwaad dat nog moet komen.’   

    Deze sombere boodschap wordt in de roman op een prachtige manier en in mooi proza verteld. Het boek is fraai vertaald en leest als een trein. De zoektocht naar de dader stuwt de lezer verder. Claudel weet de lezer hoofdstuk na hoofdstuk mee te trekken in een universeel thema. Volgens hem is de gang van zaken een natuurwet waar individuen weinig aan kunnen veranderen. De lezer bepaalt of hij het daarmee eens is. Knap aan dit boek is dat het als historische vertelling geheel geloofwaardig is en zomaar in de huidige tijd geplaatst kan worden. Claudel is een groot schrijver die zich met deze roman weer overtroffen heeft. Een meer dan actueel boek dat blijft nasmeulen in het bewuste en onderbewuste en dat tot de huidige werkelijkheid is geworden.



  • Als je niet weet hoe je zelf moet vliegen

    Als je niet weet hoe je zelf moet vliegen

    Zij. is het romandebuut van de Belgische theater- en filmactrice en filmregisseur Maaike Neuville. Romanpersonage Ada Peeters, een bijna veertiger, schrijft over haar eigen leven een roman in de vorm van een innerlijke monoloog. Het is noodzakelijk dat zij haar verhaal doet, omdat zij zoveel dingen heeft meegemaakt en haar trauma’s wil uitspreken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor jonge vrouwen die uit schaamte en schuldgevoel hun mond niet durven open te trekken tegen kerels die misbruik maken van hun onzekerheid. Ada is actrice en geeft les op een theaterschool. We volgen haar gedurende bijna vierentwintig uur. Ze bereidt zich voor op een solovoorstelling in Antwerpen.We  volgen haar op de fiets en in de trein daar naartoe en in de vijftien minuten voorafgaande aan de voorstelling. Na afloop van de voorstelling, die niet in de roman voorkomt, volgen we haar ’s nachts in een taxi op weg naar haar huis in Brussel.

    Ada lijdt aan podiumangst en is erg onzeker. Op weg naar haar solovoorstelling in Antwerpen vraagt ze zich af, waar dat vandaan komt: ‘Welke nacht heeft zich ongemerkt kunnen plooien rondom alles wat ik doe zodat ik, als vrolijk opgevoede volwassen vrijgevochten vrouw, alsnog met strakke boeien in deze trein zit?’ De boeien zijn volgens haar verbonden met de affaire die ze had met de regisseur met de rode sjaal en de mooie slanke, grote handen, die in Antwerpen woont en die zij in de zaal verwacht. De naamloos blijvende oudere man werkte in de Studio Herman Teirlinck, waar zij als jonge vrouw studeerde. De herinnering aan hem veroorzaakt stress bij haar, alsof er een donker bolletje op haar borstbeen zit. Dat bolletje keert vele malen in deze roman terug. De man fascineerde haar, vanaf de eerste kennismaking, door zijn autoriteit en vermeende zelfverzekerdheid.  

    Oudere mannen

    Nu ze negenendertig is en op weg naar de voorstelling, denkt ze erover na wat er in haar relatie met deze man fout is gegaan: ‘Ik wilde zijn kennis, ik mikte op zijn hart.’ Ze zette haar lichaam, haar vrouw zijn in om bij die zelfverzekerde autoriteit in de buurt te komen. Ze kregen een liefdesaffaire. Zij was nog geen twintig, hij ruim twintig jaar ouder. De regisseur wordt niet als een monster, die haar als jong onzeker meisje gedwongen heeft, afgetekend. Ze erkent haar eigen rol in de affaire. Hij kon haar grenzen overschrijden omdat zij die zelf opzocht. Het enige wat ze de man verwijt is dat hij inging op haar verlangen. Hij had haar als een vader tegen zichzelf moeten beschermen.
    Omgang met oudere mannen is een terugkerend aspect in haar leven: ‘Onvermoeibaar haakte ik, met mijn lange blonde haren, mijn karretje vast aan de verlossers met autoriteit.’ Ze constateert nu met spijt dat ze haar halve leven geen vrouw was, maar een ‘mannenwens’. Mede daardoor is ze tot op de dag van vandaag onzeker. Dat donkere bolletje op haar borstbeen is nooit verdwenen. 

    Toneelspelen is voor Ada een manier om haar trauma’s te verwerken, ook al weet ze zelf niet precies wat toneelspelen voor haar betekent. Speelt ze om een boodschap over te brengen of is het spelen zelf de boodschap? Toneelspelen houdt haar in balans, maar brengt ook iedere keer bijna ondraaglijke spanning met zich mee. 

    Keuzes maken

    In andere romans vinden trauma’s vaak een voedingsbodem in familieverband, de relatie met vaders en moeders en met broers en zusters. Op dit punt geeft Ada enkele, soms tegenstrijdige, signalen aan de lezer. Van geen van haar beide ouders heeft ze geleerd zich uit te spreken. Haar moeder zei nooit veel, ‘omdat zij mij niet wilde belasten met haar eigen gevecht met het geweld van een onberekenbare moeder’. Haar vader was er altijd, al heeft ze hem nooit begrepen, omdat ook hij zich nooit echt uitsprak, terwijl hij toch dichter was. Ada leerde als jonge vrouw een zin van buiten die in dit opzicht verhelderend is: ‘Als mensen zich gekrenkt voelen door de stilte van een ander, dan heeft het stilzwijgen niets anders gedaan, dan zich vasthaken aan het eigen gevoel van minderwaardigheid.’ Tegelijkertijd verwijt zij haar ouders niets en mist ze vooral haar vader. Ze beseft dat haar nooit geleerd is om nee te zeggen, dat ze zichzelf zichzelf te vroeg weggaf. En dat ze nooit geleerd heeft om zich af te vragen wat ze zelf wilde.

    Het enige wat Ada verlangt is dat de mannen in haar leven ‘sorry’ zeggen. Maar dat hebben de heren nooit gedaan, en dat neemt ze hen kwalijk. Taxichauffeur Eron doet dat wel, niet in woorden, maar in daden. Nadat hij Ada na de voorstelling bijna van de sokken rijdt, verontschuldigt hij zich niet, maar brengt hij haar gratis helemaal terug naar haar huis in Brussel. Een impliciete vorm van sorry-zeggen.

    De naam Eron betekent ‘brengt licht’ en dat is heel treffend, want de nachtelijke rit na de voorstelling, is heilzaam voor Ada. Ze verbeeldt zich dat naast haar in de taxi haar jonge zelf zit, een huilend meisje van zestien met blonde haren, lichte jeans en een wit T-shirt. Ada troost haar in een ontroerende scene. Ze beschermt haar jongere zelf en daarmee omarmt ze letterlijk haar eigen verleden.

    Autoriteit tegenover onzekere meisjes

    Als ze thuiskomt pakt ze haar laptop om haar verhaal op te schrijven. Door het verleden opnieuw te beleven kan ze haar hart in het heden deels helen. Ze schrijft haar verhaal voor zichzelf en ook voor meisjes of vrouwen ‘met een bevlogen held, die zelf niet weten hoe ze moeten vliegen’. Voor jonge mensen met een lichtend voorbeeld ‘die zelf niet weten hoe ze moeten stralen’. In de hoop dat ze hun mond zullen opendoen, ‘wars van schaamte en zelfverwijt.’ In de hoop dat al of niet vermeende autoriteiten zichzelf bewust zijn van hun positie tegenover jonge onzekere meisjes.

    Maaike Neuvilles roman is in een mooie, met Vlaamse woorden (gekend, stilaan) doorspekte, taal geschreven. De thematiek is actueel en haar invalshoek origineel. Het is geen litanie tegen monsters van mannen, maar laat zien dat er in de opvoeding van meisjes ook het een en ander moet gebeuren. De roman staat vol uitdrukkingen die je graag wilt onthouden, zoals: ‘Er is één stukje van ons lichaam waar we maar met moeite zelf bij kunnen, het is de achterkant van ons hart.’ Ada doet veel moeite om daar toch bij te ‘geraken’. Af en toe schrijft ze iets te nadrukkelijk wat ze bedoelt, alsof ze bang is dat de boodschap niet wordt begrepen. Daardoor wordt het een soort hulpboek tegen grensoverschrijding, maar dat neemt niet weg dat het een belangrijk boek is.



  • Oogst week 6 – 2024

    De kant van Ada

    Binnen afzienbare tijd zal een veroordeelde verkrachter en moordenaar vrij komen. Hoofdpersoon en ik-verteller Ada Storkema piekert in De kant van Ada van Peter Middendorp over de dertien jaar die zijn verstreken voordat de dader, een jonge boer, werd opgepakt. Noodlottige jaren, want de veroordeelde moordenaar is haar man Tille en Ada vraagt zich af of zij mede schuldig is aan de misdaad, of ze deze had kunnen voorkomen.

    De kant van Ada is een vervolg op Jij bent van mij, dat in 2018 verscheen. Daarin maakt Tille Storkema op een nacht een fietstocht en ontmoet het zestienjarige meisje Rosalinde. Hij verkracht en vermoordt haar, de volgende ochtend wordt ze naakt in een weiland gevonden. Tille, totaal buiten verdenking, zwijgt, is gewoon boer en een vader voor zijn kinderen. Ondertussen wordt hij gekweld door herinneringen. Het dorp waarin de familie woont gelooft graag dat de dader uit het asielzoekerscentrum komt. Maar door een dna-onderzoek valt Tille na dertien jaar eindelijk door de mand.

    En nu krijgt Ada het woord. Voorzichtig vertelt ze hoe ze de voorbije jaren heeft beleefd. Bij Tille’s arrestatie besefte ze dat ze het ‘al die tijd had geweten’. Verteerd door schuldgevoel confronteert zij zichzelf keer op keer met de gruwelijke waarheid. ‘Als ik hem gegeven had wat hij wilde, als ik hem had gegeven wat hij nodig had…’ Hoe heeft ze verder geleefd, hoe moet het verder als Tille vrij is?

    Van het boek is ook een toneelvoorstelling gemaakt, momenteel in diverse theaters te zien.

     

    De kant van Ada
    Auteur: Peter Middendorp
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2024)

    3lingnieuws 1937-1943

    De Tsjechische en Joods arts Felix Oestreicher (1894-1945) voelt zich door de angstaanjagende politieke ontwikkelingen in april 1938 gedwongen om met vrouw en dochters Karlsbad (nu Karlovi Vary) te verlaten. Ze belanden aan de Nederlandse kust en later in Blaricum en Amsterdam. ‘3lingnieuws 1937-1943’ is een selectie van de brieven die hij schreef aan eveneens voor het fascisme gevluchte familieleden en vrienden.

    Afschriften van de brieven worden in 1989 na de val van de muur door Oestreichers dochters Beate, Maria en Helly gevonden, als ze na het overlijden van hun tante Lisbeth haar huis opruimen. Daar ontdekken ze een map met 196 brieven van hun vader. Een groot aantal daarvan bleken de ‘Drillingsberichte’, brieven die voornamelijk over hen gaan.

    Geboeid en liefdevol beschrijft Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochters, die nooit van de brieven hadden gehoord. Ze wisten wel dat hun vader schreef, want hij hield een oorlogsdagboek bij in Westerbork en Bergen-Belsen. Dat heeft hij vlak voor zijn dood aan Beate overhandigd en zij gaf het aan Maria, historica. Maar de Drillingsberichte waren een verrassing voor hen. Het eerste 3lingnieuws is van 19 april 1937, het laatste van 25 oktober 1943. Het boek bevat een selectie van 74 brieven uit de map.

     

    3lingnieuws 1937-1943
    Auteur: Felix Oestreicher
    Uitgeverij: M10Boeken

    Bloedzang

    Caro van Thuyne (1970) denkt dat de meeste boeken van schrijvers over hun moeder rouwboeken zijn. Haar Bloedzang is het in zekere zin ook. De moeder van de ik-figuur, het literaire alter ego van Van Thuyne, heeft een herseninfarct gehad en wordt in coma gehouden. Als ze eruit komt is ze gedeeltelijk verlamd en praten kan ze alleen in onbegrijpelijke woorden en zinnen. Voor Van Thuyne is het een nachtmerrie dat haar moeder de taal is verloren. Ze vormde een eenheid met haar moeder, maar dreef door het lezen van literatuur ook van haar vandaan.

    Terwijl ze weet dat woorden immer tekortschieten om een mens volledig recht te kunnen doen, wil ze in een boek haar moeder nabij brengen. De auteur heeft een grote verbeelding en in een zintuigelijke stijl zoekt zij een weg om de moeder-dochterrelatie te beschrijven. Met haar kenmerkende animistische wereldbeeld haalt ze herinneringen op, vertelt anekdotes, kijkt naar foto’s en in spiegels, haalt er sprookjes, mythes en scheppingsverhalen bij. Ze gaat door onmacht, pijn, angst, leven, dood en ziekte.

    De moeder is haar taal verloren, maar Van Thuyne denkt aan het West-Vlaams dialect en schrijft: ‘Maar weet je, m’màtje, dat mijn taal een wildgroei is van de jouwe, dat mijn verbeelding van jouw tong is gerold. (…) Jouw taal is als bloedzang door mijn kinderlijf gegaan’. Met haar eigen bezielde taal bevrijdt ze in Bloedzang haar moeder en daarmee zichzelf.

     

    Bloedzang
    Auteur: Caro van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik (2023)
  • Een zoektocht naar verbanden en verbindingen.

    Een zoektocht naar verbanden en verbindingen.

    Bruggen slaan, verbanden leggen: het lijkt een constante te zijn in het werk van de Belgische auteur Koen Peeters. Eerder deed hij het al met De mensengenezer (2017) en De minzamen (2021). Nu doet hij het in zijn nieuwe roman Georges en kunnen we ook al meteen een link vinden met Kamer in Oostende (2021). Daarin voert hij historische figuren als James Ensor, Léon Spilliaert en Jospeh Roth op. Ook in Georges spekt Peeters zijn familiegeschiedenis met historische figuren en creëert zo een mooie mix van feiten en verzinsels met een straffe roman als resultaat. Peeters lijkt te bouwen op een beproefd recept: hij put steeds uit zijn eigen ervaringen en vermengt die met de geschiedenis.

    Georges, Joris, Georgië

    Georges bestaat eigenlijk uit vier verhalen die verbonden zijn door de naam. Het boek is een spel met de naam Georges en allerlei afleidingen daarvan. In het eerste verhaal beschrijft Peeters de bijzondere ontmoetingen en vriendschap die ontstaat tussen postbeambte Georges Vermeire, grootvader van de auteur, en de grote Ierse schrijver James Joyce. In 1926 bracht die immers zijn vakantie door in Oostende en ging hij dagelijks naar het postkantoor om de proefdrukken van de vertalingen van Ulysses af te halen. Het tweede verhaal draait om de vader van de oerknal, Georges Lemaître. Deze bekende priester-wiskundige zoekt steeds verpozing in een parkje in Leuven. Daar ontmoet hij de jonge moeder Paula. Ze raken verwikkeld in een gesprek en een platonische relatie ontstaat tussen de twee. Paula is gehuwd met Jef (Georges) Otten en zij zijn de latere schoonouders van Koen Peeters. De drie Georges die hij tot dan toe heeft opgevoerd zijn ook gelieerd aan elkaar: ze vochten immers samen in de loopgraven achter de Ijzer tijdens Wereldoorlog I.

    In deel drie komen eerder persoonlijke anekdotes en herinneringen naar boven. Koen Peeters mijmert over zijn studententijd in Leuven en zijn vriendschap met Joris. Deze studiegenoot wordt zijn beste vriend, maar houdt er naast zijn fascinatie voor plakboeken, ook een bijzondere drang naar Georgië voor over. Al op jonge leeftijd vertrekt hij naar dat land, op zoek naar zichzelf, en verbreekt hij alle contact tot hij twintig jaar later Koen Peeters uitnodigt. De auteur zal effectief tweemaal naar Tbilisi, de hoofdstad van Georgië reizen om verder onderzoek te doen voor zijn roman. Het laatste verhaal speelt zich volledig af in Georgië. Daarin laat de auteur de bijzondere vriendschap zien tussen de Georgische kunstschilder Niko Pirosmani en Jozef Dzjoegasvili, ongetwijfeld Georgiës beruchtste afstammeling die later onder de naam Jozef Stalin de geschiedenis zal ingaan. Dit gegeven alleen al zorgde voor een diplomatieke rel tussen de Georgische minister van cultuur en auteur Koen Peeters bij de opening van het Europaliafestival in Brussel waar Georgië gastland was. De minister vond het niet kunnen dat er een loopje werd genomen met de historische feiten, ondanks het feit dat Peeters uitlegde dat het om fictie ging.

    Dunne lijn tussen fantasie en werkelijkheid

    Peeters maakt in Georges bijzondere verbindingen, maar slaagt erin een harmonieus geheel te creëren. Hij weet feit en fictie perfect te vermengen en de lezer te overtuigen om het te geloven. Soms is de grens tussen de twee bijzonder fijntjes: misschien is het niet waar, maar het had waar kunnen zijn. Hij vraagt het zichzelf ook af: ‘Mag dit allemaal wel? …Is het toegestaan op deze manier een verhaal te bedenken met de naam Georges?’ Ook voor hem is het een spel, een zoektocht naar verbanden en verbindingen. Bovendien is de karaktertekening ook heel sterk. Het is een van de handelsmerken van Peeters geworden om personages heel realistisch neer te zetten, doodgewone mensen zoals jij en ik, met hun kleine kantjes, zeer herkenbaar zodat ze nog geloofwaardiger overkomen.

    Hij noemt zijn werk zelf een collage, vergelijkbaar met de plakboeken die zijn vriend Joris maakte. Het plakboek Georges is uiteindelijk een knap kunstwerkje geworden. In een vlotte, zeer herkenbare stijl tekent hij hoe de levens van de gewone mens en van de groten der aarde er hadden kunnen uitzien. De historische feiten laat hij nog meer voor zich spreken door enkele foto’s op te nemen in zijn werk. Koen Peeters blijft een eigenzinnige schrijver, een buitenbeentje, met een heel eigen stijl en een apart idee over hoe de perfecte roman er moet uitzien. De grens tussen fantasie en werkelijkheid en het spelen daarmee blijft een belangrijk gegeven in zijn oeuvre. Maar precies dat maakt het zo sterk en aangenaam om lezen.

     

     

  • Een ode aan de verbeeldingskracht

    Een ode aan de verbeeldingskracht

    Baumgartner van Paul Auster begint alledaags, maar wordt gaandeweg bevreemdend. Op een dag in de lente van 2018 laat Seymour (Sy) Baumgartner, een 71-jarige weduwnaar, een aluminium eierpannetje droogkoken en brandt zijn hand. Hij wordt gebeld, denkt dat het zijn lastige zuster is, maar het blijkt de meteropnemer. Dan brengt Molly, de pakjesbezorger, hem een boek, en krijgt hij het dochtertje van de werkster aan de telefoon. Die vertelt dat haar vader in het ziekenhuis ligt en haar moeder niet kan komen. Vervolgens valt hij onprettig als hij de meteropnemer voorgaat op de wankele keldertrap. Zijn hoofd loopt om, of is het de ouderdom.

    Na vijfentwintig bladzijden weten we meer over hem. Hij is professor in de filosofie/fenomenologie aan Princeton, New Jersey en werkt aan een essay over de pseudoniemen van Kierkegaard. Onaardig is Baumgartner ook, hij verwenst de meteropnemer vanwege diens vermeende gezeur – en is eenzaam. Omwille van het contact met Molly de pakjesbezorger, bestelt hij telkens nieuwe boeken. Zijn eenzaamheid is het resultaat van jarenlange rouw. De aluminium pan is niet zonder betekenis, hij kocht hem veertig jaar geleden als straatarme student in een winkel waar hij voor het eerst Anna, zijn grote liefde, zag. Ze trouwden en leefden decennialang gelukkig tot zij negen zomers geleden tijdens het zwemmen in zee verdronk. Duidelijk is dat het om een echte Paul Auster gaat.

    Overeenkomsten

    Zo is Anna Blume bijvoorbeeld de hoofdpersoon in de roman In het land der laatste dingen (In the Country of Last Things, 1987), op zoek naar haar broer in een ver dystopisch land. In de roman, Maanpaleis (Moon Palace, 1989) blijkt zij de verdwenen vriendin van een medestudent van de hoofdpersoon. Overigens heeft Baumgartners Anna slechts de naam gemeen met de andere Anna. Bovendien lijkt het erop dat veel van Austers romanpersonages niet alleen dezelfde plaats- en tijdlijn hebben als de auteur, maar ook allerlei andere elementen met hem delen. Jeugd in New Jersey als kind van seculiere ouders uit de Joodse ‘middle class’ met een Oost-Europese migrantenachtergrond. Vader en moeder elk op hun eigen manier afstandelijk. Leven van de hand in de tand als student in Manhattan (en Parijs), trouwen met een vrouw die vertaler of schrijver is en wonen in Brooklyn. Soms is er een zuster en soms is er een zoon. Vaak is er sprake van honkbal.

    De overeenkomsten worden niet enkel ontleend aan interviews met Auster, maar ook aan diverse autobiografische teksten van hem, de meeste zijn verzameld in Groundwork (2013 – Levenswerk). Helemaal exact zijn ze nooit. Zo vertelt de roman 4 3 2 1 (2017) op vier alternatieve manieren het levensverhaal van Archie Ferguson, waarvan in elk universum wel elementen samenvallen met het leven van Auster. 

    Teksten van Anna Blume

    Al woont de oude Baumgartner in New Jersey en niet zoals de auteur in Brooklyn, zijn Anna Blume is wel vertaler en dichter. En wat voor een, er zijn twee autobiografische teksten van haar hand, een ontroerende beschrijving van een jeugdliefde die haar ontviel en een relaas over de nacht waarin Baumgartner haar ten huwelijk vroeg. Beide zijn zeer goed geschreven, net als haar gedicht ‘Lexicon’. Dit talent blijkt Baumgartner ook te bezitten. Zijn essays lezen we niet, maar wel het verhaal dat hij heeft geschreven over een bezoek in 2017 aan Stanislav, de geboorteplaats van zijn grootvader van moederskant, Auster in Oekraïne, tijdens een PEN-congres in Lviv. Hij vindt er weinig sporen, maar een dichter vertelt hem het verhaal over de honderden wolven die het lege stadje in 1944 bevolkten toen de Duitsers en de lokale bevolking waren vertrokken. Baumgartner heeft geen enkel bewijs voor het verhaal over de wolven kunnen vinden, maar blijft het belangrijk vinden.

    Eigen ervaringen worden fictie

    Er vindt een keerpunt in zijn eenzame bestaan plaats als hij gedroomd heeft dat Anna hem geruststellend toespreekt. Vanaf dat moment wil hij zijn leven weer in beweging zetten, onder meer door zijn minnares ten huwelijk te vragen. Dat wordt niets. Auster laat haar letterlijk van het toneel verdwijnen en neemt de geschiedenis van Baumgartner pas na een jaar weer op.

    Intussen is de lezer door de stroom van herinneringen aan zijn vader en moeder, veel te weten gekomen over Baumgartners jeugd en achtergrond van zijn familie. Daarnaast zijn er indringende ervaringen die hij nooit vergeet. In twee gevallen gaat het om het gedrag van een kind in de trein. Aan het einde van de roman duikt er een lichtpuntje op in Baumgartners leven. Had hij als eerste poging tot rouwverwerking een bloemlezing van Anna’s poëzie gemaakt en uitgegeven, nu dient zich een jonge promovenda aan die ook ongepubliceerd werk van haar bij het onderzoek wil betrekken. Hoe de ‘Saga’ van S.T. Baumgartner afloopt, vertelt de roman niet.

    Baumgartner is een ode aan de verbeeldingskracht, juist door de manier waarop Austers eigen ervaringen veranderen in fictie. Uit recente interviews weten we dat hij zo ziek is dat hij al een jaar niet meer heeft geschreven. Maar ook dat hij voor de verhalen over kinderen in de trein en de wolven in Oekraïne uit eigen ervaring putte. Zwanenzang is een afschuwelijk woord.

     

     

  • Mysterie van dood en leven

    Mysterie van dood en leven

    Laura van der Haar won in 2012 het Nederlands kampioenschap poetryslam en debuteerde in 2014 met de poëziebundel Bodemdrang en in 2018  volgde haar debuutroman Het wolfgetal. De roman De Kuil is haar zesde publicatie.
    Soms is het lezen van een boek een worsteling om aan het eind te ontdekken dat het verhaal goed in elkaar zit. Kasja, een van de personages uit De kuil is een jonge vrouw die zich willoos overgeeft aan de grillen van een twintig jaar oudere minnaar, ‘dit is wat ik wil: iemand die de baas is, iemand die me klein maakt, die me reduceert tot vragend, wachtend meisje.’ Ze raakt door haar minnaar geobsedeerd.

    Kasja’s vriend Lennart is een personage dat de lezer tart met zijn geobsedeerdheid rond een geheim dat zijn in coma liggende zusje op het spoor zou zijn. ‘De luchtdruk, de luchtvochtigheid, de gaten het heeft er allemaal mee te maken, daar is Lennart van overtuigd. Met twee vingers pakt hij een dode mestkever die op zijn rug ligt, de chitine van het pantser kraakt als krantenpapier. […] zie je wel, ademgaten, kieuwen, in een handjevol bosaarde leven al meer wezens dan er mensen op de wereld zijn, het plankton van de bodem.’ Zijn zusje kreeg een onduidelijk ongeval, of hetgeen zij op het spoor was realistisch is, blijft vaag en mysterieus.

    Obsessies

    De alledaagse handelingen en gesprekjes in het boek roepen een sterke sfeer op. Van der Haar schrijft mooie zinnen en haar observaties zijn vaak raak. Kasja en Lennart, ergens in de twintig, wonen samen, maar zijn eerder maatjes dan dat ze een liefdesrelatie hebben. Ze praten in clichés met elkaar en hebben geen wezenlijk oog voor elkaars behoeftes. Lennarts zusje is uit een boom gevallen of moedwillig gesprongen, een terugkerende vraag  voor Lennart, en ligt in coma. Kasja heeft daar nauwelijks interesse voor.  Lennart is dagelijks in het bos te vinden, waar ook Kasja veel komt, maar hun wegen kruisen elkaar nooit. 

    Kasja werkt in pannenkoekenhuis De Kuil in de bossen van Gelderland, niet ver van de boom waar Lennarts zusje uit een boom viel waardoor ze in coma raakte. Aan de ene kant is een begraafplaats, aan de andere kant ligt een vervallen en dichtgegroeid vakantiepark met huisjes. Het is al jaren gesloten, maar de plaatselijke projectontwikkelaar Charles Ubbink wil het park opwaarderen tot een luxe vakantieresort. Ubbink drinkt soms koffie bij De Kuil en Kasja valt als een blok voor hem. Ze beginnen een relatie en ontmoeten elkaar regelmatig in een van de verlaten vakantiehuisjes. Kasja denkt aan niets anders meer dan aan deze sterke, twintig jaar oudere man, getrouwd en met een kind. Ze raakt zo in zijn ban dat het een obsessie wordt. Om de haverklap checkt ze haar mail en Telegram-messenger in de hoop op een berichtje van hem. Ze stalkt zijn vrouw op Instagram en gaat zelfs zijn huis binnen als hij op vakantie is. 

    Ondertussen is Lennart in het bos te vinden en onderzoekt de bodem rond de boom waar zijn zusje verongelukte, op zoek naar een aanwijzing. ‘De map op haar computer blijft door zijn hoofd spoken. Hyfen, sporen, een onsterfelijk netwerk van slijmdraden en neurotoxinen, een aards web van geëxternaliseerde longen, steneneters plantendoders, aliens.’ In korte hoofdstukken zijn afwisselend Kasja en Lennart in beeld. Beiden worden ze gevolgd in hun eigen wereld, die totaal verschillend zijn.

    Kasja heeft een moeizame relatie met haar moeder. Lennart gaat regelmatig bij zijn ouders langs of is bij zijn zusje in het ziekenhuis. Hij probeert van alles om een reactie aan haar te ontlokken. Zijn ouders zijn behoorlijk murw van het hele gebeuren en dat beschrijft Van der Haar heel goed.

    Zintuigen en metaforen 

    Lennart is tactiel, met zijn handen in de aarde. Kasja is erg op geuren gericht. Adem, lichaamsgeur, dat boslucht in de ochtend anders is dan in de avond. Lijkenlucht van de nabijgelegen begraafplaats wordt verward met de geur van vlierbloesem. Dat zijn mooie beelden en metaforen die alles te maken hebben met leven en dood. En passant wordt er gefilosofeerd over een toekomst waarin de mensheid misschien wel ten dode is opgeschreven. ‘Diep onder een zalencentra beweegt het, onder het uitgestrekte landelijke gebied, onder de Xenos, langs de doorworteling van boomgaarden kruipt het langzaam op ons af.’

    ‘De kuil’ speelt in hun beider leven een rol. Voor Kasja is het pannenkoekenhuis belangrijk, voor Lennart is het de kuil die hij graaft in verband met zijn bodemonderzoek. Pas aan het einde van het boek worden Kasja en Lennart door de kuil met elkaar verbonden. Ze vinden elkaar zonder elkaars geheim te kennen. Dé grote metafoor van het boek is misschien wel dat Kasja en Lennart in hun twintiger jaren hebben geleefd met liefde, spanning, dromen en verlangens. De rest van hun leven zullen ze bezadigd doorbrengen. Huisje, boompje, beestje, net zo kleurloos en betekenisloos als het leven van hun ouders was.

     

     

  • Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Volgens de Russische schrijver en kampoverlevende van het Stalinisme Aleksandr Solzjenitsyn vormden de goelagkampen in psychologische zin een eigen wereld, een land bewoond door de zek, de gevangenen. En alleen wie daar geweest is kent de waarheid over die plek. Barbara Skarga, de Poolse filosoof die tien jaar in de goelag heeft doorgebracht en daarover heeft geschreven in Na de bevrijding, spreekt over het ‘goelaguniversum’. Dat vormt een wereld op zich, met een eigen taal en gebruiken, rituelen en afspraken. In dit ontluisterende verslag lezen we alles over de terreur en repressie van de Sovjetmachine.

    Op 8 september 1944 wordt Skarga als ze met een andere koerier van het Armia Krajowa, een Poolse verzetsgroep, afspreekt, gearresteerd op grond van het beruchte artikel 58. Dat betekende dat ze als politiek gevangene werd beschouwd. Door de ‘mist van herinnering’ gaat Skarga op de tast van herinnering naar herinnering, hoe pijnlijk ook, om het verhaal te vertellen van die ‘kolossale absurditeit’ die haar en zovelen is aangedaan. De mens leeft bij zijn vermogen om te vergeten, schrijft Varlam Sjalamov in Berichten uit Kolyma. Het herinneren maakt voor Skarga de figuren weer even levend en zo richt zij een monument op voor alle goede mensen die ze in het kamp heeft ontmoet. Kan een mens nog leven, in deze ’tussenruimte van het zijn’, vraagt zij zich af. De woorden doen nauwelijks recht aan deze geschiedenis, de ontmenselijking, het ontnemen van het recht om voor jezelf te denken, en de eindeloze kwellingen van de arbeid en de honger. Het is allemaal even pijnlijk om te lezen.

    Het dogma van de spade

    Skarga richt haar haat tegen het abstracte systeem. Ondanks alles niet tegen de mensen. ‘Een monsterlijk mechanisme dat elk mens brak die niet kon, niet in staat was, of niet bereid was de randen van zijn eigen zijn zo te polijsten dat hij toch maar in het systeem zou passen.’ Het systeem zette aan tot grote onverschilligheid tegenover alles wat niet werd voorgeschreven. Niemand verzette zich omdat ze heel goed wisten wat er gebeurde met werkweigeraars of dissidenten. Skarga omschrijft het sovjetisme als een kanker die het denken van de mens vergiftigt. Het meest afschrikwekkende was dat iemand bereid was alles te doen voor eigen voordeel, want het verblijf in de kampen brak ook langzaam de moraliteit van de gevangenen af, die zich vaak als criminelen of verklikkers ontpopten. Dan treedt langzaam de permissie voor en gewenning aan het kwaad in, wat Skarga een van de ergste gevolgen van het verblijf in het kamp noemt.

    Wat men in de kampen leerde was niet de heropvoeding waar de Sovjetunie zo op hoopte, het was enkel overleven. In het kamp gold enkel de wet van de taiga en van het werk. Die werd opgelegd door het dogma van de spade en het pikhouweel. Je moest je aan de omgeving aanpassen en trachten iets van je waardigheid te bewaren. Want het werk bracht je snel om, zeker met de hongerrantsoenen die vaak net genoeg deden om je in leven te houden. Ontsnappen was een luchtspiegeling volgens Skarga. Waarheen zou je moeten vluchten in het bevroren hart van de taiga? Daarnaast was er de constante confrontatie met de lichamelijkheid van de ander. Daarom koesterde Skarga elk moment van eenzaamheid, wat tot ontroerende passages leidt.

    Kamptaal en liefde

    Skarga beschrijft nog een aspect van het kampleven, de unieke kamptaal. Te beginnen bij de banier die centraal in elk kamp hing: ‘Door eerlijk werken koop je je schuld af.’ Een nog meer cynische variant van het Duitse Arbeit macht Frei. De cultus van het werken werd met een fanatische gretigheid verkondigd. Zodat steeds de papieren wereld van de ideologie tegenover de werkelijkheid werd gesteld. ‘Als een mens toch eens van woorden zou kunnen leven’ schrijft Skarga, ‘zou dit het mooiste land op aarde zijn.’ Wat ook bij de kampeducatie hoorde was het sjoemelen met normen, regels en rapporten om eigen voordeel te behalen. In deze ‘zee van oneerlijkheid’ speelde de gevangene het spel handig mee. Leugenachtigheid was de standaard, maar meer als zelfverdediging dan als eigen overtuiging. Gehoorzamen aan het kampregime garandeerde in geen geval het overleven. In de ‘ketenen van de ideologie’ geklampt zal een mens zichzelf desnoods verloochenen.

    Zelfs in de kampen bloeide er nog iets van liefde op. Er was de opportunistische soort gericht op bevrediging van lusten, en de meer idealistische variant die bekend stond als het kamphuwelijk. Ook prostitutie tierde welig in het kamp en met de vrije burgers daarbuiten.  Skarga beschrijft ook lesbische relaties met veel drama en afhankelijkheid, en zelfs een vrouw die zich als man identificeerde en kleedde. Toch was de kampliefde maar een surrogaat volgens Skarga, een strohalm om zich aan vast te klampen. Het liefhebben was een manier om menselijk te blijven. ‘De liefde is de menselijke opflakkering van de ziel in deze onmenselijke wereld.’

    Filosofische blik

    Als het gewone leven dan als een droombeeld eindelijk terugkeert, lijkt het leven in het kamp voor Skarga bijna reëler. Het Polen waar ze naar terugkeerde op 11 december 1955 was niet meer het land dat ze kende. De werkelijkheid en de geest waren beide gekoloniseerd door de Grote Broer. Gedreven door haar plichtsgevoel om te herinneren komt Skarga tot ontnuchterende conclusies. In het Rusland van die tijd volstond de kleinste misstap of onvoorzichtigheid om veroordeeld te worden. Denken zelf was bijna een misdrijf. ‘Welk land ontdoet zich zo van zijn eigen rijkdom?’ vraagt Skarga zich af. Miljoenen mensen werden voor lange tijd uit hun vaderland verplaatst. Sommigen keerden slechts terug als schaduwen van de personen die zij geweest waren, ‘maar,’ zegt Skarga ‘zelfs een schaduw kan de waarheid vertellen.’

    Met een zekere distantie gaat ze langs de ontstellende feiten. Skarga is zeer gedetailleerd in haar beschrijvingen en nauwgezet in haar analyse. Dat is het meest waardevolle van Na de bevrijding, dat het zowel een persoonlijk verslag van de binnenkant van de goelag biedt als een goed doorwrocht onderzoek van wat het systeem ziek maakte. Skarga hanteert geen chronologie, maar diept langzaam beelden op uit de donkerte, beginnend bij het helderste in een prachtige, beeldende taal doorspekt met Russisch en het stigma van de kamptaal. Ze loopt er niet voor weg om alles in het harde licht van de werkelijkheid te bezien en heeft zelfs ruimte voor medelijden met de beulen. Die konden immers niet voor zichzelf denken.

    Vanuit een filosofisch perspectief tracht Skarga nog enig licht te werpen op de beweegredenen en politieke omstandigheden die schuilgaan achter de processen. Ze ontrafelt en ontzenuwt de propaganda, maar zingeving kan ze in het systeem niet ontdekken. Een zekere verbittering maakt zich soms wel van haar meester, al benadrukt ze dat je moet blijven vechten voor de menselijke kracht. Door haar indrukwekkende getuigenis word je eraan herinnerd wat het betekent om mens te zijn onder onmogelijke omstandigheden. Als denker oriënteerde Skarga zich voornamelijk op het probleem van het kwaad. Onder invloed van onder andere Levinas, verkondigde ze vooral de waardigheid van het individu. Daarnaast is haar werk een pleidooi voor de waarde van de kunst en de troost van de literatuur.

    Zelfs achter prikkeldraad kan men de menselijke wil niet volledig breken. Deze onverzettelijke wil is een triomf en een bron van kracht. Skarga bevrijdt zichzelf als het ware door haar werk. Al keert ze terug als een soort banneling en al vergaat de humor haar soms, ze kiest voor de filosofie en wordt hoogleraar. Daarmee biedt ze hoop aan volgende generaties en ‘hoop is de horizon van ons leven’ zo schrijft Alicja Gescinska in het verhelderende voorwoord. Dat zijn bepaald geen lege woorden.

     

     

  • In deze roman is niets of niemand zwart of wit

    In deze roman is niets of niemand zwart of wit

    Anders – hoofdpersoon in deze utopische en fantastische roman van Mohsin Hamid die zich afspeelt in een niet nader genoemde stad – wordt op een morgen wakker en ontdekt dat zijn huidskleur veranderd is van wit in zwart. Hij verstopt zich, ‘wensend dat deze dag, die nog maar net aangebroken was, alsjeblieft, alsjeblieft niet zou aanbreken.’ Hij meldt zich ziek en krijgt het gevoel er niet meer bij te horen, verlangt naar de nabijheid van zijn overleden moeder, durft niet meer de straat op. De schrijver formuleert Anders’ gevoel van vervreemding heel treffend: ‘[hij] voelt zich, of hij was weggeschreven tot een bijfiguur in het tv-programma waarin zijn leven werd nagespeeld.’ Zijn vervreemding leidt tot ander gedrag, hij gedraagt zich bijvoorbeeld minder assertief in het verkeer, en neemt het somatisch normbeeld aan van de zwarte loser die zich ondergeschikt maakt aan de witte almacht.

    Door de verandering sluipt er ook een grote onzekerheid in de relatie met zijn vriendin Oona. Met haar onderhoudt hij sinds kort weer een liefdesrelatie nadat zij op de middelbare school al geliefden waren. Hij snakt naar geruststelling door haar, maar zij herkent hem aanvankelijk bijna niet meer. Als ze vrijen lijken ze vreemden die elkaar als voyeurs bespieden. Tijdens een wandeling, langs de laan der herinnering naar hun middelbare school, vraagt Anders zich af of hij nog wel dezelfde persoon als voorheen is. Hij wordt door anderen anders bekeken en Oona zegt dat het net is of hij in een andere taal spreekt nu hij zwart is geworden. Toch laat zij hem niet los.

    Iedereen verandert van huidskleur

    De andere twee hoofdfiguren hebben veel meer moeite met de veranderingen die gaande zijn en reageren er heel specifiek op. De moeder van Oona ziet in de huidskleurverandering het begin van het einde van de wereld, zij ziet er een complot in tegen ‘hun soort mensen’ en besluit te gaan hamsteren. Anders’ vader gaat er heel praktisch mee om. Hij voorziet hem van eten, geld en een geweer, dat zijn zoon enkele dagen later nodig heeft om zich te verdedigen tegen witte activisten die hem willen oppakken en de stad uitjagen. De huidskleurverandering vindt niet alleen plaats bij Anders, maar overkomt velen, wat leidt tot uitbarstingen van geweld, waarbij de (nog) witte mensen hun positie willen verdedigen tegenover het groeiend aantal ‘donkere mensen’. 

    De verstandhouding tussen Oona en Anders wordt in de loop van het verhaal steeds intiemer en tederder. Ze begrijpen elkaar beter dan ooit, want het is net of Oona nu veel meer de echte Anders ontdekt. Hij wordt voor haar meer dan zijn huidskleur. De moeder van Oona en de vader van Anders zien allemaal leeuwen en beren, voortekenen van rampen en ondergang, terwijl het liefdespaar de verandering ziet als een uitdaging, als iets waar zij zich toe moeten verhouden. Als Oona ook zwart wordt, overvalt haar een gevoel van lichtheid en melancholie. Melancholie omdat haar identiteit en verleden dreigt te verdwijnen en lichtheid omdat ze als een slang haar huid zou kunnen afwerpen en zonder verleden weer ongehinderd zou kunnen doorgroeien. Hun relatie wordt in de loop der tijd steeds beter en als ze zelf een zwart kind krijgen, is hun witte verleden vrijwel verdwenen. Hun dochter kan in de nieuwe maatschappij, waarin alleen donkergekleurde mensen leven, gelukkig zijn. Voor haar bestaat er geen wit verleden, ook al doet haar oma, Oona’s moeder, nog zo haar best vroeger tot leven te brengen.

    Nieuwe verstandhouding tot de wereld

    Opvallend aan deze vrij dunne roman is het gebruik van hele lange zinnen, soms oplopend tot driehonderdvijftig woorden. Deze zinnen bestaan uit vele bijzinnen die verbonden worden door het woordje ‘en’ en door andere nevenschikkende voegwoorden. Ondanks de lengte lezen ze als een trein. Vertaalster Saskia van der Lingen is erin geslaagd die Engelse zinnen haarfijn en prachtig mooi om te zetten in goedlopende Nederlandse zinnen die door hun lengte dwingen tot nauwkeurig lezen. Je wilt geen woord missen. De lange nevengeschikte zinnen onderstrepen dat de hoofdpersonen geen personen uit één stuk zijn, maar wezens die op zoek moeten naar een nieuwe verstandhouding tot de wereld en tot elkaar. Ze moeten als het ware zichzelf opnieuw uitvinden. De lengte van de zinnen brengt de lezer dichtbij deze zoektocht waarin allerlei gedachten in het hoofd van een persoon naast elkaar staan en niet los van elkaar. Deze zinnen geven aan hoe veelzijdig een gebeurtenis, gevoel of activiteit is. In deze roman is niets of niemand zwart of wit. Personen hebben meerdere lagen en doorlopen allerlei eigenschappen en opvattingen.

    Gedachtenexperiment

    Mohsin Hamid is van Pakistaanse afkomst en studeerde en werkte langere tijd in de Verenigde Staten en Engeland en later weer in Pakistan. Hij schreef diverse maatschappelijk geëngageerde romans. Zo beschrijft hij in Exit West (2017) de lotgevallen van twee vluchtelingen die door het uitbreken van een oorlog hals over kop hun land verlaten. De problematiek van de persoon die tussen twee culturen leeft komt onder meer aan bod in de roman De val van een fundamentalist (2007), met kortere zinnen overigens, en in de essaybundel Onbehagen en beschaving (2016). Hamid omschrijft zichzelf als een ‘hybride mens’, die de grenzen tussen groepen fictief en onvruchtbaar acht: ‘(…) creativiteit komt voort uit mengen, uit het verwerpen van het zielloze karakter van zuiverheid.’ 

    De laatste witte man is een gedachtenexperiment waarin Hamid de lezer aanzet tot nadenken, verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hij bevestigt met deze roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen veel meer gemeen hebben dan we door opvoeding, ervaring, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. Racisten en extreme nationalisten blazen de verschillen tussen mensen op, wat uiteindelijk alleen maar leidt tot uitsluiting en geweld. De roman wil laten zien dat het voor de mensheid een zegen zou zijn als we ons niet vast laten zetten in de gevangenis van een zelfbenoemde of door anderen opgeplakte identiteit.

     

  • Voortrazende realiteit

    Voortrazende realiteit

    In de verontrustende en duistere tijden waarin we leven is de blik van de dichter van grote waarde. Niet door het opgeheven vingertje, maar door een confronterende verbeelding die de actualiteit scheef trekt als de rechte lijn van de werkelijkheid niet meer voldoet. Zo ook in de bundel Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen van Pieter Boskma. De kloeke uitgave bevat 153 pagina’s met een indringende serie verzen over onze ‘condition humaine’. Verzen die in een nauwelijks bij te houden tempo aan ons voorbijtrekken:

    ‘Al lijken de dagen van het bloedvergieten ver,
    achter elke boom wordt een vlindermes geslepen.
    Het zwarte boek van oorlog wordt maar zelden
    dichtgeslagen, altijd steekt wel een vinger

    tussen de pagina’s van een vaderlandse nederlaag
    die gewroken moet. Wellust en wanenstrijd, bepaald
    geen feestje voor de kalmte, waar bleef de reddende engel
    in zijn boerenbont, genderneutraal profeetgewaad?’

    Barokke kwatrijnen

    Boskma is een verhalende dichter die de uitbundigheid en overdrijving niet schuwt. In zijn regels is duidelijk de ziel van de – mede door hem opgerichte – dichtersgroep Maximalen te herkennen. Deze club zette zich eind jaren tachtig af tegen het minimalisme in de dichtkunst; het ‘figuurzagen van fletse stillevens’ werd door hen de grond in geboord door een luidruchtige en overdadige poëzie, waarin de werkelijkheid in vele vormen en associaties de wereld in werd geslingerd.

    Dat is Boskma niet verleerd. In zijn barokke kwatrijnen ligt het absurdisme, vermengd met een bijtende ironie, overal op de loer. De zogenaamde verteller bevindt zich in de vrije natuur en al wandelend door het bos leegt hij zijn hoofd in een onafgebroken gedachtestroom. Alles komt voorbij in de meest uitzinnige samenstellingen: pornotheken, eigennestbevuilers, MeToo’tjes, deepfake, kadaverknagers, mengbloedkroost, broeikasmolochs, voetvolkgejodel. Met zijn ratelende zinnen neemt de dichter de samenleving op de korrel. Zwartgallig en lichtvoetig tegelijk, de voorgehouden spiegel is confronterend, maar de ingebakken humor maakt deze gedichten meer dan draaglijk.

    Cynische oaseberichten

    De kwatrijnenreeksen staan onder de titel ‘Oaseberichten’ door de bundel verspreid. Dat is cynisch bedoeld, helemaal in de stijl van Boskma’s dichtwerk. Deze verzen benoemen als boodschappen uit onze gemeenschappelijke oase, ons collectieve toevluchtsoord waar rust en regelmaat zouden moeten heersen, is een contrast dat de lezer in eerste instantie op een verkeerd been deze bundel in trekt:

    ‘Schaarser de lichtbrengers, dazer de zwartkijkers
    en de azijnpissers over de kinderbloed drinkende,
    elk wezen met een opening verkrachtende elite
    in de kronkelkrochten van de algoritmefuik.

    Ja, lieve kinderen, zo was het ooit in de wereld,
    schrik maar niet te hard want die tijden hebben we gehad.
    Heden lepelen dichtersvorsten dikke ballen uit de soep,
    van vleesvervangers hoor, de carnivoor is uitgestorven –’

    Dode schrijversvrienden

    Het voortrazende tempo waarmee de dichter zijn licht op de realiteit laat schijnen, wordt op een aantal plekken onderbroken door een gedicht onder de verzamelnaam ‘Intermezzo van de dood’. Hier worden de schrijversvrienden van Boskma geëerd die in de afgelopen jaren zijn overleden. De bijzondere in memoriams vormen een subliem rustpunt in de hectische wereld die in de Oaseberichten wordt beschreven. Het is een constructie die de samenstelling van deze bundel tot een hoogtepunt maakt.

    In het vierdelige vers voor Joost Zwagerman is de verontwaardiging over diens zelfmoord voelbaar: ‘Je verdiepte je hardnekkig in de zelfgezochte dood,/ dat houdt niemand vol. Het einde gaat dan wenken/ als een wit verlichte vriend die je de stilte in zal leiden./ Wie te vaak denkt aan eigen hand gaat door eigen hand.’

    Ter nagedachtenis aan de in 2021 overleden dichter Hafid Bouazza volstaat een uitgebreid kroeggesprek waarin vooral het geheugen van de beide dichters het laat afweten. De conversatie is hoorbaar gedrenkt in alcohol en vol wederzijdse misvattingen.

    Het sluitstuk van de bundel is een in memoriam voor Remco Campert onder de noemer ‘Epiloog van de dood’. Boskma vermengt een aantal bijzondere kenmerken van de overleden dichter met frasen uit diens poëzie. Het resultaat is een wonderschoon en intiem naschrift dat recht doet aan Campert en tegelijkertijd deze bundel op een monumentale manier afsluit:

    ‘Dichter

    Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
    ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
    leunt op zijn wandelstok voorover,

    ziet de wilde manen van verschoten kameraden
    recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
    een volmaakt bevrijde dinsdagmiddag in april,

    en voelt de tijger in hem altijd nog de klauwen uitslaan
    naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld
    vliegen kan, en man en muis de profetie beamen:

    “Dichter? Dichter gaat niet dood.”

    Misschien omdat hij al die jaren nauwelijks verouderd is
    en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen,
    misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet,

    opdat altijd weer langs het lange smalle water,
    altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
    altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,

    en dat die altijd maar, oh
    dat die voor altijd… En hij richt zich
    langzaam op en loopt vlug weer door.’