• Op zoek naar Walker

    Op zoek naar Walker

    Recensie door Lev Entfield

    Wat of wie is er eigenlijk onzichtbaar in de roman van Paul Auster. Is het Adam Walker, de student die een ontmoeting heeft met Margot Jouffroy en Rudolf Born, een ontmoeting die de rest van zijn leven zal bepalen? Het is op een van die rokerige feestjes eind jaren zestig in New York. Margot, een mooie vrouw, fluistert Rudolf in dat die mooie jongen daar in de hoek een dichter is. Ze raken aan de praat en inderdaad: Adam is een dichter, student literatuurwetenschap, en arm. Rudolf is professors, rijk bovendien en wil hem op gang helpen. Hij belooft hem 25.000 dollar voor een gehele jaargang van een literair tijdschrift, waarvan Adam de redactie voeren zal. Zover zal het nooit komen. Op een avondlijke wandeling met Rudolf wordt het tweetal bedreigd door een junk met een pistool en Rudolf tast in zijn zak naar een stiletto en steekt de jongen neer. Adam Walker vlucht, belt de politie, besluit dat hij Rudolf moet aangeven, maar wacht daar te lang mee. De Franse Rudolf Born is overhaast gevlucht naar Parijs, onbereikbaar voor de Amerikaanse justitie.

    Desastreuze verwikkelingen

    Op dit punt in het verhaal kantelt Auster het perspectief voor de eerste keer. Het voorgaande blijkt een eerste hoofdstuk dat de bekende schrijver James Freeman van zijn vroegere vriend Adam Walker krijgt toegestuurd. Adam is terminaal ziek, het is 2007, hij wil weten wat zijn oude vriend van het werk vindt en hij wil erover praten. Ze maken een afspraak om elkaar te ontmoeten, maar ze zullen elkaar nooit zien: net voor de afspraak sterft Adam. Het verhaal kantelt nog een aantal keren, we krijgen nog twee hoofdstukken uit Walkers boek. Het tweede – een prachtige beschrijving van een heftige incestueuze relatie van Adam met zijn zus, kort na de episode met de moord. Ten slotte zijn gang naar Parijs, om Margot weer te ontmoeten en daar vindt ook zijn desastreuze hereniging met Rudolf plaats. Adam kan zich er niet bij neerleggen dat deze kille moordenaar vrij rondloopt, en zoekt contact met Rudolfs aanstaande vrouw en haar dochter, de achttienjarige Cecile.

    Ontkeninning

    Terug naar de schrijver James Freeman, die de zus van Adam, Gwyn, te spreken krijgt. Zij ontkent dat er ooit zo’n seksuele relatie met haar broer geweest is, en dat lijkt geen ontkennen uit schaamte. Voor de laatste maal wordt de lezer een heel ander perspectief op de zaak geboden: James spreekt Cecile, inmiddels  van middelbare leeftijd. Het boek eindigt met een dagboekfragment van Cecile, waarin deze de bejaarde Rudolf Born opzoekt, op het Caribische eilandje Quillia.

    Wie of wat is er onzichtbaar in deze roman? In de eerste plaats weten wij weinig van Rudolf Born, de mefistofelische bon-vivant, met geld en connecties, opvallend veel connecties, politiek ter rechterzijde, die Adam’s als door een knip met zijn vinger uiteindelijk uit Frankrijk kan laten zetten. We weten niet erg veel over Gwyn, Adams bloedmooie zus, die in de onbehaaglijk ontroerende beschrijving van hun relatie zo echt wordt, dat haar ontkenning haar vervolgens voor de lezer onplaatsbaar maakt. Of is Cecile ‘invisible’, de veelbelovende, die haar verliefdheid op Adam ten spijt toch niet kon verkroppen dat hij haar aanstaande stiefvader zwartmaakte met een naar haar mening verzonnen verhaal over een moord?

    Onzichtbaar blijven vooral de motieven van al deze personages. In een bestek van 230 pagina’s zo’n kluwen aan perspectieven aannemelijk vormgeven is een tour de force die niet veel overlaat van de overwegingen die aan veel levens ten grondslag heeft gelegen. Er hangt over de roman – onder meer door de belangrijke episode in Parijs – een onmiskenbare nouvelle vague sfeer, ondersteund door het discontinue karakter van de vertelling. De lezer waant zich daarenboven in een Patrick Modiano-roman, een oningeloste zoektocht naar de sporen van een hoofdpersoon die verdwenen is, dood en door niemand gekend. Uiteindelijk blijft Walker – de gedoodverfde hoofdpersoon – van allen de meest onzichtbare. Paul Auster heeft na jaren weer een compacte, droevige roman geschreven.

     

  • De Noord-Zuid-lijn en Vergeten straat

    Vrijwel dagelijks staan de kranten anno 2009 vol met nieuws over de problemen rondom de aanleg van de Noord-Zuid-lijn in Amsterdam. Deze maand verscheen bij de Arbeiderspers Vergeten straat, van Louis Paul Boon. Een roman uit 1946. Onderwerp: De Noord-Zuid-lijn.

    De volgende fragmenten komen uit Vergeten straat, maar zouden zo geplukt kunnen zijn uit Het Parool van de afgelopen maanden…

    * De laatsten tijd hoort ge ook het vaag gerommel, het verre kappen en breken voor de Noord-Zuid-verbinding. En soms, heel dof: boem.

    * Koelie […] leest de gazet. Het is over de Noord-Zuid. Dat het lang genoeg geduurd heeft eer het Noord-station met het Zuid-station verbonden kon worden. Dat het een grootsch werk is.

    * …. Honderden krotwoningen gaan er door verdwijnen; aan duizenden werklozen, die nu in bandeloosheid en misplaatsten wrok leven, zullen arbeid en brood verschaft worden.

    * …. Die Noord-Zuid-verbinding is een lap op een versleten broek.

    * Ze stapt een eind met Koelie mee en spreekt over de Noord-Zuid. Iedereen spreekt daar over.

    * Iedereen peinst dat het ongeveer zal uitkomen aan het café van Louisken.

    * Het bonzen van haar hart overstemt het trillen van het pakhuis, het naderend gerommel voor de Noord-Zuid. Het ‘boem’ is niet meer enkele straten af, het is midden in haar hart.

    * Straks komen de mannen van de Noord-Zuid hier toe, en ze zullen bij mij het stof en de kalk uit hun keel komen spoelen, zegt ze.

    * Dat de mannen, die aan de Noord-Zuid werken en bij mij moesten frit met mosselen eten, nu bij u hun laatsten cent zullen verdrinken.

    * De mannen die aan de Noord-Zuid werken komen toe in de morgen, smijten hun kabas tegen den muur, spuwen in de handen en herbeginnen. De ploegbaas kijkt hun op de vingers. Hij kijkt naar de lucht of het vandaag niet regenen zal, naar het halve huis van Louisken, en naar den overkant waar ze weer al een door moeten.

    * Ik wenschte dat de Noord-Zuid hen naar de hel voerde, dat ieder die er een cent aan verdient vandaag nog dood viel.

    * We moeten een petitie indienen bij de regeering, bij de meesters van de Noord-Zuid.

    De roman Vergeten straat is grotendeels geschreven tijdens de bezetting in Brussel. Het uitgangspunt van dit derde werk van Boon is eenvoudig: een doodlopende straat in een naamloze grote stad wordt tijdens de aanleg van de Noord-Zuid-lijn helemaal van de buitenwereld afgesneden. Vervolgens wordt er op initiatief van ene Koelie een commune uit de grond gestampt. Om de kansen op welslagen van die Nieuwe Gemeenschap te kunnen beoordelen, heeft de schrijver een Brusselse impasse waar hij wel eens was geweest, bevolkt met mensen die hij kende uit zijn eigen omgeving. Het sociaal experiment van Koelie mislukt jammerlijk, het nieuwe gemeenschapsleven implodeert. Maar Boons literaire experiment fascineert tot op de dag van vandaag. Dat is mede te danken aan het beklijvende portret van Koelies dochter Roza, die onder Boons pen is uitgegroeid tot één van de meest destructieve kindvrouwtjes uit de moderne literatuur. Vanwege onvergetelijke figuren als Roza, haar vader Koelie en de bedelaar Vieze, maar ook Hermine, Peu, Gaston, Alfred, Marie en dikke Wis, Louisken en haar kinderen is Vergeten straat een feest om te lezen.

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95

  • Recensie 'Nachtlied' – Bas van Putten

    Door Marjolein Paalvast

    Het is een zaterdag eind maart, het begin van een nieuwe lente. Voor het eerst in weken is het warm en zonnig ? een ideale dag om met een boek te genieten van de buitenlucht. Gewapend met een zonnebril, een fles zonnebrandmelk en een volle pot thee, installeer ik me in de luwte van mijn balkon met Nachtlied, de nieuwe roman van Bas van Putten.
    Het eerste hoofdstuk had geen groter contrast kunnen vormen met de stralende eerste lentedag. We schrijven oktober 1838: in het holst van de nacht hobbelt een passagierskoets van Praag naar Wenen. Op de bok, naast een benevelde koetsier, zit Richard Hauch, een bekend componist uit Leipzig. Hauch is een man met een doel: hij is door het donker op weg naar Wenen om daar als chef-redacteur een muziektijdschrift op de markt te brengen en om er als componist ‘een voorbeeld te stellen’. In Wenen wil hij te zijner tijd ook trouwen met zijn ‘gepantserde’ verloofde, Agnes.
    Meeschommelend op het ritme van de koets, arriveer ik achttien pagina’s later in de Oostenrijkse hoofdstad. Het kost me moeite om in het verhaal te komen. Dat ligt vooral aan de formulering van Nachtlied. Het taalgebruik van Van Putten is erg aanwezig. Zijn schrijfstijl is ‘gedragen’, verheven. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, zoveel mogelijk buiten de standaard woordkeus, en bouwt zinnen die haast melodieus aandoen. Door de grote mate van aandacht voor de formulering is deze echter zo sterk aanwezig, dat de inhoud op de achtergrond raakt. Het verhaal krijgt me niet te pakken ? ik blijf van een afstand observeren.
    In het negentiende-eeuwse Wenen strijden twee verhaallijnen om de aandacht van de lezer. Enerzijds is er de beschrijving van de pogingen van Hauch om vaste voet aan de grond te krijgen als componist en als vertegenwoordiger van tijdschrift Die Musik. Anderzijds zijn er de reminiscenties over en brieven aan zijn geliefde Agnes, waarin we een beeld krijgen van de gecompliceerde relatie tussen het muzikale paar.
    Verbindende factor tussen de twee verhaallijnen is de vader van Agnes, herr Rochlitz. De bureaucratische problemen die Hauch ondervindt bij het lobbyen voor een stevige bodem voor zijn tijdschrift, worden veroorzaakt door een breed opgezette lastercampagne van de oude Rochlitz. Maar belangrijker: ook de liefdesproblemen die Hauch ondervindt in zijn relatie met Rochlitz’ dochter, zijn aan hem toe te schrijven. Naarmate het boek vordert wordt steeds duidelijker in welke obsessieve mate Rochlitz pogingen onderneemt om Hauch bij Agnes weg te houden: het stel lijkt vogelvrij verklaard.
    Van Putten weet een mooi tijdsbeeld te schetsen. Zijn schrijfstijl past bij mijn voorstelling van Oostenrijk in de negentiende eeuw en de karakters die hij neerzet doen denken aan Hildebrands Camera Obscura. Door zijn wijdlopige beschrijvingen en gedetailleerde weergave van de muur van bureaucratisch vertoon waar Hauch in Wenen tegenaan loopt, vertraagt het verhaal in het middenstuk echter te sterk. De lezer dreigt te verdwalen in een woud van namen, opsommingen en gedachtesprongen.
    Nachtlied laat zich het beste te vergelijken met een muziekstuk. Qua opbouw maakt het een golfbeweging. Versnelling ? vertraging ? versnelling: allegro ? adagio ? allegro. Qua formulering heeft de tekst een sterk muzikale klank ? ik betrap mezelf erop dat ik zinnen zachtjes voor mezelf uitspreek om de cadans van de woorden beter te voelen. ‘Ritmisch bewegend, zwevend licht, onmogelijk paradoxaal staccato en legato tegelijk, dat als een luie bliksem gaten schiet in het toneelgordijn waarmee een goede god bij nacht de grootsheid van zijn schepping afschermt voor de boze blikken van de ketters die zijn macht nooit hebben leren vrezen.’ Maar: hoewel de roman technisch gezien gedegen in elkaar steekt, raakt het verhaal me ? juist door het opvallende taalgebruik – nergens echt. Zoals Hauch schrijft: ‘De symfonie ? ik heb het eenmaal geprobeerd en dat is niets geworden. Dat is een genre dat niet wacht op de muziek en er de vorm voor in de plaats stelt.’ Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden.

    Bas van Putten, Nachtlied. De Arbeiderspers, 2009. Vrij gebaseerd op de lotgevallen van het echtpaar Robert Schumann (componist) en Clara Wieck (pianiste)

  • Bedaarde onrust

    Recensie door Thomas Möhlmann

    ‘Ik geloof (…) dat ik wel een vis had willen zijn,’ vertelde Ilse Starkenburg jaren geleden eens in een interview. In het korte gedicht ‘fantasie’ stelt ze zich deze wens concreet voor:

    ‘als ik mijn oranje vis was
    dan was ik oranje
    dan was ik een vis

    ik woonde in een kleine wereld
    waar ik alle anderen kende
    nooit verdwaalde ik

    ik riep: draai
    en ik draaide
    ik riep: daar
    en daar was ik

    en ik viel nooit als ik’

    Het is een van de zesenveertig gedichten die Starkenburg in haar vierde dichtbundel Gekraakt klooster heeft opgenomen. Zonder opsmuk, met eenvoudige woorden, doet elk van de gedichten secuur verslag van wat er in en buiten het hoofd van de dichteres gebeurt. Een zeer aandachtig hoofd, omringd door een soms aangenaam merkwaardige, maar doorgaans bedreigende en niet geheel begrijpelijke wereld. De vissenkom waarin de dichteres leeft, is niet deze hele wereld, maar haar eigen hoofd. Precies wat in de vis benijd wordt, lijkt dit mensenhoofd te ontberen: overzicht, grip en vertrouwdheid met de omgeving en de anderen daarin. Beklemmende gedachten en gedichten levert het op, die met een bedaarde onrust aan het papier zijn toevertrouwd. Er is een behoefte, een hunkering soms, aan werkelijk contact met wie zich buiten de kom bevindt, af en toe lijkt dat ook wel plaats te vinden, maar steeds doemt de glazen wand op tussen binnen- en buitenwereld: uiteindelijk blijft ‘de ander’ voor de dichteres een in de kern onkenbaar verschijnsel. En vice versa, getuige ‘gesprek op het strand’:

    ‘het moet iemand zijn
    met een ander karakter dan
    ik: een rustig iemand

    maar jij bent zelf toch heel rustig?

    nee, van binnen
    ben ik niet heel rustig.’

     

    Deze recensie werd eerder gepubliceerd in: Poëzietijdschrift Awater, winter 2008, jaargang 7, nummer 1.

     

  • Paradijzen verdwijnen

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Christenen en moslims kunnen vreedzaam naast elkaar wonen. Iskander, de pottenbakker, herinnert zich hoe hij aan het begin van de vorige eeuw nog vrolijk kon meedrinken met de christenen ‘omdat vrijwel elke dag van hun leven het feest van een of andere heilige was.’ In 101 hoofdstukken vertelt de Engelse schrijver De Bernières de geschiedenis van een klein dorp in Anatolië.
    Iskander verklapt ook meteen wat er in de volgende 500 bladzijden staat te gebeuren. Het wemelt van de namen in het begin, want bijna het halve dorp wordt als personage opgevoerd in deze vuistdikke roman. De verschillende hoofdstukken worden ook nog weer vanuit een verschillend perspectief verteld. Het duurt dan ook even voordat je in het verhaal zit.
    Drie grote lijnen spelen een hoofdrol: de grote Shakespeariaanse liefde van de jonge Ibrahim voor het Christenmeisje Philotei, de vriendschap tussen de jongens Karatavuk en Mehmetçik en de opkomst van Mustafa Kemal, die beter bekend is onder de naam Atatürk, de grondlegger van het moderne Turkije. De bewoners van het dorpje voelen zich echter geen Turk. Ze zijn, christen of moslim, allemaal Ottomanen. Behalve een publieke vernedering van een Armeniër en de steniging van een overspelige vrouw gebeurt er vrij weinig. De Bernières schetst een soort paradijselijke toestand en lardeert de eerste helft van zijn boek nogal eens met vogel- en plantennamen, zegswijzen en sprookjesachtige vertellingen.
    Paradijzen houden echter nooit lang stand. De hoofdstukken die aan Mustafa Kemal zijn gewijd laten zien dat het rommelt in de regio. De Balkanstaten zijn voortdurend in oorlog. Griekenland wil stukken van het Ottomaanse rijk inlijven en Kemal wil een eigen Turks grondgebied. Het is de politiek die zorgt voor een jarenlange vernietiging van het vreedzame leven. Op het einde zijn de christenen uit het dorp gedeporteerd naar Griekenland, is de liefde tussen Ibrahim en Philotei geëindigd in moord, is de vriendschap uiteengerukt en zijn er in het nieuwe Turkije tienduizenden mannen op het slagveld achtergebleven.
    De beschrijvingen van Ibrahim als soldaat vanuit de loopgraven behoren tot de mooiste passages van de roman en kunnen wedijveren met de grote literatuur over de eerste wereldoorlog in West-Europa. Die kwaliteit houdt niet stand in de overige hoofdstukken waarin de schrijver nogal eens overdreven poëtisch taalgebruik hanteert. Die taal staat in contrast met de gortdroge, opsommende beschrijving van het leven van Atatürk. Al met al komt er voor de volhouder wel een boeiend beeld van een voor velen onbekende geschiedenis van het platteland van Turkije.

     

    LOUIS DE BERNIÈRES: Vogel zonder vleugels. Vertaald door Tinke Davids. De Arbeiderspers, Amsterdam, 565 blz. €25,-