• Oogst week 22 – 2021

    Fantasii

    Op een dag ontwaakt een meisje in een letter en spreekt ze geen mensentaal meer, maar de taal van de bomen. Als ze uiteindelijk terug naar huis wil gaan, heeft ze geen thuis meer en is haar enige bezit haar handschrift. Daarover gaat de dichtbundel Fantasii van Ineke Riem (1980).

    In 2013 debuteerde ze met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, die haar de Bronzen Uil en een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs en de Academica Literatuurprijs opleverde. Momenteel is ze een van de drie schrijvers die in het Witsenhuis verblijft, waar auteurs maximaal vijf jaar lang gratis kunnen wonen en werken.

    Fantasii
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Virgula

    Sasja Janssen (1968) schrijft proza en poëzie. In 2001 debuteerde ze met de absurdistische roman De kamerling, over een jongen die is ondergebracht in de bibliotheek van zijn leraar Nederlands, die niet bepaald vriendelijk met hem omgaat. Haar dichtbundel Ik trek mijn species aan leverde haar een nominatie op voor de VSB Poëzieprijs.

    In het juryrapport werd dit werk ‘een perfect aan elkaar geregen korset van woorden’ genoemd. Daarnaast is Janssen poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en bij CREA. In haar nieuwe dichtbundel Virgula, vernoemd naar het Latijnse woord voor ‘komma’, strijdt ze met gedachten en taal tegen stilstand.

    Virgula
    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    De belofte

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) schreef op zijn zeventiende al zijn eerste boek. Hierna volgden er meer titels, waarvan enkelen naar het Nederlands zijn vertaald. Zijn roman In een vreemde kamer (2011) werd genomineerd voor de Man Booker Prize.

    In zijn nieuwste roman, De belofte, staat een familiegeschiedenis centraal. Een stervende vrouw dwingt haar man te beloven dat de zwarte hulp na jarenlang trouwe dienst haar eigen huis zal krijgen. De man komt deze belofte niet na. Hun kinderen gaan hier alle drie anders mee om: de een is laf en durft geen keuzes te maken, de ander denkt alleen aan zichzelf en hoofdpersoon Amor hoopt, geleid door schuldgevoel, dat zij het verschil kan maken.

    De belofte
    Auteur: Damon Galgut
    Uitgeverij: Querido
  • Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Rob Schouten is behalve literair criticus, columnist en schrijver ook zijn hele leven al dichter. Zijn nieuwste bundel Dit moet dus de werkelijkheid zijn, draagt de titel waaruit twijfel, bevreemding en ongeloof spreekt. In deze bundel staat de afstand centraal die de ‘ik’ ervaart tot de werkelijkheid. Op zich niet zo bijzonder, zou je zeggen. Belangrijk is evenwel het perspectief vanwaaruit deze gedichten zijn geschreven, namelijk van iemand op oudere leeftijd. Hoewel je het lyrische ik en de dichter volgens de boekjes dient te scheiden, zou dat in dit geval flauw zijn. In toegankelijke, ritmische regels betrekt Schouten de lezer bij alles wat hem zoal bezighoudt. 

    In de eerste van vijf afdelingen,‘Uit het leven’, gaat het om gevoelens van nietigheid en vergankelijkheid die de dichter in deze fase van zijn leven ervaart. Openingsgedicht ‘Innocent’ beschrijft het verlangen naar jeugdige onschuld. Hoe graag zou de dichter zich weer in deze toestand bevinden: ‘mij lijkt het grandioos, / het nieuws nietszeggend springliedje, / links rechts en van je brexit trump’. Het was tijd van de ‘extase van het ik’. ‘Nu heb ik gevoel voor proporties’, schrijft hij in de laatste strofe. Maar wat heeft hij daaraan? ‘Geen idee waarom dit alles, / o rijke geest, o zoete dood, o niets!’ In een volgend gedicht vraagt hij zich af of niet onze ‘beschaving’, maar de ‘wit uitgeslagen wereld’ van de Noordpool de echte werkelijkheid is. Gelukkig heb je ook nog de intieme, beheersbare wereld van de literatuur. Het lezen wordt in ‘Lust’ op een erotische manier beschreven.

    ‘Maar het grootste genot vind ik
     uitstekende titels
     en toeschietelijke teksten;
     met mijn vingers duw ik pagina’s van elkaar
     en dring de zinnen binnen,
     roodgloeiend van de endorfine.’

    Vergankelijkheid en eeuwigheid

    Schoutens gedichten zijn zeer bespiegelend. Je leest over beide kanten van de thematische medaille. Zo denkt Schouten in het sonnet ‘Porties’ terug aan zijn overleden vader, om hier vervolgens zijn eigen sterfelijkheid aan te verbinden: ’tot op een dag ook ik oplos voordat / ze weer besmet raken en torens vallen’. De geschiedenis – corona, 9/11 – zal zich in enigerlei vorm herhalen. Zodra je denkt dat de dichter met het cyclische karakter van de geschiedenis vrede heeft, lees je na het octaaf – de klassieke wende – dat hij het onverteerbaar vindt dat een nieuwe generatie, ‘al dat nieuwbakken en frisse spul’, straks met zijn intellectuele erfenis aan de haal zal gaan.   

    Vergankelijkheid staat nadrukkelijk tegenover eeuwigheid. Dat de wereld buiten vergaat heeft de ‘ik’ te verdragen, maar wat als er ook geen eeuwigheid bestaat: ‘is de kosmos bij nader inzien misschien overdekt?’ De ‘ik’ laat zich regelmatig door onlustgevoelens meeslepen. In het gedicht ‘In het verkeer’ wil de ‘ik’ er zelfs de brui aan geven, om vervolgens te ervaren dat hem hiervoor de moed ontbreekt. Bovendien duiken meteen schuldgevoelens op.

    ‘Ben ik het spoor bijster of niet
     als ik denk: laat het over zijn?
     die twintig, dertig jaar schenk ik
     de miljardair die kosmos heet.

     dan toetert er een van opzij
     die vindt dat ik te krap bemeet.
     en haastig schuif ik in de rij,
     oneeuwig als een schuldig kind.’

    Zelfironie en de liefde

    Schouten schrijft over zichzelf met veel zelfironie. In ‘Het dure schrijverschap’ neemt hij zijn eigen betekenis als dichter op de korrel: Ik ben die oorlog misgelopen / opdat ik ongestoord kon puberen / richting gesubsidieerd dichterschap, / en nu, ondanks de verkoopcijfers, / legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’ Het maakt allemaal niet meer uit als de dichter er niet meer is: ‘Wie zegt iets zwaars als straks Bach klinkt / en ik het zorgeloze middelpunt ben…’ 

    Na het persoonlijke eerste deel gaat het volgende deel, ‘Aarde’, om de mens in het algemeen, waarbij Schouten vaak een kritische toon aanslaat. Bijvoorbeeld hoe ‘leugenaars en mythomanen’ de natuur in natuurseries menselijk maken, ‘er hun buiksprekerspraktijk op stillen’. In een ander gedicht beschrijft hij hoe de mens zichzelf overgeeft aan dierlijke instincten: ‘Auto’s in bermen tot voorbij mijn huis, / achter de beukjes wordt gebarbecued, / volvette lucht van hecatomben, / boven de baritons giert een sopraan het uit, / kinderen springen op iets, glijden er weer af.’ Maar: ‘Iets moet dit toch gewild, samengespannen om het voor elkaar te krijgen.’ 

    Als een vlucht uit de werkelijkheid is er, behalve muziek en literatuur, ook nog de liefde. De derde afdeling bestaat geheel uit liefdesgedichten (‘Minneliederen’). In de liefde laat de vergankelijkheid zich minder gelden, want ondanks zijn gevorderde leeftijd is de dichter nog goed tot liefde in staat. Wel heeft hij meer haast om er iets goeds van te maken. 

    ‘Ik maak er werk van tegenwoordig,
     korven vol hartjes, kussende lippen
     en liedjes die ik vroeger links liet liggen;
     ze ruist en gretig kom ik aangesneld.’

    De tijdgeest

    De vierde afdeling ‘Tijd’, beschrijft Schouten beurtelings ironisch en cynisch de tijdgeest. Het zijn gedichten waarin de columnist doorklinkt. Over moderne fenomenen als tattoos en viagra, maar ook over de zoönose die ons getroffen heeft, zoals in ‘De kroon op de schepping’:

    ‘Ik kijk corona want er is niks anders.
     Maken wij ook wat mee; ik dacht al zonder
     gebeurtenis te moeten sterven maar
     gelukkig zie ik artsen en agenten.’

    Schouten is een dichter van rake observaties, zijn gedichten zijn realistisch en eerlijk. Zoals in ‘Agnitio’ waarin Schouten zijn ambivalente gevoelens over zijn scheiding verwerkt: ‘Hoe simpel daalt ze af in mijn onderbewuste, / of het haar eigen ziel betreft: / je kunt je eigen ex niet echt afschudden / omdat je nog van haar aandacht geniet.’ 

    Het losstaande gedicht ‘Pompejisch’, waarin hij zijn bestaan tot enkele kale feiten reduceert, vormt een passend en ironisch slot. In Dit moet dus de werkelijkheid zijn snijdt Rob Schouten op originele wijze grote thema’s aan zonder zwaar op de hand te worden. De werkelijkheid is zorgelijk en dramatisch, maar je hebt het ermee te doen.

     

  • Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Joke Hermsen (1961) studeerde letterkunde en filosofie in Amsterdam en Parijs. Ze is gepromoveerd aan de universiteit van Utrecht en vertaalde Franse poëzie en filosofie. In 1998 verscheen haar debuutroman Het dameoffer. In de jaren die volgden wisselden veelgeprezen (historische) romans en succesvolle essays elkaar af. In 2018 verscheen haar prachtige roman Rivieren keren nooit terug, waarin de hoofdpersoon door Frankrijk reist met als bestemming de rivier waar zij alle vakanties van haar jeugd heeft doorgebracht. Tijd speelt de hoofdrol in het gehele oeuvre van Hermsen en dat geldt ook voor de essaybundel Ogenblik & eeuwigheid; Meer tijd voor de kunst. Eén van de citaten waarmee de bundel begint zorgt ervoor dat de toon gezet wordt: ‘Tijd is geen ding dat voorbij gaat… het is een zee waarop je drijft’ (Margaret Atwood). 

    Ogenblik & eeuwigheid is een verzameling van een aantal van de essays die Hermsen in de afgelopen jaren over kunst en literatuur heeft geschreven. Sommige zijn eerder in boekvorm verschenen. In de nieuwe bundel wemelt het van prachtige zinnen en gedachtegangen; Hermsen weet haar achtergrond als letterkundige en filosofe wederom op een unieke manier te combineren. De twaalf essays richten zich niet alleen op allerlei vormen van kunst, van schrijven tot schilderen en zelfs tot muziek, maar gaan ook over de heilzame werking van kunst. Daarnaast roept Hermsen expliciet op tot politieke bescherming van de kunst. In het midden van de bundel bevinden zich enkele kleurenfoto’s van een aantal door Hermsen besproken kunstwerken. 

    Cadans en dynamiek

    Het eerste essay heeft dezelfde titel als het boek en fungeert als een belangrijke inleiding op het begrip tijd. ‘Ogenblik & eeuwigheid, het zijn geliefde begrippen van denkers en dichters. De ene tijdsduiding duurt nog geen oogwenk of ademzucht, de andere strekt zich uit tot in de verste oneindigheid.’ Kunstenaars kunnen door middel van pauzes, versnellingen of vertragingen op een creatieve manier omgaan met de tijd, waardoor er een bepaalde ‘cadans en dynamiek’ ontstaat. ‘Dit veronderstelt dat er binnen de kunst blijkbaar meer tijd voorhanden is dan slechts het monotone tikken van de klok, die onze moderne levens zo sterk bepaalt. Hoe dit ‘meer’ in het kunstwerk gestalte krijgt en waarom deze andere, ruimere ervaring van de tijd vaak als verrijkend en ontspannend wordt ervaren, zijn enkele van de vragen die ik in deze essays wil opwerpen.’

    Hermsen stelt dat kunst fungeert als een ‘noodzakelijke bewaker van het wankele evenwicht tussen de wetten van de klok en de economie enerzijds en de verbeeldingskracht en het (wel)zijn van mensen anderzijds.’ In 2017 was ze gastcurator van de internationale tentoonstelling Kairos Castle over tijd en kunst op het Kasteel van Gaasbeek, nabij Brussel. ‘Weg van het straffe regime van de door de economie voortgedreven kloktijd, probeerde ik met behulp van de kunst en de muziek de bezoekers naar een andere, meer bezielde ervaring van tijd toe te leiden, die tot nadenken aanspoort en zo het juiste momentum voor verandering kan voorbereiden.’ Naast het feit dat de kunst ons verstilling, bezinning en inspiratie kan bieden, vraagt de kunst op haar beurt van ons dat we tijd nemen om ons te verwonderen.

    De elf essays die volgen hebben stuk voor stuk intrigerende titels, zoals Ourobouros en overige perikelen – Het vitalisme van Hilma af Klimt en Overvloed en onophoudelijke geboorte – Over het werk van Paula Modersohn-Becker. Inhoudelijk gaan de essays allemaal in meer of mindere mate over bekende en minder bekende boeken, schrijvers, muziek en muzikanten, beeldende kunst en kunstenaars. Hermsen is zeer goed thuis in de materie. Haar kennis is zo overkoepelend dat de analyses die ze maakt in het licht van Ogenblik & eeuwigheid niet alleen bijzonder plausibel zijn maar ook zeer interessant. Hermsen laat mensen die al genoten van allerlei vormen van kunst daar op een andere manier naar kijken en luisteren.

    Zorgen voor de ziel

    De Ierse schilder Sean Scully blijkt zich bijvoorbeeld in zijn werk te hebben laten inspireren door de Franse filosofe Simone Weil. In haar optiek moet er gezocht worden naar een nieuw equilibrium tussen de polen van tegenstellingen, ‘… pas dan zorgen we volgens Weil goed voor onze ziel’ schrijft Hermsen. ’Een interessante gedachte als je het voortdurende spel met horizontale en verticale assen van Scully in ogenschouw neemt, die niet alleen verklaarde “het gemeenschappelijke van de menselijke ziel te willen schilderen”, maar ook “geobsedeerd” te zijn met verhoudingen, verdubbelingen en paren.’

    In het essay over Virginia Woolf gaat het over herinneringen. Immers, ‘De spot drijven met de klok is ook een voorwaarde om een belangrijke bron van het schrijverschap te kunnen aanboren, namelijk de herinneringen van de schrijver.’ Hermsen beschrijft een aantal werken van Woolf en benadrukt het feit dat Woolf experimenteert met de tijd, zoals bijvoorbeeld in haar roman Mrs Dalloway (1925). In deze roman spelen alle gebeurtenissen behalve de flashbacks zich af op dezelfde dag in juni. De uitleg die Hermsen geeft over de tijdverdichtingen, tijdversnellingen, flashbacks en vooruitblikken voelt logisch en spoort de lezer aan om ofwel bekend werk te herlezen vanuit een nieuwe invalshoek, ofwel om nieuw werk van Woolf te gaan ontdekken, overigens zonder een keurslijf op te dringen. Over de kunst van Marlene Dumas betoogt ze: ‘De kunst zet ons graag op het verkeerde been en gaat daar net zo lang mee door tot we lopen, het ene been voor het andere, en zwerven door het vreemde, dat verbijsterend genoeg juist onderdak kan bieden aan datgene wat verbannen is’.

    Heilzaam

    Het essay over De Toverberg van Thomas Mann heeft als uitgangspunt dat ‘kunst, muziek en literatuur een heilzame werking op zowel onze geest als ons lichaam hebben’. Wat Hermsen betreft zou dit gegeven gevolgen moeten hebben voor het onderwijs: ‘Laat de literatuur en de inhoud van boeken toch weer de boventoon voeren in het taalonderwijs, en besteed serieus aandacht aan muziekvakken, theater en beeldende kunst; niet alleen leerlingen, maar ook docenten zullen er in mentaal en fysiek opzicht aanzienlijk van opknappen.’ De Toverberg vormt voor Hermsen de ‘novel cure bij uitstek’, de uitgelezen plek waar de geest oefening en bezieling kan vinden. 

    Over filosofe Hannah Arendt schreef Hermsen al in eerdere boeken. In dit essay richt ze de schijnwerper op Arendts principe van nataliteit, de kracht van het beginnen. Het is een principe waar maar weinig filosofen aandacht aan besteden. Ieder nieuw begin laat aan de wereld zien wie wij zijn. We maken onszelf zichtbaar in ons spreken en handelen, door het verwoorden van een bepaalde mening, visie of inzicht of door een initiatief te nemen. Dat nieuwe begin is overigens pas mogelijk wanneer de samenleving voldoende ruimte biedt aan de uniciteit van iedere mens en de pluraliteit van alle mensen onderling erkent. 

    Ogenblik & eeuwigheid is geen boek om achter elkaar uit te lezen, dat zou de essays geen recht doen. Ze kunnen een fijne toevoeging vormen aan het beleven van kunst, of dat nu het werk van de wereldberoemde Mark Rothko is of dat van Paula Modersohn-Becker, van wier werk pas ruim honderd jaar na haar dood een overzichtstentoonstelling in het Musée d’Art Moderne in Parijs werd ingericht. Maar ook zonder kennis te hebben van de beschreven kunstenaars of kunstwerken zijn de prachtig geschreven filosofische verhandelingen zeer interessant. Hermsen is zo ongelooflijk thuis in de wereld van de kunst dat je nieuwsgierig wordt naar alles wat je nog niet gelezen, gezien of gehoord hebt en waar zij zo vol enthousiasme over schrijft. Daar zou je zomaar een eeuwigheid voor nodig kunnen hebben.

     

     

  • Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    In 2016 was in het Stedelijk Museum Alkmaar een expositie te zien van werk dat Pablo Picasso maakte toen hij in 1905 korte tijd in Schoorl verbleef. Hij was er naar toegelokt door de (aankomend) journalist Tom Schilperoort, die in Parijs met enkele Nederlandse schilders in de kringen van Picasso verkeerde. In Schoorl leerde Picasso Nelly Timmer, Schilperoorts vriendin, kennen. Zij zou de jonge vrouw kunnen zijn die hij op La belle Hollandaise afbeeldde. Al twintig jaar voor deze expositie schreef Kees Koomen het boekje Picasso in Holland. Daarin constateerde hij dat er de nodige vragen blijven bestaan over wat er in 1905 precies voorviel en dat onze fantasie het beeld zal moeten completeren. Christiaan Weijts vatte dat op als een uitnodiging. Het resultaat is de roman Furore.

    Op zoek naar een inbedding van die reconstructie zal Weijts op de gedachte zijn gekomen dat het in 2055 precies 150 jaar geleden zal zijn dat Picasso Schoorl bezocht. Hij hangt Furore op aan een project om dat feit in 2055 toeristisch uit te buiten. De voorbereidingen daarvoor beginnen in 2054, het jaar waarin een groot deel van de roman zich afspeelt. Het is een tijd waarin razendsnel met de hyperloop naar Parijs gereisd wordt, een deel van Nederland weer ontpolderd is, het gewoon is om je met een hololens door je werk en het leven te bewegen en de vluchtingenstroom wordt tegengehouden door elektrozones. Twee vrienden, ondernemer Freek en kunsthistoricus Kris, werken in opdracht van Fransen en Chinezen aan een Picasso Xperience, een project waarin je vanuit zelfrijdende auto via Virtual Realitybril Picasso kunt zien lopen op plekken die hij in 1905 aandeed. Menige lezer zal zich bij zo’n uitgangspunt afvragen of het wel zo sterk is: zou een minuscuul detail uit het leven van Picasso in 2055 interessant genoeg zijn om daar 150 jaar na dato een toeristisch circus voor op te tuigen dat een internationale trekpleister moet worden?

    Uitvreter

    Freek is de man achter de technische ontwikkeling, Kris stort zich op het boven water halen van het werkelijke verhaal van Picasso en Schoorl. Zijn interesse geldt oorspronkelijk Picasso maar het is al snel de Nederlander Tom Schilperoort die hem meer boeit. Weijts heeft veel research gedaan en zijn personage Kris in staat gesteld een verhelderende biografie te schrijven. De roman Furore speelt zich daarmee af in twee tijdvakken, in 1905 (meer uitgebreid de tijd van 1882 tot 1930 dat Schilperoort leefde) en in 2054. In de roman zijn ze onderscheiden door de nummering van hoofdstukken en paragrafen, respectievelijk  in Romeinse en Arabische cijfers.

    Schilperoort was de man op wie Nescio, volgens Enno Endt, De uitvreter baseerde. Hij was een bohemien die in Parijs met kunstenaars als Picasso en Nederlanders als Kees van Dongen en Otto van Rees omging. Schilperoort scharrelde in het begin zijn kostje bijeen met gelegenheidsstukjes voor kranten, maar ging later boeken schrijven, vooral over auto’s. Omdat zijn vriendschap met Picasso vrijwel meteen na ‘Schoorl’ bekoelde loopt dit biografische deel van de roman al snel weg van de aanvankelijke onderzoeksopdracht voor het Xperienceproject. Zozeer dat je je soms afvraagt wat deze Schilperoortbiografie nog te maken heeft met het 2054-verhaal. En er is meer dat dit Schilperoortdeel, hoe interessant op zich ook, niet volledig geslaagd maakt. Soms verliest Weijts zich via Kris teveel in details. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij op zoek gaat naar de omstandigheden waarin de foto is gemaakt waarop Picasso, Schilperoort en Nelly Timmer samen staan (hij is voor in de roman opgenomen). De maker ervan zou Schilperoorts broer Gijs geweest kunnen zijn, maar waarom moet daaraan worden toegevoegd ‘die later leraar Frans wordt (…) en in 1938 directeur wordt van de Gemeentelijke Handelsschool in Den Haag, in dat grote, kathedraalachtige schoolgebouw dat nog altijd op de hoek van (…) staat.’?

    Stamcellen

    Complexer is het deel van de roman dat in 2054 is gesitueerd, het jaar waarin Kris al die onderzoeken doet. Daarin tuimelen de verwikkelingen over elkaar. Met hun auto rijden Kris en Freek een jonge vrouw aan, Safa. Ze blijkt lid te zijn van de vlakbij gevestigde soefigemeenschap. Safa kan als gevolg van de aanrijding niet meer goed zien en komt terecht in de kliniek van Evy, de vriendin van Freek. Terwijl Freek en Kris zich in allerlei bochten wringen om de werkelijke toedracht van het ongeval te verhullen, ontdekt Kris ineens dat Evy bezig is met de ontwikkeling van een stamceltherapie met cellen van embryo’s die Safa’s gezichtsverlies misschien zou kunnen genezen. Daartussendoor loopt het Xperienceproject, waarvan de Chinezen uiteindelijk om ethische redenen afzien omdat ze ontdekt hebben dat Freek ook de ontwikkelaar is van Deep Undress, een techniek waarmee je op straat vrouwen virtueel kunt uitkleden. En er zijn politieke verwikkelingen waaraan partijen meedoen als de Liberale Democraten, de Digitale Democraten en Licht, de soefipartij, waarvan de leider wordt neergeschoten.

    Projectiescherm

    Zoals hiervoor gezegd: soms vraag je je af wat beide verhaallijnen die zover in tijd uit elkaar liggen met elkaar te maken hebben. Weijts doet pogingen om ze te verbinden door uitspraken als: ‘Misschien is het altijd al zo geweest dat het heden de plek lijkt waar de geschiedenis voltooid is, maar niet eerder werd dit zo versterkt doordat de wereld op zoveel plekken vooral nog het projectiescherm was van eerdere gebeurtenissen’. Of (sprekend over de soefibeweging): ‘Ik dacht opnieuw aan Tom. Ook in zijn tijd was er die drang geweest van allerlei idealisten om het anders te doen, om er uit te stappen, om terug te keren naar de natuur en aan je spirituele groei te werken’.
    Die verbinding tussen 1905 en 2054 legt Weijts ook intertekstueel door het verhaal over 2054 te doordesemen met citaten of parafrases daarvan die ontleend zijn aan Nescio (‘Ik ben goddank helemaal niets’), Kees van Dongen (‘Zien is niet alleen een kwestie van kijken’) en Picasso (‘Als ik een wild paard schilder, zie jij misschien helemaal geen paard. Maar je zult hoe dan ook de wildheid zien’). Ook zijn er een paar parallellen die mogelijk bedoeld zijn om de verhalen te verbinden. Net zoals het de vraag is of Picasso of Schilperoort de vader is van de dochter die Nelly ongeveer negen maanden na Picasso’s bezoek in 1905 krijgt, zo dient zich die kwestie in 2054 aan als Evy zwanger is: is het van Freek of van Kris?

    Ook de titel van de roman, Furore, verbindt de verhalen door de meervoudige betekenis van het woord. In het leven van de Parijse schilders staat het voor succes, furore maken. In beide geschiedenissen staat het begrip ‘furor’ ook nog eens voor woede, als Weijts zijn personages laat filosoferen over de dichtregel van Petrarca ‘Virtu contra furore prendera l’arme’ (deugd/moed zal de wapenen opnemen tegengeweld/woede). En tenslotte is er nog het plaatsje Furore in Italië, waar de soefiste Safa haar ‘bevrijding’ ervoer.

    Kogel van rechts

    Furore speelt zich dus af in geheel verschillende tijdvakken, 1905 en 2054. Maar voor de lezer is er natuurlijk nog een derde: de tijd waarin deze roman verschijnt en hij hem veelal zal lezen, en die zijn referentiekader is voor 1905 en 2054. Weijts maakt daar soms handig gebruik van door grappig aandoende verwijzingen. Zo vermeldt hij dat Kris verwekt werd in de nacht waarin de Notre-Dame in Parijs in brand stond (15 april 2019). En na de moord op de lijsttrekker – en beoogde premier – van de soefipartij, die inderdaad meteen aan de moord op Pim Fortuyn doet denken, heet het al snel dat ‘de kogel van rechts kwam’.

    Met Furore heeft Weijts een intrigerende ‘uitvreter’ ten tonele gevoerd, maar het lijkt er toch op dat hij de uitnodiging die hij zag in het boekje Picasso in Holland wat te ruim heeft opgevat om de lezer steeds vast te houden.

     

     

  • Een onmogelijke liefde

    Een onmogelijke liefde

    In kwantitatieve zin is het oeuvre van de Amerikaanse Marilynne Robinson (1943) niet heel omvangrijk – er verschenen van haar hand welgeteld zeven boeken tussen 1980 en 2020 – maar de waardering voor die boeken is er niet minder om. Ze is met name bekend geworden vanwege haar roman Gilead die in 2005 werd bekroond met de Pulitzerprijs voor literatuur. In 2012 ontving ze de prestigieuze National Humanities Medal, een onderscheiding die jaarlijks door de Amerikaanse president aan maximaal twaalf mensen wordt uitgereikt. De zogenaamde Gilead-serie begon met het boek Gilead (2004) waarna Home (2009) en Lila (2014) verschenen en eind vorig jaar verscheen Jack. De boeken zijn door thematiek en personages met elkaar verbonden maar ook uitstekend los van elkaar te lezen.

    Jack speelt zich af in de jaren vijftig vorige eeuw. Mannen zijn gekleed in  kostuums en dragen hoeden en vrouwen hebben handtassen die passen bij hun schoenen. In St. Louis, waar het verhaal zich afspeelt, zijn de regels duidelijk over wat wel en niet hoort en wat zelfs strafbaar is in de omgang met andere rassen. Della, een jonge, zwarte, vrome lerares wordt op een avond onverhoeds ingesloten op een kerkhof, waar ze zat te werken aan een gedicht. Ze wordt aangesproken door Jack, een vriendelijke alcoholist die wel vaker de nacht lijkt door te brengen op het kerkhof. Aanvankelijk weigert Della om met hem te praten, want Jack is wit en de segregatie is in St. Louis in die tijd nog alomtegenwoordig.

    De intelligente Jack weet haar echter uit haar tent te lokken. ‘Laat me raden. De lievelingsdochter van je vader zwerft ’s nachts rond met een ongure blanke. Blootsvoets. Op een kerkhof. Als ze betrapt wordt, zal het schandaal nog eeuwen nagalmen, tot in de verste uithoeken van Tennessee, en zullen alle vreemde details breed worden uitgemeten. Voor altijd. En hij was zo trots op je.
    Vervolgens voeren Jack en Della urenlang een zeer geanimeerd en diepgaand gesprek over grote levensvragen en diepgaande emoties. Ze ontdekken hun gedeelde liefde voor poëzie en literatuur en tegen de ochtend nodigt Della Jack zelfs bij haar thuis uit voor het komende Thanksgivingdiner.

    Rode rozen

    Omdat het boek vanuit het perspectief van Jack geschreven is, wordt duidelijk wat de invloed van deze ontmoeting op diens leven is. Hij zoekt en vindt een baan, gaat minder drinken en bezoekt de bibliotheek. Hij verdiept zich daar vooral in Hamlet. Qua karakter lijken Hamlet en Jack enigszins op elkaar; ze delen de bijzondere combinatie van impulsiviteit en besluiteloosheid. Wanneer Jack zich bijvoorbeeld met een in een opwelling gekochte enorme bos rode rozen naar het huis van Della begeeft voor het etentje, duurt het uiteindelijk tot diep in de avond voordat hij daadwerkelijk bij haar durft aan te kloppen. De rozen liggen dan inmiddels al in de bosjes omdat hij er bij nader inzien twijfels over had om ze te geven. Ondanks het feit dat Jack er wat sjofel uitziet vanwege een tweedehands kostuum met gerafelde manchetten, is Della toch dolgelukkig om hem terug te zien en blijken ze allebei gevoelens voor elkaar te hebben.

    Positieverbetering van het ras

    Er breekt een lastige tijd aan voor zowel Della als Jack. Jack komt tot de ontdekking dat Della de dochter is van de imposante bisschop Miles. Haar ‘zeer prominente en achtenswaardige’ familie blijkt ‘ten diepste betrokken [te zijn] bij de positieverbetering van het ras’. Een relatie tussen Della en Jack komt in de optiek van Della’s familie dus niet van pas. Al snel staat er eerst een tante en vervolgens een zus bij Della op de stoep die allebei proberen om haar wat Jack betreft op andere gedachten te brengen. 

    Jack twijfelt ondertussen eveneens over zichzelf en over een mogelijke relatie met Della. Hij is zich ervan bewust dat hij haar leven volledig zou kunnen ruïneren; zijn aanwezigheid bij haar thuis zou haar reputatie onherstelbare schade kunnen berokkenen en dat is een risico dat een lerares niet kan lopen. In het ergste geval zou Della in de gevangenis kunnen belanden wanneer mensen alleen al het vermoeden zouden hebben dat zij zouden samenwonen. Hij gaat met een predikant in gesprek over zijn bedenkingen, waarbij hij zichzelf als volgt beschrijft: Ik ben een begenadigde dief. Ik lieg moeiteloos, vaak zonder aanwijsbare reden. Ik ben een kwaadaardig en overtuigd alcoholist. Ik heb geen talent voor vriendschap. De talenten die ik heb, gebruik ik niet. Ik ben me voortdurend en bijna obsessief bewust van alles in mijn directe omgeving wat breekbaar is en ik heb een obsessieve aandrang om dat kapot te maken.’

    Gladjanus

    Jack blijkt in het verleden inderdaad voor diefstal in de gevangenis te hebben gezeten. Op zijn werk wordt hij vanwege zijn uitstraling Gladjanus genoemd, maar toch voelt de lezer aan dat hij zichzelf tekort doet met bovenstaande karakterschets. Hij schildert zichzelf in het pastorale gesprek bewust onwaardig af, ook omdat hij beseft dat Della in de problemen zou kunnen komen wanneer het tot een echte relatie zou komen. Anderzijds zegt hij over zijn liefde voor Della in een volgend gesprek dit: Ik zal haar trouw zijn. Ik geef haar mijn erger-dan-nutteloze trouw, tot de dood ons scheidt. Als ik haar soms ontrouw ben, omdat dat in mijn aard ligt of omdat ik me laat overhalen door de meest overtuigende en volmaakte redenen die er op deze wereld bestaan, dan zou dat mijn einde betekenen, wat een opluchting kan zijn.’ Uiteindelijk voert Della’s familie de druk steeds verder op en maakt Jack plannen om zijn leven elders voort te zetten. De grote vraag is of Jack in staat zal zijn om de grootst mogelijke diefstal te plegen, namelijk het ‘op sluwe wijze stelen van geluk uit de klauwen van wettelijke verbodsbepalingen’.

    Geen waardeoordeel

    Jack is een fraaie roman over een op het eerste gezicht onmogelijke liefde. De prachtige dialogen laten een ander beeld van Jack zien dan de zwaarmoedige hersenspinsels die hij heeft wanneer hij alleen is. Della begrijpt Jack en beschrijft hem heel raak als een persoon ‘die leeft als iemand die al overleden is’. Het is bijzonder dat Robinson geen waardeoordeel geeft over de situatie waarin Jack en Della zich bevinden wat betreft de segregatie. Net als Jack en Della moet de lezer het blijkbaar doen met een aantal gegevens waar je best wat van kunt vinden, maar die onveranderbaar zijn. Het onrecht dat Jack en Della door de maatschappij respectievelijk door familie kan worden aangedaan komt daardoor wel in balans.

    Robinson heeft een bijzondere gelaagdheid in haar roman aangebracht die ook nieuwsgierigheid oproept naar de andere Gilead-romans. De relatie tussen Jack en zijn vader bijvoorbeeld is verstoord en er is ook een broer die af en toe wat geld achterlaat in het pension waar Jack verblijft. Het zijn wat losse eindjes die redenen genoeg bieden om ook de andere romans uit de serie te gaan lezen.

    Genade

    Het meest aantrekkelijke van de roman zijn de zeer inhoudelijke en interessante gesprekken die Della en Jack voeren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ze gaan onder meer over zonde, over breekbaarheid, over literatuur en poëzie, over schaamte, over trouw, over de ziel en – en dat is misschien wel het mooiste gesprek – over genade. Ze zijn een bewijs van Robinsons schrijftalent en zetten de lezer aan het denken. De intelligente discussies zorgen er – in combinatie met de vraag of er een toekomst zal blijken te zijn voor Della en Jack – voor dat Jack een roman is die de lezer van het begin tot het einde weet te boeien.

     

     

  • Onder de realiteit

    Onder de realiteit

    De verhalen in de bundel Onderwaterverhalen van Ineke Riem hebben iets ongrijpbaars. De personages dwalen rond in herinneringen en het verlangen naar wat verloren is gegaan of misschien nooit is geweest. De titel van de bundel is goed gekozen en geeft precies aan waar het om draait. Het zijn verhalen die onder de oppervlakte leven. Ineke Riem debuteerde in 2013 met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken. In 2015 verscheen haar poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig en in 2017 de roman Rauw hart

    In deze bundel zijn twaalf verhalen opgenomen. Het is duidelijk waar elk verhaal zich afspeelt en in welke tijd, maar de personages zijn daar nooit echt aanwezig. Ze worden in beslag genomen door herinneringen en het verlangen naar een andere tijd, plaats, een verloren liefde, een eiland ergens in de oceaan, een fantasie of droom. Dat kunnen ze even boven water halen, maar niet bij zich houden. Het onherroepelijke verstrijken van de tijd maakt dat onmogelijk. In het verhaal Voorbereidende aardrijkskunde vindt een scholiere op de zolder van haar school een aardrijkskundeboek uit de jaren zestig. Ze ziet tekeningen van landschappen en dorpen die in die vorm niet meer bestaan. Alles verandert, niets blijft hetzelfde en dat stemt haar treurig. ‘Ik zou willen ontsnappen aan de tijd. […] Ik wil de oude wereld redden.’

    Herinnering, verbeelding en werkelijkheid

    De verhalen hebben geen duidelijke plot, begin of einde. We vallen op een zeker moment in het leven van het personage en mogen even met hem of haar meewandelen. Door het gekozen perspectief in een aantal verhalen lijken we er soms boven te zweven. Dan moeten we weer loslaten en verder gaan naar het volgende verhaal dat anders is en toch doet terugdenken aan het vorige. 

    Steeds weer bevinden de personages zich in een eigen en besloten wereld waarin herinnering, droom en verlangen belangrijker zijn dan de realiteit van het hier en nu. Dat maakt het moeilijk de verhalen exact te duiden, zoals de personages dat zelf ook niet altijd kunnen. ‘Ik kan er de vinger niet achter krijgen, […] maar sinds ik hier weer ben, lopen herinnering, verbeelding en werkelijkheid steeds in elkaar over.’

    Riem plaatst haar personages in verschillende tijden en op verschillende locaties. Van een villa in Pompeï tot de Hollandse polder en van de Azoren tot verdronken dorpen in Zeeland. Door de thematiek en de associatieve vertelstijl zijn de verhalen toch sterk met elkaar verbonden.
    In het eerste verhaal, Manomayakosha forever, is een meisje van dertien tegen haar zin van de stad naar het platteland verhuisd. Onder een brug in de polder kijkt ze naar stomme films met oude stadsbeelden van Parijs, Rome en New York. Het zijn werelden die niet meer bestaan, zoals ook de afbeeldingen in het aardrijkskundeboek geschiedenis zijn geworden. De antieke filmprojector waarop ze de films afspeelt, heeft ze gekregen van haar vriendje uit de stad. Ze kan niet meer bij hem zijn. Het bekijken van de films is ook een manier om aan hem terug te denken. 

    Terugkerende begrippen en woorden

    De herinnering aan een verloren liefde komt in meer verhalen terug. Dat kan een jeugdliefde zijn, een geheime liefde of een gedroomde liefde. In Souvenirs, het tweede verhaal in de bundel, wordt een oude dame geconfronteerd met de herinnering aan haar eerste liefde. Ze ontmoette hem in een zwembad waar ze graag kwam, omdat de warmte haar terug deed denken aan haar kindertijd in Indonesië. Ze adoreerde hem, maar hij liet haar in de steek.

    In het derde verhaal, Wiederkehr, keert een dichter terug naar de stad van zijn jeugd. Ook Indië komt terug. ‘Hij was een Duitser met dromen over tempo doeloe.’ Zijn jeugdliefde Emma droeg als meisje een gebatikte sarong. Tijdens het festival waar hij optreedt, heeft hij een vluchtige ontmoeting met een jonge vrouw die om haar hals een kettinkje draagt ‘met een kleine hanger van het hoofd van Nefertiti’. Deze hanger komt terug in het vierde verhaal Terug naar Thebe. Zo rijgt Riem de verhalen aan elkaar.

    Ze maakt daarbij veelvuldig gebruik van het motief van steeds terugkerende begrippen en woorden: bossen en bomen met als meest opvallende de reuzenboom sequoia, de zee, de walvis en de zeemeermin, schelpen, vormen als de spiraal en de kubus, de klassieke oudheid, Shakespeare, Egypte, Schotland, eilanden in de oceaan, het verlangen naar een verre reis, een schoolgebouw. Het zijn maar een paar voorbeelden. 

    Cirkels

    Steeds weer weet de schrijfster een associatie met de voorgaande verhalen op te roepen. De verhalen cirkelen om elkaar heen, zoals de spiraal op de schelp op het omslag. Elk verhaal brengt een nieuwe wending. Samen vormen ze een onlosmakelijk geheel. Het wekt dan ook geen verbazing dat het laatste verhaal de titel Cirkels heeft. Een oude man uit de ‘Nieuwe Wereld’ bezoekt in Griekenland het heiligdom van Delphi, de oude wereld. Bij de ruïne van een kleine, ronde tempel schijnt de zon in zijn ogen. ‘Om me heen zag ik overal cirkels verschijnen, elkaar overlappend in een patroon dat zich tot in het oneindige voortplantte. […] Was ik zelf ook een cirkel? Waren we allemaal cirkels die onderling waren verbonden in een eenheid, onze levens vol echo’s uit andere levens?’

    Riem creëert in Onderwaterverhalen een eigen wereld. Het is aardig om haar personages te leren kennen, maar de verhalen beklijven niet echt. Het is de vraag of dat erg is. Herinneringen, dromen en verloren werelden zijn nu eenmaal vluchtig en ongrijpbaar. Bovendien biedt elk verhaal een innerlijke wereld die wel eventjes fascineert maar vervolgens plaatsmaakt voor het volgende verhaal met daarin prettig herkenbare flarden van de verhalen die je daarvoor gelezen hebt. Dat maakt het boek vooral tot verstrooiende bellettrie.

     

     

  • Liefdevolle beschrijvingen over slopend fabriekswerk

    Liefdevolle beschrijvingen over slopend fabriekswerk

    Aan de lopende band is het debuut van de Franse schrijver Joseph Ponthus en verscheen in vertaling van Floor Borsboom bij de Arbeiderspers. De ultrakorte zinnen, zonder punten of komma’s, lezen als een episch gedicht en geven met veel impact en sfeer het verhaal hun ritme. De lezer wordt meegezogen in taal en beelden en komt in de dreunende cadans van Ponthus’ werk aan de lopende band. En dat is het bijzondere van dit boek. Om in zijn levensonderhoud te voorzien vond de hoogopgeleide Ponthus via een uitzendbureau een baantje aan de lopende band en kwam in een visfabriek op de afdeling schaal- en schelpdieren terecht. Vissen op maat en soort sorteren, wulken uitzoeken of garnalen in plastic bakjes in ringen leggen, 125 gram die voor ongeveer vijf euro in de supermarkt liggen.

    ‘we produceren vaak meer dan tienduizend garnalenringen per dag op basis van zo’n twintig minigarnalen per ring
    Welke productiemedewerkers uit welk land hebben al die garnalen gepeld
    Welke arbeiders
    Voor welk salaris
    Welke kinderen’

    Buffelen in de nacht

    Op een andere afdeling worden koolvisfilets gepaneerd voor vissticks. Het is koud en het is flink buffelen, ook ’s nachts. Een behoorlijk gesprek met collega’s is er nauwelijks bij, toch laat humor de schrijver niet in de steek, zoals in dit gesprekje met een collega. 

     ‘Je vernikkelt echt in de fabriek’
    ‘Het is een fabriek voor verse vis dus wat wil je’
    ‘Maar ik heb drie paar handschoenen en ijskoude handen’

    ‘(…)’

    ‘Denk je dat ik de chef kan vragen of we warm water in de bakken vis met ijs kunnen doen dat is prettiger om te werken’
    Aan de brave man is echt vis nog graat
    en werken is ook niet aan hem besteed.’

    Slopende vermoeidheid

    Tijdens een pauze van het werken in de fabriek werkt hij als sociaal werker met gehandicapte kinderen in Noord Frankrijk, hij rijdt van hot naar her. Vervolgens krijgt hij een baan het slachthuis. Schoonmaken, bloed en vet wegspuiten met een hogedrukspuit. En karkassen duwen. De runderen hangen aan verschillende rails die naar de afdelingen moeten worden geduwd waar ze worden uitgebeend en verder gesorteerd. Honderden kilo’s vlees duwen, vaak in zijn eentje. Hij zou bijna terugverlangen naar de schaal- en schelpdieren, om wulken te sorteren bijvoorbeeld. 

    De dagelijkse dreun van de lopende band, het lawaai, bloed en ingewanden, de pijn van verkleumde vingers, gebroken rug, slopende vermoeidheid; het verlangen naar de pauze met een peuk, het laatste uur van de dag. Het weekend dat nooit lang genoeg is, het warme lichaam van zijn vrouw, zijn hondje Pok pok, komt herhaaldelijk langs in steeds andere bewoordingen. Als lezer zal je het weten ook.

    ‘ik ken maar een paar plekken die zo’n effect op me hebben
    Zo absoluut, existentieel en radicaal
    De Griekse heiligdommen
    De gevangenis
    De eilanden
    En de fabriek
    Als je die verlaat
    Weet je niet of je in de echte wereld stapt
    Of die juist verlaat’

    Ode aan chansonniers

    Hoe houdt deze man, die allesbehalve een arbeider is, het vol en waarom doet hij dit werk? Deels bij gebrek aan beter, maar ook om zijn ervaringen te gebruiken voor een boek. Het is belangrijk voor wat hij schrijft en door de manier waarop hij het noteert komt het dubbel binnen. Naast een aanklacht is Aan de lopende band ook een dagboek, een brief aan zijn moeder en een ode aan chansonniers, als Trenet en de dichter Guillaume Apollinaire, communist en surrealist. Tijdens zijn dodelijk saaie, repeterende en zware werk drijft Ponthus op associatieve gedachten en dromen. Hij voert innerlijke gesprekken met Proust, Apollinaire, Marx die als een ketting door de repeterende handelingen heen geweven zijn. Hij prevelt dichtregels en neuriet liedjes om het einde van de dag te halen.

    Het is de tijd van de demonstraties van de ‘gele hesjes’. Ponthus ziet zichzelf als anarchist, toch voegt hij zich niet bij zijn vrienden op straat. Een dag niet werken betekent de volgende dag dubbel zo hard werken. Er zijn niet veel romans over het werk aan de lopende band omdat de meeste arbeiders geen schrijvers zijn. Joseph Ponthus is een schrijver die zijn debuut onder andere opdraagt aan ‘de proletariërs uit alle landen, aan de ongeletterden en de tandelozen met wie ik zoveel heb geleerd gelachen geleden en gewerkt’

    Iemand willen worden

    Hij beschrijft zijn afschuw en frustratie voor de fabriek haast liefdevol, alsof hij in een haat – liefdeverhouding staat tot zijn werk. Hij wil iemand worden schrijft hij aan zijn moeder, die  haar mededogen betuigt door een biljet van 50 euro te sturen als hij op zaterdag moet  –  en wil – overwerken voor dat extra bedrag. 

    ‘Ik duw mijn karkassen
    En natuurlijk dat ik dan wel eens terug denk en al die levende kinderen die ik heb begeleid en die inmiddels volwassen zijn
    Sommige zijn ook al dood
    Maar ik ben gelukkig hier
    Met mijn vrouw
    Meer dan gelukkig
    Niet ver van de zee
    Al moet ik dan ook dode dieren duwen
    Torst ieder tenslotte niet zijn eigen last
    Tot de dood erop volgt’

    ‘Aan de lopende band is een aanklacht tegen de vlees- en vis productie in deze maatschappij zonder dat Ponthus dat ergens letterlijk benoemt. Hij roept herinnering op aan de documentaire ‘Le sang des bêtes’ uit 1949 van Georges Franju. Zijn verhaal doet ook denken aan de film ‘Dominion’ van Chris Delforce, waarin grote vraagtekens worden gezet bij de manier waarop met de vleesproductie wordt omgegaan. Net als dit boek, verplichte kost voor vleeseters en ook voor vegetariërs.

     

     

  • Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) groeide op in Normandië als dochter van kleine middenstanders, studeerde romanistiek en was werkzaam als docent. In 1974 publiceerde ze haar eerste boek. Haar werk is sterk autobiografisch en De jaren wordt als haar magnum opus beschouwd. Les années, verscheen in 2008 en werd onlangs op weergaloze wijze in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede. Ernaux schrijft in een opvallende stijl die een mix is van geschiedenis, autobiografie en sociologie. Ze maakt geen gebruik van het persoonlijk voornaamwoord enkelvoud, maar schrijft in de ‘wij’, ‘zij’, ‘men’ en ‘jij’ vorm. Daarmee bereikt ze een universaliteit van wat je een collectieve autobiografie van onze tijd zou kunnen noemen en bij veel lezers voor herkenning zal zorgen. Les années werd dan ook bekroond met een tiental literaire prijzen en de Engelse vertaling van het boek stond op de shortlist van de Man Booker International Prize.

    ‘Alle beelden zullen verdwijnen.’ Het is de openingszin van De jaren, maar Ernaux maakt desalniettemin juist gretig gebruik van beelden; door ze in woorden te vatten kan ze ze voor verdwijning behoeden. Via minutieuze beschrijvingen van foto’s en bewegende beelden zien we Ernaux veranderen van een ‘dikke baby met een pruilmond, donker haar dat boven op het hoofd in een krul is gelegd, […] halfnaakt op een kussen in het midden van een gebeeldhouwde tafel’ in een meisje, een studente, een jonge vrouw, een moeder, een werkende vrouw, een gescheiden vrouw en een ‘vrouw van zekere leeftijd met roodblond haar, gekleed in een zwarte, laag uitgesneden trui, haast achteroverliggend in een grote, veelkleurige leunstoel, met haar twee armen om een klein meisje in jeans en bleekgroene gebreide sweater met ritskraag.’ 

    Een werk van jaren

    Het boek beschrijft de periode van 1941 tot 2006 en tussen beschrijvingen van persoonlijke beelden verschijnen niet alleen de contouren van Frankrijk en van de westerse wereld, maar ook en vooral die van de tijdgeest, die Ernaux zeer nauwgezet en tegelijkertijd met een zekere afstand treffend in woorden weet te vatten. Al vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte zij plannen voor dit boek en verzamelde ze aantekeningen ervoor. Alhoewel ze lang heeft gezocht naar een passende vorm is ze er geweldig in geslaagd om ‘iets [te] redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’

    De beelden die Ernaux beschrijft zijn zeer divers. Ze gaan onder meer over kindersterfte en armoede, maar ook over de verbijstering aangaande ‘de tijd die je kon besparen met gedroogde soep uit een pakje, de snelkookpan en mayonaise uit een tube’. Herinneringen aan de onafhankelijkheidsoorlog met Algerije worden afgewisseld met herinneringen aan boeken, liedjes en reclame. De rol van het rooms-katholieke geloof, dat in de jaren vijftig nog het officiële kader van het leven was en dat structuur gaf aan de tijd, verschuift onder invloed van onder andere de consumptiemaatschappij naar een gemarginaliseerde plek in de samenleving. Ernaux maakt qua historische en politieke situatie uiteraard vaak gebruik van een Franse context, maar er zijn meer dan genoeg andere aanknopingspunten (zoals de Nederlandse Watersnoodramp en de val van de Berlijnse muur) voor de lezer om zich te oriënteren. Er is veel aandacht voor de veranderende positie van de vrouw.

    Het boek komt in een stroomversnelling terecht wanneer de jaren zestig beschreven worden. ‘Door het steeds snellere opkomen van nieuwe dingen verloor het verleden terrein.’ Het jaar 1968 met de studentenopstand en de algemene stakingen neemt in het boek een centrale plaats in. Ernaux constateert dat ‘niets van wat we tot nu toe als normaal hadden beschouwd nog vanzelf sprak. […] We vervielen voortdurend van de ene wezensvraag in de andere. Anders denken, praten, schrijven, werken, leven: we vonden dat we alles moesten uitproberen en niets te verliezen hadden. 1968 was het eerste jaar van de wereld.’

    Herinneringen redden

    Naarmate het boek vordert en naarmate de schrijfster dus ook ouder wordt, worden de observaties steeds beschouwelijker van aard. 1968 vormt een soort kantelpunt: ‘De idealen van ’68 werden omgezet in spullen en entertainment.’ Ernaux waagt zich meer en meer aan interpretaties in plaats van aan feitelijke beschrijvingen en constateert een toenemende onverschilligheid. Rechts rukt op, idealen verdwijnen en ‘de springerige, vlugge muisklik op het scherm was de maat van de tijd. […] De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web.’ Deze verwijzing naar de zevendelige romancyclus van Proust (À la recherche du temps perdu) doet De jaren zeker recht. Ernaux slaagt er op magnifieke wijze in om de verloren tijd terug te halen en in prachtig proza te vatten. Ze wil ze redden, al die ongrijpbare herinneringen. Helemaal aan het einde van het boek blijkt dat ze al heel lang met dat plan heeft rondgelopen, overigens zonder enige pretentie: ‘Toen ze vroeger in haar studentenkamer verlangde naar het schrijven, hoopte ze een onbekende taal te vinden waarmee ze mysterieuze dingen kon onthullen, als een waarzegster.’ Ze beschrijft hoe die droom om te schrijven verandert in een ‘strijdmiddel’, waarmee ze vat wil krijgen op alle aspecten van het verleden.

    De jaren is het glorieuze resultaat van jaren werk. Het is een autobiografie zonder foto’s, zonder “ik”, maar met een zeggingskracht die ontzag inboezemt. Het lezen van dit boek is vergelijkbaar met bladeren door een archief, of door oude fotoalbums. De beelden die als zodanig wellicht verdwenen zijn maar in dit boek via woorden tot de lezer komen zijn zo rijk dat hele werelden op impressionistische wijze tot leven worden geroepen. Het is een literaire prestatie van formaat waarvoor Ernaux een staande ovatie verdient.

     

     

  • Vertel me wie je kent en ik zeg je wie je bent

    Vertel me wie je kent en ik zeg je wie je bent

    Lisa Huissoon (1995) won de Nieuwe Types Afstudeerprijs voor een vroege versie van Alle mensen die ik ken, die ze schreef als literair eindwerk van de schrijfopleiding Creative Writing aan ArtEZ. Het debuut, met als ondertitel ‘Een leven verzameld’ laat je even verrast als perplex achter. Dit is iets anders dan je ooit eerder hebt gelezen. We hebben met Alle mensen die ik ken niet te maken met een roman of traditionele non-fictie. Het houdt je vast en laat je tegelijkertijd telkens weer keihard vallen. Het boek bevat namen, om precies te zijn gaat het om 2131 namen, van mensen die de schrijfster van het werk kent. Deze namen zijn gerangschikt volgens alfabetische volgorde.

    Digitaal namenboek

    Dubbele namen (Tim komt bijvoorbeeld wel twaalf keer voor) krijgen een klein cijfertje erbij, als een kwadraatteken. Onder de vetgedrukte naam staat in het klein waar de schrijfster deze persoon van kent. Op deze manier komen we te weten dat de schrijfster op korfbal heeft gezeten, Taal- en cultuurstudies heeft gestudeerd aan Universiteit Utrecht, bij verschillende vestigingen van de Albert Heijn heeft gewerkt, lid is van een facebookgroep die zichzelf ‘Babypinguïn’ noemt, en ga zo maar door. Vaak blijft het bij een zakelijke opsomming van gegevens: ‘Michiel. Begeleider. Slow Writing Lab. Nederlands Letterenfonds, Amsterdam.’ Sommige namen krijgen na de opsomming van objectieve gegevens echter een extra stukje tekst waarin de schrijfster herinneringen deelt die te maken hebben met die specifieke persoon.

    Op deze manier ontstaat er een uitgebreid netwerk van namen van mensen die Lisa Huissoon allemaal op de één of andere manier kent. De vormgeving doet denken aan een digitaal namenregister. Namen die onderstreept zijn, verwijzen naar eerder genoemde of nog te noemen namen in het boek, alsof het hyperlinks zijn waar je op kunt klikken. Dit digitale netwerk van onderstreepte of becijferde namen past goed bij het Facebooktijdperk waarin we leven: het web houdt bij wie we kennen en hoe we iemand kennen, om ons vervolgens allerhande voorstellen van vriendschaps- connectie- en volgverzoeken voor te schotelen.

    Relationeel zelfportret

    In het juryrapport van de Nieuwe Types Afstudeerprijs stond zeer treffend: ‘Ze creëert een zelfportret door zelf afwezig te zijn.’ Lisa Huissoon leren we kennen door de mensen die zíj kent: hoe zij ze kent, wat ze over hen vertelt en of ze iets over hen vertelt. Het boek past helemaal bij wat tegenwoordig het ‘relationele paradigma van de literatuur’ wordt genoemd. Jonge schrijvers schrijven over wat het betekent om een mens te zijn of er een te worden, ‘in een wereld vol met anderen die met hetzelfde bezig zijn’ (Van Dijk en Olnon 2015). Er wordt een constructie van een ‘ik’ gemaakt door in te gaan op de relaties die de ‘ik’ heeft met anderen, omdat de ‘ik’ mede door al die anderen gevormd wordt. Dat is precies wat er in dit werk gebeurt. De lezer leest over ontmoetingen die de schrijfster heeft gehad, over relaties met haar vrienden, buren, collega’s en geliefden.

    Maar niet die buren, vrienden of geliefden staan in de spotlight, het is de schrijfster zelf die in het middelpunt van de belangstelling staat. Daarmee is dit werk ontzettend interessant, een gewaagd experiment, dat geslaagd is in het neerzetten van een nieuw type verhaal waarin de lezer steeds brokjes nieuwe informatie over de schrijfster krijgt. Ze is immers overal te vinden. Bij Matthijs (1) schrijft ze bijvoorbeeld onder anderen: ‘Ik vind het lief dat iemand dat [een traan door een lach] de grootste tegenstelling vindt’.
    Dat betekent echter nog niet dat alles wat de lezer voorgeschoteld krijgt ook daadwerkelijk boeiend is. Over Olivia (1) komen we, ter illustratie, te weten: ‘Olivia had twee vlechten tot aan haar heuptasje met regenboogprint.’ Deze informatie kan dan wel een herinnering van de schrijfster zijn, voor de lezer voegt het niet echt iets toe. Vaak moet je het helaas met gelijksoortige informatie doen.

    Komisch en intiem

    Huissoons droogkomische schrijfstijl werkt vaak op de lachspieren. Zo schrijft ze bij Paul een complete skincare routine van acht stappen uit die zijn huisgenoot Robin dagelijks doorloopt, of vermeldt ze bij Lucas (3): ‘Ik heb zijn tong in mijn mond gehad en zijn nummer aan mijn contactenlijst toegevoegd’.
    Het geheel is eerlijk en minimalistisch opgeschreven. Sommige keuzes die de schrijfster gemaakt heeft roepen vragen op: waarom krijgt beste vriend Bart geen extra tekstje en de klant in de Albert Heijn of de rijinstructeur wel? Waarom krijgt haar broer een uitgebreide tekst en haar zusje alleen het woord ‘Liefste’?

    Het werk is, vanzelfsprekend, geconstrueerd: er zijn strategische keuzes gemaakt waarvan de resultaten bijdragen aan een beeld dat de schrijfster over zichzelf wil neerzetten door dit werk. Een belangrijke keuze lijkt het om een vrolijk boek te willen schrijven. Het is een leuk boek; blije ontmoetingen en relaties hebben bijna alle ruimte van het werk ingenomen. Aan nare ontmoetingen of relaties zijn weinig woorden gewijd.
    Een nadeel is echter dat het boek nog voordat het verscheen al niet meer compleet was, niet meer up to date. Alle nieuwe mensen die Huissoon nog ontmoet zullen moeten hopen dat ze nog een boek zal schrijven, om ook hun naam vereeuwigd te zien staan in haar werk.

    Literair experiment

    Een leestip: lees dit boek niet als een roman. Het is niet spannend, bevat louter cliffhangers die niet worden ‘opgelost’ en is niet geestverrijkend. Kort gezegd: je leest geen verhaal zoals je het gewend bent, en het kan daarmee behoorlijk vervreemdend werken. Ook al krijg je een beeld van wie Lisa Huissoon is, je krijgt nooit helemaal grip op haar, zelfs niet als personage van haar eigen verhaal. Je raakt verstrikt in een labyrint van relaties, proberen het te ontwarren loont niet omdat het werk niets méér wil zijn dan wat het is: een register van namen van mensen die de schrijfster kent. Het boek past bij het tegenwoordig veel gelezen en gewaardeerde genre van de life writing waarin een schrijver over het eigen leven schrijft, maar is tegelijkertijd ook weer van een heel andere aard. Kortom: een geslaagd literair experiment, mits je door de goede leesbril leest.

     

     

  • Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Dat Marije Langelaar (1978) zich al lange tijd thuis voelde in de poëzie is duidelijk te merken in haar romandebuut In het jaar van de rode os. Het verhaal staat bol van de personificaties: ‘De schemer trok alle kleuren weg, legde ze elders weer neer’ en de beeldspraak is levendig: ‘eensklaps was het alsof ik in haar lichaam kon kruipen, dwars door de stramme stof van haar jurk.’ Dit maakt haar schrijfstijl intrigerend en opvallend. Ook al wordt er in de roman een verhaal verteld, de schrijfstijl richt de aandacht tevens op de taal waarin het poëtische is terug te zien. Eerder schreef Langelaar de poëziebundels De rivier als vlakte (2003), De schuur in (2009) en Vonkt (2017) waarvoor zij meerdere malen in de prijzen is gevallen.

    De roman bestaat uit de drie delen, ‘Land’, ‘Lasso’ en ‘Brieven aan de condor’, die allemaal zo’n 45 pagina’s beslaan en samen een ‘drieluik’ vormen. Het eerste deel wordt verteld vanuit het ik-perspectief van een jong meisje. Haar moeder is zwanger en moet veel rusten. In de vakantie wordt het meisje naar het huis van haar oma gebracht, die daar samenwoont met haar vriendin Pien. Het meisje, wiens identiteit wat in het verborgene blijft, is veel buiten te vinden, soms met haar vriend Jacob. Ze gaat op zoek naar wormen, zwerft over het land of schommelt hoog in de lucht. Een hevige, maar kortdurende storm teistert het land waardoor niemand naar buiten durft te gaan.

    Een met de natuur

    We volgen het perspectief van het jonge meisje en zo ook haar gedachten, die doordrongen zijn van ernst. Ze denkt na over het kind in haar moeders buik, over haar moeder zelf, en als ze danst met Jacob denkt ze: ‘Ik bedacht dat we net twee holle buizen waren, nauw tegen elkaar aangedrukt, met in elk daarbinnen een trom. Ik dacht aan zijn luchtpijp. Zijn slokdarm.’ Deze diepzinnige en aparte gedachten zorgen ervoor dat je zoekt naar meer, wellicht naar een symbolische betekenis in het verhaal. Het is immers ongeloofwaardig dat een jong meisje over zoiets nadenkt. Het realistische gehalte van het verhaal schuift naar de achtergrond. De vele personificaties in dit deel van het verhaal brengen tevens een diepere betekenislaag tot leven. De natuur krijgt hierin namelijk menselijke eigenschappen toegeschreven: ‘Wanneer dit onbesuisde groeien niet zou stoppen dan kon het niet anders dan dat de tuin dichtslibde op dezelfde manier als de aders vlak voor een hartaanval’. Aan de andere kant zien we ook het omgekeerde gebeuren: ‘We gedroegen ons als struiken’. Mensen worden als natuur voorgesteld. De ik-figuur voelt zich één met de natuur: ‘Ik werd me bewust van de plek waar ik de aarde raakte. Ik voelde elke teen.’ Het dieperliggende niveau van het eerste deel lijk te draaien om de verhouding tussen mens en natuur en de versmelting daarvan in de taal.

    Dystopische werkelijkheid

    In het tweede deel van het verhaal zijn we terechtgekomen in een voorstadium van de Apocalyps, waarin de zwaartekracht voor een groot deel van de tijd niet meer werkt. De lezer wordt meegenomen in een dystopische werkelijkheid: ‘Een zwiep in het zwaartekrachtveld, zo ging die dag de geschiedenis in. Het was raar, ineens viel ik naar boven. Het was een radeloze val in de lucht. Het was een afgrond en een hemel tegelijk.’ In dit deel is de ik-figuur een vrouw geworden. Ze is in de ban van een man, Roan, die ze ‘Vogel’ noemt omdat ze hem op een vogel vindt lijken. Samen met deze Vogel zoekt ze naar houvast. De ik-figuur, die zich in dit deel voorstelt aan de Vogel als ‘Effi’, komt in aanraking met een radicale milieuactiviste, Julia. Deze Julia ziet in het verdwijnen van de zwaartekracht een schreeuw van de aarde; de menselijke wetten moeten weer plaats maken voor die van de natuur. De ik-figuur geeft haar gelijk: ‘We hadden met onze roofklauwen alles wat miljoenen jaren nodig had gehad om op te bouwen uit de aarde gegraaid, gestrooid met de giftige resten om er nu in te stikken.’ De storm uit het eerste deel van het verhaal is in dit deel uitgegroeid tot een regelrechte nachtmerrie. De verhouding tussen mens en natuur is hier in de figuur ‘Vogel’ verder tot een versmelting gekomen. De taal die in dit deel klinkt, vraagt ook weer aandacht voor zichzelf door de vele Engelse zegswijzen: ‘no kidding’, ‘face’, ‘whatever’. Het laat zien dat de ‘ik’ is opgegroeid.

    In ‘Brieven aan de condor’, ziet de wereld er weer anders uit. De ‘ik’ maakt nu gebruik van Spaanse woorden, heeft een baby en is in Zuid-Amerika beland, op een plek waar ze zich niet vrij voelt. Ze schrijft brieven aan een condor, een vogel, omdat ze gelooft dat ze zelf ook ten diepste een vogel is, dat ze bij de condor hoort. De werkelijkheid waarin de ‘ik’ met haar baby leeft is een postmoderne, maar haar realiteit is anders dan die van anderen. Het postmoderne zien we terug in de grensvervaging tussen mens en dier en de onbepaaldheid van tijd en ruimte. Haar dochter is ook meer dan mens alleen. De hoofdpersoon zegt over de regels die horen bij de menselijke systemen het volgende: ‘Niet dat ik me aan die restricties ga houden natuurlijk. Ik zou een steen worden, een stuk hout of een stuk papier krakend in de wind.’ De systemen die op aarde regeren zouden de ik-figuur in een levenloos object doen veranderen, mits ze zich daaraan onderwerpt. Het laatste verhaaldeel lijkt zo nog meer de nadruk te leggen op de eenheid van mens en natuur, mens en dier. De mens gaat aan de door mensen gemaakte, niet-natuurlijke wetten en systemen ten onder en moet zich aan de natuur geven, iets dat de hoofdpersoon ons voordoet.

    Engagement en ecokritiek

    Dit alles maakt het romandebuut van Langelaar een geëngageerde roman, die oproept anders om te gaan met de natuur en de aarde. Het werk is goed te lezen vanuit de theoretische benadering ecocriticism, die de natuur centraal stelt en in onderzoek steeds meer terrein wint. ‘Niets op dit stukje land was zeker, de grond slechts geleend van het arme water dat aan ons trekt, dat aan de dijken vreet, het gras ontwortelt en zwammen in het hout jaagt.’ Ga goed om met wat aan je uitgeleend is. Een indrukwekkende roman die prettig leest, aandacht vraagt voor de taal waarin het is geschreven en de lezer prikkelt na te denken over de relatie tussen mens en natuur. Een knap debuut waar nog tal van interessante dingen over te zeggen zijn en doet verlangen naar meer.

     

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • De tovenaarsleerling

    De tovenaarsleerling

    Het draait in Hier zijn we, Swifts elfde roman, om drie personages: Jack, spreekstalmeester van een variété, Ronnie, illusionist, en diens assistente Evie. Om de beurt blikken zij terug op hun gezamenlijke verleden.
    Het boek begint eind augustus, begin september als ze optreden in het Walpoletheater op de pier van Brighton. Het is 1959, wanneer de televisie opkomt en het variété terugloopt. Het theater zoals Swift het beschrijft, heeft z’n beste tijd gehad. Ronnie en Evie zijn een verloofd stel, Jack heeft wisselende contacten met meisjes van een jaar of achttien, maar vindt Evie ook wel erg leuk.

    Herschikking van mensenlevens

    Na deze introductie zwenkt de auteur terug in de tijd. Naar 1939, wanneer moeder Agnes afscheid neemt van haar achtjarige zoontje Ronnie Deane. Ze brengt hem op een veilige plaats onder op het platteland, weg van de vele heftige bombardementen waaraan Londen is blootgesteld. Haar man, Sid, zit op een boot op de oceaan. Ronnie had, zo jong als hij was, al ‘het gevoel dat nu hij weggevoerd werd (…) er ook in het algemeen een hardhandige herschikking van mensenlevens gaande was, zelfs zijn identiteit onzeker was geworden’. Een vroegwijze uitspraak voor een achtjarige, maar zulke gevoelens kennen we ook van Nederlandse onderduikkinderen in de Tweede Wereldoorlog. Hiermee snijdt Swift een centraal thema in zijn romans aan, en in deze in het bijzonder.

    Ronnie komt terecht in een afgelegen huis dat Evergrene heet, bij een ouder, kinderloos echtpaar, Eric en Penelope Lawrence. ‘Hier (…) begon voor Ronnie zijn nieuwe (zijn echte?) leven’. Het is een leven waarin wordt gespeeld met werkelijkheid en schijn. Was de oorlog niet een soort bedrog? Zou mevrouw Lawrence niet wensen dat hij hun kind was? En wat voor ‘voorstellingen’ gaf meneer Lawrence wel niet?
    De echtheid wordt verder vertroebeld, wanneer de Lawrences vertellen dat Ronnies vader op zee wordt vermist. Misschien sliep hij nu, tussen de vissen, denkt Ronnie, weer even kind.

    Hocus pocus

    Ronnie ontdekt dat meneer Lawrence een begaafd illusionist is. Haast op hetzelfde moment dat hij dit denkt, lopen er vier hagelwitte konijnen door de tuin, als waren ze uit een hoge hoed tevoorschijn gekomen. Maar dat dit zo was, weet Ronnie nog niet; hij houdt ze voor echte konijnen. De gebeurtenis luidt zijn toekomst als illusionist in.

    In juni 1945 gaat de inmiddels bijna 15-jarige jongen terug naar Londen. Hij moet het leger in. Hij is weliswaar jong, maar er waren Amerikaanse soldaten die nog jonger waren. De weekenden brengt Ronnie door bij de Lawrences.
    Als Eric overlijdt laat hij Ronnie zijn ‘spulletjes’ en een aardige som geld na. Daarvan kan hij een eigen variété beginnen, iemand (Evie) in dienst nemen en betalen.

    In de tijd dat Ronnie afwezig is om afscheid te nemen van zijn biologische moeder, die overlijdt, gaat zijn verloofde Evie een verbintenis aan met Jack Robins. Of was het Jack Robinson, zijn eigenlijke en volgens hem te lange naam voor een variétéartiest? ‘Hij was Jack Robinson en hij was het niet. Hij was niet eens Jack Robbins.’
    Wanneer Ronnie terugkomt, ziet hij aan Evie’s gezicht dat er wat is gebeurd. Hij past zijn laatste verdwijntruc toe en wordt nooit gevonden. Net zoals zijn vader.

    Schijn en werkelijkheid

    Het verhaal wordt in eenvoudige woorden en met kleine, terugkerende beelden (een witte zakdoek bijvoorbeeld) als een motief in een muziekstuk verteld, maar daaronder broeit het. Dit open laten van veel dingen, de mysterieuze sfeer, eenvoudige woorden en terugkerende beelden, zijn kenmerkend voor Swifts stijl. We kennen het bijvoorbeeld ook uit diens vorige roman, Moeders zondag (2016). Hier gaat het over een dienstmeisje, een vondeling die haar echte naam niet kent en met een niet al te vastomlijnde identiteit. Zij wordt schrijfster, zoals Ronnie illusionist. Beiden spelen met schijn en werkelijkheid, komen uit een arm milieu en maken een ontwikkeling door. Beiden worden ergens in huis genomen; Ronnie door de Lawrences, het dienstmeisje in een betrekking. Beide verhalen spelen in de moderne tijd, Moeders zondag in 1924, Hier zijn we in 1959.

    In deze, door Irving Pardoen fraai vertaalde roman, zijn de soms wat sjabloonachtige metaforen uit Moeders zondag subtieler geworden. Een van de redenen om uit te zien naar Swifts twaalfde roman, in de hoop dat hij zichzelf wéér overtreft in zijn beknoptheid, en in zijn lichte en bedrieglijk eenvoudige stijl vol diepere lagen en betekenissen.