De A van Asta van de Deense Tine Høeg heeft als eerste zin op een verder lege bladzij: ‘Ik krijg een uitnodiging voor een herdenkingsbijeenkomst op 29 juni in café Blomsten’. Hij staat op de ongenummerde pagina 7. Precies dezelfde zin wordt herhaald op pagina 101, maar dan gecursiveerd. Opnieuw is de rest van de pagina leeg en je moet zelf doortellen om te weten waar je aangekomen bent. Die zin wordt niet voor niets herhaald. In de loop van de roman lijkt hij een cesuur aan te geven.
We maken aanvankelijk kennis met Asta die woont in een studentenhuis en al lang bevriend is met medebewoonster Mai.
Die eerste honderd pagina’s spelen zich af in de tegenwoordige tijd. In wat we nu maar voor het gemak het tweede deel noemen is er een terugblik op tien jaar geleden toen de vriend van Mai, August, overleed aan een hartkwaal. De uitnodiging voor 29 juni roept bij Asta verdrongen herinneringen op.
Voor de argeloze lezer gebeurt er niet eens veel. Er is in het eerste deel het dagelijkse leven van de groep en veel studentikoos gekeuvel. Dat is het verraderlijke aan deze roman. Hij bestaat uit allemaal losse zinnen uit gesprekken waarin van de hak op de tak wordt gesprongen. Je bent geneigd ze snel te lezen. Maar pas op. Na tien, twintig pagina’s beginnen dingen te resoneren waar je bij eerste lezing nauwelijks aandacht aan schonk. Dan blijkt onder het vertelde een spanning te liggen.
Asta schrijft aan een roman over de Poolse beeldhouwer Lysander Milo (die werkelijk geleefd heeft) die op 23-jarige leeftijd verdween: ‘in een grote kelderruimte vond men meer dan honderd bustes van cement, in het diepste geheim gemaakt, een dwarsdoorsnede van de werknemers van de fabriek’ (een paar jaar later dook Milo weer op om daarna voorgoed te verdwijnen).
Kinderen
Af en toe verwijzen zinnen in dit eerste deel naar tien jaar geleden, hoewel je daarover als lezer nog niet veel weet: ‘Ik wist niet dat je schreef, deed je dat toen ook al?’
Er moet voor Asta iets aan geheimen opgeroepen zijn nu de herdenkingsbijeenkomst aanstaande is. En er is nog iets: Mai heeft een tweejarig zoontje Bertram waarvoor Asta zich graag leent als oppas. Zelf zegt ze geen kinderen te willen, maar de waakzame lezer gaat daaraan twijfelen. Ze is via Tinder op zoek naar een partner, maar loopt tegen teleurstellingen op:
‘ik pak mijn telefoon weer op en verwijder Tinder
ik heb zin om te huilen
of iemand uit te schelden
maar ik weet niet wie’
Wit
Deze paar zinnen geven meteen een beeld van de bijzondere vorm van de roman. Er staat veel wit tussen. Ze beginnen bovendien niet met een hoofdletter en er wordt nauwelijks interpunctie gebruikt. In het citaat is Asta, de verteller, aan het woord, maar dat is niet altijd zo duidelijk. Soms worden anderen sprekend opgevoerd zonder aanhalingstekens of zonder dat ze als woordvoerder worden benoemd. Ook wisselen perspectieven nogal eens. De roman kent verder geen hoofdstukken en pagina’s zijn lang niet altijd genummerd. De enige duidelijke onderscheidingen vind je als er sprake is van sms-jes of appberichten. Die zijn gehighlight en uit de plaatsing links of rechts op de pagina valt op te maken wie het bericht stuurt.
In het tweede deel gaan we veelvuldig tien jaar terug en wordt langzaamaan duidelijk dat tussen Asta en Mai iets is verzwegen uit de tijd dat ze elkaars vriendin waren en August de man van Mai. Asta slaagt er niet meer in haar roman over Milo af te maken; ze gaat een ander boek schrijven. Zoals Milo na zijn verdwijning betonnen bustes naliet, zo gaat Asta nu aan de slag met haar herinneringen die bleven na de dood van August.
Fragmenten
Je krijgt soms het gevoel dat je als lezer met het tweede deel dat nieuwe boek van Asta zelf aan het lezen bent. Tegen het einde print ze de 324 bladzijden van het manuscript uit en bezorgt ze in een envelop bij Mai:
‘Je moet iets lezen
Je boek?
Ja. Wacht!
Ik leg mijn hand op de envelop,
Morgen pas
Als ik hier niet ben’
De A van Asta geeft zich niet gemakkelijk prijs. De lezer moet bereid zijn om flarden van zinnen en kleine fragmenten in zich op te nemen om zo het boek te veroveren. Dat vergt terugbladeren, herlezen en rationalisaties loslaten. Het roept ook vragen op, zoals bij de achternaam van August die maar één keer wordt genoemd: Oskarsson. Net als de achternaam van een (wel fictieve) kunstenaar in de roman, Anna-Barbro Oskarsson van wie Asta met anderen een expositie bezocht. Wat is het verband tussen die twee?
Auteur Tine Høeg houdt erg van taal. In de roman worden taalspelletjes gespeeld tussen de studenten en in een trein raakt Asta geïrriteerd door spelfouten die ze ziet op borden die ze passeert. En als Nederlander, die het Deens niet machtig is, zou je graag willen weten wat er in het origineel staat wanneer de vertalers een personage laten zeggen dat de inhoud van een catalogus ‘gebakken lucht, Kopenhaagse bluf’ is.



