• Losgezongen

    Losgezongen

    April is inderdaad een wrede maand. Niet alleen volgens dichters en schrijvers, ook boeren weten dat het de maand is die hen de nekslag kan geven. De onrijpe, prille gewassen op het veld en de voorraden geslonken. En christenen, met hun vrolijke Pasen, voorafgegaan door niets minder dan de kruisdood van hun Messias: rond april, het zal allemaal geen toeval zijn. Het ontluiken van leven gaat niet zomaar. Ik ben op weg naar de bieb, buig mijn hoofd tegen de sneeuw en luister naar de soundtrack van Jesus Christ Superstar. De film heb ik zo vaak gezien, dat ik de dorre woestijn en felle ogen van Judas in zijn zon-gebleekte rode hippie tenue moeiteloos voor me zie. Als vijftienjarige verlangde ik van boeken en films dat ze zo echt mogelijk waren. De straaljagers en het zingen leidden me daarom af. Grommend keek ik de film uit.

    Het jaar erna was ik verkocht, ik weet nog steeds niet precies waarom. Luisterend naar de soundtrack valt me op hoezeer de focus op Judas ligt, zijn worsteling en verraad, iets wat me eigenlijk weinig interesseert en ook vanuit bijbels perspectief raadselachtig is. Voor Judas en zijn tijdgenoten zal het verraad reëel geweest zijn, maar als je zoals wij, bijna tweeduizend jaar later, het brein achter het plan kent, dan blijkt dat die hele verraders soep veel minder heet gegeten wordt. God had het allemaal zo voorzien.

    In de straten bloeien roze ribessen, overdadig witte magnolia’s, kitscherige sierkersbomen. Gelaten vangen ze sneeuw, ze hebben maar even. Her en der ligt bloesem op de stoep bruin te worden. Uit het niets verschijnt de zon, het plotselinge licht is rauw. Ik kan de mensen weer aankijken, denk aan de documentaire die ik een paar weken geleden zag, I am Greta. Zelfs omringd door gelijkgezinden, aan kop van klimaatmarsen, lijkt ze losgezongen van de rest. 

    Het gaat allemaal over eenzaamheid. Over weten dat de ondergang of het sterven nadert en dat je vrienden zingen over hoe ze altijd al een apostel hadden willen zijn, zodat ze straks het evangelie over jou kunnen schrijven. En ze menen het zo, ze zijn zo ontwapenend en eerlijk in hun verering van J.C. Ze bewonderen zo hard, dat ze de man en zijn eenzaamheid niet meer zien. Niet kunnen zien, misschien. Mijn bibliotheekbezoek duurt kort, je kunt alleen gereserveerde boeken afhalen. Ik mis de bieb, of val ik nu in herhaling? Ik leen David Vann, Legende van een zelfmoord, aangewakkerd door collega columnist Inge Meijer, omdat het soms inderdaad een tijd duurt voordat je een boek kunt lezen. Op de terugweg sneeuwt het alweer. Dit schrille voorjaar lijkt me er het perfecte moment voor.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraapbij AtlasContact.

     

  • Legende

    Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Ongewone intensiteit

    Ongewone intensiteit

    De schrijver zet direct de toon. Melodieuze zinnen wisselt hij af met woorden in een droog staccato. Tegelijkertijd voel je een voortdurende dreiging. Die zorgt ervoor dat je verder wilt lezen, de stijl waarin het geschreven is laat je stilstaan.

    Klare lucht zwart is een hervertelling van Medea, een toneelstuk van Euripides (431 v. Chr.). Ook eerdere romans van de Amerikaanse schrijver David Vann zijn gebaseerd op een Griekse tragedie. Voor Klare lucht zwart werd hij geïnspireerd door de reconstructie van en de reis met een antiek Egyptisch zeilschip. Dit zou vergelijkbaar zijn geweest met de Argo, een schip waarmee de Argonauten, Medea en haar man Jason vanuit Colchis ( nu Georgië) naar Griekenland voeren. In het verhaal dreigt voortdurend het einde zoals we dat kennen van eerdere versies van Medea: ze doodt, uit wraak voor het overspel van Jason, haar zoons.

    Proza als poëzie
    Na haar vertrek weet Medea dat ze haar thuisland definitief verlaten heeft. ‘Te laat beseft ze dat ze nooit meer het licht zal zien opkomen achter deze bergen […], dat ze nu te lang naar het water heeft gekeken en haar thuis is verloren.’ Medea is vanaf het begin van het verhaal ontheemd. Ze zal ‘een vreemde zijn, zelfs voor haarzelf.’

    De stijl van Vann is fragmentarisch en zo beeldend dat je veel teksten nog eens wilt lezen, hardop. En nog eens. Het is wennen maar zijn proza kan als poëzie gelezen worden.
    Als het schip even is aangemeerd ziet Medea een salamander, ze grijpt hem en houdt hem dicht bij haar gezicht om de ‘toegeklemde, te brede bek te bekijken, die slappe keel. Ondiepe ogen zonder geheimen, bodemloos maar leeg.’ ‘Buik en stompe poten roodgerand […], omhoogkruipend uit een onderwereld.’ ‘Vochtige huid niet voor de lucht, niet voor de zon gemaakt. Halfgeborene.’
    Hoe komt die salamander in mijn hand? denk je een moment als lezer. Wat een eng beest. En zo vertelt – ‘toont’ is misschien een beter woord – Vann over afgrijselijke rituelen en slachtpartijen met zo’n beeldende precisie dat je er soms bang van wordt. Veel fragmenten lijken op notities uit een filmscenario. Als er onderweg een vechtpartij uitbreekt tussen de Argonauten en een vreemd volk en Jason vecht met een tegenstander, lees je: ‘Dan slaat Jason de bijl in zijn hals en het blad verdwijnt erin, zit vast, en Jason rukt eraan om het los te krijgen, de man schudt alsof hij danst. Zijn ogen staren omhoog en zijn mond staat open. Zo wijdt hij zijn eigen dood in.

    De schrijver is in staat, zowel bij zijn beschrijvingen van de natuur, het landschap als bij de aanvallen van razernij van Medea, de lezer op een beklemmende manier in de situatie te plaatsen. Zijn stijl doet denken aan de openingsscène van de film Medea (1988) van de cineast Lars von Trier. De film is nog maar net begonnen, je bent op zee, de camera duikt onverwacht onder de zeespiegel. Je gaat, als kijker, kopje onder. Even ben je bang dat je verzuipt. Ook David Vann weet bij de lezer zulke fysieke ervaringen op te roepen.

    Echtheid
    Medea wordt niet geschetst als een hedendaagse vrouw. Je leert haar kennen terwijl ze het lijk van haar broer, dat ze in stukken heeft gesneden, overboord gooit. Wat haar daadkracht betreft, ben je gewaarschuwd. Vann vertelt haar verhaal vanuit een ver verleden maar tegelijkertijd, ondanks alle bizarre slachtpartijen, tekent hij haar karakter met een hoge graad van echtheid. Medea is een vrouw die de waarde van het leven zoekt, die zich verzet tegen haar vader, die een daad wil stellen en daarom Jason helpt Het Gulden Vlies te stelen en daarmee te vluchten uit haar vaderland. Ze denkt veel na. In haar overpeinzingen is er altijd een dreiging, niet alleen over de onzekerheid van het doel van de reis, haar verhouding met Jason maar ook de voortdurende aanwezigheid van het ongekende. Als ze even gaat zwemmen en vanaf het schip in zee stapt, krijgt ze een gevoel ‘dat er altijd iets onder ons woelt, ongeziene beweging, wachtend, iets groots, dat niet gekend of beheerst kan worden.’

    Boek één (twee derde van het verhaal) gaat over de reis. Het laatste gedeelte daarvan is langdradig door (te) veel beschouwingen over de ondergaande zon, de eindeloze zee en turen in de verte. Maar in Boek twee, de aankomst en de ‘ontknoping’, hervindt de schrijver zich. In al het geweld waar koning, mens en dier letterlijk in de pan worden gehakt, raakt hij de hel aan. ‘Steeds weer de boog van de hakkende bijl, natte klappen in stevige billen, de romp omlaag gekeerd naar al wat daaronder kan liggen en zonder ogen gezien kan worden. Eenbenig, zonder armen, zonder hoofd, gepaneerd met as…

    Aan het eind van het verhaal schetst hij de combinatie van razernij en radeloosheid van Medea op een indringende manier. Wraak, dood en liefde vallen samen. Klare lucht zwart is een prachtig verteld verhaal van een ongewone intensiteit.

    In de allerlaatste zin van het boek bedankt de schrijver in het nawoord Robin Robertson ‘voor zijn nieuwe uitmuntende vertaling van Medea. ‘Vertalen is verzielen,’ las ik eens. Ook de vertalers Arjaan en Thijs Nimwegen hebben met Klare lucht zwart die uitspraak waargemaakt.

     

     

  • Alle begin is moeilijk

    Alle begin is moeilijk

    In het eerste jaar van de opleiding aan de Schrijversvakschool kreeg ons klasje de opdracht om de eerste bladzijde van een roman te schrijven. Het hoefde niet per se iets te zijn waarmee je door wilde gaan, het ging om het openen van een (groter) verhaal.
    Geen idee meer wat ik destijds deed, het is alweer een laptop geleden, de opdracht was vooral bedoeld om stil te staan bij wat zo’n eerste pagina behoeft. Wat is er nodig om een verhaal in te komen?

    Op Instagram postte iemand een foto van de eerste pagina uit Caribou Island van David Vann, het onderschrift luidde: ‘En dan moet het nog beginnen.’ Vann is een interessante schrijver, zelfmoord zijn drijfveer, hij is een uitmuntend stilist maar zijn werk behoorlijk zware kost – niet moeilijk om te lezen, wel veel om emotioneel te bevatten. Toch begreep ik het bericht: hoe deprimerend ook, toch kun je zin hebben in zo’n boek (of film of liedje). Ik kijk al jaren naar Grey’s Anatomy, puur om te kunnen huilen. Een andere oefening van de opleiding: het grote raad-de-begin-zin-spel. Inderdaad, we moesten een reeks beginzinnen uit de Nederlandstalige literatuur koppelen aan hun schrijver.

    Caribou Island begint met: ‘My mother was not real.’ Een schokkende herinnering volgt, de lezer wordt er bijna ingeslagen, in het verhaal dus, net als de andere toehoorders van die herinnering. Het stukje over de moeder wordt door Irene uitgesproken, haar man Gary en dochter Rhoda luisteren ernaar, dit alles in een kleine scène waarin de volledige belofte van het hele boek huist: de pijnlijke strijd tussen man en vrouw; tussen een droom om na te jagen en de straffe realiteit van het echte leven; de grilligheid van de natuur; de afstand tussen de personages. Ik herinner me het als een boek waar ik ondanks alle ellende erg van genoot.

    Een beginzin die ertussen zat, bij dat raadspel, was van Gerbrand Bakkers Boven is het stil. ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Het is een zin waar heel veel inzit, afstand vooral, ook hier volgt in enkele pennenstreken genoeg om de lezer een belofte te geven: dit is waar het over gaat.

    Precies die belofte zorgt er waarschijnlijk voor dat ik slecht reageer op dromen. Daar ben ik niet de enige in. Het openen van een boek of film met een droom en een ontwaken, frustreert veel lezers en kijkers die zich in de maling genomen voelen. En terecht: op basis van die eerste pagina’s, die eerste scènes, baseer je je verwachting. Als dan iemand ineens het luik onder je voeten opent – ‘en toen werd hij/zij/ik/wakker’ – kun je daar kwaad om worden.
    Een verhaal van een jonge schrijver kwam op mijn pad. Het begon met een liefdesgedicht, daarna een personage dat hardop over dat gedicht denkt: ‘Nee, dat is stom.’ Dat zinnetje had hetzelfde effect op me als een droom: het luik werd onder me weggetrokken. Denk aan de belofte, had ik tegen die schrijver moeten zeggen.

     

     

  • Oogst week 18

    Alle vogels

    Koos van Zomeren (1946) heeft meer dan negentig titels op zijn naam staan waaronder dichtbundels, romans en thrillers als egodocumenten. In al zijn werk neemt de natuur een belangrijke plaats in. In Alle vogels zijn al zijn stukken die hij ooit over vogels geschreven heeft – over het leven van de huismus voor Nieuwe Revu (1977 ) tot Het verlangen naar klapekster (2014) – gebundeld. Het is een zeer omvangrijke bundel geworden waarvan je het idee krijgt dat Van Zomeren over vogels alles wel in beeld heeft gebracht. Het mooie is ook dat Van Zomeren mens en vogel altijd met elkaar in verband brengt. En dat alles geïllustreerd met prachtige penseel tekeningen van Erik van Ommen.
    Zoals Koos van Zomeren in de verantwoording bij dit boek schrijft komen overal in zijn oeuvre ‘vogels voorbij, zoals vogels maar al te vaak voorbijkomen: terloops, maar niet onopgemerkt’.

    Alle vogels
    Auteur: Koos van Zomeren
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Klare lucht zwart

    De thematiek in de eerste drie boeken van de Amerikaanse schrijver David Vann (1966) was moord en zelfmoord. Gruwelijk mooie boeken en van Vann wordt dan ook niet verwacht dat hij ooit een feelgood novel zal schrijven. Ook nu heeft hij weer een tragedie geschreven; een hervertelling van een figuur uit de Griekse mythologie, Medea: tovenares uit Colchis die Jason hielp het Gulden vlies te veroveren. Hij nam haar mee naar Griekenland, maar liet haar in de steek voor de dochter van de koning van Korinthe, waarna Medea gruwelijk wraak nam door hun twee zoontjes te vermoorden alsook de koning van Korinthe en zijn dochter. Zo verteld de mythe. Maar Vann beschrijft Medea niet als een tovenares maar als een mens van vlees en bloed. Daarmee biedt hij een nieuwe en realistische kijk op Medea. Op bezwerende en sfeervolle wijze brengt hij Medea tot leven. Van haar positie in de Griekse maatschappij, haar liefdesrelatie met Jason en haar tragische neergang. In poëtisch proza beschrijft David Vann de epische reis van het schip de Argos. Volgens de uitgever is Klare lucht zwart ‘de meest intieme, humane hervertelling van Medea tot nog toe.’ Gaat dat lezen.

    Klare lucht zwart
    Auteur: David Vann
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    God speelt drieband

    Herman Leenders (1960) is een Vlaams dichter en prozaïst die met God speelt drieband, zijn achtste uitgave publiceerde, waarvan vijf dichtbundels. Als prozaïst debuteerde hij met een verhalenbundel, waarna de novelle De echtbreukeling verscheen dat toentertijd op ‘Recensieweb’ een wondermooi boek werd genoemd.

    In God speelt drieband volgen we Karl die tot over zijn oren verliefd wordt op Katrien, de mooiste vrouw die hij tot dusverre heeft gekend en bemind. Met haar neemt zijn leven een nieuwe vlucht, waar hij in het geheel niet op voorbereid is. Door de ijle hoogten die hij aldus bereikt, is hij veroordeeld tot een onvermijdelijke neergang. Meer valt er niet over te zeggen dan dat het verhaal wat zweverig overkomt. Maar een recensie zal binnenkort meer uit de doeken kunnen doen. Tot zover.

    God speelt drieband
    Auteur: Herman Leenders
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Het onderzoek

    Het onderzoek

    Van het een op het andere moment – ik bedoel zonder dat er een voornemen, actief besluit of zelfs maar een gedachte aan voorafging (hoewel mijn ambassadeurschap bij de J.M.A. Biesheuvelprijs zeker, zij het onbewust, een rol zal hebben gespeeld) – stort ik me weer op de verhalen. Zo las ik My mother’s dream van Alice Munro. Van Munro kende ik alleen The bear came over the mountain, wat ik prachtig vond. My mother’s dream kwam minder binnen: te plat en te direct, besloot ik tijdens het lezen, te veel een op een overgedragen informatie, tot ik de laatste zin las en direct weer opnieuw kon beginnen.
    Ook las ik Three early stories van J.D. Salinger. Deze verhalen waren, zo blijkt uit het nawoord van Auke Hulst, niet bedoeld voor herpublicatie. Had ik, als het nawoord een voorwoord was geweest en deze informatie me eerder was toegekomen, de verhalen ook gelezen? Het is misschien ijdel om te denken van niet.

    Salinger was tijdens het schrijven van deze drie verhalen een stuk jonger, hij was nog in de groei, dat is te zien – zoals die enorme kiem van talent evengoed al aanwezig was, vooral in Once a week won’t kill you. De vraag is of deze uitgave de mythe omtrent Salinger compleet maakt of juist uitholt, alsof de gewaande god een halfgod blijkt – of, erger nog, een mens. Waarom dan toch deze verhalen opnieuw uitbrengen. Voor de volledigheid?
    In het interview met VPROBoeken presentatoren Carolina Lo Galbo en Jeroen van Kan noemt die laatste het gevaar van een auteur in één keer, of achter elkaar tot je nemen. Het risico van overkill en verveling is mij bekend, toch las ik vrij vlot na Het jasje van Luis Martin de verhalenbundel waarmee Gilles van der Loo debuteerde: Hier sneeuwt het nooit. Niet alle verhalen hierin zijn even sterk (in welke bundel wel?), maar de schrijver was duidelijk vastbesloten allerlei registers open te trekken en dat leverde een kleurrijke bundel op. Belangrijker nog is dat Van der Loo al in zijn debuut zijn materiaal heeft gevonden. De verhalen met de thema’s die ik herken uit Het jasje van Luis Martin – de charismatische maar ongrijpbare vriend, de afwezige vader – vind ik het sterkst.

    Betekent dit dat Van der Loo zich herhaalt? Allerminst. Hij doet denken aan David Vann, wiens roman Caribou Island volgde op de verhalenbundel Legend of a suicide. Ook in deze boeken is er sprake van grote themaoverlap (namelijk: zelfmoord). Vann wist, net als Van der Loo, al vroeg wat zijn gereedschap was en waar het lag. Het is niet zozeer dat de korte verhalen van beide schrijvers toewerken naar hun romans, eerder juist dat ze met andere middelen dezelfde kern opzoeken. Het een staat dus niet in dienst van het ander, maar dient allemaal ter volledigheid van ‘Het Onderzoek’ van hun schrijven. Hiermee bedienen zowel Vann als Van der Loo de grote als de kleine eters – zoals J.D. Salinger zich van indrukwekkende veelzijdigheid bewees. Dat is bovenmenselijk knap.

     

     

  • Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Na Legende van een zelfmoord (2008), een indrukwekkend boek, verscheen van David Vann in 2011 de roman Caribou Island. Opnieuw speelt het verhaal zich af in het onherbergzame Alaska, land van grizzly beren, zalmvissers en woeste natuur. In een telegramachtige stijl, die soms doet denken aan het werk van Cormac McCarthy, schetst David Vann een portret van hedendaagse pioniers aan de laatste Amerikaanse frontier.

    Gary is na zijn studie Middeleeuwse literatuur met zijn vrouw Irene vertrokken naar Alaska om zijn proefschrift te schrijven, maar vooral om zijn droom na te jagen: leven in de wildernis.  Zoals dat gaat met dromen, blijkt ook in dit geval de werkelijkheid teleurstellend. Het echte avonturiersleven waar Gary naar op zoek is, bestaat niet en decennia later bevindt hij zich in een uitgeblust huwelijk, zijn de kinderen volwassen en is hij nog altijd niet gepromoveerd. Maar Gary geeft zijn Alaskaanse ideaal niet op en heeft zich op een nieuw project gestort. Samen met Irene is hij begonnen aan de bouw van een blokhut op Caribou Island. Het eiland zal na het invallen van de winter volkomen afgesneden zijn van de buitenwereld. Gary is vastbesloten de blokhut vóór de eerste sneeuw af te hebben om op Caribou Island te kunnen overwinteren. Waarom hij dit zo graag wil lijkt hij zelf ook niet goed te weten, maar hij werkt aan het project alsof zijn leven ervan afhangt.

    Caribou Island wordt verteld vanuit het perspectief van verschillende personages. Naast Gary, die zich maar al te bewust is van de lange reeks mislukte ondernemingen waaruit zijn leven bestaat, volgen we ook zijn vrouw Irene, zijn dochter Rhoda, haar vriend Jim en backpacker Carl.

    Geen van de personages heeft het makkelijk. Irene lijdt aan mysterieuze hoofdpijnen die haar tot waanzin drijven. Dochter Rhoda maakt zich ongerust om haar moeder, maar vindt nauwelijks weerklank bij haar familie. Gary is bezig met zijn project, Rhoda’s broer Mark is vooral druk met stoned worden en haar vriend Jim denkt dat het allemaal wel los zal lopen. Terwijl Rhoda in afwachting van een aanzoek van Jim droomt van hun huwelijksreis, stevent begin-veertiger Jim met rasse schreden op zijn midlife crisis af. Een flirt met de bijna twintig jaar jongere Monique, die met haar vriendje Carl door Alaska trekt, brengt hem behoorlijk van zijn stuk. Terwijl Monique met Jim de natuur in trekt, blijft Carl berooid en met een gebroken hart achter op de camping.  Zonder geld voor zelfs maar een ticket naar huis, moet Carl op zoek naar een manier om geld te verdienen. Al snel komt hij erachter dat de levens van de lokale bevolking vooral van de buitenkant romantisch lijken.

    Alle personages zitten vast. Vast in hun leven, hun relaties, hun ambities, hun eigen lichaam en bovenal zitten ze vast in Alaska.
    Geroutineerd en soepel wisselt David Vann van perspectief en weet hij de stemmen van de verschillende personages te vervlechten tot een coherent verhaal. Elk personage overtuigt en is geloofwaardig. Het semi-autobiorafische Legende van een zelfmoord richtte zich op de verhouding tussen een labiele vader en zijn jonge zoon.  Vanns eigen vader, een tandarts die zijn geluk wilde beproeven in Alaska, pleegde zelfmoord toen de schrijver nog jong was. Met Caribou Island onderzoekt David Vann opnieuw de psychologie van een obsessieve pionier die zijn gezin meesleept naar het onhergbergzame Alaska om zijn dromen na te jagen. Hij zet Alaska neer als een vuilnisbelt van mislukte idealen, maar weet door middel van een sobere en tegelijkertijd poëtische schrijfstijl het landschap en de sfeer zo beeldend op te roepen dat je als lezer heel goed begrijpt waarom mensen hun kantoorbaan opgeven om een nieuw leven te beginnen in de toendra.

    Caribou Island is een aangrijpend, onderhoudend en soms zelfs grappig portret van een groep dolende zielen op zoek naar een beter leven. The American dream lijkt op Alaska nog springlevend. Hier kun je nog dicht bij de natuur leven, vis eten die net uit de zee komt, houthakken en blokhutten bouwen. Hier kan een man nog een echte man zijn. Maar als één ding duidelijk wordt uit het werk van David Vann, is het dat dromen gedoemd zijn te mislukken. Toch blijven zijn personages, vaak tegen de klippen op,  hoop houden en dit maakt het ontroerend en menselijk.