• Gelukkigste tijd

    Gelukkigste tijd

    Er ontstaan gewoontes waarvan je je op zeker moment kunt afvragen waar je mee bezig bent. Wanneer ik in de trapkast de schappen met levensmiddelen zie, vraag ik me opeens af hoe al die blikken met bonen, tomaten, potten tahin, zakken kikkererwten, linzen, de stapel stofzuigerzakken daaronder, naast de uien rood en geel daar gekomen zijn. Die hele voorraadkast bevreemd me, alsof ik in het leven van een ander sta.

    Mijn moeder, ja, zij hamsterde. Maar zij had de oorlog meegemaakt, en daarna de koude oorlog. Die werd niet gevoerd, maar versomberde als een dreigend onweer haar leven. Er moest altijd een paraplu bij de hand zijn. Mijn moeders voorraadkast was haar paraplu, groot genoeg voor het hele gezin. Toen het onweer overdreef, kon ze niet meer stoppen met hamsteren. De rollen waren voorgoed verdeeld, mijn moeder de voorraadkast, mijn vader de boekenkasten. Als zij reclamefolders of een damesblad doornam, zat hij voorovergebogen in zijn stoel met een boek. Tussen haar blaadjes en zijn boeken uit de wereldbibliotheek lag een niet te verbloemen allenigheid.

    In de verhalen van Tove Ditlevsen maakt het huwelijk niet gelukkig. ‘Je kent degene met wie je getrouwd bent niet eens.’, zegt de vrouw die met drie kinderen achterblijft als haar man er vandoor gaat met een jong meisje. In een ander verhaal slapen de man en vrouw gescheiden. De vervreemding zet in. De man kwetst de vrouw. Zijn woorden raken haar waar hij niet komen mag. ‘Het enige wat ze kon doen was mensen ontlopen wier woorden iets raakten, iets geheims dat absoluut met rust gelaten moest worden.’, dacht de vrouw. Elke relatie kent een gebied dat niet door de ander betreden mag worden.

    Ditlevsens verhalen gaan over levens die niet te verenigen zijn, vervreemding van zichzelf en de ander. Daar tussendoor is er die zweem van geloof ‘alles komt goed’. Maar niet heus. Haar verhalen vertonen veel gelijkenissen met haar eigen leven zoals ze dat beschreef in haar memoires, Kinderjaren, Jeugd en Afhankelijkheid. Ze trouwde vier keer, kreeg drie kinderen van verschillende vaders, raakte door toedoen van haar derde echtgenoot, een arts, verslaafd aan opiaten. Zolang ze zich kon herinneren wenste ze zich een normaal leven, een man, huis, kinderen, voldoende eten in huis. Maar de rol van moeder en echtgenote past haar niet. Een verhaal opent met, ‘Helene werd vroeg in de ochtend wakker met een gevoel dat haar hele leven één groot fiasco is.’ Haar man en kinderen negeren haar. Elke dag sloot ze af in de overtuiging ‘dat ze absoluut geen invloed had op haar omgeving’.

    Ditlevsen wilde alleen maar schrijven, maar ook wenste ze zich, ‘een doodgewoon normaal gezin te stichten’. In het verhaal over een dochter die haar moeder met een taxi ophaalt om de vader in het ziekenhuis te bezoeken. ‘Haar hoed zat scheef op haar witte haar en haar hoofd schudde lichtjes aan een stuk door.’ De moeder verwijt de dochter de dure taxi, waarom konden ze niet met de auto…? De rit naar het ziekenhuis is lang. Haar moeder blijft jammeren, dochter krijgt het benauwd, ‘waarom kon ze haar moeders hand niet pakken en er bemoedigend in knijpen?’
    Ditlevsen leed aan depressies en verbleef een aantal keren in een psychiatrische kliniek. Toen ze in 1967 op de gesloten afdeling terechtkwam, schreef ze de eerste twee delen van haar autobiografische trilogie, Kindertijd en Jeugd. Ze noemde die periode ‘de gelukkigste tijd van mijn leven tot nu toe’. Het schrijven overwon niet, op negenvijftigjarige leeftijd beëindigde ze haar leven. 

     

     

    Kwaad geluk / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag uitgevers (2023)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

  • Gezocht: A. Alberts-lezers (vijftig plus)

    Gezocht: A. Alberts-lezers (vijftig plus)

    Onlangs verscheen bij Das Mag De bomen van A. Alberts (1911-1995). Op de website van de uitgeverij is te lezen waarom zij de debuutroman van deze Nederlandse schrijver opnieuw uitgeven. Zij schrijven o.a.: ‘Het heeft een raadselachtige schoonheid waar we als een blok voor vielen, vooral door de eenvoudige, opvallend tijdloze maar vervreemdende stijl. Het is een schrijver die niet te vergelijken is met anderen en die je gewoon moet lezen om te begrijpen waarom — om vervolgens betoverd te raken.’

    Das Mag hoopt op een nieuw lezerspubliek. Om deze nieuwe lezers te bereiken, hebben ze een plan gemaakt waarin o.a. ‘old skool Alberts-fans’ opgeroepen worden om jonge lezers te overtuigen. Ze zijn daarom op zoek naar Alberts-fans die een exemplaar willen uitdelen aan een jonge lezer, geboren ná 1955 (sterfjaar van A. Alberts) aan wie De bomen goed besteed zal zijn. In De Groene Amsterdammer stond de volgende oproep van uitgeverij Das Mag:

    Voelt u zich aangesproken, mail dan naar hotline@dasmag.nl.

     

  • Wat ze wenste

    Wat ze wenste

    Terwijl ik dit stukje schrijf check ik acht keer mijn mail, raak tig keer verdwaald op social media, beantwoord dwingende apps. Klik, klik, klik weg ben ik. Daarna opnieuw mijn gedachten bij elkaar zoeken. Tove Ditlevsen schreef in het geheim (nooit iemand laten weten dat je aan een boek werkt) haar eerste roman. Na publicatie daarvan en een abortus, begint ze verhalen te schrijven, ‘het gordijn tussen mij en de werkelijkheid is weer dik en geeft me een gevoel van geborgenheid.’ Vanaf haar twaalfde schreef ze gedichten, droomde ervan een boek te zijn dat door anderen meegenomen zou worden, gelezen worden. Dromen is het begin van succes. Ditlevsens kwam uit een armoedig gezin, wilde al jong schrijven, maar verlangde ook naar een gewoon leven. Als haar eerste kind geboren is, zegt ze tegen haar toenmalige man, ‘Nu zijn we vader, moeder en kind, een doodgewoon normaal gezin.’ Hij vraagt waarom ze dit zegt, want ze is bepaald niet normaal. ‘Daar kan ik hem geen antwoord op geven, maar dit wens ik al zo lang als ik me kan herinneren.’ 

    Daar schuurt het. Schrijver willen zijn en een dienstbaar leven als moeder, vrouw. Haar boeken zijn verslavend. Ze schrijft in strakgetrokken, betekenisvolle zinnen. Lees, ‘Edvin [haar broer] is bij zijn vrouw weg. Nu woont hij weer thuis in mijn oude kamer achter het gordijn en mijn moeder is gelukkig, al zal hij verhuizen zodra hij een kamer heeft gevonden. Mijn moeder zegt dat ze best begrijpt waarom hij bij Grete weg is, want ze dacht alleen maar aan kleren en flauwekul en dat houdt geen man  vol. Maar mijn broer pikt het niet dat Grete zo wordt afgekamd. Hij zegt dat de fout bij hem ligt. Hij hield niet van haar en daar kon zij niets aan doen. (…) Ik vind het een stuk prettiger om bij mijn ouders langs te gaan nu mijn broer er weer woont. We praten over mijn poëziebundel en Edvin kan maar niet begrijpen dat je met zoiets geen geld verdient. ‘Het is werk’, zegt hij, ‘en het is ronduit schandalig dat je er niet voor wordt betaald.’ We praten ook over Edvins gehoest en over alle nieuwe ziekten van mijn moeder.’ 

    Naast twee abortussen krijgt ze drie kinderen. Trouwt vier keer terwijl het verlangen naar onafhankelijkheid overheerst. Leven van pen en papier, een boek het geluk. Het literair bedrijf is schoner dan het leven. Haar verhalen ontstaan in het verborgene (ik wens me een gesloten afdeling). Het is gruwelijk mooie taal die recht je hart in gaat. Zoals de pijl van de legendarische kruisboogschutter Wilhelm Tell de appel op het hoofd van zijn zoontje doorboort. In de eerste jaren van haar tweede huwelijk droomt ze van haar vriendin Ester, ziet ‘haar donkere, kleine jongensgezicht’ voor zich terwijl ze met haar man vrijt. Als ze door haar derde man, die arts is, verslaafd raakt aan verdovende middelen, wordt ze meerdere keren opgenomen in psychiatrische klinieken. Daar schreef ze Kindertijd en Jeugd. Om te schrijven moet je niet al te gelukkig zijn, anders wordt het niks. Een eenmaal gepubliceerd boek kan niet meer ongedaan gemaakt worden, schrijft ze aan het eind van Jeugd. ‘Misschien zal een kind dat heel stiekem van poëzie houdt deze gedichten lezen en er iets bij voelen wat haar omgeving niet begrijpt.’ Op achtenvijftigjarige leeftijd maakte ze een eind aan haar leven. Lees haar boeken, dat is wat ze wilde.

     

     

    Afhankelijkheid / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag
    Citaat uit: Jeugd / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

     

  • Zwarte kraaien

    Zwarte kraaien

    ‘Simon zwoer me dat hij overdag had bijgeslapen, maar in bed kon het niet geweest zijn, want het controlerijstkorreltje op zijn hoofdkussen trof ik op precies dezelfde plaats aan als waar ik het had neergelegd voor mijn vertrek.’

    Ondanks het grauwe weer dat me de hele dag binnenhield, moest ik eruit voor het donker werd. Ik liep langs ingekuilde voederbieten, drassige graslanden, een gesloten Pannenkoekenrestaurant. Na de eerste kilometers waren mijn haren en brillenglazen nat van de miezer regen. Ik zette grote stappen onder de kale eikenbomen door. Zwarte kraaien vlogen schreeuwend op wanneer ik naderde, daalden in de volgende boomtop neer, vlogen weer op, zo joeg ik ze voort. Ik nam een foto van de opvliegende kraaien. Toen viel mijn mobiel uit, liep verder. Een fietser kwam me tegemoet. Een jongeman in een blauw/wit regenjack, knalrood hoofd (ik dacht ‘opgefokt’), witte oordopjes in. Toen hij me passeerde moest ik opzij stappen, even zag ik zijn priemende ogen. Hij gromde. Ik zei tegen mezelf, ‘Gromde hij nou?’ 

    Ik had te lang gelezen in Ik ben er niet van Lize Spit,  over Leo (Leontine) en Simon, die na een gehavende jeugd in elkaar gekropen zijn zoals een slak in zijn huisje, maar dan met zijn tweeën. Glibberig om elkaar glijdend, elkaar enkel goed willen doen, kwetsende zaken als vliegen voor elkaar afvangen. Tien jaar leven ze zo, dan krijgt Simon een psychose. Je leest over de aanloop ernaartoe, de piek, de behandeling, het eruit komen. Leo die daaromheen reddert, de boel in evenwicht probeert te houden. Wat niet lukt, het gaat geweldig mis met Simon.

    Mijn god, wat een stel, wat een boek, waarin je in het hoofd zit opgesloten van de een die onder de huid kruipt van de ander. Niets wordt aan de verbeelding overgelaten. Hoe meer ik vorder in dit boek, hoe meer ik snak naar verbeelding. Maar geen kans, genadeloos houdt de schrijver je in haar greep. Drukt ze je met de neus op een uitgeteerde en kwijlende Simon tijdens de eerste opnamedagen. Op Leo die in afwachting van het bezoekuur op de grond in de gang zit, rug tegen de radiator, trouw als een hond. De ijskoude voeten van Simon. (Ja, daar spreekt dan toch de verbeelding). Ik wil weten waarom het zo meedogenloos uitleggerig is. Bij ‘controlerijstkorreltje’, begint er iets te dagen, dat het enkel zo en niet anders geschreven had kunnen zijn. Wat je ook hoopt, want een schrijver die vijf jaar aan een roman heeft gewerkt, schrijft geen boek dat niet te lezen is. Weet dat elk boek zijn eigen lezing vraagt.

    Leo is hondstrouw, hoewel (en dat stemt hoopvol) ze de opname van Simon gebruikt in een serie columns die ze voor een vrouwenblad schrijft. Terwijl ik buiten loop denk ik aan Simon, hoe hij de ogen van de kat heeft uitgelepeld. Ik weet dat de fietser met de priemende ogen is door gefietst. Toch denk ik aan de mogelijkheid dat hij omkeert, me een klap verkoopt, of gewoon een mes in mijn rug, omdat ik daar liep. Alles kan opeens, de kraaien, de donkerte om me heen lijken een voorbode van iets. Ik zet er flink de pas in. Thuis droog ik mijn haren, pak het boek, lees verder waar Leo haar derde column schrijft. Hoe ze S. beschrijft in een net iets te kleine pyjama, het donker van zijn kamer. Dat ze onderweg naar huis door een groepje mannen gevraagd werd haar naam op de borst van  een van hen, bruidegom in spe te schrijven. ‘Dat laatste was verzonnen, maar ik kon niet anders dan overdrijven, schepjes eenzaamheid erbovenop doen, enkel zo controleerde ik de werkelijkheid, die groot en woest was en vaak verdrietig’. Dit boek schrijnt, zo weinig troost. Wat een boek.

     

     

    Ik ben er niet / Lize Spit / 570 blz. / Uitgeverij Das Mag 


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt naar een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Bregje Hofstede op drift

    Bregje Hofstede op drift

    Om te weten of je moet blijven, moet je weggaan. Niet voor een midweek naar een huisje op de Veluwe – dat leidt tot niets – maar echt weglopen. Dat is wat schrijfster Bregje Hofstede deed en daar schreef ze later de roman Drift over, (op drift geslagen, losgeslagen, roekeloos, reddeloos, schipbreukeling op volle zee). Ze beschrijft de veertig dagen dat ze van kennis, naar Airbnb, van hotel naar logeerzolder gaat. Haar rugzak, gevuld met schriften en notitieboekjes is haar belangrijkste bezit.
    Alles schreef ze op: wat er gezegd, gekeken, gegeten en gereageerd werd; als een op voorhand uitgeschreven speurtocht naar onvolkomenheden. Zelfs de vele uitgewisselde sms’jes tussen de Bregje in het boek en haar man, schreef ze in die notitieboekjes. Ze leest er obsessief in terug tijdens die veertig dagen dat ze rondzwerft. Speurend naar de eerste barsten en wie die veroorzaakt heeft. Want is er niet in alles wat er misgaat een oorsprong, een eerste wanklank, een schuldige te vinden?

    Er was sprake van twee manuscripten voor Hofstede tot deze versie van Drift kwam. Daarvan zijn gedeelten onder de titel De welp in Drift opgenomen met een unieke paginering, wat het lezen tot een diepgravende maar ook alerte onderneming maakt: de liefde laag voor laag beleefd en beschreven. Het leest als een essay in romanvorm. De breukvlakken in haar relatie vergelijkt ze met Japans porselein, waarvan de barsten met goudstof gelijmd worden. De gouden lijnen krijgen op den duur meer aandacht dan het porselein zelf. Hofstede noemt zichzelf ‘geen fijn mens’. Als kind noemden haar ouders haar heftig, huilerig, dramatisch, arrogant. Ze vraagt zich af: ‘Waren dit de woorden die het beste bij me pasten of paste ik me aan de woorden aan?’

    Ruim over de helft van het boek wanneer de liefde beschreven is in speelse vrijscènes, de ‘goedmaakseks’ en er à la Sartre en De Beauvoir de vrije liefde is gezocht in een triootje, beseft de Bregje uit het boek, in dit fragment onvermijdelijk opgaand in Hofstede, haar tekortkomingen:
    Terwijl ik dit schrijf [de roman], juist terwijl ik probeer terug te halen wat er gebeurde, verander ik alles en pers het in een vorm waar het, vrees ik, niet meer uit komt. Ik wil ze allebei naast elkaar laten bestaan: de liefdevolle scènes in de gloed van onze toekomst samen, en, genesteld in die gloed, het onafwendbare einde dat, juist omdat het zich al zolang had aangekondigd niet helemaal mijn schuld kan zijn.’

    Truus Schröder – tweede vrouw van Gerrit Rietveld, – vond dat binnenhuisarchitectuur erop gericht moest zijn de bewoners tot activiteit te inspireren, iets te creëren. Een gedachte die me zeer bevalt. De architectuur van een relatie zou zo moeten zijn dat muren verplaatst kunnen worden en deuren geopend blijven. Het gaat in het leven niet om geluk maar om ‘creëren’, is het signaal dat Hofstede met haar buitengewoon openhartige en sensitieve roman afgeeft.
    Denk ik aan Schopenhauers ‘Eenzaamheid is het lot van alle voortreffelijke geesten’, denk ik aan Bregje Hofstede.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.