• Oogst week 4 – 2023

    Verstild voorjaar

    De biologe Rachel Carson (1907–1964) waarschuwde als een van de eersten voor de gevolgen van het gedrag van de mens op het ecologisch evenwicht van de aarde. Haar boeken zijn inmiddels ook ‘verplichte kost’ voor iedereen die zich actief wil inzetten voor het milieu.

    Carson kreeg van huis uit de liefde voor de natuur mee. Het bleek de basis voor haar keuze om biologie te gaan studeren. Haar voorliefde was de zee, daarover publiceerde ze in 1941 Under the Sea Wind dat lovend werd ontvangen door critici, maar commercieel weinig succesvol was. Mogelijk als gevolg van het feit dat ze een vrouw was en daarom niet voldoende serieus werd genomen. Haar tweede boek The Sea Around Us uit 1951 werd ook positief ontvangen maar wèl goed verkocht, mede dankzij het feit dat het zo goed en voor de niet-wetenschappelijke lezer geschreven was.

    Later begon ze zich enorme zorgen te maken over het toegenomen gebruik van pesticiden en het effect daarvan op het milieu. Ze publiceerde daarover in 1962 in Silent Spring (Dode lente, 1964). Dit begint met een fabel over een stadje waar al het leven verdwijnt en mens en dier vreemde ziekteverschijnselen krijgen, maar dat de opmaat is voor de inhoud over de schadelijke gevolgen van overmatig gebruik van pesticiden. Dit boek werd ondanks kritiek en tegenwerking van de pesticidefabrikanten een bestseller. Het heeft de discussie over het gebruik van deze bestrijdingmiddelen op gang gebracht waardoor sommigen zelfs verboden werden. Silent Spring is onlangs onder de titel Verstilde lente opnieuw uitgebracht door uitgeverij Athenaeum. Het geldt nog steeds een van de meest zinvolle en goed leesbare titels op dit gebied.

    Verstild voorjaar
    Auteur: Rachel Carson
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Kwaad geluk

    Tove Ditlevsen (1917 – 1976) is een Deense schrijfster die in Nederland nog niet zo lang bekend is. Zij had een moeilijk leven. Ze groeide in grote armoede in Kopenhagen op bij ouders die samen ongelukkig waren, moest al jong voor inkomsten zorgen, kreeg te kampen met verslavingen en trouwde vier keer, en elke keer was het geen succes. Veel van haar levenservaringen komen terug in haar boeken. De thematiek in haar boeken mag dan zwaar zijn, haar manier van schrijven allerminst. Daarom vindt men haar in Denemarken waarschijnlijk nog steeds een van de grootste auteurs van het land.

    Internationaal wint zij nu aan bekendheid. Aanleiding daarvoor is mogelijk haar plek op een jubileumlijst uit 2020, uitgebracht door haar uitgeverij die dat jaar 250 jaar bestond. Ze eindigde met haar roman Straat van de kindertijd op basis van de stemmen van zo’n 40.000 lezers, in de top tien van de beste boeken uit het fonds van deze uitgeverij. Sinds 2020 verschijnt haar werk in Nederland bij Uitgeverij Das Mag.

    Na Straat van de kindertijd kwam in een periode tussen ’67 en ’71 een trilogie van Ditlevsen uit Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid.
    Over deze trilogie schrijft vertaalster Lammie Post: ‘Het is bijzonder hoe het verhaal van een meisje dat opgroeit in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zoveel mensen weet te raken, en hoe herkenbaar haar verhaal nog steeds is.’

    Kwaad geluk uit 1963 is de eerste verhalenbundel die van Ditlevsen in Nederland verschijnt. Daarin schrijft ze vanuit geobsedeerde hoofdpersonen en komen haar bekende thema’s aan de orde: onbereikbaar geluk, ongelukkige huwelijken en dominante moeders. De verhalen uit deze bundel vormen de basis voor de titels uit de zogenoemde Kopenhagen-trilogie.

    Kwaad geluk
    Auteur: Tove Ditlevsen
    Uitgeverij: Das Mag (2023)

    De lokroep van Elisium

    Tot slot aandacht voor De lokroep van Elisium van de Estlandse schrijver en filmmaker Ilmar Taska (1953), een heel ander boek dan zijn roman Pobeda 1946 dat handelt over de onderdrukking van Estland door de Sovjet-Unie.

    In De lokroep van Elisium gaat het om de mogelijkheid om in een virtuele wereld, het Elysium-portal, historische bekendheden te ontmoeten. Met behulp van kunstmatige intelligentie is bestaand materiaal zoals films en interviews ingezet om de digitale karakters ‘authentiek’ te maken.
    De hoofdpersonen gaan in die virtuele wereld in gesprek met bijvoorbeeld Marlene Dietrich, Marilyn Monroe, John F. Kennedy en Vladimir Lenin. Maar niet alles blijkt te zijn zoals het lijkt.

    Pobeba 1946 werd op deze site besproken door Huub Bartman: ‘Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang.’

    De lokroep van Elisium
    Auteur: Ilmar Taska
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman (2023)
  • Oogst week 2 – 2023

    Schoonheid op aarde

    Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) was een eigenzinnige schrijver. Hij was een Zwitser die in het Frans schreef, maar in Franse literaire kringen op weerstand stuitte omdat zijn gebruik van de taal dichter bij het boerenmilieu lag dan bij het geciviliseerde Frans. Hoewel hij legio werken op zijn naam heeft staan werden er maar twee ooit in het Nederlands vertaald, waaronder De grote angst in de bergen uit 1926 dat in 2018, vertaald door Rokus Hofstede, bij Van Oorschot uitkwam. Dezelfde uitgever en vertaler komen nu met Schoonheid op aarde uit 1927. In deze roman belandt een Cubaanse schone in een klein Zwitsers wijndorp. Het is Juliette, een negentienjarig weesmeisje dat wordt opgenomen in het gezin van een cafébaas die haar oom is. Nadat ze voor de nodige spanningen in de hoofden van de dorpelingen heeft gezorgd, vertrekt ze na een half jaar met een Italiaanse muzikant. De waardering die de roman oogstte betrof niet alleen zijn etalering van menselijke dilemma’s, maar vooral de moderne vertelstijl met alsmaar verschuivende perspectieven.

    Schoonheid op aarde
    Auteur: Charles Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Bier in de snookerclub

    De Egyptische schrijver Waguih Ghali (1927?-1969) is, hoewel hij meer schreef, bekend door één enigszins autobiografische roman, Bier in de snookerclub. De vertaling die nu is uitgebracht door Jurgen Maas is een herziene editie van die uit 1990. De roman speelt in de postkoloniale tijd, direct nadat de Engelsen zijn verdwenen en koning Faroek is afgezet. Aan de macht is president Nasser die weinig heeft gerealiseerd van de beloften waarmee hij het politieke toneel betrad. Hoofdpersonen zijn de studenten Ram en Font, die al snookerend en drinkend de hypocrisie in hun land analyseren. Met de cocktails die ze zelf brouwen proberen ze hun verlangen naar het bier Bass uit de Engelse tijd te bevredigen. Beiden hebben ze gestudeerd en allebei zijn ze in Engeland geweest. In de snookerbar gaan hun gesprekken over wat Egypte is kwijtgeraakt en of het land daar beter van is geworden.

    Bier in de snookerclub
    Auteur: Waguih Ghali
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Heerlijk Monster

    De Vlaamse Fleur Pierets is onder andere performancekunstenaar en LGBTQ+ activist. Haar artistieke partner en vrouw, de Nederlandse Julian P. Boom, stierf op 22 januari 2018. Ze waren toen vier keer met elkaar getrouwd. Die huwelijken waren een project dat 22 landen omvatte waar het homohuwelijk is toegestaan. Over het rouwproces om de dood van haar vrouw schreef Pierets in 2019 Julian. Nu is er het nieuwste boek van Pierets, Heerlijk monster. Het is een persoonlijk boek, maar geen autobiografie, ook al is de hoofdpersoon een schrijfster die kort geleden haar vrouw heeft verloren. Een genre-aanduiding ontbreekt op het omslag. Pierets maakt in het boek online de reis die het personages Therese en Carol maken in het verfilmde Carol van Patricia Highsmith. De twee wilden zo ontdekken wat het betekende om een lesbische relatie te hebben in een wereld die daar soms vijandig tegenover staat. Op die manier gaat ze op zoek naar hoe je identiteit vorm krijgt als je deel bent van een minderheid.

    Heerlijk Monster
    Auteur: Fleur Pierets
    Uitgeverij: Das Mag
  • Oogst week 35 – 2021

    Wissel op de toekomst

    Wissel op de toekomst Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, van Soetan Sjahrir. 

    Soetan Sjahrir (1909-1966) was oud premier van de Republiek Indonesie. Gedurende de dekolonisatie van Indonesië (1945–1949) was een belangrijke rol weggelegd voor deze kritische jongeling. Toen hij eind jaren twintig ging studeren in Amsterdam, ontmoette hij de Hollandse Maria Duchâteau. Zij werd Sjahrirs geliefde en strijdkameraad voor een vrij Indonesië. Zij volgde hem naar Indië, waar hij een politieke partij zou opzetten, maar werd teruggestuurd door het koloniale gouvernement. Vanuit die positie ontstond een briefwisseling. De brieven die Sjahrir aan Duchâteau schreef zijn zeer afwisselend, met een scherpe visie op de geopolitieke situatie en koloniale werkelijkheid, maar ook brieven vol verlangen en heimwee naar elkaar. In 1936 huwden zij ‘met de handschoen’, pas  in 1947, anderhalf jaar nadat Sjahrir was uitgeroepen tot premier van de Republiek Indonesië, zagen zij elkaar weer.

    Keuze uit de brieven is gemaakt en bezorgd door Kees Snoek, aangevuld met een biografische schets.
    Athenaeum Boekhandel publiceerde de eerste brief.

    Wissel op de toekomst
    Auteur: Bezorgd door Kees Snoek
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Toen ik klein was, was ik niet bang

    Gershwin Bonevacia (1992) is dichter, spoken word artiest en de huidige stadsdichter van Amsterdam. Kort geleden verscheen zijn nieuwe dichtbundel, Toen ik klein was, was ik niet bang. We maken kennis met Gush, de 10-jarige Gershwin Bonevacia die opgroeit in Rotterdam-Zuid. Een rebels en onbevangen kind, ondanks dat hij moeilijk meekomt op school en worstelt met dyslectie en racisme. Maar Gush is niet bang. Pas later vroeg Gershwin zich af: ‘Gush, waarom was je niet bang?’

    In deze bundel gaat Gershwin Bonevacia in dialoog met zijn 10-jarige ik middels een reeks zelfportretten en herinneringen over zijn worsteling met dyslectie, migratie, onveilig opgroeien en zijn droom om ooit astronaut te worden. Een onderzoek naar familiebanden, onverwerkte trauma’s, vergeten geschiedenis en kind-zijn. Toen ik klein was, was ik niet bang is een ode aan zijn jonge onbevreesde ik en een verwoede poging om die weer meer onderdeel van Gershwin Bonevacia te maken. Hier enkele strofen uit de bundel:

    ‘Tussen de middag’

    er zijn goede en slechte kinderen
    de slechte kinderen zijn verlaten door hun vader
    de goede kinderen gaan tussen de middag naar huis
    alle slechte kinderen worden opgehaald
    door een neef
    soms komt de neef niet
    de goede kinderen gaan naar de camping
    alle slechte kinderen worden gepest
    meisjes worden voorbereid op een cyclus
    zwarte kinderen worden profvoetballer
    ben je een gebroken kind
    dan word je gelijmd
    maar alleen als je ophoudt je te schamen
    (…)

    Toen ik klein was, was ik niet bang
    Auteur: Gershwin Bonevacia
    Uitgeverij: Das Mag

    Harlem Shuffle

    Colson Whitehead (1969) is een New Yorkse romanschrijver. Met De jongens van Nickel (2019) won hij de Pulitzerprijs.

    Zijn laatste roman, Harlem Shuffle, gaat over meubelverkoper Ray Carney, die een fatsoenlijk leven probeert te leiden. Zijn buren in 125th street in Harlem zien hem als beschaafd man, maar weten niet dat Ray afkomstig is uit een familie van bendeleden en boeven. Ray heeft er alles aan gedaan daar los van te komen. Hij heeft veel bereikt, zijn vrouw is in verwachting, beter kan het gewoon niet.

    Dan begint zijn brave burgermansbestaan barsten te vertonen. Barsten die steeds groter worden dankzij zijn louche, onfortuinlijke neef Freddy, die dankbaar gebruikmaakt van Rays keurige façade – en hem ondertussen de Harlemse onderwereld in sleurt. Terwijl Ray worstelt met zijn dubbelleven wordt het hem steeds duidelijker wie de touwtjes in handen heeft in Harlem. De vraag is of Ray hier zonder kleerscheuren vanaf komt, zijn burgermans leventje weer herpakken kan.

    Harlem Shuffle
    Auteur: Colson Whitehead
    Uitgeverij: AtlasContact
  • Oogst week 1 – 2021

    Ik ben er niet

    Lize Spits debuut Het smelt (2016) vielen overwegend goede kritieken en lovende lezersreacties ten deel, en het werd bekroond met de Belgische literatuurprijs De Bronzen Uil en de Hebban Debuutprijs. Onlangs verscheen haar langverwachte tweede roman, Ik ben er niet, waarin de tien jaar durende relatie tussen hoofdpersonen Leo en Simon onheilspellende barstjes begint te vertonen. Leo is snel jaloers, wil de controle hebben en houden, schaduwt haar vriend; Simon gaat zich in Leo’s ogen steeds vreemder en afwijkender gedragen, waarmee de verhoudingen op scherp komen te staan.

    Net als Het smelt is Ik ben er niet deels autobiografisch geïnspireerd, en net als Spits debuut is het een plot driven vertelling (Spit volgde een opleiding tot scenarioschrijver). Meteen wordt met de onheilspellende aankondiging ‘Nog elf minuten, winkel’ al duidelijk dat er iets vreselijks is gebeurd – maar wat dat dan is, dat ontvouwt zich langzaam.

    Ik ben er niet
    Auteur: Lize Spit
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij

    & rol door

    ‘Goed advies: struikel je voorover, hou je dan slap en rol dóór.’

    Deze regel uit & rol door, de nieuwste bundel van K. Michel, lijkt haast een optimistische oproep bij aanvang van een vers jaar. Het is ook in verband te brengen met een van de bijzondere vormexperimenten die hij uitvoert; een gedicht als een koprol.

    Michel (pseudoniem van Michael Maria Kuijpers) ontving onder andere de Herman Gorterprijs (voor Boem de nacht), de Jan Campertprijs (voor Waterstudies), de VSB Poëzieprijs (idem) de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelleprijs (beide voor Bij eb is je eiland groter). Werk van zijn hand werd vertaald in het Engels, Spaans en Zweeds.

    & rol door
    Auteur: K. Michel
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eén erwt maakt nog geen snert

    In dit persoonlijke essay Eén erwt maakt nog geen snert, verschenen bij uitgeverij Van Oorschot, gaat Asis Aynan (1980) in op de komst van migranten uit het Rifgebergte en de vooroordelen die over hen zijn ontstaan in Nederland vanaf de jaren vijftig vorige eeuw. Aynan neemt de lezer mee langs wat de Riffijnen uit Marokko op hun weg naar Nederland verloren. Hij legt een groot aantal misverstanden bloot (zo wonen er nauwelijks Marokkanen in Nederland maar merendeels Riffijnse Nederlanders) en ontkracht hij de vaak onjuiste aannames en vooroordelen waaruit deze misverstanden ontstaan zijn.

    Naast schrijver is Aynan docent op de Hogeschool van Amsterdam. Zijn docentschap inspireerde zijn eerder verschenen Linoleumkoorts, over taal en identiteit door de lens van een schoolomgeving in de grote stad.

    Eén erwt maakt nog geen snert
    Auteur: Asis Aynan
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Ode aan een onverbeterlijke optimist

    Ode aan een onverbeterlijke optimist

    In 2009 – kort na zijn debuut als schrijver – kreeg  Thomas Heerma van Voss een telefoontje van zijn vriend Daniel van der Meer: of hij redacteur wilde worden bij de net opgerichte uitgeverij Babel & Voss. Het betaalde niet, maar het zou plezierig en zinvol werk zijn. De oprichters van de uitgeverij waren van plan alleen boeken uit te geven die ze zelf mooi vonden. Thomas ging graag in op het verzoek, zijn broer Daan was mede-oprichter en naast Daniel van der Meer was de andere vennoot Reinjan Mulder, de vader van een jeugdvriend. Mulder was lang werkzaam geweest als redacteur literatuur bij NRC en daarna tien jaar als uitgever bij uitgeverij De Geus.

    Vol enthousiasme meldde Thomas, 19 jaar en student Nederlands, zich op het kantoor van de uitgeverij. Dat zag er anders uit dan het imponerende pand van de uitgeverij van zijn debuut: ‘Het kantoor van Babel &Voss lag boven in een vervallen pand op de Wallen. Op de begane grond bevond zich een medisch hulpcentrum, waar achter een dikke glasplaat altijd een paar sjofel geklede jongvolwassenen, soms zachtjes kreunend, zaten te wachten op een dokter.’

    Incasseren van tegenslagen

    Het uitgeven viel tegen, de stapels manuscripten die andere uitgeverijen ontvingen, waren hier heel klein en uit de kwaliteit kon hij opmaken dat ze kennelijk al door die andere uitgeverijen geweigerd waren. Maar af en toe kwam er toch een manuscript langs dat publicabel was. En toen merkte Thomas dat er een groot tweede probleem was: kleine uitgeverijen blijken veel moeite te hebben hun boeken in de boekhandel te krijgen. En boeken die niet zichtbaar zijn bestaan eigenlijk niet en worden dus  niet gekocht. Ook enthousiaste deelname aan de jaarlijkse Beurs voor kleine uitgevers hielp niet. Maar het leek Reinjan Mulder niet te deren. ‘Hoe weinig we ook verkochten, hoe moeizaam een titel vaak ook liep, onze tweewekelijkse vergaderingen bleven goedmoedig, aangenaam. Dat was misschien wel een van de opvallendste eigenschappen van Reinjan, iets waar ik met verwondering en toenemende jaloezie naar keek: zijn vermogen om tegenslagen te incasseren met dezelfde glimlach waarmee hij weken eerder hardop droomde van een grootse gebeurtenis. Alsof in alles een positieve boodschap verscholen lag die hij als enige kon ontcijferen.’

    Thomas’ broer gaf het al na twee titels op. Reinjan die de onderneming financierde en alle tekorten blijmoedig aanvulde uit een blijkbaar ongelimiteerde voorraad geld, constateerde pas na vijf jaar dat het tijd werd te stoppen. Maar dat einde moest niet onopgemerkt plaats vinden, vond hij. Over hun vruchteloze pogingen de uitgeverij te laten slagen had Thomas een stuk geschreven voor  het blad Ons ErfdeelDat verslag moest in boekvorm de laatste uitgave van Babel & Voss zijn, vond Reinjan Mulder. Dat hij er in beschreven werd als een wat naïeve en onverbeterlijke optimist deerde hem niet. Onder de titel Onzichtbare boeken verscheen in 2015 de geschiedenis van hun mislukking. 

    Boekje ter afsluiting

    Thomas Heerma van Voss heeft er geen jammerverhaal van gemaakt. Integendeel, het is een ode aan de Ausdauer en het vaak onbegrijpelijke goede humeur van Reinjan Mulder. Zijn eigen ervaringen beschrijft hij met opgewekte gelatenheid. En er gebeurde een wonder: het boekje werd een succes. Zo groot zelfs dat Babel & Voss er nog vijf jaar mee voort kon. Weliswaar op een steeds zachter pitje, maar toch…

    Tot uiteindelijk Reinjan Mulder zijn Waterloo vond bij het uitbrengen van het boek Melancholicaman. Na het verschijnen van deze titel had de auteur enkele dozen exemplaren meegenomen en deze vervolgens bij veel boekhandels tegen betaling aan de man gebracht met recht van retour. En retour kwamen ze, zodat Reinjan zich blauw betaalde aan terugkerende exemplaren waarvan hij nooit het verkoopbedrag had kunnen innen. Dat was zelfs voor de eeuwige optimist niet te pruimen. Maar ook nu wilde hij dat het einde van de uitgeverij met enige tam-tam zou gebeuren. Thomas, vond hij, moest een vervolg schrijven op ‘Onzichtbare boeken’.  Hij bood aan een verblijf te betalen in het badplaatsje Dovercourt, waar – wist  hij – Thomas goede herinneringen aan had. Daar kon hij vast wel wat schrijven.

    Thomas hield de uitnodiging af. Maar toen zijn vriendin liet weten dat ze de relatie wilde beëindigen was voor hem het moment gekomen om toch maar op pad te gaan. Het resultaat is Verdwenen boeken, dit jaar inderdaad verschenen als laatste uitgave van Babel & Voss.

    Herinneringen aan gezamenlijke vakanties

    Het is een wat melancholisch relaas geworden over het bezoek van Thomas aan Dovercourt, in een poging de gelukkige zomervakanties te herbeleven die hij hier elk jaar met Reinjan en zijn gezin mocht doorbrengen. Want Reinjan’s zoon was zijn boezemvriend en hij mocht daarom elk jaar mee naar het appartement dat Reinjan had geërfd van zijn vader, de schilder Piet Mulder die hier de zee portretteerde. Maar Dovercourt is niet meer wat het was, het plaatsje is leeggelopen, het hotel waar hij zou logeren wordt net op dat moment gesloopt. Hij herinnert zich de snackbar  ‘waar Reinjan vroeger elke vakantie vier porties fish-and-chips haalde, die hij naar huis droeg als een trofee. ‘Nu ik hier sta zie ik zijn opgetogen gezicht weer, lopend over de boulevard, goed zichtbaar door de ramen van zijn vaders flat. Verwilderd grijs plukjeshaar, onbehouwen grijns, haastige bewegingen, precies zoals hij jaren later Babel & Voss bestierde.’

    Veel lezers van Onzichtbare boeken zullen zich hebben afgevraagd waar Mulder de hoeveelheden geld vandaan haalde die hij zonder enige bekommernis in de uitgeverij stak. Dat wordt in Verdwenen boeken onthuld. Reinjan was in 2009 op zijn 60ste een nieuw leven begonnen. ‘Hij ging weg bij de uitgeverij waar hij werkte, hing een FOR SALE-bordje op zijn Engelse appartement, ontfermde zich over de piepjonge  Milan Kundera, schreef met zijn nieuwe geliefde het filosofische boek Opnieuw beginnen en stortte zich bezield op een eigen uitgeverij waarmee hij alles veel beter zou aanpakken dan bij de uitgeverijen waar hij eerder werkte.’

    Een late midlife crisis en de verkoop van het Engelse appartement waren dus de basis voor het mislukte uitgeef avontuur dat uiteindelijk toch nog deze twee aardige, vlot geschreven boekjes heeft opgeleverd. Met een fraai portret van Reinjan Mulder en een kijkje in de ziel van de schrijver. Ze zijn nu in één band herdrukt door DAS MAG, de uitgeverij die Daniel van der Meer oprichtte toen hij vertrok bij Babel & Voss. En zo kwam de cirkel toch een beetje rond.

     

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Indringende vragen over goede bedoelingen

    Indringende vragen over goede bedoelingen

    Van Linda Polman verscheen al eerder De crisiskaravaan (2008). Als onderzoeksjournalist schreef Polman een boek dat heel wat heilige huisjes afbrak over de hulpverlening aan derde wereldlanden, vluchtelingenkampen en rampgebieden. Polman toonde de rauwe werkelijkheid van de ngo’s die niet in wervings-spotjes te zien zijn: organisaties die elkaar verdringen om in de gunst van sponsoren te komen, humanitaire middelen die in zakken van foute regimes verdwijnen en een woud van politieke belangen. De crisiskaravaan, non-fictie, was geen opwekkende kost. Evenmin vrolijk stemmend is het onlangs verschenen De Geesten, de nieuwste roman van Yves Petry. Hij gaat een stap verder en duikt in de drijfveren van de individuele hulpverlener met als kernvragen: waarom willen we zo graag goed doen en wat willen we daarmee aan onszelf of de ander bewijzen?

    Duisternis

    Petry schrikt er niet voor terug verontrustende thema’s aan te pakken. Het meest bekend waarschijnlijk, is zijn roman De maagd Marino waarvoor hij in 2011 de Libris Literatuurprijs kreeg. Die knoopte aan bij de beruchte zaak waarin de Duitser Armin Weimes zijn landgenoot Brandes, die zich daarvoor had aangeboden, vermoordde en opat. Maar meer dan een aanleiding tot het boek is die gruweldaad niet. In werkelijkheid gaat De maagd Marino over wat bewustzijn eigenlijk is: wie is degene die zichzelf ‘ik’ noemt?

    De Geesten is gesitueerd in een fictief West-Afrikaans land waarvan alleen de namen van de havenstad Port-au-Bout en het in het binnenland gelegen vluchtelingenkamp Bilonga genoemd worden. Het is een gebied waar twee stammen en religies elkaar naar het leven staan, de islamitische Hiromwe en de christelijke N’gali. De setting doet in zijn gruwelijkheden sterk denken aan de strijd tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in Rwanda en Burundi in de jaren ’90 van de vorige eeuw, maar ook aan het Congo uit Heart of Darkness, waarin Joseph Conrad een pijnlijk beeld van de menselijke beschaafdheid schetste. Niet voor niets is de duisternis een decor dat prominent aanwezig is in de jongste roman van Petry. ‘Een botsing der duisternissen’ is dan ook de titel van het laatste hoofdstuk waarin de hoofdpersoon, de arts Mark Oostermans, dichtbij zijn, wat je zijn loutering zou kunnen noemen, komt na zijn mislukte liefdesleven en zijn werk in het kamp Bilonga. Daarover later.

    Artsen zonder Kleur

    We koesteren graag een idealistisch beeld van Artsen Zonder Grenzen (AZG), werkend met vrijwilligers in probleemgebieden en medische zorg verlenend aan elk slachtoffer. Ongeacht afkomst, politieke kleur of religieuze gezindheid en desnoods tegen de zin van de regering van het betreffende land. Op grond van De Geesten kan niet geconcludeerd worden dat Petry zijn reserves heeft bij dergelijke organisaties, maar het belet hem niet fundamentele menselijke en existentiële vragen over hulpverlening op zich op te werpen.

    Mark Oostermans, die we door de roman heen volgen, gaat vijf keer naar het vluchtelingenkamp Bilonga van Artsen Zonder Kleur om er goed werk te doen. De benaming van die organisatie is niet zomaar een woordspelige parafrase op AZG. Het zal misschien duiden op de neutraliteit van de organisatie, maar zeker ook op de persoonlijkheid van Oostermans. Die wordt in de roman herhaaldelijk te meegaand genoemd, kleurloos zou je kunnen zeggen. Tekenend is hoe de relatie met zijn vriendin Kristien is geëindigd. Mark is er volkomen van in de war:
    ‘ik probeerde haar een brief te schrijven. Die poging maakte vooral duidelijk hoe weinig fantasie ik inderdaad bezat. Het ontbrak me, denk ik, aan vechtlust in de liefde. Mijn inspiratie werd niet geprikkeld door de heilige wil om te winnen’.
    Het is de relatiebreuk die naar de stap leidt om naar Afrika te vertrekken. Het heeft er veel van dat hij Kristien zal bewijzen dat hij durft en een ruim hart heeft.

    Illusies

    Op dat moment is nog niet duidelijk welke betekenis Kristien heeft in de roman. De Geesten lijkt grotendeels een verhaal van een ik-verteller die zich tot de lezer richt. In het laatste hoofdstuk echter blijkt de hele roman een verslag te zijn van Mark aan Kristien. Hij heeft zich al die tijd tot haar gericht. Het is een tournure die werkt, want ineens worden wij in haar schoenen gezet: we zijn geen afstandelijke lezers meer, maar worden gedwongen met de vragen die Mark opwerpt aan de slag te gaan.

    In totaal gaat Mark Oostermans vijf keer naar Bilonga. Hij loopt daar op allerlei manieren tegen zichzelf aan in scènes in het kamp en in verwikkelingen tussen artsen. De belangrijkste onder hen zijn het hoofd Jeroen Ullings, de Belgische arts Margot en de Afrikaan Ibrahim. Opvallend is dat alle artsen (met uitzondering van Ibrahim) in het kamp terecht zijn gekomen na verwarrend verlopen liefdesrelaties die hen teruggeworpen hebben op de vraag naar hun diepere motieven om iets te betekenen in de wereld.
    Het meest cynisch daarover is Jeroen Ullings. Hij heeft een tijd lang de wereld achter zich willen laten door Jezuïet te worden. Die stap bracht hem vooral tot nadenken over dood en leven en de zin van hulpverlening. Hij maakt zich geen illusies; hij is voor zichzelf in Bilonga. Niets is dan ook zo ‘manifest hopeloos als dit eeuwig oplappen van mensen die nergens heen gaan en van zichzelf ook weten dat ze dat niet doen. Het is werk dat me verlost van mijn zelfzucht, maar dat betekent in de verste verte niet dat de wereld er beter van wordt.’
    De dialogen van Ullings maken door hun breedvoerigheid en rationele constructies overigens de roman niet altijd even sterk. Zoals Petry de gesprekken soms ook wat gekunsteld invoegt: het is niet altijd duidelijk waarom verschillende figuren hun bokkige zwijgen ineens doorbreken.

    Manipulaties en levens redden

    Enigszins duister zijn de manipulaties van de arts Margot die aan de stoelpoten van Ullings zaagt. We komen er als lezer niet achter of zij werkelijk een integriteitsprobleem aan de orde stelt of dat ze op eigen gewin uit is. Of is het de politiek, misschien wel de lafheid, van het hoofdkantoor van Artsen Zonder Kleur die hier te kijk wordt gezet. En wie is er schuldig als het een aanval op het kamp gruwelijk afloopt: het hoofdkantoor, de arts die onverantwoorde risico’s nam of degene die niet ingreep.
    Oostermans blijft in het kamp Bilonga in zekere zin de slappeling die hij in zijn liefdesrelaties was. Hij trekt in de machtsstrijd tussen Margot en Ullings geen partij en maakt geen duidelijke keuzes. Zo grijpt hij niet in als hij ontdekt dat Ibrahim een pistool bij zich draagt hoewel wapens in het kamp verboden zijn.

    Oostermans hoeft zich geen illusies te maken als hij onderhouden wordt door Jeroen Ullings: ‘Wat doen wij hier, Mark? Dag in, dag uit spannen wij ons in om levens te redden vanuit het idee dat deze mensen net zo goed als wij recht op leven hebben. Heel nobel van ons. Maar bekijk het ook eens van hun kant. Zij hebben niet het gevoel mensen te zijn als wij (…) In feite begrijpen ze hun belagers beter dan ze ons begrijpen. Onze motieven zijn hun duizend keer vreemder dan die van hun vijanden. We zien hen sterven, bij dozijnen, maar zien zij ons ooit sterven?’

    Wat in het licht van die laatste opmerking de rol van Ullings zelf bij het dramatische einde van de aanval op het kamp is, is een vraag voor de lezer. Die mag zich meteen ook de vraag stellen wat er met Oostermans is gebeurd na het lezen van deze roman. Want terug in België stopt Mark Oostermans zijn verslag bij Kristien in de bus. Het eindigt met ‘Laat dat voor nu het antwoord zijn op de vraag wat eigenlijk mijn probleem is. Later meer. Eerst moet jij dringend dit verhaal lezen, Kristien. Hooguit nog een uur of twee en dan sta ik bij jou voor de deur.’
    Zal Kristien open doen? Zouden wij, staande in de schoenen van Kristien, het doen?

     

  • Bregje Hofstede op drift

    Bregje Hofstede op drift

    Om te weten of je moet blijven, moet je weggaan. Niet voor een midweek naar een huisje op de Veluwe – dat leidt tot niets – maar echt weglopen. Dat is wat schrijfster Bregje Hofstede deed en daar schreef ze later de roman Drift over, (op drift geslagen, losgeslagen, roekeloos, reddeloos, schipbreukeling op volle zee). Ze beschrijft de veertig dagen dat ze van kennis, naar Airbnb, van hotel naar logeerzolder gaat. Haar rugzak, gevuld met schriften en notitieboekjes is haar belangrijkste bezit.
    Alles schreef ze op: wat er gezegd, gekeken, gegeten en gereageerd werd; als een op voorhand uitgeschreven speurtocht naar onvolkomenheden. Zelfs de vele uitgewisselde sms’jes tussen de Bregje in het boek en haar man, schreef ze in die notitieboekjes. Ze leest er obsessief in terug tijdens die veertig dagen dat ze rondzwerft. Speurend naar de eerste barsten en wie die veroorzaakt heeft. Want is er niet in alles wat er misgaat een oorsprong, een eerste wanklank, een schuldige te vinden?

    Er was sprake van twee manuscripten voor Hofstede tot deze versie van Drift kwam. Daarvan zijn gedeelten onder de titel De welp in Drift opgenomen met een unieke paginering, wat het lezen tot een diepgravende maar ook alerte onderneming maakt: de liefde laag voor laag beleefd en beschreven. Het leest als een essay in romanvorm. De breukvlakken in haar relatie vergelijkt ze met Japans porselein, waarvan de barsten met goudstof gelijmd worden. De gouden lijnen krijgen op den duur meer aandacht dan het porselein zelf. Hofstede noemt zichzelf ‘geen fijn mens’. Als kind noemden haar ouders haar heftig, huilerig, dramatisch, arrogant. Ze vraagt zich af: ‘Waren dit de woorden die het beste bij me pasten of paste ik me aan de woorden aan?’

    Ruim over de helft van het boek wanneer de liefde beschreven is in speelse vrijscènes, de ‘goedmaakseks’ en er à la Sartre en De Beauvoir de vrije liefde is gezocht in een triootje, beseft de Bregje uit het boek, in dit fragment onvermijdelijk opgaand in Hofstede, haar tekortkomingen:
    Terwijl ik dit schrijf [de roman], juist terwijl ik probeer terug te halen wat er gebeurde, verander ik alles en pers het in een vorm waar het, vrees ik, niet meer uit komt. Ik wil ze allebei naast elkaar laten bestaan: de liefdevolle scènes in de gloed van onze toekomst samen, en, genesteld in die gloed, het onafwendbare einde dat, juist omdat het zich al zolang had aangekondigd niet helemaal mijn schuld kan zijn.’

    Truus Schröder – tweede vrouw van Gerrit Rietveld, – vond dat binnenhuisarchitectuur erop gericht moest zijn de bewoners tot activiteit te inspireren, iets te creëren. Een gedachte die me zeer bevalt. De architectuur van een relatie zou zo moeten zijn dat muren verplaatst kunnen worden en deuren geopend blijven. Het gaat in het leven niet om geluk maar om ‘creëren’, is het signaal dat Hofstede met haar buitengewoon openhartige en sensitieve roman afgeeft.
    Denk ik aan Schopenhauers ‘Eenzaamheid is het lot van alle voortreffelijke geesten’, denk ik aan Bregje Hofstede.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.