• Oogst week 5 – 2024

    Lichtspel

    De Duitse schrijver Daniel Kehlmann  (1975) heeft zijn grootste bekendheid te danken aan zijn virtuoze verweving van de levens van de veelzijdige avonturier en natuuronderzoeker Alexander von Humboldt en de wiskundige Carl Gauss in Het meten van de wereld uit 2005 (in Nederland in 2007 verschenen). Voor zijn nieuwe boek Lichtspel dook hij opnieuw in de (Duitse) geschiedenis. Ditmaal het leven van Georg Wilhelm Pabst (1885-1967), één van de grootste filmregisseurs van zijn tijd, bekend van films als Die Büchse der Pandora en Westfront 1918. Hij gaat begin jaren ’30 van de vorige eeuw in de VS werken omdat hij het niet eens was met de nazi’s. Als blijkt dat ze in Amerika niet op zijn films zaten te wachten keert hij teleurgesteld terug, onder andere vanwege zijn ernstig zieke moeder. Dan krijgt hij te maken met Goebbels die hem als filmer wil inzetten voor de nazi-propaganda.
    Als motto gebruikt Kehlmann een citaat uit Unter Schwarzen Sternen uit 1966 van Heimito von Doderer die in de Tweede Wereldoorlog lid was van de NSDAP: ‘Hoe deden we dat trouwens toen, ’s ochtends opstaan, telkens en telkens weer? Omhooggetild en voortdrijvend op een brede golf onzin, hoewel we het toch wisten en zagen, en dat maakt het des te erger! Maar op het laatst was het alleen dit weten waardoor we het overleefden, terwijl anderen, die veel beter waren dan wij, werden verzwolgen’.

    Lichtspel
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Querido

    Alles wat ze dragen kon

    Het begon allemaal met een tas die Tiya Miles, hoogleraar geschiedenis op Harvard, zag nadat die op een vlooienmarkt was gevonden. Vanwege haar speciale interesse in Afro-Amerikaanse vrouwengeschiedenis bezocht ze veel musea over de slavernij, maar iets aangrijpends als deze tas had ze niet eerder gezien. Haar boek erover verscheen in 2021 en is nu vertaald in het Nederlands onder de titel: Alles wat ze dragen kon. De reis van Ashleys tas, het aandenken van een Zwarte familie (niet alleen in deze ondertitel maar in de hele wordt Zwart met een hoofdletter geschreven; wit begint steeds met een kleine letter). De tas was ooit van een zekere Ruth Middleton geweest. Ze had er de volgende tekst op geborduurd (zonder interpunctie): ‘Mijn overgrootmoeder Rose moeder van Ashley gaf haar deze zak toen ze op 9-jarige leeftijd in South Carolina werd verkocht er zat een afgedragen jurk in 3 handenvol pecannoten een vlecht van Roses haar  Vertelde haar dat hij gevuld zou zijn met mijn Liefde altijd ze heeft haar nooit meer teruggezien Ashley is mijn grootmoeder Ruth Middleton 1921’. De tekst zette Miles op het spoor van drie vrouwenlevens die verbonden zijn met de tas.

    Alles wat ze dragen kon
    Auteur: Tiya Miles
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Dezelfde maan

    Het is een populaire opvatting in zelfhulpboeken dat je altijd een keuze hebt. Maar is dat zo? Hoe ruim zijn die keuzes? Wat sluiten we aan mogelijkheden uit als we één weg kiezen? En op grond van welke keuzes zijn we aanbeland waar we nu zijn? Dorien Dijkhuis stelt deze vragen in haar boek Dezelfde maan, een mengsel van beschouwingen, gedichten  en essays. Het hoofdpersonage trekt zich terug op een eiland om omringd door de zee te overdenken wat haar tot dit punt in haar leven heeft gebracht: ‘Ik ben hier om te schrijven. En om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen.

    Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg dat het eiland me heeft leren schrijven. Mijn eerste verhaal – ik zal tien geweest zijn, hooguit elf – ging erover. Over een strandjutter die een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Ook mijn eerste gedicht schreef ik hier.

    Hoe vaak zijn we samen op het eiland geweest? Tien keer? Vijftien keer? Nu ben ik hier alleen, in een huisje in de duinen, in het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af’

    Dorien Dijkhuis (1978) debuteerde in 2019 met Waren we dieren. Ze publiceerde verhalen en gedichten in verschillende literaire tijdschriften.

    Dezelfde maan
    Auteur: Dorien Dijkhuis
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Zomerlezen – Novelle als vakantievoer

     

     

     

    Wereldverzamelaar

    De Brit Richard Burton (1821 – 1890) leefde in een eeuw waarin reizen nog avontuurlijk was. Hij was officier, diplomaat, schrijver, vertaler, spion en ontdekkingsreiziger. Hij bereisde India, het Midden-Oosten en Oost-Afrika. Anders dan veel van zijn koloniale landgenoten stelde hij zich open voor andere culturen en godsdiensten. Hij mengde zich anoniem met de lokale bevolking en was permanent op zoek naar nieuwe inzichten. Burton vertaalde onder meer Duizend-en-een-nacht en de Kamasutra. De Duits-Bulgaarse schrijver Ilja Trojanow (1965) schreef over zijn grote held De wereldverzamelaar, waarvoor hij in zijn voetspoor reisde.
    Het is een van de redenen waarom het zo’n geloofwaardig boek is, ondanks de ongelooflijke avonturen die erin worden beschreven. Daarbij beschikt Trojanow over een groot inlevingsvermogen en een enorme verbeeldingskracht. Burtons reizen naar onder meer Mekka en de bronnen van de Nijl lezen als een jongensboek. Het bevat levende personages tegen zinderende decors. Door de verschillende vertelperspectieven en de prachtige, kleurrijke stijl is het boek ook een grote literaire prestatie. Het zijn reizen die je zelf nooit had durven maken. Vooral de tocht door het Afrikaanse oerwoud is huiveringwekkend vanwege de verschrikkelijke ontberingen. Dankzij Trojanow kun je deze net zo intens vanuit je veilige stoel meemaken. Naast oog voor sfeer heeft Trojanow ook aandacht voor persoonlijke tragiek. De wereldverzamelaar is niet alleen een roman die de geest verruimt en je dagen achtereen geboeid houdt, het is er een die ook ontroert.

    Wereldverzamelaar
    Auteur: Ilija Trojanow
    Uitgeverij: De Geus (2008)

    Het meten van de wereld

    Deze roman van Daniel Kehlmann (1975) speelt ook eind negentiende eeuw en gaat over twee wetenschappers die volhardend en fanatiek hetzelfde doel nastreven. Twee grote genieën: Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss. Beiden willen de wereld opmeten. De eerste door met zijn meetapparatuur naar onbekende streken te trekken, de laatste zonder zijn geboorteplaats te verlaten, aan de hand van wiskundige formules. Von Humboldt is de avonturier, Gauss heeft een hekel aan reizen. Beiden laten zich leiden door de sterren. Kehlmann schrijft de pogingen van zijn beroemde landgenoten luchtig en met humor op. Met oog voor sprekende details weet hij het verleden tot leven te wekken. Door zijn hoofdpersonages om en om te beschrijven houdt Kehlmann het verhaal boeiend en accentueert hij het onderlinge contrast. De personages zijn geen kille wetenschappers, maar mensen van vlees en bloed.
    De gedreven Von Humboldt weet letterlijk van geen ophouden en neemt de meest krankzinnige risico’s. Tot afgrijzen van zijn verstandige reisgezel, de Fransman Bonpland, een onvergetelijk personage. Met zijn grenzeloos gedrag zet Von Humboldt hun gezondheid meer dan eens op het spel. Gauss worstelt zijn hele leven met de liefde. De roman laat niet alleen hun bevlogenheid, maar ook hun eenzaamheid zien en roept vragen op over mislukking en succes. Tenslotte komt de vraag of al dat reizen wel ergens goed voor is.

    Het meten van de wereld
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Rainbow (2006)

    Lipari

    Dat een ideaal reisboek niet dik hoeft te zijn, bewijst deze novelle waarmee Robbert Welagen (1981) debuteerde. Je moet gewoon wat trager lezen. Er hoeft ook niet per se vreselijk veel in te gebeuren. Welagen geeft je alle ruimte om te fantaseren. Zijn boeken zijn dromerig en raadselachtig. Het verleden speelt er een belangrijke rol in. In Lipari ontmoet hoofdpersoon Robbert op dit Italiaanse eiland een opzienbarend echtpaar: ‘Ik was gefascineerd door Gerard en Chaphine’. Het leven leek hen niet aan te raken.’ Hij observeert hen en probeert achter hun geheim te komen. De novelle speelt zich af op een verlaten plek:

    ‘Hotel Cavazzoni was een voormalig landhuis met slechts zeven kamers, opgetrokken in Palladiaanse stijl. Aan de zeezijde van het hotel lag een groot verhoogd terras met een balustrade eromheen. Aan de achterkant bevond zich het zwembad in de weelderige hoteltuin. Daar kwam vrijwel niemand.’

    Met eenvoudige zinnen roept Welagen een sterke sfeer op. Uiteraard die van Italië, waardoor je vanzelf in vakantiestemming komt. Lipari is verkrijgbaar in een uitgave met een andere mooie novelle, Philippes middagen, waarin de hoofdpersoon in de zomer gewoon thuis blijft. Welagen heeft net weer een nieuw boek uit, ‘Antoinette’, 112 pagina’s ‘dik’. Ik denk dat ik dit deze vakantie maar eens ga lezen.

    Lipari
    Auteur: Robbert Welagen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Circulair lezen

    Circulair lezen

    Athanasius Kircher was een enorm leergierige jezuïet die leefde van 1602 tot 1680. Hij dacht zo’n beetje overal verstand van te hebben en voelde zich door de Voorzienigheid bestemd om de geheimen van de wereld te ontsluiten, of het nu ging om hiërogliefen, vulkanisme of insecten. Hij  schrok er daarbij niet voor terug om de hiaten in zijn bewijsmateriaal op te vullen vanuit zijn rijke fantasie.
    Dat mengsel van leergierigheid en bedrog heeft me geïntrigeerd sinds ik voor het eerst van hem hoorde. Wanneer dat was? Begin jaren 70 van de vorige eeuw mogelijk: 1974? Toen zond de VPRO de documentaire In het voetspoor van Athanasius Kircher uit, gemaakt door Anton Haakman. Maar het gekke is dat ik me niet kan herinneren dat ik die gezien heb.

    Het moet in ieder geval ver voor 1994 geweest zijn. Ik las toen Het eiland van de vorige dag van Umberto Eco en ik herinner me mijn lichte opwinding toen ik in Eco’s jezuïet Caspar Wanderdrossel mijn ‘vriend’ Athanasius herkende. Toen ik in 2010 las dat Waar de tijgers thuis zijn van Jean-Marie Blas de Roblès voor een groot deel over Kircher ging, moest alles waar ik in bezig was even opzij voor een dringende leeservaring.
    Er gingen jaren voorbij dat ik helemaal niet aan Athanasius Kircher dacht. Tot vorig jaar Tijl van Daniel Kehlmann verscheen. Ik recenseerde het voor Literair Nederland en was er vol lof voor. Vooral om de krachtproef van de auteur zelf, maar ook om het plezier dat hij mij deed met de wederopvoering van mijn ‘held’. Kircher is de man die in een aaneenschakeling van drogredenen Tijls vader Claus betrapt op steun aan hekserij. Het belangrijkste bewijsmiddel is een Latijns boek dat Claus op zolder heeft liggen terwijl hij geen woord Latijn kan lezen. Ik weet niet of Kehlmann het zo bedoeld heeft, maar ik zag in dat bewijsmiddel een parallel met Kirchers pedante claim de hiërogliefen te hebben ontcijferd (zoals Kehlmann meer parallellen verstopt heeft in zijn roman: als Tijl bijna verdrinkt  in een watermolen moet ik meteen denken aan de wonderbaarlijke redding van Kircher na een val in een watermolen – waarover hij vertelt in zijn autobiografie).

    Hoe dan ook: Tijl verleidde me om De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman, de maker van de VPRO-documentaire uit 1974, weer eens te lezen. En daarin overkwam me iets vreemds. Ik dacht heel wat details uit het leven van Kircher te kennen, maar één ding is me vreemd genoeg ontgaan. Ik lees dat de lagere school-onderwijzer van de jonge Kircher erom bekend stond dat hij de jeugd niet alleen kennis, maar ook vroomheid en godsvrucht bij bracht. En hoe heette die onderwijzer? Pater Johannes Altink. Het staat in de door Haakman eveneens vertaalde autobiografie (verschenen in De Revisor, jaargang 18). Verrassend dat een naamgenoot bijdroeg aan de ontwikkeling van iemand die mij nog steeds boeit.

     


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Zijn lees ervaringen deelt hij in zijn columns.

  • Drakenbloed en hoestende koeien

    Drakenbloed en hoestende koeien

    Weet je wat nog beter is? Nog beter dan vredig sterven? (..) Niet sterven, kleine Liz, dat is veel beter.
    Elisabeth Stuart is in 1648 haar laatste illusies kwijt. Haar man, Frederik V van de Palts, is in 1632 overleden aan de pest, hun oudste zoon is in 1628 verdronken, Frederik was zijn rijk Bohemen na amper een jaar koningschap in 1620 kwijt. Maar de titel van keurvorst zou toch wel behouden kunnen blijven? Zelfs dat niet, krijgt ze te horen als de Dertigjarige Oorlog uitmondt in de Vrede van Westfalen. Voor haar geestesoog verschijnt Tijl Uilenspiegel. Hij houdt haar voor dat er iets beters is dan vredig (want met behoud van de titel) sterven.

    Tijl Uilenspiegel is nooit gestorven. Zijn naam wordt al rond 1350 vermeld en nadien is hij in meer of minder opgesmukte gedaante steeds weer opgedoken. De in Nederland bekendste versie is die van Charles de Coster uit 1867. Die maakte er een Vlaming van die de streng-katholieke Filips II het leven zuur maakte. Waarschijnlijk door diens roman zijn wij geneigd om Tijl als een Vlaming te zien en anders wordt dat beeld wel opgeroepen door het Belgische stadje Damme dat claimt de geboorteplaats te zijn van de held en als toeristische attractie zijn graf heeft. Tijl stamt echter uit de Saksische folklore. Het equivalent van de grafsteen in Damme valt dan ook te bezoeken in het Duitse Mölln.

    Onderzoeksdrift
    Uit het leven van die Uilenspiegel heeft Daniel Kehlmann geput in zijn magistrale nieuwe roman Tijl. Het is niet de eerste keer dat Kehlmann (1975) naar een historisch thema grijpt. Dat deed hij eerder in zijn prachtige Het meten van de wereld, waarin hij de volkomen tegengestelde figuren Alexander von Humboldt, onvermoeibaar reiziger, en Carl Friedrich Gauss, een typische kamergeleerde, samenbracht. Hij gaf ze alle eer, maar haalde ze tegelijk van hun voetstuk door van hen gewone mensen met hun nukkigheden en rariteiten te maken.

    In Tijl geeft hij opnieuw blijk van zijn bewondering voor de onderzoeksdrift van wetenschappers. Dit keer zijn het vooral de Duitse Jezuïet Athanasius Kircher (1602-1680) en zijn Engelse leermeester en ordegenoot Oswald Tesimond (1563-1636). Zij passen in historisch opzicht keurig in de tijdsperiode waarin de roman speelt, de Dertigjarige Oorlog, die duurde van 1618 tot 1648 en waarin katholieke en protestante staten en staatjes elkaar bevochten. Scharnierpunt in de roman vormt de Slag op de Witte Berg (bij Praag) in november 1620. Het protestantse Boheemse leger werd er in de pan gehakt door de keizerlijke katholieken, juist tijdens het koningschap van Frederik V van de Palts. Die was daar amper een jaar ervoor op de troon gezet door de Boheemse deelstaten. Omdat hij het daardoor maar één winter volhield kreeg hij de bijnaam Winterkoning. Frederik en zijn vrouw Elisabeth werden verbannen, maar waren nergens welkom, tot Prins Maurits hem onderdak bood aan de Kneuterdijk in Den Haag.

    Kunstenmaker
    Tijl Uilenspiegel valt als 14de eeuwse kunstenmaker duidelijk buiten die periode. Toch is hij de rode draad die door de geschiedenissen van Tesimond, Kircher, Frederik en Elisabeth loopt. Dat is minder een kunstgreep dan je zou kunnen denken. Ook Charles de Coster dropte hem in een andere eeuw.
    Kehlmann geeft hem daarnaast echter een veel gelaagdere betekenis dan we uit volksverhalen  kennen. Daarin is hij de nar, de goochelaar en potsenmaker die vooral ondeugd uitstraalt. Bij Kehlmann is hij meer, in het Duits een Gaukler. Dat heeft een veel specifiekere betekenis. Vertaalster Josephine Rijnaarts kiest voor ‘kunstenmaker’ omdat we niets beters hebben: ‘We hebben prachtige woorden voor zotten en dwazen: pias, potsenmaker, hansworst, maar die dekken de lading niet’, zo schrijft ze in een stuk op de website van haar uitgever.

    Tijl trekt met zijn Nele rond met een reizend circus. Hij is koorddanser, jongleert, voert gesprekken met zijn ezel Origenes (dat bedenkt Kehlmann niet; in vroegere volksversies leert de ezel lezen aan de universiteit van Erfurt), maar bovenal confronteert hij in deze roman de mensen met wie hij omgaat met hun eigenwijsheid, hun arrogantie en hun zelfbeklag. Hij houdt ze een spiegel voor.
    Zo treedt hij op in een dorp dat door de oorlog nog niet is bereikt, wat de inwoners zien als het uitblijven van Gods toorn. Hen bespelend vraagt Tijl iedereen de rechterschoen uit te trekken en zo ver mogelijk weggooit. Opeens vertrekt Tijl en krijgen de bewoners slaande ruzies over welke schoen van wie is, waaronder tal van vetes en verdachtmakingen zichtbaar worden die nooit zijn uitgesproken. Als iedereen zijn schoen terug heeft wordt er weer gezwegen.

    Drakologie
    Het is ook Tijl die, als hij in dienst komt van Frederik en Elisabeth, haar een schilderij cadeau doet: een wit doek met niets erop. Het is magie, kleine Liz. Wie buitenechtelijk geboren is, kan het niet zien. Wie dom is ziet het niet. Wie geld heeft gestolen ziet het niet. Wie iets in zijn schild voert, niet te vertrouwen is of opgroeit voor galg en rad, wie een slijmbal is of een ploert of een onbeschofte hark, kan het niet zien, hij ziet een leeg doek.
    Mensen die het ‘schilderij’ zien durven niets te zeggen uit angst de koningin te beledigen of juist zelf als domkop te worden beschouwd. In het ergste geval trotseren ze hun eigen twijfel over wie hier nou eigenlijk gek is door een kennersblik op te zetten. Zelfs Frederik durft er niks van te zeggen: Wat als zij erin geloofde, ook al was het maar een beetje, als ook zij dacht dat het boek betoverd was, wat vond ze dan van hem?

    Grappig is dat dit witte doek vergelijkbaar is met de redeneringen in de wetenschap zoals Athanasius Kircher die beoefent in deze eeuw vol magie en bijgeloof. Hij is onder andere drakoloog, kenner van draken, en is op zoek naar het bloed van het beest dat de pest kan genezen en zelfs een eind aan de oorlog kan maken. Maar als hij moet uitleggen hoe hij zo zeker weet dat zijn zoektocht wat zal opleveren, zegt hij: Een draak die je ziet, zou een draak zijn die de belangrijkste eigenschap van draken mist – namelijk zich onvindbaar maken. Juist om die reden zijn alle verhalen van mensen die zeggen dat ze een draak hebben gezien uiterst ongeloofwaardig, want een draak die zich laat zien, zou a priori herkenbaar zijn als een draak die geen echte draak is. Breng daar maar eens wat tegenin.

    Het zijn dit soort redeneringen die in de 17de eeuw heksen op de brandstapel brengen en door de duivel bezeten magiërs aan de galg. Eén van hen is Claus, de vader van Tijl. Hij is molenaar maar veel meer een filosoof die zich het hoofd pijnigt over vragen als: hoeveel korrels graan moet je van een hoop afhalen tot je kunt zeggen dat de hoop geen hoop meer is. Als Tesimond en Kircher hem op het spoor komen en een dergelijke filosofische discussie met hem aangaan blijkt dat een valstrik.  Als Claus zijn magische spreuken niet wil prijs geven en bovendien een Latijns boek blijkt te bezitten, terwijl hij niet eens Latijn kan lezen, zijn dat keiharde bewijzen dat hij de duivel vertegenwoordigt.

    Kokhalzen
    Wat in de aangehaalde citaten opvalt is de heerlijke frisse taal die Kehlmann gebruikt. Met een aanstekelijke humor bovendien. Zoals wanneer Frederik te velde zijn laatste schreden zet ondanks de duizeligheid en warrigheid in zijn hoofd die hem al dagen kwelt: Hij probeerde te tellen hoe groot zijn leger nog was. Je had de nar, je had de kok en je had hemzelf, en dan had je de nar nog, dat waren er vier, maar toen hij voor de zekerheid nog een keer telde, kwam hij uit op twee, namelijk de nar en de kok. Dat kon niet kloppen, dus begon hij opnieuw…
    Het knappe is die tragi-komische enscenering: je lacht om hoe Frederik er aan toe is, maar toch roept Kehlmann compassie met hem op.

    Zo werkt het gefoeter van Elisabeth op de Duitse taal bij oppervlakkige lezing louter op de lachspieren, maar daaronder voel je haar eenzaamheid en haar heimwee naar Engeland: De Duitse landen kenden geen echt theater, ze hadden alleen armzalige komedianten die schreeuwend door de regen huppelden, scheten lieten en elkaar een pak rammel gaven. Dat kwam waarschijnlijk door de logge taal; Duits was geen taal voor het theater, het was een brouwsel van klaaglijke klanken en hard gegrom, het was een taal die klonk alsof iemand zijn best deed om niet te kokhalzen, alsof een koe een hoestbui had.
    In Londen was Elizabeth het echte theater gewend. Op haar bruiloft met Frederik in Londen was The Tempest opgevoerd, met Shakespeare zelf in de hoofdrol. Daar had ze het hofleven gezien zoals het hoorde te zijn.

    Dompel je onder in de wervelende taal van Kehlmann, ruik hoe de kadavers op de slagvelden stonken, leer Kircher, Frederik, Elisabeth, Claus, Tijl en al die anderen kennen als mensen van vlees en bloed. Kehlmann geeft op een sprankelende manier een inkijk in ’s mensen ambities en onmacht in de vroege 17de eeuw zonder naar archaïsche taal te grijpen. Lees Tijl.