• Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Het is 1986 en ‘Ma’ is in het eerste deel van De belofte, waarmee de Zuid- Afrikaanse Damon Galgut de longlist van de Booker Prize haalde, overleden. ‘Oom Ockie en tante Marina vangen Amor, de jongste dochter op. Zij is al bijna geen kind meer.’ Dergelijke korte zinnen worden afgewisseld met beschrijvingen in beeldend taalgebruik,  zoals die van oom Ockie: ‘Bruine broek; geel overhemd en glimmende schoenen’. Hij heeft flaporen en rookt sigaretten. Het huis waar ze wonen is ‘als een dronkaard die een samenraapsel van kledingstukken draagt’.      

    De ziekelijke moeder, Rachel Swart was niet geliefd bij haar zuster Marina. Moeder Rachel en dochter Amor worden – tot de dood van Ma – verzorgd door Nanny Salomé, ‘die zat bij de koop van het land inbegrepen’; een terloops zinnetje dat inslaat als een bom. Ook Amor voelde zich soms, net als de zwarte Salomé, onzichtbaar. Salomé was erbij toen Rachel haar laatste adem uitblies, maar ze telt als getuige uiteraard niet mee. Die getuige had Amor moeten zijn, vindt haar aan anorexia lijdende zus Astrid.
    Rachel was joods, haar man Manie is Nederduits Gereformeerd en wordt ondersteund door ds. Simmers, die eigenlijk niet meer gelooft, slecht ziet (mooie metafoor) en wordt geleid door een predikant in opleiding. Salomé is ook Nederduits Gereformeerd. Conform dit geloof meent ze, dat God Rachel ‘dit grote lijden heeft gegeven’ zodat ze voor haar kon zorgen. Als dank heeft Rachel aan Salomé het huisje beloofd waarin ze woont.

    Familieperikelen in Zuid-Afrikaanse geschiedenis geplaatst

    De verschillen tussen de personages worden treffend en tot in de détails uitgedrukt. Zo zit Manie tijdens het rouwbeklag op een stoel en niet – volgens joods gebruik – op een laag krukje, zo dicht mogelijk bij de grond. Het geeft de zorgvuldigheid aan waarmee Galgut te werk is gegaan en die je ook als langzame lezer zou moeten betrachten, al schrijft de auteur soms een tussenzin als: ‘Let op de nautische term’.

    Grote gebeurtenissen in Zuid-Afrika worden door het familieverhaal gestrooid: ‘Een kleefmijn in Johannesburg, troepen in de townships’, terwijl de racistische houding van Marina en Ockie tegenover Salmomé uitvoeriger aan bod komt: ‘Onvergeeflijk, zo lui is ze, (…) ze moet als een soort rotsblok voortgeduwd worden, de hele tijd bevelen geven is een uitputtingsslag’. Die afwisseling in stijl geeft het boek iets ritmisch, waarin ook de kosmos meedoet: ‘Het is nacht, dezelfde nacht, maar later, de sterren hebben zich verplaatst’. Zo verschuift het verhaal ook in de tijd, steeds dichter naar het heden toe.
    Naast Amor en Astrid is er nog een broer, Anton. Ook een naam die begint met de eerste letter van het alfabet. Hij zit in het leger en wordt op weg naar huis geraakt door een steen van een ‘oproerige inboorling’.

    De vertaler, Rob van der Veer, heeft zijn woorden zorgvuldig gekozen. Zo speelt hij bijvoorbeeld met de gevoelswaarde van ‘blank’ en ‘wit’ en met verschillende taalregisters, zoals ‘flatulentie’, ‘vlietende momenten’, Bijbels taalgebruik (‘lankmoedig’) en Zuid-Afrikaans.

    Niet naast elkaar leven, maar wel sterven

    Het tweede deel van het boek gaat over Pa, die door een cobra uit zijn eigen reptielenpark in een slagader is gebeten. Hij ligt bewusteloos in het ziekenhuis, naast een zwarte man die kreunt in ‘de taal van de pijn’, een universele taal. De ‘apartheid is gevallen, we sterven tegenwoordig naast elkaar, in intieme nabijheid. Alleen naast elkaar leven is nog iets wat we onder de knie moeten krijgen’, denkt zoon Anton. Pa sterft en Salomé hoopt dat Amor de belofte van haar ouders aangaande het huis gestand zal doen. Dit is echter niet het geval. Nog niet.

    In het derde deel, ‘Astrid’, zijn we weer verder in de tijd, de periode van Mbeki’s bewind. Astrid heeft zich bekeerd en is rooms-katholiek geworden. Kort na de bekering wordt ze bij een roofmoord gedood. Het huis voor Salomé speelt nog steeds een rol. Haast letterlijk: als een personage dat telkens stilzwijgend opduikt. 

    In het laatste deel volgen we Anton, die het hele boek door, al zo’n twintig jaar aan een roman over het menselijk tekort werkt. Hij heeft alle vertrouwen in Zuid-Afrika verloren, hoewel hij er zelf aan meewerkt door een verkeersboete vanwege dronkenschap af te kopen. Hij doodt zichzelf met een geweerschot, ‘een vernederend incident’, aldus zijn vrouw Desirée. Tijdens de crematie wordt al dan niet terecht benadrukt, dat Anton waarheidlievend was; de macrokosmos van de waarheidsvinding in Zuid-Afrika wordt in de microkosmos weerspiegeld.

    Onvoltooid manuscript over menselijk tekort

    Als Amor in de werkkamer van Anton slaapt, vindt zij het onvoltooide manuscript van zijn veelgenoemde roman. Het zouden, net als Galguts boek, vier delen moeten worden, naar de vier seizoenen. In beide gevallen, zowel bij Antons roman als die van Galgut, kun je je afvragen: ‘Is het een familiesage of een plaatsroman?’ In beide gevallen is alles ‘gescheiden door tussenpozen van grofweg tien jaar’. Maar er is ook een verschil: de natuur doet bij Galgut als een personage of als een koor in een Griekse tragedie mee, geeft commentaar: ‘Onweersgerommel in de verte, als een menigte die in een vreemde taal schreeuwt’. Niet universeel, zoals die van de pijn. Het bouwvallige huisje gaat na eenendertig jaar met een fors geldbedrag naar Salomé en haar zoon. De reactie is anders dan Amor had gedacht. ‘Verbonden maar niet verbonden’, zo voelt het.
    Ondanks alle geweld, lijkt het land momenteel op een keerpunt te staan. De naam Amor lijkt dit uit te drukken en houdt een belofte voor de toekomst in. 

     

  • De zomerboeken van Els van Swol

    De zomerboeken van Els van Swol

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Els van Swol gaat tijdens de zomer  de volgende boeken lezen: 

    Willem Jan Otten – De Om
    Damon Galgut – De belofte
    Sasja Janssen – Virgula
    Philo van Alexandrië – De schepping van de wereld

     ‘De Om ga ik lezen omdat ik tijdens de pandemie verslingerd ben geraakt aan niet alleen wandelen, maar ook aan de serie ‘Terloops’ van Van Oorschot. Als het even kan loop ik de routes in Nederland na. De route van Willem Jan Otten in De Om gaat rond de Sloterplas in Amsterdam-Osdorp. De belofte van Damon Galgut kreeg ik van Literair Nederland ter recensie. Het boek speelt in Zuid-Afrika, en dat sluit prachtig aan bij een ander uitstapje: naar de expositie met werk van de Zuid-Afrikaanse schilder Deborah Poynton in het Drents Museum.  Op reis gaat ook altijd een dichtbundel mee. Dit keer Virgula (komma) van Sasja Janssen. Ik las er een lovende recensie over van Alfred Schaffer en besloot de bundel meteen te kopen; zo kunnen recensies dus uitwerken. Nog een boek van een uitgever wiens uitgaven ik volg: De schepping van de wereld van Philo van Alexandrië in een vertaling van Albert-Kees Geljon. Deze ga ik lezen ter voorbereiding van een cursus in het najaar.’

     

    Lees hier meer over Els van Swol

     

  • Oogst week 22 – 2021

    Fantasii

    Op een dag ontwaakt een meisje in een letter en spreekt ze geen mensentaal meer, maar de taal van de bomen. Als ze uiteindelijk terug naar huis wil gaan, heeft ze geen thuis meer en is haar enige bezit haar handschrift. Daarover gaat de dichtbundel Fantasii van Ineke Riem (1980).

    In 2013 debuteerde ze met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken, die haar de Bronzen Uil en een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs en de Academica Literatuurprijs opleverde. Momenteel is ze een van de drie schrijvers die in het Witsenhuis verblijft, waar auteurs maximaal vijf jaar lang gratis kunnen wonen en werken.

    Fantasii
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Virgula

    Sasja Janssen (1968) schrijft proza en poëzie. In 2001 debuteerde ze met de absurdistische roman De kamerling, over een jongen die is ondergebracht in de bibliotheek van zijn leraar Nederlands, die niet bepaald vriendelijk met hem omgaat. Haar dichtbundel Ik trek mijn species aan leverde haar een nominatie op voor de VSB Poëzieprijs.

    In het juryrapport werd dit werk ‘een perfect aan elkaar geregen korset van woorden’ genoemd. Daarnaast is Janssen poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en bij CREA. In haar nieuwe dichtbundel Virgula, vernoemd naar het Latijnse woord voor ‘komma’, strijdt ze met gedachten en taal tegen stilstand.

    Virgula
    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    De belofte

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) schreef op zijn zeventiende al zijn eerste boek. Hierna volgden er meer titels, waarvan enkelen naar het Nederlands zijn vertaald. Zijn roman In een vreemde kamer (2011) werd genomineerd voor de Man Booker Prize.

    In zijn nieuwste roman, De belofte, staat een familiegeschiedenis centraal. Een stervende vrouw dwingt haar man te beloven dat de zwarte hulp na jarenlang trouwe dienst haar eigen huis zal krijgen. De man komt deze belofte niet na. Hun kinderen gaan hier alle drie anders mee om: de een is laf en durft geen keuzes te maken, de ander denkt alleen aan zichzelf en hoofdpersoon Amor hoopt, geleid door schuldgevoel, dat zij het verschil kan maken.

    De belofte
    Auteur: Damon Galgut
    Uitgeverij: Querido
  • Op weg naar het onbekende

    Op weg naar het onbekende

    Recensie door Laura Schans

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) met een aardige staat van dienst (hij wordt vergeleken met Coetzee en regelmatig genomineerd voor literaire prijzen). In een vreemde kamer wordt bevolkt door corrupte douanebeambten en menselijk contact is in al zijn vormen gedoemd te mislukken. Afstand en eenzaamheid voeren de boventoon.
    De verteller, de Zuid-Afrikaan Damon (het lijkt aannemelijk dat het de schrijver is) doet niet echt zijn best om er het beste van te maken. Hij blikt terug op een drietal reizen dat hij eerder maakte, en doet af en toe een poging te doorgronden waarom de dingen zijn gelopen zoals ze zijn gelopen. Vanaf de eerste pagina is de mislukking van elke menselijke relatie al voelbaar. ‘Hij is intens gelukkig, iets wat mogelijk voor hem is als hij loopt en alleen is’.

    De eerste grote reis maakt Damon met Reiner, een Duitser van zijn eigen leeftijd, die hij tijdens een eerdere wandeling heeft ontmoet. De mannen besluiten een trektocht te maken met het doel zo veel mogelijk te lopen en zo weinig mogelijk mensen te ontmoeten. Reiner blijkt hier ontzettend vasthoudend in te zijn. Met Reiner lijkt het sowieso alsof alles een strijd om macht en het laatste woord is. De verhouding knapt, Damon keert alleen terug.
    Tijdens een volgende reis, een tocht door verschillende landen van Afrika, sluit Damon zich aan bij een groepje Europese reizigers dat hij ergens in een hotel tegen het lijf loopt. Hierbij bevindt zich de Zwitserse Jerome, met wie Damon een vreemd spel van aantrekking en afweer beleeft. Geen van beiden durft rond voor zijn verlangens uit te komen, er worden slechts een paar minieme pogingen gedaan. Damon zoekt Jerome later zelfs nog op bij zijn familie in Zwitserland, maar nooit wordt de afstand tussen hen werkelijk doorbroken. Ook deze verhouding mislukt.
    Tenslotte, in het derde deel van In een vreemde kamer, onderneemt Damon een reis naar India samen met de manisch-depressieve Anna, een reis die de bedoeling heeft ‘haar goed te doen’. Goh, hoe zou dat toch aflopen? Galgut lijkt zich niet erg te bekommeren om de voorspelbaarheid van zijn verhaallijnen.

    Wanneer er wordt nagedacht over het doel van de tweede reis, die aanvangt in Zimbabwe, gaat dat zo: ‘Wat hij er zoekt, weet hij zelf niet. Na zo’n lange tussentijd zijn zijn gedachten nu voor mij verloren geraakt en toch kan ik hem beter duiden dan mijn huidige ik, hij zit onder mijn huid begraven’. In de manier van terugkijken blijkt al de afstand, de vervreemding die het hele boek kenmerkt. Het gebruik van ‘hij’ en ‘ik’ in dezelfde passage om naar dezelfde persoon, de verteller in heden en verleden, te verwijzen, is een techniek waar Galgut zich in het hele boek van bedient. De vervreemding en afstand die zijn ontstaan door het verlopen van de tijd worden erdoor weergegeven.

    Een andere techniek die de schrijver graag gebruikt is het weglaten van handige interpunctie. In de hele roman zijn geen aanhalingstekens te bekennen, en ook vraagtekens ontbreken. Het vreemde effect van dit geëxperimenteer blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage: ‘Dan gaat hij in de zon zitten, luistert, leest. In een vreemde kamer moet je je legen voor het slapengaan. En voordat je leeg bent, wat ben je dan. En als je leeg bent voor de slaap, dan ben je niet. En als je vol bent met slaap, dan ben je nooit geweest. Deze woorden komen van heel ver op hem af.’ De situatie, gesprekken, gedachten, alles loopt zonder duidelijke grenzen in elkaar over. Het effect is dat de situatie die wordt beschreven vlak, verstild en kleurloos wordt, zoals in een herinnering die niet veel meer voor je betekent.

    Galgut kijkt als verteller terug op zijn reizen, de ontmoetingen en zijn herinneringen daaraan. Hij beleeft een afstand tot zijn vroegere ik, een afstand die de reiziger ook voelt bij ontmoetingen met mensen. Hij kijkt met bevreemding naar de mogelijkheden tot intimiteit die er zijn geweest en die niemand wist uit te buiten.
    De halve beloftes en vage doelen, lijken telkens vanaf het begin al gedoemd op niets uit de draaien of de situatie zelfs erger te maken. En, warempel: alle gestelde doelen en mogelijkheden worden niet gehaald, omdat men vertrekt of sterft of niet zegt wat hij zou moeten zeggen. Galgut houdt niet van verrassingen. Hij zoekt in zijn beschrijvingen slechts bevestiging van het pessimistische levensgevoel dat al vanaf de eerste pagina uitgeademd wordt.

    Toch is juist deze volledigheid van thematiek en schrijfstijl de kracht van In een vreemde kamer. ‘De wereld waar je doorheen trekt vloeit over in een andere, inwendige wereld, niets blijft nog langer opgedeeld, het een staat voor het ander, weersgesteldheid voor stemming, landschap voor gevoel, voor ieder voorwerp is er een corresponderend innerlijk gebaar, alles verandert in beeldspraak. De grens is een lijn op een kaart, maar wordt ook ergens in hemzelf getrokken.’ De stemming wordt verweven met de natuur, met de gebeurtenissen, met de ontmoetingen, en wordt opgetekend op een manier die dit alleen maar versterkt. Het is aan alle kanten onmogelijk om te ontsnappen aan het wereldbeeld van de roman. Wat kun je dan anders doen dan reizen? Op weg gaan naar het onbekende, met een diep van binnen weggestopt miniem sprankje hoop dat je uiteindelijk een klein beetje liefde zult vinden?
    In Galgut’s wereld zul je dat, evenals zijn alter ego Damon, stiekem blijven proberen, ondanks de wetenschap dat achter de volgende berg of over de volgende rivier toch de mislukking weer lonkt. Maar gelukkig weet je ook dat je na de laatste bladzijde weer terugkeert naar je eigen werkelijkheid. Wat een opluchting.