• Schoolreisje en missie ineen

    Schoolreisje en missie ineen

    Tussen de regels door is het klip en klaar: ‘De vrijheid van Oekraïne is nog niet gestorven.’ In deze eerste regel van het Oekraïense volkslied, en dan vooral in het woordje ‘nog’, schuilt volgens Jelle Brandt Corstius ‘een berg doden, drama, verdriet. Opnieuw vechten Oekraïners voor hun voortbestaan, in wat een lange oorlog lijkt te worden, met ongewisse uitkomst.’
    De oorlog verscheurt Brandt Corstius. Tweeëntwintig jaar geleden bezocht hij Lviv voor het eerst en viel als een blok voor Oekraïne en voor de cultuur – en de absurditeiten – van het oosten. Hij leerde Russisch en zou als correspondent voor  dagblad Trouw van 2005 tot 2010 in Moskou wonen. Hij voelde zich er als een vis in het water en noemt Rusland ‘de liefde van zijn leven’. Een liefde waar hij mee moet breken nu Rusland Oekraïne is binnengevallen. ‘We kunnen niet neutraal toekijken, de vrijheid en veiligheid van Europa is in het geding. Ook wij zijn in oorlog met Rusland.’ 

    Hij sluit zich aan bij Jaap Scholten, schrijver en oprichter van ‘Protect Ukraine’. Zijn stichting levert spullen die Oekraïense soldaten in leven moeten houden, zoals terreinauto’s, maar ook kogelvrije vesten, helmen en tourniquets. Brandt Corstius twijfel geen moment en gaat met een groep van veertien mannen op weg naar het Oosten. ‘Het is oorlog, en wij komen de spullen brengen voor de goeden zodat die van de kwaden kunnen winnen.’ Het is voor hem een persoonlijke afrekening met zijn oude liefde Rusland waar hij naar smacht. 

    Jongensachtige branie

    Spullen brengen is het relaas van deze tocht. ‘Een bont reisverslag en een afscheid van een oude liefde ineen’, aldus het omslag. Schoolreisje en missie ineen had er ook kunnen staan, want als iets het boek karakteriseert is het wel de bonte mengeling van kwajongensachtige branie zo kenmerkend voor schoolreisjes maar dan met de ernst van het slagveld.

    Bij vertrek uit Bloemendaal wordt de toon meteen gezet. ‘Af en toe geeft de correspondent zonder enige reden anders dan kinderlijk plezier een flinke dot gas en dan gillen we het uit van de pret. Over snelheidsboetes hoeven we ons niet veel zorgen te maken, over een paar dagen wordt de nummerplaat – een Zweedse – er in Oekraïne afgehaald en rijdt hij zonder plaat met soldaten aan het front.’ De reis gaat via Drenthe naar Lientzen in de Duitse deelstaat Brandenburg, waar ze overnachten bij een bevriende graaf van Scholten. Deze graaf Carl-Han Graf von Hardenberg blijkt af te stammen van een van de weinige militairen die zich tegen Hitler keerde, en draagt in deze nieuwe oorlog graag zijn steentje bij met een uitgebreid banket voor de groep (met bijpassende dranken). Brandt Corstius en zijn kompanen laten het zich met plezier welgevallen.

    Maar als het konvooi de grens met Oekraïne bereikt wordt de sfeer vanzelfsprekend meer gespannen. Het is duidelijk dat het nu serieus wordt. ‘Veertien Nederlandse simkaarten bij elkaar kan een juicy target zijn.’ Ze verwijderen ze voor de zekerheid, omdat ze toch een oorlogsgebied binnenrijden. Ver van het front, maar overal kan een raket inslaan.

    Toch verdwijnt de kwajongenssfeer niet helemaal. En Brandt Corstius houdt ook gedurende de laatste etappes de humor vanuit overtuiging overeind. Ook in zijn wekelijke podcasts, zo schrijft hij, probeert hij altijd iets raars te stoppen. ‘Want wat heeft het leven nou voor zin zonder humor?’ En het zijn toch vooral ook de absurditeiten van zijn geliefde Rusland die hem tijdens deze wrange oorlog op de been houden. Zoals de militaire salades die Russen altijd blijken te eten op 9 mei, om de overwinning op de Nazi’s te vieren. Of het schaap dat ouders uit de arme regio Boerjatië van de Russische staat krijgen als compensatie voor hun gesneuvelde zoon. 

    Van schoolreisje naar missie

    Naast de lichtvoetige Brandt Corstius, is er ook de didactische. Hij deelt zijn kennis over Rusland en de Russische ziel met graagte, waardoor je als lezer het een en ander opsteekt. Over dat niet Poetin het probleem is, maar het in Rusland diepgeworteld imperialisme. En over waarom Oekraïners zich in de Tweede Wereldoorlog in groten getale bij nazi’s aansloten, en tegen de Russen vochten, waardoor Poetin ze nu nazi’s noemt.

    Maar verwacht geen uitgebreide introductie in het hoe en waarom van de oorlog. Daarvoor blijft de luchtigheid waarmee Brandt Corstius de missie en het conflict beschrijft te groot. Altijd met een knipoog, zo lijkt het. Een knipoog die alomtegenwoordig lijkt, zo blijkt uit de waarschuwingen die hij via zijn telefoon over luchtaanvallen krijgt. Als het gevaar is geweken klinkt steevast de vertrouwde stem van Mark Hamill, Luke Skywalker uit Star Wars. ‘The air alert is over. May the force be with you.’ 

    Ondanks de lichtvoetigheid is het duidelijk dat wat voor sommigen begon als een schoolreisje is uitgegroeid tot een missie. Alsof hij daar nog over twijfelt, vraagt Brandt Corstius aan Mychajlo, die in Kyiv een auto komt ophalen, naar de romantiek van oorlog, naar de verbroedering en de intensiteit van het leven aan het front. Mychajlo is vrijwilliger en chauffeur van een ambulance die gewonden en doden vervoert. Voor hem geen schoolreisjes. Geen kwajongens branie. Als Brandt Corstius vraagt of er ook mooie momenten in de oorlog zijn, maakt zijn dofheid plaats voor felheid. ‘Er is helemaal niets moois aan man. Domme oorlogsromantiek. Ik wil dat deze kutoorlog voorbij is en weer iets leuks doen.’

     

     

  • Woononrecht of waarom Nederland snakt naar een regering zonder de VVD

    De stadsgeograaf Cody Hochstenbach  (1989) schrijft in een stilistisch sober, maar fel betoog over het onrecht dat er op het terrein van de volkshuisvesting in Nederland bestaat. Hochstenbach laat zien wat de gevolgen van het beleid van de overheid voor de economisch zwakkeren is geweest. De afbraak van de sociale woningbouw door regelgeving die rijke vastgoedspeculanten in feite subsidieert, wordt door de VVD gekleurde overheid gepresenteerd als de vrije markt die vanzelf tot een goede volkshuisvesting zou leiden.

    Hochstenbach gaat onder meer in op de vanzelfsprekendheid van de wens om huiseigenaar te zijn. Je telt als huizenbezitter mee, terwijl je als huurder in feite mislukt zou zijn. Hiertegen komt de auteur van In schaamte kun je niet wonen in het geweer. Hochstenbach pleit voor een andere manier van denken over wonen: niet als lucratieve business, maar als een recht dat ieder mens heeft. Hij keert zich tegen de harteloosheid waarmee sommigen in de samenleving dak- en thuislozen tegemoet treden: zij worden niet als mens gezien, maar als bron van overlast die verwijderd moet worden, buiten het zicht geplaatst, want dan is het probleem er niet meer. 

    Onbetaalbaarheid van huizen

    Misschien had de auteur aan zijn betoog over de vermeende vanzelfsprekendheid van de wens om woningbezitter te zijn, nog kunnen toevoegen dat het fenomeen ‘hypotheek’ bijdraagt aan de onbetaalbaarheid van huizen. Als we ons het denkbeeld eigen zouden maken dat je pas iets kunt kopen als je het geld ervoor al hebt op het moment van aankoop, zal de vraag naar koophuizen sterk afnemen en de prijs dalen en meer reëel worden. Dat zou geen goed nieuws voor rijk (en slechts aan zichzelf denkend) Nederland zijn, maar wel voor alle anderen.  Een dergelijke mentaliteitsverandering zou gepaard moeten gaan met het bouwen van meer betaalbare huurwoningen.

    De auteur pleit er voor dat de ‘onderklassen’ en de middenklassen samen moeten optrekken tegen het neoliberale beleid van de overheid. Hij signaleert dat de problemen van de middenklassen veel meer aandacht krijgen in de media, dan die van de mensen die echt in de problemen zitten. Dat komt omdat de middenklassen door de media (en de politiek) als voornaamste doelgroep worden beschouwd en ook omdat er een zekere gelatenheid bij de sociaal zwakkeren zou bestaan. Uit een gevoel van schaamte accepteert men een onrechtvaardige situatie. Deze schaamte constateerde Hochstenbach ook bij zijn moeder die het onprettig vond dat haar zoon in een eerder boek, Uitgewoond, haar schrale woonsituatie belichtte. Die schaamte vormde de aanleiding voor het nieuwe boek.

    Benoemen en polarisatie

    Hochstenbach vindt het belangrijk om problemen te benoemen, omdat ze dan zichtbaar worden. Hij had het fenomeen ‘benoemen’ mogelijk wat verder kunnen uitwerken. Niet elke vorm van benoemen maakt de situatie er beter op. Denk aan het benoemen van ‘het multiculturele drama’ van enkele decennia terug, een benoemen dat de problematiek vastlegde en sterk vergrootte, door de daaruit resulterende polarisatie en verrechtsing in de samenleving. Het werkelijke drama zit ‘m in de polarisatie die het gevolg was van het benoemen van de dingen. 

    Er is echter een duidelijk verschil tussen het benoemen van multiculturele problematiek en woonproblematiek. Er is namelijk een verschil in macht: het benoemen van de onvrede over de aanwezigheid van mensen uit andere culturen geschiedt door de machtigere groep van witte Nederlanders die vinden dat ‘de’ buitenlanders eens aangepakt moeten worden, omdat die oorzaak zouden zijn van alle problemen die ze ondervinden. Het benoemen van de woonproblematiek daarentegen toont het onrecht dat bestaat bij een onmachtige groep: de sociaal zwakkeren. Daarom is een dergelijk benoemen wel heilzaam.

    Het onrechtvaardige woonbeleid van de overheid is vooral het gevolg van de aanwezigheid van de VVD in de kabinetten van de laatste decennia, al zijn andere partijen ook niet zonder blaam. Huizenbezitters zijn geneigd om uit (vermeend) eigenbelang op een belangengroepering als de VVD te stemmen en niet (voor een klein deel) hun sociale hart te laten spreken door op meer gematigde partijen te stemmen, uit betrokkenheid bij anderen, sociaal zwakkeren. Voor de VVD is het in stand houden van de huidige situatie belangrijk, die situatie bezorgt de partij immers stemmen. Een dergelijke partij is ten principale niet geschikt om het probleem van de volkshuisvesting werkelijk aan te pakken.

    Krachtige betooglijn

    Hochstenbach vindt het belangrijk dat de groepen die wat te winnen hebben bij een betere volkshuisvestiging waarin een kwalitatieve en betaalbare woning als basisrecht en niet als gunst beschouwd wordt, samen optrekken en niet onderling tegen elkaar uitgespeeld worden. De gewenste mentaliteitsverandering, waarin men uit gemeenschapszin oog heeft voor problemen van anderen en niet slechts voor (vermeend) eigenbelang, is niet in een enkel nieuw kabinet te realiseren, maar vraagt om een langjarige aanpak die kan herstellen wat is afgebroken in de lange en barre jaren van neoliberalisme en privatisering van overheidstaken.

    De kracht van In schaamte kun je niet wonen zit in de betooglijn. De stijl is daaraan ondergeschikt. Een meer uitbundige of persoonlijke stijl zou aan het betoog afbreuk hebben gedaan. Het persoonlijke zit nu vooral in de stukken over de ouders van Hochstenbach, waaruit duidelijk wordt waarom de auteur deze problematiek belangrijk vindt. Juist door in te zoomen op gewone mensen maakt hij duidelijk wat het effect van hard of ondoordacht overheidsbeleid kan zijn, ook op de kinderen van getroffenen die zelf in een betere situatie terecht zijn gekomen. Want als jezelf in een betere situatie zit, kun je immers meeleven met anderen.