• De heilzame werking van gore-tex

    De heilzame werking van gore-tex

    Schotland exporteert naast whisky en zalm ook behoorlijk wat sociaal-realistische fictie. James Kelman won bijvoorbeeld in 1994 terecht de Booker Prize voor zijn helaas niet in het Nederlands beschikbare roman How Late it Was, How Late, met de diepe ellende in Glasgow als onderwerp. En wie herinnert zich niet Irvine Welsh’ vuilbekkende heroïnejunkies? Steracteur Ewan McGregor heeft aan de verfilming van Trainspotting zijn doorbraak te danken.
    In Sal lijkt Mick Kitson (1962) aanvankelijk dezelfde weg op te gaan. De dertienjarige Sal is met Peppa, haar zusje van tien, op de vlucht voor de politie na de moord op haar stiefvader Robert. Maar de zussen rennen vooral weg voor huiselijk geweld, seksueel misbruik en de drank- en drugsverslaving van hun ouders:

    ‘Ze heeft Robert een keer in zijn hand gebeten toen hij ma sloeg en daarna mepte hij haar door de kamer en noemde haar een klein tyfuswijf dus ik liet me op haar vallen om te zorgen dat hij haar niet meer kon slaan en toen gaf hij mij twee trappen in mijn rug zodat ik een bloeduitstorting kreeg die eerst paars en toen geel werd en ik weer moest thuisblijven van school.’

    Sal heeft met gestolen creditcards van Robert survivalspullen op het internet besteld en vlucht na de moord op haar stiefvader met Peppa de wildernis in van Galloway Forest Park, een woest, ongerept natuurgebied in het zuidwesten van Schotland. De meisjes overleven er door strikken te zetten, te vissen of op kleinwild te jagen met een luchtbuks. Hoe heeft een stadskind als Sal dat geleerd? Door filmpjes te bekijken op YouTube en zich in gespecialiseerde websites te verdiepen. Nogal ongeloofwaardig als u het ons vraagt, maar oordeel vooral zelf.

    Ver weg van de grootstedelijke armoede slaat Kitson dus een andere richting in met zijn boek en wordt zijn roman een lofzang op de natuur, op het harde, maar eerlijke en mooie leven in de wildernis. Sinds Henry David Thoreau in 1845 de natuur in trok en voor een zelfvoorzienend bestaan koos om Walden te schrijven, is het aantal boeken die een pleidooi vormen voor een eenvoudiger bestaan, dichter bij moeder aarde, niet meer bij te houden. Jammer genoeg verliest Kitson zich echter vooral in praktische uiteenzettingen over survivaltechnieken, zoals het looien van konijnenvellen, vistechnieken, of de heilzame voordelen van gore-tex:

    De beste stof is gore-tex; waar Peppa’s Helly Hansen-jack van is gemaakt. Gore-tex houdt wind tegen maar is ademend zodat het vocht van je lichaam er in één richting doorheen kan en je geen vochtvorming binnen in je laagjes krijgt want dat vocht kan onder heel koude omstandigheden bevriezen en daar zou je uiteindelijk ook aan doodgaan.’

    Ongetwijfeld nuttig voor wie zelf graag in de natuur kampeert, maar voor andere stervelingen qua leeservaring vergelijkbaar met de gebruiksaanwijzing van de toaster.

    In stilistisch opzicht is dit boek weinig opzienbarend. De vorm lijkt er niet toe te doen en de nadruk ligt dan ook vooral op de plot, maar helaas gaat het ook met de spanningsopbouw mis. Zo wordt de vaart uit het verhaal gehaald door een zeer lang intermezzo over ene Ingrid, een oude Duitse vrouw die de meisjes in het bos ontmoeten en van wie de hele voorgeschiedenis in de DDR wordt naverteld. In dit opzicht is onze blik op literatuur natuurlijk ook ingrijpend veranderd door de overheersende beeldcultuur. We zijn inmiddels Netflix-series gewend waarin het verteltempo zeer hoog ligt en meerdere verhaallijnen elkaar voortdurend doorkruisen. De ‘traagheid’ van literatuur, waarin de plot vaak niet het belangrijkste is, heeft precies daarom vaak haar charme, maar wanneer de nadruk net op de actie ligt, zoals in dit boek, is ze eigenlijk alleen maar hinderlijk. De ontknoping van het verhaal, waarin de losse eindjes nog snel worden samengebonden, verandert daar jammer genoeg niet veel aan.

     

  • Lezen zonder kompas

    Lezen zonder kompas

    Wiljan van den Akker heeft al enkele dichtbundels op zijn naam staan en schreef samen met Esther Jansma onder het pseudoniem Julian Winter ook een roman. Verdwaald is zijn eerste verhalenbundel. Een eerste vaststelling: dit is een zeer gevarieerd boek. Sommige verhalen bevatten fantastische elementen en doen onder meer denken aan de experimentele verhalen van de Argentijnse Julio Cortázar, andere zijn dan weer iets klassieker, maar in het algemeen lijkt de auteur toch veeleer te kiezen voor dromerige, verre associaties dan rechtlijnige verhalen met een duidelijke plot. Daarbij dreigt natuurlijk wel het risico dat ook de lezer verdwaalt.

    Wiljan van den Akker is professor in de moderne letterkunde en een van die letterkundigen die de literatuur niet alleen onderzoeken en doceren, maar ook zelf bedrijven. Of dat een vruchtbare wisselwerking is, staat niet op voorhand vast. Zo is de Vlaamse letterkundige Paul Claes bijvoorbeeld een gewaardeerd literatuurkenner en vertaler, zijn eigen werk is ongenietbaar omdat het te cerebraal is.

    Geen ontspanningsliteratuur

    Het eerste verhaal, ‘De dodenvisser’, draait onder meer om ene Kueng (‘Niemand haatte hem, niemand hield van hem. Hij bestond gewoon’), een ‘dodenvisser’ die lijken opvist uit de rivier die door zijn Chinese gehucht stroomt, en een vreemdeling die onverwachts verschijnt. Het tweede verhaal, ‘Een levendige handel’, houdt dan weer verband met het eerste: het speelt zich af in dezelfde regio. Het hoofdpersonage, dat op zoek is naar zijn verdwenen dochter, komt daar via een folder in aanraking met ene Wei Gongsun, ook al zo’n ‘dodenvisser’.
    Verbanden zijn er dus wel, maar de puzzelstukjes lijken – met opzet – niet in elkaar te passen en er worden meer vragen gesteld dan opgelost. In die zin is Van den Akker veeleisend voor zijn lezers: zij moeten aan het werk. Dit is geen vrijblijvende ontspanningsliteratuur, zoveel is duidelijk. Daar is niets mis mee, maar wellicht was het beter de bundel te openen met een van de toegankelijkere verhalen, zodat de lezer zich geleidelijk vertrouwd kan maken met de onconventionele verteltechniek van de schrijver.

    Toen boeken nog verboden werden

    ‘Inzake de ovens’ speelt zich af in Roermond in 1901. Het gaat om een brief van een bibliothecaris die verboden boeken van de Index Librorum Prohibitorum moet laten verbranden. Die in 1966 afgeschafte lijst heeft overigens wel degelijk bestaan en werd in katholieke landen gebruikt om te beslissen welke boeken gelovigen al dan niet mochten lezen. De grootschalige boekverbrandingen in speciaal daarvoor bedoelde ovens in dit verhaal en de door besmette boeken overgedragen ziekten zijn fictief, maar dat boeken van de index lang onder de toonbank werden verkocht staat wel degelijk vast:

    ‘Het gaat hier om vunzige winkeltjes in achterafstraatjes waarin dubieus uitziende heren of juffrouwen tronen te midden van de afgodengalerij, die is bezwangerd door een giftige Sodom-atmosfeer. De klanten komen en gaan even geluidloos als de boeken die daar staan. Haastig wordt de catalogus bekeken, snel de keuze gemaakt, besmuikt vijf cent betaald.’

    Zelfde setting ander standpunt

    In het daaropvolgende verhaal, ‘Nieuwe reglementen’, krijgen we opnieuw te maken met een ander personage dat dezelfde setting vanuit zijn standpunt belicht: ene Van Ginniken heeft de taak om de verboden lectuur in de verbrandingsovens te vernietigen, maar komt op een dag in de verleiding om in zo’n verderfelijk boek te bladeren. De schrijver van deze bundel lijkt de lezer erop die manier toe te willen brengen om dezelfde situatie op meerdere manieren te beschouwen, om af te stappen van een eenduidig, monolithisch wereldbeeld en ruimte te maken voor meerduidigheid. Dat is een interessant uitgangspunt, maar in ‘Metamorfosen’, waarin op elkaar aansluitende situaties met uiteenlopende personages in Berlijn, Sydney, Amsterdam, Durban en Londen drijft hij dat procedé wel wat ver. Het verhaal wordt daardoor nodeloos ingewikkeld.

    Ook ‘Het vermoeden’ begint raadselachtig, met de zin ‘Het lag er opeens’. Dat ‘het’ is iets mysterieus, een onbestemde, bezielde levensvorm: ‘Na een dag of tien was het duidelijk dat het daar zou blijven liggen. Uit niets kon worden afgeleid dat het zich ongemakkelijk voelde. Het begon eerder vastberadenheid uit te stralen. Onder invloed van het weer veranderde het voortdurend van kleur. Als de zon erop scheen, begon de buitenkant te iriseren waardoor het een blauwgroenige gloed kreeg. Zodra er een wolk tevoorschijn kwam, verdween de straling en werd het weer gitzwart.’

    Soms lijkt het alsof de auteur de lezers bewust in het duister laat zitten tot hij het kaarsje voor hen aansteekt, maar het licht gaat nooit helemaal aan waardoor de mysterieuze spanning goed stand houdt. Het idee wordt nog verder uitgewerkt in het daaropvolgende ‘Opgelost’, waarin een muziekschool de deuren moet sluiten na een incident met een tot gigantische proporties uitgegroeid ‘iets’: ‘Even dachten we dat het door de wind kwam, maar iets enorms scheurde ze open, vulde de achterwand en schoof naar voren. Onstuitbaar perste het zich naar voren, vulde het podium en veegde de muzikantjes de orkestbak in. Het blurpte over de podiumrand, bedolf de gillende kinderen en bedekte de ene rij toeschouwers na de andere.’

    Geslaagd verhaal

    Het meest geslaagde verhaal is ‘Een mond vol knikkers’. Met veel ironische afstand en zelfspot voert Van den Akker daarin ene David op, een dichter die zich beweegt in de marginale sfeer waartoe de poëzie lijkt te zijn veroordeeld: een wereld van optredens voor anderhalve man en een paardenkop in schimmige achterafzaaltjes waar al sprake is van een groot succes als vrijwilligers na afloop enkele exemplaren kunnen slijten van de oplage van 200 exemplaren op handgeschept papier: ‘Nog even en David zou aan de beurt zijn. Er zou worden geklapt en langzaam zou hij naar de tafel lopen. Zelfverzekerd zou hij een glas volschenken om te laten zien dat zijn handen niet trilden. Vervolgens een beetje in zijn stapel papieren rommelen en zijn bril uit zijn binnenzak halen. Aandachtig bladeren, wenkbrauwen fronsen en een verbaasde glimlach tevoorschijn toveren. Alsof hem zojuist was geopenbaard welke gedichten hij kiezen moest.’ Uit het leven gegrepen, zoals dat heet.

     

  • Verhalen op het kruispunt van culturen

    Verhalen op het kruispunt van culturen

    Hoe kijk je naar de wereld als je je leven zich in meerdere, cultureel totaal verschillende landen afspeelt? Niemand kan die vraag beter beantwoorden dan Lesley Nneka Arimah (1983), een Nigeriaanse schrijfster die haar kinderjaren zowel in Engeland als in haar vaderland doorbracht om vervolgens als tiener naar de Verenigde Staten te emigreren. Haar verhalen verschenen in prestigieuze bladen als The New Yorker, Granta of Harper’s en ze wordt als een groot talent beschouwd. Uitgeverij Karaat publiceerde een Nederlandse vertaling van haar debuut Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt.

    Moeder-dochterrelatie

    Het gros van de verhalen is autobiografisch geïnspireerd. In Oorlogsverhalen valt de ik-figuur meteen met de deur in huis: ‘Dit keer hadden mijn moeder en ik ruzie over wat ik op school gedaan had om voor eens en altijd te kunnen bewijzen dat Anita Okechukwu geen beha droeg.’ Aan het woord is een Nigeriaans tienermeisje uit Port Harcourt, de Nigeriaanse kuststad die bekend is om zijn olie-industrie. Na een incident op school en een ruzie met haar moeder, speelt haar vader ’s avonds een partijtje schaak met haar en vertelt een verhaal over zijn tijd in het leger. De volgende dag wordt ze als een heldin op school onthaald: ze heeft Anita Okechukwu, stichtster van een ‘meidenclub’ waarvan beha-loze meisjes worden uitgesloten, van de troon gestoten en wordt als nieuwe leidster nu geacht om ‘recht te spreken’.

    Grensgebied van culturen

    Een gespannen moeder-dochterrelatie loopt als een rode draad door bijna alle verhalen. Haar vader is weliswaar een labiele man, maar reageert toch opvallend rustig door een verhaal te vertellen. Ook die verwijzing naar de Afrikaanse orale traditie komt steeds terug. Interessant wordt het vooral wanneer Arimah het grensgebied bezoekt van de culturen waarmee ze opgroeide. Zo wordt in het vrhaal ‘Wild’ ene Ada, een Nigeriaanse jongedame die met haar moeder in de Verenigde Staten woont, tegen haar zin naar haar tante Ugo in haar thuisland gestuurd. Dat de moeder moeite heeft met het gedrag van haar vrijgevochten dochter, wordt op een pijnlijk grappige manier duidelijk:

    ‘Genoeg was die keer dat mijn moeder, die probeerde van haar hoofdpijn af te komen, de xtc vond waarvan ik dacht die slim verstopt te hebben in een Excedrin-flesje, en ik bij thuiskomst haar op de grond tapijtengeltjes zag maken. Ik ging naast haar liggen en we lachten en lachten tot zij weer nuchter werd en het lachen haar vergaan was.’

    Ada maakt in Nigeria kennis met haar nicht Chinyere, niet bepaald het braafste meisje van de klas en bovendien tienermoeder. Als ze samen naar een benefietavond gaan en Ada de Nigeriaanse gedragsregels moedwillig negeert, lopen de zaken behoorlijk uit de hand.

    Ongelukkig gesternte

    Niet alle verhalen zijn even geslaagd. Arimah vliegt weleens uit de bocht als ze haar comfort zone verlaat: ze schrijft het best over de wereld die ze kent. Het dystopische titelverhaal Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt, waarin mensen hun nationaliteit op hun pols getatoeëerd krijgen en wiskundigen bizarre formules bedenken om bijvoorbeeld ‘treurnis te berekenen’, blijft niet echt overeind.

    Het hoogtepunt van deze bundel, Glory is een doorleefd verhaal met een vrij realistische setting waaruit blijkt dat Arimah het beste resultaat neerzet als ze schrijft over situaties waar ze door haar achtergrond mee vertrouwd is. Ook hier is de hoofdpersoon een jonge Nigeriaanse vrouw die in de Verenigde Staten leeft. Deze keer heet ze Glorybetogod Ngozi Akunyili – in feite gaat het in wezen altijd om hetzelfde personage in de autobiografische geïnspireerde verhalen, ook al krijgen ze een andere naam. De verwachtingen van Glory’s ouders zijn hooggespannen, maar ze wordt onder een ongelukkig gesternte geboren: De vader zag niet wat de grootvader wel zag, de sluier van onheil over Glory’s gezicht die bepalend zou zijn voor elke beslissing die zij zou nemen, en die haar onherroepelijk zou leiden naar het maken van de verkeerde keuzes, iedere keer weer.’
    En: ‘Veel dingen die ze deed waren ingegeven door een wrok waarvan ze de oorzaak niet kon aanwijzen – alsof ze geboren was om de wereld haat toe te dragen.’

    Open einde

    Na een mislukte rechtenstudie zit er voor Glory niet veel meer in dan een slecht betaald baantje in een callcenter, een plek waar ze de hele dag nee moet zeggen ‘zonder daadwerkelijk nee te zeggen’ tegen armlastige Amerikanen die hun huis dreigen te verliezen.  Niet alleen op Facebook creëert ze een fake versie van zichzelf – het sociale netwerk is inderdaad niet bepaald een plek waar mensen geneigd zijn om hun ware ik, met alle bijhorende zwaktes en tekortkomingen te etaleren – ook als ze het aanlegt met een ambitieuze Nigeriaanse jongeman en haar toekomstige schoonmoeder ontmoet, komt het er vooral op aan om de schone schijn op te houden. De sfeer bekoelt echter door een dramatische onthulling, waarna Arimah met een mysterieus open einde afrondt: ‘Terwijl ze naar de ring keek streden wrok en euforie met elkaar, tot een van hen de overhand kreeg en Glory een beslissing nam.’

    Verhaaltechnisch is dat een interessante zet: losse eindjes nodigen de lezer uit om na te denken over een mogelijke afloop en de diepere betekenis van het verhaal te reflecteren. De wisselvalligheid van deze verhalenbundel toontt dat Arimahs talent nog wat moet rijpen, maar er valt zeker meer van haar te verwachten.

     

  • Zomerlezen- España

    Aan de oever

    Op nummer drie in de lijst van populaire vakantiebestemmingen voor Nederlanders prijkt Spanje, na Frankrijk en Duitsland. Het is er nu toch veel te heet om iets anders te doen dan de schaduw op te zoeken met een goed boek, dus hierbij drie tips waarvoor u vast nog wel een plekje vindt in uw koffer, naast de zonnecrème.

    Kenners van de Spaanse literatuur weten dat Rafael Chirbes (1949-2015) niet de bekendste, maar misschien wel de grootste van zijn generatie was. Als u iets wilt begrijpen van het moderne Spanje, mag u hem niet missen. Misschien is het u wel eens opgevallen dat er sinds de instorting van de Spaanse vastgoedmarkt overal aan de Spaanse costa’s half afgewerkte bouwprojecten staan te verkommeren? Welkom in de wereld van Esteban, hoofdpersonage van Chirbes’ Aan de oever, die het geld van zijn vaders bescheiden meubelmakerij investeert in een bouwonderneming in de hoop mee te profiteren van de vastgoedhausse die aan de verwoestende crisis voorafging. Uiteindelijk wordt de meubelmakerij meegesleurd in de ondergang van Estebans vastgoedproject, staat het personeel op straat en kan hij de verpleegster die voor zijn dementerende vader zorgt, niet langer betalen. Chirbes geeft u een kijkje achter de schermen van de Spaanse bouw- en toerismesector, waar louche zakenlui, corrupte politici en andere onfrisse figuren rijk proberen te worden over de rug van de Spanjaarden onder aan de sociale ladder. Geef de ober die uw paella opdient straks dus maar een mooie fooi, want hij/zij moet rondkomen van een hongerloon.

     

    Aan de oever
    Auteur: Rafael Chirbes
    Uitgeverij: Meridiaan

    De nacht der tijden

    Een andere sterkhouder van de Spaanse letteren is de Andalusiër Antonio Muñoz Molina. Een van zijn mooiste boeken is ongetwijfeld De nacht der tijden, over een onmogelijke liefde tussen een Spaanse architect en een Amerikaanse schrijfster aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog. Dat klinkt sentimenteel, maar niets is minder waar. Slechts weinigen verstaan de kunst om over liefde te schrijven zonder te vervallen in stereotypen of melodramatische clichés, maar Muñoz Molina draait zijn hand er niet voor om en toont met succes hoe lastig en tegelijkertijd hoe mooi el amor kan zijn.

    De nacht der tijden
    Auteur: Antonio Muñoz Molina
    Uitgeverij: De Geus

    Andalusisch logboek

    Over de derde Spanje-tip hebben ik nog even getwijfeld. Andrés Barba, die met Republiek van licht een verbluffende roman schreef, was zeker een goede kandidaat, maar het boek speelt eigenlijk meer in een fictieve Latijns-Amerikaanse stad. Bovendien stellen ik u graag voor aan een Vlaming die al jaren in Spanje woont: Stefan Brijs. Misschien kent u hem als romancier, maar zijn Andalusisch logboek is zeker niet te versmaden. Brijs woont in een afgelegen dorp in de bergen bij Málaga en beschrijft in zijn logboek over het leven aldaar, van de cultuur tot de mensen, maar ook de natuur. Wist u bijvoorbeeld dat er een dramatisch watertekort dreigt in Andalusië omdat de lokale boeren massaal zijn overgeschakeld op het telen van aardbeien en avocado’s? Vroeger verbouwden ze gewassen die minder moesten worden besproeid en beter waren bestand tegen de droogte. Reken daar nog bij dat de Spaanse costa’s in de zomer worden overspoeld door toeristen die de schaarse watervoorraad nog meer uitputten, en er dreigt echt een milieuramp. Geniet van uw vakantie, maar sta daar misschien toch even bij stil voordat u het zwembad induikt.

    Andalusisch logboek
    Auteur: Stefan Brijs
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Houellebecqs economisch mensbeeld

    Bernard Maris, kritisch econoom, hoogleraar en journalist, had een economische column in het satirische weekblad Charlie Hebdo. Bij de aanslag op 7 januari van dit jaar op de redactie van dit blad is hij omgekomen. Hij was een bewonderaar van Keynes en Marx en van Michel Houellebecq; en een scherp criticus van het huidige economisch systeem en de ‘wetenschappelijke’ basis die daaraan ten grondslag ligt.

    In Economie is geen wetenschap, zijn laatste boek, bespreekt hij de plaats van de economie in de huidige maatschappij aan de hand van het werk van Michel Houellebecq en een aantal vooraanstaande economen.

    Aanleiding voor het boek is de opvatting van Maris dat de economen veel kunnen leren van Houellebecq. ‘Economie reduceert de duizend-en-een poëtische aspecten van het leven tot twee dimensies: geld op de x-as en rationaliteit op de y-as, een totaal vlakke wereld.’ Economen proberen het leven te ontdoen van liefde, begeerte, geluk, geweld, angst, kortom te ontdoen van emoties, uit naam van de rationaliteit van het menselijk handelen. Houellebecq daarentegen benadrukt juist het belang van emoties. Hij voorspelt in zijn werk dat de economie de samenleving fataal wordt en daarom is het een goede zaak om de economie te ontmaskeren en het gevaar voor de maatschappij bloot te leggen. In plaats van louter economische criteria te hanteren, is de maatschappij meer gebaat bij de redenen die Houellebecq geeft om te leven, of beter te overleven: liefde en goedheid. Volgens Maris zouden alle economen Houellebecq moeten lezen voor de manier waarop hij het economisch gedachtegoed ontzenuwt. Waar de homo economicus rationeel is, is de mens dat bij Houellebecq allerminst. Waar de econoom het utilitaristische van de mens benadrukt, staan bij Houellebecq het nut en de nutteloosheid centraal.

    In vijf korte hoofdstukken veegt Maris in scherpe bewoordingen de vloer aan met de economie zoals die heden ten dage wordt toegepast. Elk hoofdstuk is gewijd aan een belangrijk adagium van de economie, zoals de heerschappij van het individu, de rationaliteit van het menselijk handelen, de werking van vraag en aanbod, het ondernemen en het concurreren, het onderscheid tussen het economisch nuttige en nutteloze, en het kapitalisme als systeem.

    Aan al deze thema’s koppelt hij boeken van Houellebecq, zoals De kaart en het gebied (over creatieve vernietiging, een geliefd concept van de econoom Schumpeter), De wereld als markt en strijd (over concurrentiestrijd), Elementaire deeltjes (over consumentisme), Platform (over het nuttige en nutteloze), De mogelijkheid van een eiland (over een post-kapitalistische maatschappij).

    Maris bespreekt het werk van Houellebecq aan de hand van het gedachtegoed van de economen Marshall, Schumpeter, Keynes, Marx, Fourier, Malthus. Hij zoekt aansluiting bij Houellebecq omdat die eenzelfde kritische positie inneemt als hijzelf. Beide vinden dat de moderne economische praktijk onder ethisch toezicht moet worden geplaatst vanwege het verwerpelijke mensbeeld dat aan de economische wetenschap ten grondslag ligt en de grote sociale uitwassen (zoals sociale ongelijkheid, armoede) die daarvan in de praktijk het gevolg zijn.

    Maris slaagt er evenwel niet in om in ieder hoofdstuk de relatie tussen Houellebecqs opvatting en die van de desbetreffende econoom uiteen te zetten. Op de titelpagina van elk hoofdstuk wordt de desbetreffende econoom expliciet genoemd, alleen wordt zijn gedachtegoed in het ene hoofdstuk nauwelijks behandeld, in een ander helemaal niet en in weer een ander wordt alleen gezegd dat hij de uitvinder van een concept is, zoals bijvoorbeeld Schumpeter en de creatieve vernietiging. Het behandelen van deze economen op deze ongelijksoortige wijze doet wat gekunsteld aan.

    In zijn taalgebruik lijkt hij op Houellebecq: scherpe bewoordingen en vileine vergelijkingen geven dit boek het karakter van een schotschrift. Zo schrijft hij: ‘In werkelijkheid is de wereld van de economie er een van haat en geniepige, achterbakse, keiharde klappen, van langzame en heimelijke, vaak onzichtbare, soms dodelijke, altijd verminkende folteringen’.

    En in zijn ogen is de economie nog erger dan de religie: ‘Economie is geen vage ideologie, maar juist een heel precieze, verdorven, schadelijke – erger dan godsdiensten ooit zijn geweest. (…) Na het christendom kwam de wetenschap en vervolgens de economie, die een terugkeer betekende naar de ergste vorm van religie, namelijk de gerationaliseerde religie.’

    Hoewel Maris zelf schrijft dat het boek bedoeld is als een knipoog, wordt de economie met veel verbaal geweld bij het grofvuil gezet. Leuk om te lezen, maar doorslaand in de boodschap die het wil uitdragen. De ordening en de manier waarop hij het uitwerkt in de relatie met het werk van Houellebecq is wel origineel.